In een tijd van diepe armoede en algemene ontworteling - in de periode van het vroege industriële kapitalisme en van versnelde urbanisatie - ontstond een vorm van vrijwillige onderlinge bijstand die voortbouwde op oude tradities van wederzijdse ondersteuning. Fabrieksarbeiders in de steden konden niet langer vertrouwen op de aloude gebruiken van verwantschap en goed nabuurschap, op de tradities van gilden of broederschappen. Ze moesten alternatieve arrangementen zoeken, gebaseerd op vrijwillige samenwerking en aangepast aan de omstandigheden van het stedelijke bestaan. De proletarische beweging voor onderlinge hulp en zelfbestuur kan gelden als een uniek voorbeeld van autonome collectieve actie in een stedelijk industriële context.
Arbeiders die uit de omringende steden en dorpen naar de nieuwe fabriekssteden getrokken waren vormden daar verenigingen voor onderlinge hulp die in sommige opzichten de tradities van de leerlingfondsen uit het gildentijdperk voortzetten, maar de industriearbeiders stonden noch onder dwang noch onder bescherming van de gemeentelijke gildeverordeningen uit vroeger tijden.1 In de vrije-markteconomie van het opkomend kapitalisme stonden zij met lege handen, met niets te bieden dan hun arbeidskracht. In de uitdijende fabriekssteden ontbrak het hun aan reserves om op terug te vallen, behalve de goede zorgen van een verwant of buurman uit hun geboortedorp, of de steun van collega-ambachtslieden.2 En toch begonnen arbeiders al vrij snel verenigingen te vormen voor bijstand in tijd van nood, en stortten ze elke week van hun armoede een paar centen in de gemeenschappelijke kas voor een fatsoenlijke begrafenis, vaak van een vroeg gestorven kind.
Veel Friendly Societies, zoals de verenigingen voor onderlinge bijstand in Engeland heetten, breidden hun voorzieningen uit tot werkeloosheidsuitkeringen, ziektegeld, medicijnen en medische behandeling.3 Soms slaagden zij er ook in arbeidsongeschiktheids- en ouderdomspensioenen uit te betalen, en zelfs de nabestaanden van gestorven leden met een weduwenpenning te onderhouden.
De afzonderlijke Friendly Societies hadden meestal maar weinig leden en een klein vermogen, maar met elkaar telden de arbeidersonderlinges miljoenen contribuanten: ‘In het midden van de eeuw schatte men dat bijna de helft van de volwassen mannelijke bevolking van Engeland en Wales tot een vereniging behoorde.’4 A. Weber noemt cijfers voor Frankrijk die een snelle groei te zien geven van de sociétés de secours mutuel: een toename van een kwart miljoen leden in 1852 tot twee miljoen in 1903.5 Tennstedt citeert een percentage van 45%
van de Pruisische bevolking dat zich tegen ziektekosten had verzekerd in Krankenkassen, elk afzonderlijk van minieme omvang: gemiddeld honderd leden.6 Starr noemt schattingen van 25 tot 30% van de Amerikaanse gezinnen die behoorden tot ‘broederschapsorden en steunverenigingen’, die vaak een vorm van verzekering boden.7 Onderlinge verzekeringsarrangementen in Amsterdam dekten aan het einde der negentiende eeuw 40% van de bevolking.8 De geciteerde cijfers hebben betrekking op meer verzekeringsvormen dan de onderlinge arbeidersverzekeringen alleen, maar tezamen genomen geven ze een globale indicatie van omvang, groei en belang van het verschijnsel. En toch overheerst de indruk dat rond de eeuwwisseling het arbeidersbestuur al op zijn retour was, en dat de duizelingwekkende veelheid aan fondsen de arbeidende klassen slechts beschermden tegen een fractie van de risico's van overlijden, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en werkeloosheid.9
Slechts zeer weinige van deze talloze kleine, autonome steunfondsen zijn blijven voortbestaan tot op de dag van vandaag.10 Wat kan de verklaring zijn voor het verdwijnen van deze vorm van onderlinge bijstand onder onafhankelijk, gezamenlijk bestuur?
Er is weinig bekend over het dagelijkse reilen en zeilen van deze kleine fondsen. Slechts enkele beschrijvingen of notulen van hun vergaderingen zijn voor het nageslacht bewaard gebleven. De werknemers die het ledenbestand vormden, ontbrak het niet alleen aan formele vergadergewoonten maar ook aan de vaardigheden in methodische administratie. Bovendien verzetten zij zich meestal tegen inmenging van buiten en tegen inzage in hun boeken.
Toch heerste er een ‘nauwgezette aandacht voor procedures en institutionele etiquette,’ schrijft E.P. Thompson onder de kop ‘De rituelen van de onderlinges’, en hij voegt eraan toe: ‘De discipline die essentieel was voor de veilige bewaring van gelden, het ordelijk verloop van vergaderingen en de beslissingen over omstreden gevallen, vereiste een even grote inspanning tot zelfbeheer als de nieuwe arbeidsdiscipline.’11
De inzameling van de wekelijkse contributies vergde alweer een ‘maatschappelijke dwang tot zelfdwang’.12 In dit opzicht zetten de onderlinge arbeidersverzekeringen de traditie voort van de leerlingfondsen van de gildeknechts, die evenzeer belang hechtten aan ingetogen en respectabel gedrag om tijdens vergaderingen chaos te voorkomen en het vertrouwen te winnen van patronen en stadsbestuurders.13 Voor arbeidersonderlinges waren regelmatige plenaire bijeenkomsten onontbeerlijk. Ze dienden in de eerste plaats om leden die hun bijdrage nog niet betaald hadden ten overstaan van iedereen te schande te maken. Maar het samen drinken, roken en praten bevorderde ook het saamhorigheidsgevoel dat onder de nieuwe proletarische stadsbewoners nog niet erg sterk was.14 De verenigingen voor onderlinge bijstand waren tevens sociale clubs, en zetten ook in dit opzicht de traditie van de gilden voort. De leden ondersteunden elkaar vaak in moeilijke dagen, bij geboorte of ziekte, in tijd van nood of bij ruzies met bazen en huiseigenaren. De leden van de onderlinges voedden elkaar op tot
deelnemers in een opkomende arbeiderscultuur en een proletarische solidariteit die zijn uiteindelijke belichaming zou krijgen in de vakbondsbeweging.
Toch, door een aantal essentiële tekortkomingen, gingen de verenigingen voor onderlinge bijstand in een betrekkelijk korte tijdsspanne ten onder en werden hun voorzorgsfuncties overgenomen door nieuwe, veel grotere arrangementen: de nationale, door de staat beheerde, dwingende instituties van sociale zekerheid. Juist de eigenschappen die op de negentiende-eeuwse arbeiders zo'n grote aantrekkingskracht uitoefenden en die de enorme groei van de onderlinge fondsen verklaren, waren ook de oorzaak van hun zwakte, en leidden tot de ondergang van de arbeidersonderlinge.