Juist van dit ‘lage en gemene volk’ wilden de ‘nette werklieden’ zich
onderscheiden in hun streven naar de emancipatie van hun eigen sociale laag, van
arbeiders met vaste baan en woonplaats.20 Ze identificeerden zich in het geheel
niet met ongeregelde of rondtrekkende werklui, of met al die anderen die ook
door hen werden beschouwd als het ‘uitschot van de maatschappij’, en die de
gemeenschappelijke solidariteit enkel zouden ondermijnen en de collectief
gedragen risico's zouden vergroten.21
Met andere woorden, kleine, vrijwillige, collectieve verzorgingsarrangementen
zoals de onderlinge arbeidersfondsen waren geneigd zich naar beneden af te
sluiten - ze weigerden mensen met minder status en middelen. En voor deze
paupers, wretches, Lumpen, was de druk van het dagelijkse
overleven inderdaad vaak te groot om elke week een paar centen opzij te kunnen
leggen voor de begrafenisvereniging, laat staan voor het ziekenfonds.
Uitgesloten als zij waren van de onderlinge fondsen van de meer welgestelde
arbeiders hadden zij zich slechts kunnen verenigen met hun lotgenoten in
rampspoed, die al even weinig konden missen en even veel nodig hadden.
Een stelsel van kleine, autonome, collectieve voorzieningen sluit altijd een
onderlaag uit - dit is een sociologische regelmatigheid die een veel wijdere
geldigheid heeft dan slechts voor dit onderwerp.
Aan de bovenkant gebeurde echter het omgekeerde, ditmaal als een onbedoeld effect
van regeringsinmenging. Niet zelden waren de plaatselijke autoriteiten gekant
tegen elke coalitie van arbeiders, maar meestal verwelkomden ze toch de
onderlinge fondsen, die mogelijk de lasten van de gemeentelijke ondersteuning
konden verlichten. De gevestigde bourgeoisie hoopte op de armenbelasting te
kunnen besparen en geloofde dat de onderlinge fondsen het zedelijk peil van de
lagere klassen zouden verheffen. Om deze redenen verleende men de
arbeidersonderlinges bepaalde voorrechten en vrijstellingen, op voorwaarde dat
zij hun boeken ter inzage zouden openen en zouden meewerken aan een behoorlijk
toezicht.22 Maar de fondsen
waren afkerig van zulke bemoeienis met hun autonoom beheer.
De voordelen van registratie en erkenning waren vaak aanzienlijk: vrijstelling
van zegelrecht bij voorbeeld, of de kans om onder gunstige voorwaarden te
investeren in gemeentelijke of staatsobligaties.23 Maar deze mogelijkheden stimuleerden een
geheel ander slag mensen om zich te verenigen onder de dekmantel van onderlinge
steun, om zo voor zichzelf de voorrechten te verwerven die aan de
arbeidersverenigingen waren toegekend. De Engelse geestelijkheid bij voorbeeld
slaagde er zo in haar levensverzekeringen te financieren.24 Hetzelfde gebeurde met
spaarbanken25 en
woningbouwverenigingen.26 De voordelen die de regering bood aan verenigingen van arbeiders
werden handig uitgebuit door burgers uit de middenklasse die zich voor dat doel
verenigden, terwijl de armste lagen van de bevolking al die tijd van deze
arrangementen verstoken bleven.27
Regeringsmaatregelen die bedoeld zijn om de uitsluiting naar beneden door
kleine, autonome, collectieve entiteiten te verzachten, neigen dus tot een