|
|
|
| |
5 Hoe collectieve arrangementen een stedelijke schaal verkregen
Op dit punt past een generalisatie: stedelijke voorzieningen zoals
politiebewaking en rioleringsnetwerken kwamen in de eerste plaats de rijkere
burgers ten goede. De ruimtelijke segregatie maakte het mogelijk om
dienstverlenende netwerken op te zetten voor individuele abonnees in
betrekkelijk homogene gebieden. De armere buurten werden in het algemeen pas
aangesloten op het moment dat het stedelijk areaal vrijwel ‘verzadigd’ was met
netwerkinstallaties. Ondertussen bleven negatieve externe effecten uit deze
armere, niet-aangesloten gebieden de rijkere delen van de stad belasten. In dit
eindstadium, waarin de centrale installaties en hoofdleidingen al waren
aangelegd, konden de stedelijke | | | | dienstverlenende netwerken tegen
slechts marginale kosten naar de armere gebieden worden doorgetrokken: men
hoefde slechts de meerkosten af te wegen tegen de aanhoudende externaliteiten.
Er kwam dan ook een moment dat de gemeenteautoriteiten de aansluiting voor de
hele stad verplicht stelden en de diensten als een semi-openbaar goed gingen
verlenen. De contributies voor het gebruik werden als een soort belasting
geheven, grotendeels onafhankelijk van de werkelijke kosten van de afzonderlijke
aansluiting, en vaak zelfs onafhankelijk van de omvang van het individueel
verbruik.
Het individuele isolationisme en de daaruit resulterende sociale segregatie
droegen bij tot een transformatie van de onderlinge afhankelijkheid die de
urbanisatie tussen rijken en armen had teweeggebracht. Ze verzachtten de
onmiddellijke externe effecten van verarming en vervuiling op de rijkere
stedelingen. In de loop van het segregatieproces raakten arm en rijk minder als
buren op elkaar betrokken en ging het meer en meer tussen arme en rijke buurten.
Dit gebeurde in de eerste plaats omdat in de ruimtelijke segregatie sommige
wijken er zeer op vooruit gingen, terwijl andere in verval raakten omdat ze ook
die armen moesten opnemen die uit de gerenoveerde zones verdreven waren.64 Ten tweede kwam
het doordat de segregatie intensiever verkeer noodzakelijk maakte tussen de
wijken, waarvan sommige vooral industriegebied geworden waren, en andere
voornamelijk centrale winkelwijken, of uitsluitend woonbuurt. Dit dwong de
stedelingen van het ene stadsdeel naar het andere te pendelen om hun alledaagse
zaken af te doen. Stadsontwikkelingsprojecten en de aanleg van stadsvervoer
versnelden de sloop van oude arbeiders- en sloppenwijken: zodoende werden de
bewoners gesplitst in een deel dat zich een ‘woningwetwoning’ kon veroorloven,
en een deel dat in de resterende sloppen nog dichter opeengedrongen werd.
Bovendien raakten de marginale ondernemingen steeds verder geïsoleerd:
straathandelaars en venters konden geen klanten meer vinden in hun eigen buurt
en werden niet getolereerd in de winkel- en woonwijken. Pensions werden om
redenen van openbare orde of hygiëne de een na de ander gesloten. Ook dit
vergrootte het aantal daklozen die hun toevlucht zochten op straat of in
zwerversasielen. Zo kon het schrikbeeld van kleine misdaad, epidemieën en
rebellie onverflauwd blijven spoken, ook al was de hinder, het externe effect
dat de eerste fase had gekenmerkt, grotendeels verdwenen.
Gedurende de hele negentiende eeuw waren stedelijke hervormingen het onderwerp
van verhitte discussie en van een opeenvolging van vernieuwingsplannen. Het
duurde lang voordat ze gerealiseerd werden, maar ten langen leste brachten alle
grote steden een reeks stedelijke voorzieningen tot stand, min of meer
gelijktijdig, en meestal op dezelfde manier.
De diverse vernieuwingsplannen die in de vroege negentiende eeuw werden
voorgesteld dienden alle ter bestrijding van misstanden die werden beschouwd als
collectieve bedreigingen, en ze leidden zonder uitzondering tot het creëren van
collectieve goederen via collectieve acties, maar ze deden dit op onderling zeer
uiteenlopende wijze.
| | | |
In het algemeen kunnen de projecten in drie opzichten met elkaar vergeleken
worden. De eerste overweging betrof de vraag of hun opzet forse
kapitaalinvesteringen vereiste. Wanneer dit het geval was, moesten er
aanzienlijke langlopende leningen worden uitgeschreven, door particuliere
ondernemers of door het stadsbestuur: een voorbeeld van collectieve actie bij
‘onzekerheid van remedie’. De tweede vraag was of deze arrangementen
samenwerking van het merendeel van de burgers in een bepaald gebied noodzakelijk
maakten. Die ‘gezamenlijkheid van produktie’ van het collectieve goed maakte dan
een of andere vorm van dwingende regulering door het stadsbestuur onontkoombaar.
Maar elk voorstel dat nieuwe vormen van dwang oplegde, moest ook tegenstand
oproepen.
Ten slotte was er de vraag of mensen die weigerden voor de voorgestelde diensten
te betalen, konden worden uitgesloten. Indien die uitsluiting om economische of
technische redenen niet goed uitvoerbaar was, kon de kans op profiteren ten
koste van degenen die de diensten verleenden een voldoende aantal burgers in de
verleiding brengen om de financiële basis van het project te ondermijnen: in
zo'n geval moest het plan gefinancierd worden door de heffing van een bijdrage
van iedereen, ongeacht werkelijk gebruik, met speciale gemeentelijke belastingen
of uit het algemene belastingfonds. In de loop van de eeuw bracht het sociale
segregatieproces onbedoeld de oplossing voor dit ‘zwartrijdersprobleem’: doordat
bereidwillige abonnees bij elkaar kwamen te wonen, ver van de mensen die maar al
te geneigd waren tot ontduiking van de aansluitingskosten.
Omdat de stedelijke wijken homogener werden, hadden de bewoners meestal dezelfde
opvattingen over de problemen van het stadsleven, en waren ze het in grote
lijnen eens over de remedies. In veel opzichten werd de ‘buurtgemeenschap’ de
handelende eenheid in de stadspolitiek. Dit gold zeker voor politiebewaking, de
meest collectieve van de stedelijke voorzieningen: hoewel het in theorie
onmogelijk was dat iemand zich onttrok aan de waakzaamheid der politie of van
haar bescherming uitgesloten werd, bewaakten in de praktijk politieagenten de
eigendom daar het ijverigst, waar er het meeste van was, en hielden ze de mensen
daar het nauwlettendst in de gaten waar de meesten waren.65 Iets
dergelijks gold ook voor de stedelijke dienstverlenende netwerken, die minder
collectief van aard waren vanwege het feit dat uitsluiting en zelfuitsluiting
hier tot de mogelijkheden behoorden. Maar ook hier waren externe effecten
werkzaam. Wanneer één huishouden niet werd aangesloten op het rioleringsstelsel,
kon het afval de omliggende woningen overlast bezorgen.66 Wanneer één eigenaar zich weigerde in te
schrijven op de vuilnisophaaldienst, bevuilde zijn afval ook de stoep van de
buren. En wanneer sommige bewoners zich niet lieten aansluiten op de
waterleiding, bleef het de mensen één deur verder weliswaar even goed smaken,
maar moesten zij zich zorgen gaan maken om de gezondheid van hun buren en dus
hun eigen kans op besmetting: epidemische ziekte was de grote externalisator van
de effecten van het privé-leven.
In dit opzicht zijn gas- en elektriciteitsnetwerken het minst collectief van
aard, | | | | omdat het er voor het ene huishouden minder toe doet of de
andere er al dan niet op aangesloten zijn.67 Hetzelfde geldt voor de meer recente telefoon- en
kabelantennenetwerken. Politie, waterleiding, riolering en vuilverwijdering zijn
dan ook bijna overal openbare diensten geworden, terwijl gas, elektriciteit,
telefoon en antennenetwerken in sommige landen nog steeds in particuliere handen
zijn, en aansluiting vaak plaatsvindt op basis van vrijwilligheid.
Armoede, vuil en ziekte overtuigden de stadsbevolking van de algemene noodzaak
van sanitaire hervorming; de opeenvolging van cholera-epidemieën onderstreepte
de dwingende urgentie. Het leed geen twijfel dat de levensomstandigheden van de
armen ingrepen in die van de welgestelden, zelfs nadat de laatsten naar
afgescheiden woonwijken verhuisd waren. ‘Ongezonde’ buurten konden andere wijken
immers nog steeds aantasten met hun ‘miasma’. De belangrijkste taak bestond dus
in de verwijdering van menselijk, dierlijk en industrieel afval uit huizen en
straten in de hele stad. Rond 1850 was het duidelijk geworden dat de uitvoering
van deze taak vroeg om een constante en overvloedige toevoer van schoon water
voor het schoonspuiten van de straten, het wegspoelen van huiselijk afval en de
afvoer van alle vuil. Omdat het water tevens gebruikt zou worden als drink- en
kookwater, moest het van hoge kwaliteit zijn. Nieuwe technieken,
wetenschappelijke ideeën en bestuurlijke projecten wezen alle in de richting van
een grootse oplossing, het aderlijk-slagaderlijk stelsel van watertoevoer en
afvalverwerking.
Maar al deze noodzakelijke voorwaarden waren niet voldoende om de hervormingen
door te voeren. Daarvoor was de vastbesloten overtuiging van een kleine
voorhoede van toegewijde en verlichte ambtenaren en deskundigen nodig, die
ondersteund werden door de progressieve kiezers uit de middenklasse. En zelfs
toen daaraan was voldaan kon het stelsel slechts op een tamelijk indirecte en
onvoorziene wijze voltooid worden.
Ten eerste waren waterleiding- en rioleringsinstallaties kostbaar, ook waar geld
geleend kon worden tegen de door de abonnees te betalen contributie. Ten tweede
correspondeerde de bestuurlijke kaart van het stadsgebied nergens met de
hydrogeologie van de streek, dat wil zeggen, met de toevoer van het drinkwater
en de stroomgebieden. Competentieconflicten verlamden de hervorming in elke
fase. En ten slotte konden de welgestelden die naar betere buurten verhuisd
waren hun water- en afvalhuishouden ook individueel bestieren, door schoon water
per fles te kopen of zich te laten aansluiten op de leidingen van een
particuliere onderneming, en door hun vuil en afval mee te geven aan
onafhankelijke inzamelaars. Dit paste heel goed in een algemeen verzet tegen
overheidsbemoeienis, een permanente angst voor belastingverhogingen en een
diepgewortelde argwaan tegen vernieuwingen die vreemde pijpleidingen tot in de
meest persoonlijke hoeken van het leven van de burger brachten en zo diens
huishouden intiem met het openbare lichaam verbonden. Het is aannemelijk dat de
uitvinding van het watercloset uiteindelijk de welgestelde burgers ertoe heeft
| | | | gebracht het stelsel toch te accepteren. Na een periode van
experiment en mislukking bleek deze installatie geheel afdoende in het voorkomen
van elke geur of aanblik die met de ontlasting samenhing.68 En omdat men deze geuren en kleuren
zo nauw met armoede en ziekte was gaan associëren, werd de elegante verwerking
van de ontlasting voortaan een blijk van rijkdom, gezondheid en reinheid. Maar
het tamelijk eenvoudige systeem van het watercloset vereiste ook een constante
toevoer van spoelwater onder druk en een permanente afvoer die was aangesloten
op een groter stelsel voor afvalverwerking. Zo werd het watercloset de
rechtstreekse verbinding tussen de individuele burger en de collectiviteit.
Omdat de aanleg van riolering het eenvoudigst was op onbebouwd terrein, werden
nieuwgebouwde huizen doorgaans het eerst aangesloten op de waterleiding en het
ondergrondse riool. Voor die onroerend-goedprojecten werden de nieuwe
waterclosets een belangrijk verkoopargument. En de tamelijk welgestelde bewoners
van de nieuwe wijken waren bereid de kosten te betalen.
Hoewel er indertijd druk over gedebatteerd werd, doet het er achteraf gezien niet
zoveel toe of de diensten werden verleend door particuliere ondernemingen met
een vergunning van het stadsbestuur, of door stedelijke instanties die met
obligaties gefinancierd werden. En in de meeste steden werden de particuliere
waterleiding- en reinigingsmaatschappijen met overheidslicentie in de loop der
tijd overgenomen door het stadsbestuur. Het ontwerp en de financiering van de
operatie vereisten alle beschikbare expertise van die tijd.69 De
spoorwegaanleg fungeerde hierbij als precedent, zowel in waarschuwende als in
aanmoedigende zin. Men had geleerd hoe men een uitgebreid netwerk moest bouwen
zonder scherpe bochten en hellingen (waterleidingen en rioleringen dienen
natuurlijk altijd iets af te lopen en scherpe bochten te vermijden, ten einde
het water stromende te houden: een belangrijke technische uitdaging die
aanvankelijk niet altijd werd voorzien). De spoorwegen waren ook een voorbeeld
voor het bijeenbrengen van enorme sommen geld voor een lange-termijninvestering
die zou worden terugbetaald door de gebruikers.
In de oudere stadsdelen waren de zaken heel wat minder eenvoudig; daar was het
installeren kostbaarder en de bevolking heterogener: de meeste projecten
voorzagen in betaling van de contributie door de huiseigenaar, en dit leidde tot
een krachtig verzet van een invloedrijke maatschappelijke laag die zich - in
Engeland - organiseerde als de dirty party, de smerige partij.
Het werd er in de oudere panden ook niet veel beter op, wanneer mensen bij
tientallen dezelfde kraan en wc moesten gebruiken (en hoe privater het werd, des
te moeilijker was het toezicht op de gebruikers).
De waterleiding en rioleringsmaatschappijen moesten centrale zuiverings- en
pompinstallaties bouwen, hoofd- en zijleidingen voor de aangesloten wijken.
Geleidelijk raakte een goed deel van de stad op het stelsel aangesloten, en
waren onder het grootste deel van de bebouwde kom leidingen gelegd; de
specifieke stedelijke situatie, de lokatie van de bronnen, de lozingsgebieden,
het waterpeil | | | | van de diverse buurten, de positie van de rijkere
wijken ten opzichte van de armere gebieden, al deze overwegingen bepaalden groei
en vorm van het stelsel, en daarmee ook welke buurten van aansluiting verstoken
bleven, en wat hun aansluiting alsnog zou kosten.
Zo werd in de meeste negentiende-eeuwse steden een waterleiding- en
rioleringsstelsel geconstrueerd als een gemeenschappelijk - dat wil zeggen: een
deelbaar - goed: de centrale installaties werden gefinancierd met leningen tegen
de inkomsten uit abonnementen, terwijl zij die niet betaalden van het netwerk
werden uitgesloten. Deze aanpak werd uitvoerbaar in de nieuwe, sociaal homogene
woonwijken waar men ervan kon uitgaan dat iedereen die er kwam wonen zich zou
inschrijven. Het gevaar dat sommigen zouden afzien van aansluiting op het
sanitaire stelsel, daarbij zelf profiterend van de schone omgeving die ze voor
anderen met hun onverwerkte afval bedierven, was in deze betrekkelijk rijke
buurten minimaal; stedelijke verordeningen die inschrijving verplicht stelden
waren overbodig, of konden eenvoudigweg worden opgevoerd als een voorwaarde in
het huur- of koopcontract. De netwerken werden dus, hoe uitgestrekt en kostbaar
ze ook waren, aanvankelijk betaald en geleverd als particuliere, zij het
gemeenschappelijke, goederen. Hun aanzienlijke externe effecten werden, gezien
de sociale homogeniteit van de gebruikersbevolking in de nieuwe wijken, min of
meer gelijkelijk verdeeld. Bij de inschrijving was het persoonlijke wooncomfort
de voornaamste overweging, en kón dat ook zijn toen eenmaal door de sociale en
ruimtelijke segregatie de op korte termijn en afstand werkzame externe effecten
van andermans smerigheid waren afgewend.
Het collectieve belang bij openbare hygiëne - de preventie van massa-epidemieën -
gaf de ideologische toon aan voor veel van deze sanitaire activiteiten. Het
bepaalde echter niet de timing en het verloop van de aanleg der netwerken, die
vooral door particuliere eisen werden beïnvloed. De economie van de
netwerkconstructie werd en wordt beheerst door marginale kostenberekening.
Langzaam maar zeker raakte de stad verzadigd met pijpen en kanalen totdat nog
slechts enkele - doorgaans oudere en armere, of minder goed bereikbare - wijken
niet op het netwerk waren aangesloten: ‘De klassenscheiding had dus
hydrologische dimensies,’ schrijft Berlanstein.70
De centraal gelegen, verarmde buurten vormden de grootste bedreiging voor de
stedelijke hygiëne, en ze konden meestal het goedkoopst aagesloten worden
wanneer er al een wijd vertakt netwerk was aangelegd. Tegen die tijd waren door
technische en bestuurlijke ervaring de problemen van installatie en beheer
eenvoudiger geworden, het stadsbestuur had een leerproces doorgemaakt, en
statistieken toonden nu hoe schoon drinkwater en effectieve afvalverwerking de
volksgezondheid bevorderden op een wijze die de meest optimistische
verwachtingen overtrof. Op dit punt kon de coalitie van technici,
gezondheidsdeskundigen en bestuurders, ondersteund door een verlichte publieke
opinie, de besluiten doorzetten voor de subsidiëring van waterleiding en
riolering in deze laatste pockets van ongezondheid die de gezondheid van de
burgerij in haar geheel in gevaar brachten. Het stelsel | | | | werd dus
pas in zijn laatste fase een echt openbaar goed, dat zich uitstrekte over alle
burgers, en waarvan niemand kon worden uitgesloten of zichzelf kon uitsluiten.
Het werd gefinancierd uit verplichte gemeenteheffingen, die onafhankelijk van
installatiekosten werden berekend, tegen vast tarief of naar verbruik. Het
beheer van water en afval was voor eens en altijd veranderd van een hoogst
persoonlijke zaak in een openbare aangelegenheid op het niveau van het
stadsbestuur.71 Het nieuwe sanitaire arrangement bleek zo succesvol
en effectief dat het al gauw onomstreden werd en binnen enkele generaties uit
het publieke en persoonlijke bewustzijn is geglipt. De problemen van vervuiling
en milieubescherming zijn echter blijven bestaan en opnieuw urgent geworden,
maar ditmaal op een hoger niveau van integratie, dat van de nationale staat en,
zelfs nog dringender, op supranationale schaal.
|
64‘De armen worden verplaatst maar niet verwijderd. Ze
worden uit het ene deel van de gemeente weggeschoven om in een ander deel de
verstikkende onderkomens nóg overbevolkter te maken...’ The
Times, 1861, geciteerd in Wohl, 1977, p. 31.
65Particuliere veiligheidsdiensten kunnen eveneens interessante,
en zelfs perverse externe effecten voortbrengen: naarmate meer mensen in een
gebied er gebruik van gaan maken, worden de buren die zonder hun bescherming
blijven meer en meer blootgesteld aan criminele aandacht, zodat ze bijna
gedwongen zijn om zich ook tot deze diensten te wenden; opnieuw dreigt een
optie voor sommigen een noodzaak voor allen te worden.
66De inhoud van beerputten sijpelde de bodem in, en vervuilde zo de grond.
Wanneer poeptonnen over trappen en stoepen gedragen werden, lekte hun inhoud
op de grond en ging stinken.
67Hoewel
kolenfornuizen as en rook produceerden, en gas veel schoner
verbrandt.
68‘Een goedkoop en hygiënisch watercloset voor arbeiderswoningen
werd pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw ontwikkeld.’ Daunton,
p. 256, waar men een technische beschrijving van de opeenvolgende ontwerpen
kan aantreffen; zie voor de Verenigde Staten ook D.P. Handlin, pp. 455-471;
Wright passim.
69Vgl. Armstrong (red.) voor watertechnische innovaties en
mislukkingen in de Verenigde Staten; vgl. Binnie voor Engeland. Roe's
uitvinding van de ovale pijp, bij voorbeeld, was zeer kostenbesparend, en
verhoogde ook de doelmatigheid van de sanitaire netwerken, omdat zelfs bij
lage waterstanden het water dat in de smalle onderste helft van de leiding
stroomde zijn snelheid en draagkracht behield, terwijl de bredere bovenkant
indien nodig plaats bood aan grotere hoeveelheden; vgl. Binnie, p. 5.
Geglazuurde aardewerken rioleringen en gietijzeren waterpijpen beperkten de
lekkage en sleten veel langzamer dan de oudere bakstenen gewelven en holle
houten pijpen; vgl. Armstrong (red.), p. 232-3, 401.
70p. 57;
vgl. Gauldie, p. 75: ‘Water was geen vrij goed.’ Zie ook pp. 75-81 over de
achterblijvende waterleiding- en rioleringsvoorzieningen in de armere
Engelse stadswijken; vgl. ook Wohl, 1983, pp. 61 e.v. Vgl. Armstrong (red.)
pp. 216-232 voor een beknopt historisch overzicht van de watervoorzieningen
in de grotere Amerikaanse steden; vgl. ook Blake. Zie Verdoorn, pp. 208-215
over het negentiendeeeuwse Amsterdam. Voor Parijs zie Dupuy en Knaebel; ook
Goubert, te verschijnen. Voor Berlijn, vgl. Spree, pp. 118-128. Zie ook
Bullock en Read, pp. 87-109 voorDuitsland, pp. 324-56 voor Frankrijk.
71Vgl. Wohl, 1983, pp. 110-6 over
Engelse steden.
|
|