|
|
|
| |
| | | |
· 5 · Arbeidersonderlinges - een intermezzo over zelfbestuur
In een tijd van diepe armoede en algemene ontworteling - in de periode van het
vroege industriële kapitalisme en van versnelde urbanisatie - ontstond een vorm
van vrijwillige onderlinge bijstand die voortbouwde op oude tradities van
wederzijdse ondersteuning. Fabrieksarbeiders in de steden konden niet langer
vertrouwen op de aloude gebruiken van verwantschap en goed nabuurschap, op de
tradities van gilden of broederschappen. Ze moesten alternatieve arrangementen
zoeken, gebaseerd op vrijwillige samenwerking en aangepast aan de omstandigheden
van het stedelijke bestaan. De proletarische beweging voor onderlinge hulp en
zelfbestuur kan gelden als een uniek voorbeeld van autonome collectieve actie in
een stedelijk industriële context.
Arbeiders die uit de omringende steden en dorpen naar de nieuwe fabriekssteden
getrokken waren vormden daar verenigingen voor onderlinge hulp die in sommige
opzichten de tradities van de leerlingfondsen uit het gildentijdperk
voortzetten, maar de industriearbeiders stonden noch onder dwang noch onder
bescherming van de gemeentelijke gildeverordeningen uit vroeger tijden.1 In de vrije-markteconomie van het
opkomend kapitalisme stonden zij met lege handen, met niets te bieden dan hun
arbeidskracht. In de uitdijende fabriekssteden ontbrak het hun aan reserves om
op terug te vallen, behalve de goede zorgen van een verwant of buurman uit hun
geboortedorp, of de steun van collega-ambachtslieden.2 En toch begonnen
arbeiders al vrij snel verenigingen te vormen voor bijstand in tijd van nood, en
stortten ze elke week van hun armoede een paar centen in de gemeenschappelijke
kas voor een fatsoenlijke begrafenis, vaak van een vroeg gestorven kind.
Veel Friendly Societies, zoals de verenigingen voor onderlinge
bijstand in Engeland heetten, breidden hun voorzieningen uit tot
werkeloosheidsuitkeringen, ziektegeld, medicijnen en medische behandeling.3 Soms slaagden zij er ook
in arbeidsongeschiktheids- en ouderdomspensioenen uit te betalen, en zelfs de
nabestaanden van gestorven leden met een weduwenpenning te onderhouden.
De afzonderlijke Friendly Societies hadden meestal maar weinig
leden en een klein vermogen, maar met elkaar telden de arbeidersonderlinges
miljoenen contribuanten: ‘In het midden van de eeuw schatte men dat bijna de
helft van de volwassen mannelijke bevolking van Engeland en Wales tot een
vereniging behoorde.’4 A. Weber noemt cijfers voor Frankrijk die een snelle groei
te zien geven van de sociétés de secours mutuel: een toename
van een kwart miljoen leden in 1852 tot twee miljoen in 1903.5
Tennstedt citeert een percentage van 45% | | | | van de Pruisische
bevolking dat zich tegen ziektekosten had verzekerd in Krankenkassen, elk afzonderlijk van minieme omvang: gemiddeld honderd
leden.6 Starr noemt
schattingen van 25 tot 30% van de Amerikaanse gezinnen die behoorden tot
‘broederschapsorden en steunverenigingen’, die vaak een vorm van verzekering
boden.7 Onderlinge verzekeringsarrangementen in
Amsterdam dekten aan het einde der negentiende eeuw 40% van de bevolking.8 De geciteerde cijfers hebben
betrekking op meer verzekeringsvormen dan de onderlinge arbeidersverzekeringen
alleen, maar tezamen genomen geven ze een globale indicatie van omvang, groei en
belang van het verschijnsel. En toch overheerst de indruk dat rond de
eeuwwisseling het arbeidersbestuur al op zijn retour was, en dat de
duizelingwekkende veelheid aan fondsen de arbeidende klassen slechts beschermden
tegen een fractie van de risico's van overlijden, ziekte, arbeidsongeschiktheid,
ouderdom en werkeloosheid.9
Slechts zeer weinige van deze talloze kleine, autonome steunfondsen zijn blijven
voortbestaan tot op de dag van vandaag.10
Wat kan de verklaring zijn voor het verdwijnen van deze vorm van onderlinge
bijstand onder onafhankelijk, gezamenlijk bestuur?
Er is weinig bekend over het dagelijkse reilen en zeilen van deze kleine fondsen.
Slechts enkele beschrijvingen of notulen van hun vergaderingen zijn voor het
nageslacht bewaard gebleven. De werknemers die het ledenbestand vormden, ontbrak
het niet alleen aan formele vergadergewoonten maar ook aan de vaardigheden in
methodische administratie. Bovendien verzetten zij zich meestal tegen inmenging
van buiten en tegen inzage in hun boeken.
Toch heerste er een ‘nauwgezette aandacht voor procedures en institutionele
etiquette,’ schrijft E.P. Thompson onder de kop ‘De rituelen van de
onderlinges’, en hij voegt eraan toe: ‘De discipline die essentieel was voor de
veilige bewaring van gelden, het ordelijk verloop van vergaderingen en de
beslissingen over omstreden gevallen, vereiste een even grote inspanning tot
zelfbeheer als de nieuwe arbeidsdiscipline.’11
De inzameling van de wekelijkse contributies vergde alweer een ‘maatschappelijke
dwang tot zelfdwang’.12 In dit opzicht zetten de onderlinge
arbeidersverzekeringen de traditie voort van de leerlingfondsen van de
gildeknechts, die evenzeer belang hechtten aan ingetogen en respectabel gedrag
om tijdens vergaderingen chaos te voorkomen en het vertrouwen te winnen van
patronen en stadsbestuurders.13 Voor arbeidersonderlinges waren regelmatige
plenaire bijeenkomsten onontbeerlijk. Ze dienden in de eerste plaats om leden
die hun bijdrage nog niet betaald hadden ten overstaan van iedereen te schande
te maken. Maar het samen drinken, roken en praten bevorderde ook het
saamhorigheidsgevoel dat onder de nieuwe proletarische stadsbewoners nog niet
erg sterk was.14 De verenigingen voor onderlinge
bijstand waren tevens sociale clubs, en zetten ook in dit opzicht de traditie
van de gilden voort. De leden ondersteunden elkaar vaak in moeilijke dagen, bij
geboorte of ziekte, in tijd van nood of bij ruzies met bazen en huiseigenaren.
De leden van de onderlinges voedden elkaar op tot | | | | deelnemers in een
opkomende arbeiderscultuur en een proletarische solidariteit die zijn
uiteindelijke belichaming zou krijgen in de vakbondsbeweging.
Toch, door een aantal essentiële tekortkomingen, gingen de verenigingen voor
onderlinge bijstand in een betrekkelijk korte tijdsspanne ten onder en werden
hun voorzorgsfuncties overgenomen door nieuwe, veel grotere arrangementen: de
nationale, door de staat beheerde, dwingende instituties van sociale zekerheid.
Juist de eigenschappen die op de negentiende-eeuwse arbeiders zo'n grote
aantrekkingskracht uitoefenden en die de enorme groei van de onderlinge fondsen
verklaren, waren ook de oorzaak van hun zwakte, en leidden tot de ondergang van
de arbeidersonderlinge.
|
1Een belangrijk verschil tussen de oude gilden en de
onderlinge arbeidersverzekeringen is verplicht versus vrijwillig
lidmaatschap, met al de dilemma's van collectieve actie die met het laatste
gepaard gaan. Zie Sewell, vooral pp. 55-8, voor een bespreking van de
continuïteit en vernieuwing sinds het Ancien Régime tot de
verenigingen voor onderlinge bijstand in het Franse republikeinse tijdperk;
vgl. Fröhlich voor een systematische vergelijking van gilden en sociale
zekerheidsinstituties in Duitsland.
2De
ondersteuningsnetwerken voor rondreizende handwerkslieden in Engeland en de
vergelijkbare compagnonnages in Frankrijk
vertegenwoordigden een ander vroeg arrangement voor onderlinge hulp: de
plaatselijke afdeling zond ambachtslui door het land om werk te zoeken met
een aanbevelingsbrief die hun in elke halteplaats recht gaf op een nacht
logies en een maaltijd; vgl. Hobsbawm, pp. 34-63.
3Broederschappen vestigden soms ‘ziekenclubs’, die uit
wekelijkse contributies betaald werden en de leden recht gaven op
behandeling door een arts die op de clublijst geplaatst was. De concurrentie
in de medische sector was halverwege de negentiende eeuw zo groot dat veel
medici de benoeming door een club graag aanvaardden, maar de overheersing
van de geneeskunde door leken die daarvan het gevolg was werd later
afgewezen, en dit verklaart veel van het verzet onder medici in het begin
van de twintigste eeuw tegen ziektekostenverzekeringen; vgl. Peterson, pp.
114-8 en Hodgkinson, pp. 215-49, voor ‘clubs’ en ‘medische hulpposten’ in
Engeland; Starr, pp. 206-9, 241-2, voor de ‘loge-praktijk’ in de Verenigde
Staten, vooral in immigrantengemeenschappen; Saint-Jours, pp. 228 e.v., over
de Mutualité in Frankrijk.
4Supple, p. 215; ‘In 1851 telde de
mannelijke bevolking van vijftien jaar en ouder ongeveer 5,7 miljoen
zielen.’
5Vgl. Weber, p. 29. Cotterau, p. 143, citeert enkele schattingen
van de aantallen leden: 800.000 in 1870, ‘waarvan een groot deel bestond uit
arbeiders’. Later werd het arbeidersaandeel kleiner. ‘Er is geen gedegen
recente studie over de verenigingen van onderlinge bijstand.’
7Starr, pp. 206-9. Furniss en Tilton, p. 238,
schrijven over de Verenigde Staten: ‘Er bestonden letterlijk honderden van
deze verenigingen, vaak met een kapitaal dat in de miljoenen dollars liep.’
Schmidt geeft een encyclopedische inventaris van
‘broederschapsorganisaties’, waarvan vele ook of zelfs vooral functioneerden
als onderlinge verzekeringen. De auteur, p. 3, geeft een schatting van
dertig miljoen leden rond 1920, ofwel 50% van de gehele bevolking, maar
slechts een - onbekend - deel daarvan nam deel aan onderlinge
verzekeringsprojecten.
9Vgl. D. Collins, p: 252, voor
pessimistische contemporaine evaluaties van de dekking en solventie van de
Friendly Societies.
10In Frankrijk
heeft de Mutualité de komst van sociale verzekeringen
overleefd; het is een federatie van coöperatieve en vrijwillige
verzekeringsprojecten voor aanvullende uitkeringen (en andere voorzieningen)
geworden, die gestaag groeit: in 1964 waren er dertien miljoen leden, en in
1975 meer dan twintig miljoen, vgl. Lavielle; Saint-Jours, p. 259.
11Thompson,
pp. 457, 458.
12Een uitdrukking van Norbert Elias,
1982, vgl. pp. 239-256.
13Zie bij voorbeeld het
huishoudelijk reglement van leerlinggilden (‘knechtsbossen’) in de
appendices bij Timmer.
14In Frankrijk plachten veel mutuele
verenigingen het geld dat aan het einde van het jaar over was te besteden
aan een groot banket voor de leden, Hatzfeld, 1971, p. 200. Vgl. ook Thane,
p. 30, over de ‘verdeelclubs’, de ‘spaarkassen’ en de ‘tontines’ van de
armere Engelse arbeiders: ‘Het bedrag dat in het fonds overbleef werd met
kerstmis onder alle leden verdeeld.’
|
|