2 Homogeen lidmaatschap - opeenstapeling van risico's
De oorspronkelijke begrafenisverenigingen en ziekenfondsen bestonden uit mensen
die hetzelfde beroep uitoefenden of uit hetzelfde gebied afkomstig waren,18 en ongeveer tegelijkertijd naar de stad
getrokken waren, waardoor ze vaak zowat even oud waren. Velen woonden in
dezelfde wijk of frequenteerden een zelfde stamcafé.19 Juist deze overeenkomsten gaven een krachtige impuls
aan de onderlinge identificatie en de wederzijdse solidariteit. Maar de
homogeniteit van het lidmaatschap bracht ook overeenkomstige gevaren met zich
mee: arbeiders in dezelfde branche liepen het risico van dezelfde
beroepsziekten, en verloren vaak hun baan op hetzelfde moment. De inwoners van
één buurt stonden bloot aan dezelfde besmettingen. De mensen die allen even lang
in één straat woonden en tot één generatie behoorden, werden samen oud. De
fondsen deinsden er echter voor terug om hogere premies van oudere leden te
vragen of jongere leden met lagere bijdragen te werven, omdat dit hun
onrechtvaardig toescheen. Als gevolg bleven de meeste jonge arbeiders weg, en
werd de gemiddelde leeftijd van de leden gaandeweg hoger. De sociale
homogeniteit die had geleid tot de onderlinge solidariteit der leden
veroorzaakte ook een concentratie van risico's, en vroeger of later een
opeenstapeling van aanspraken die het fonds tot bankroet zou kunnen brengen.
Slechts een spreiding van de risico's kon zo'n mislukking voorkomen, maar
daarvoor was een heterogeen lidmaatschap nodig. Diversiteit zou echter de
onderlinge identificatie en solidariteit verzwakken.