bewaarders van de ‘geldkist’, maar als beheerders van een abstract vermogen
dat nauwelijks nog gelegenheid bood tot zelfverrijking, en spontane
vrijgevigheid nagenoeg uitsloot.
Ook nu nog worden verzekeringen niet zonder strijd en moeite beheerd.
Integendeel, ondanks alle regeling en expertise blijft bijna elk aspect
omstreden. Maar iedereen die de snelle ontwikkeling en enorme omvang van deze
verzekerings- en uitkeringsstelsels beziet, de honderdduizenden beambten, de
miljoenen, tientallen miljoenen uitkeerlingen, en de kapitalen van honderden
miljarden, zelfs biljoenen, moet de betrekkelijke onbeduidendheid beseffen van
malversaties en geschillen in deze gigantische organisaties, ook in tijden van
economische recessie en bezuiniging.
De ontwikkeling van een openbaar stelsel van sociale verzekering is een
administratieve en politieke vernieuwing van de eerste orde geweest, die in
belang niet onderdoet voor de invoering van de representatieve democratie, maar
die ernstig onderschat is als een verworvenheid van administratieve techniek.
De staatsinmenging in verzekeringszaken bracht drie belangrijke nieuwe elementen
met zich mee: bestendigheid, nationale reikwijdte en wettelijke dwang. De staat
was de oudste en meest kredietwaardige risicodrager, een functie die de kerken
tegen het einde van de vorige eeuw niet langer in gelijke mate konden vervullen.
De staat was ook de grootste en meestomvattende organisatiestructuur die in die
tijd effectief functioneerde. Naamloze vennootschappen die deze omvang enigszins
benaderden, kwamen pas later tot ontwikkeling. En het belangrijkste was wel dat
de staat effectieve en wettige dwang kon uitoefenen en zo een verplichte
verzekering kon opleggen aan de grote meerderheid van loonarbeiders.
Deze dwang werd weliswaar bij tijden als onderdrukkend ervaren maar impliceerde
ook een bevrijding van een andere druk: de verlokking om verhoogde risico's uit
te sluiten en met de door uitsluiting laag gehouden premies het eigen
ledenbestand te handhaven en veilig te stellen tegenover concurrerende fondsen.
Dit laatste kenmerk sprak vooral de georganiseerde arbeiders aan, omdat zij in
toenemende mate geconfronteerd werden met een derde vorm van verzekering tegen
inkomstenderving en tegenslag: commerciële maatschappijen. De commerciële
verzekeringen bleken zeer wel in staat om hun zaken grootscheeps op te zetten,
hun premies scherp te berekenen, hun kapitaal deskundig te beheren, de cliënten
pas te accepteren na lichamelijk onderzoek en in uitkeringskwesties consequent
beslissingen te nemen. Na een beginperiode waarin oplichters en bankroetiers de
markt voor commerciële verzekeraars bedierven, slaagde een aantal maatschappijen
erin expertise op te bouwen en het vertrouwen van het publiek te winnen, zodat
ze klanten konden werven onder de kleine burgers en ten slotte ook in de
arbeidersklasse.29 De uitsluiting van ‘verhoogde risico's’, zo verleidelijk voor de
onderlinge arbeidersfondsen, was voor de ondernemers slechts een kwestie van
zakelijke instelling. Het gevolg was dat hun