vrijwel dezelfde wijze gedekt is.7 Voor de houders van deze
aanspraken vormt hun overdrachtseigendom in één belangrijk opzicht het
functionele equivalent van privé-bezit - als bescherming tegen toekomstige
tegenslag en tekort: overdrachtseigendom en privé-bezit hebben deze
voorzorgsfunctie gemeen.
Loontrekkers beseffen dit terdege. Ook als ze niet meer weten dan een paar
afkortingen van wetten en instanties, zijn ze zich er scherp van bewust dat zij
en hun gezin gedekt zijn tegen de belangrijkste financiële risico's van het
arbeidsleven; ze hebben veelal een redelijk beeld van het niveau van de
voorzieningen, een vaag idee van de premies die op hun loon worden ingehouden,
en een flauw vermoeden van de voorwaarden voor uitbetaling. En deze subjectieve
kennis strookt in significant opzicht beter met de structurele gegevenheden die
in die landen gelden dan de accentuering van de onderlinge verschillen tussen
nationale stelsels waartoe de specialisten meer geneigd zijn.8
In een ontwikkelingsperspectief op lange termijn zijn gelijktijdigheid en
parallellisme de meest opvallende kenmerken van de accumulatie van
overdrachtsvermogen. Henri Hatzfeld concludeert: ‘Uiteindelijk grepen de
centrale machten in... de verschillen konden de fundamentele overeenkomsten niet
verhullen.’9
Wat op de allereerste plaats begrepen en verklaard moet worden, is de opkomst van
dwingende en nationale, collectieve verzekeringsstelsels tegen de belangrijkste
tegenslagen waarmee loontrekkers geconfronteerd worden.10 Zulke
arrangementen werden in alle besproken landen ergens tussen 1883 en 1932 opgezet
- een periode van nog geen vijftig jaar. Maar die overeenkomst hoeft nog niet te
betekenen dat de gelijke gevolgen berustten op gelijke oorzaken, of dat de
verschillen onbelangrijk zijn.
Sociale-zekerheidsarrangementen zijn collectieve remedies tegen tegenslag en
tekort. Ze voorzien in vergoedingen in welomschreven gevallen van
inkomstenderving. Het nationale, collectieve en dwingende karakter onderscheidt
deze moderne instituties van eerdere arrangementen. Ze zijn alleen tot
ontwikkeling gekomen in samenlevingen met een hoogst effectieve centrale staat,
en in samenhang met een groeiend bewustzijn van nationale identiteit. En, als
arrangementen ter compensering van inkomstenderving moesten ze de tegenslagen
remediëren van loonarbeiders die geen bezit hadden waar ze in tijd van
tegenspoed op terug konden vallen. Deze arrangementen konden dus slechts in
samenlevingen ontstaan waar vast werk tegen een geldloon de normale vorm van
arbeid geworden was.