|
|
|
| |
| | | |
2 De accumulatie van overdrachtsvermogen in een vierzijdige
figuratie
De instituties van sociale zekerheid werden door een activistisch regime opgezet
op korte termijn voor electorale doeleinden, en op lange termijn om de greep van
het staatsapparaat te vergroten. Maar dit gebeurde nooit in een vacuüm: de
politici en ambtenaren in machtsposities die samen het regime vormden, hadden de
steun nodig van arbeiders en werkgevers om hun wetten aanvaard en uitgevoerd te
krijgen. Zij vormden coalities, soms met de gematigde vleugel van de
georganiseerde arbeidersklasse, soms met hervormingsgezinde kringen van
ondernemers, soms met beide.
De kracht van de tegenstand die de bezittende kleine burgerij bood, bepaalde in
hoge mate het moment en momentum van de sociale-zekerheidswetgeving. Dit verzet
was nauwelijks strategisch, en er werden ook geen organisaties voor gevormd,
laat staan alternatieve voorstellen geformuleerd: men was gewoon tegen. Maar met
verloop van tijd werd het aantal zelfstandigen steeds kleiner. Veel van hen
zochten zelf nog werk bij grote bedrijven en regeringsdepartementen, of zagen
anders hun kinderen arbeider of beambte worden. Onder de nieuwe middenkaders in
loondienst was er nauwelijks verzet tegen een collectieve en zelfs verplichte
bescherming tegen inkomstenderving. De bescherming moest alleen wel duidelijk
verschillen van en superieur zijn aan de arrangementen voor de arbeidersklasse:
genereuzer en, als het moest, duurder. De tijd werkte in het voordeel van de
sociale zekerheid: wanneer de zelfstandigen of hun kinderen loonafhankelijk
werden, veranderden ook hun opvattingen over particuliere voorzorg navenant.
Elke stap en elke keuze in het proces was moeizaam en omstreden. Er moest een
hoogst bewerkelijke administratieve machinerie worden ontworpen en
uitgeprobeerd, voordat deze miljoenen mensen kon gaan bestrijken en
astronomische bedragen verwerken. De opbouw van de sociale zekerheid was zwaar
politiek werk. Het vereiste strategische coalitievorming en tactische
parlementaire en bureaucratische manoeuvres. De coalities die de sociale
zekerheid door het parlement loodsten en bij de achterban van werknemers en
werkgevers aanvaardbaar maakten, waren ook sterk bepalend voor de aard van de
arrangementen: de verdeling van de zeggenschap en de toedeling van de kosten.
Maar ook de meest vernieuwende projecten moesten gerealiseerd worden binnen een
kader van gangbare praktijken, bestaande instituties en voorafgaande wetgeving.
Dat impliceerde niet altijd continuïteit: soms leidden vroegere ervaringen juist
tot verwerping van alles wat er ook maar even op leek, zoals bij voorbeeld de
carnets van de arbeiders in de Franse pensioenwetgeving
van 1911, of de haat tegen de bedeling vanwege de Armenwet die in Engeland
leidde tot de verwerping van een werkeloosheidsverzekering zonder premieheffing.
Soms werkte bovendien de ‘wet van de remmende voorsprong’, zoals de historicus
Jan Romein het genoemd heeft: waar de vrijwillige collectivisering van de | | | | voorzorg reeds ver gevorderd was en arbeidersonderlinges of
vakbonden al eigen uitgebreide institutionele netwerken hadden opgebouwd,
stelden die zich meestal te weer tegen overname door de staat en verwierpen
dwingende arrangementen.
Sociale zekerheid vereist wetgeving en vervolgens een uitvoeringsbeleid, vandaar
dat de dynamiek van het politieke proces en de structurering van het
bureaucratisch apparaat medebepalend zijn. Had de arbeidersklasse stemrecht, dan
waren die voorkeuren onmiddellijk relevant voor de electorale kansen van
politici, terwijl bij ontbreken van stemrecht die politici hoogstens vagelijk op
voorkeuren van arbeiders anticipeerden. Van groot belang was ook of sociale
tegenstellingen, en dus de bijbehorende electorale berekeningen, de politici
ertoe brachten de sociale zekerheid te behandelen in termen van sterk
tegengestelde belangen en idealen, of dat zij met andere politici en met de
betrokken belangengroepen op incrementele wijze konden onderhandelen. Het is
plausibel dat een sterk centraliserende bestuursvorm beter toegerust was om
uniforme en nationale sociale zekerheidsarrangementen te realiseren dan een meer
centrifugaal stelsel, en dat staten met krachtige en uitgebreide bureaucratische
instellingen een effectief sociaal-zekerheidsstelsel makkelijker konden
uitvoeren dan staten die deze netwerken voor het eerst moesten opzetten.
In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de kritieke episoden waarin nationale,
dwingende en collectieve arrangementen ter bestrijding van inkomstenderving voor
het eerst in een bepaald land gevestigd werden. Moment en
momentum van deze episodes worden verklaard door een nadere bepaling van de
coalitie die het project steunde en van de tegenstand door de bezittende
groepen. De kleine bezitters vormden samen de ‘rem’ op deze ontwikkeling; de
coalitie van een activistisch regime met gematigde vakbondsleiders of
progressieve industriëlen vertegenwoordigde de ‘motor’ die haar aandreef.11 Het verschuivende
machtsevenwicht tussen de stagnerende maar slinkende kleine burgerij en de
geleidelijk uitdijende hervormingsgezinde coalitie bepaalden zowel het moment
als het momentum van de wetgeving door het activistisch regime; de verdeling van zeggenschap en kosten in het project hing vooral af van
de samenstelling van de ondersteunende coalitie.
Het regime was de enige noodzakelijke actor. Zonder zijn actieve inspanning geen
wetgeving. Maar het regime had steun uit het parlement en uit het land nodig.
Het kon een project niet doorzetten en realiseren tegen het openlijk verzet van
een meerderheid der georganiseerde arbeiders in, omdat het zowel hun stemmen (of
hun politieke pressie) in het parlement als hun medewerking bij de uitvoering
van het project nodig had. De aanvaarding door de arbeidersklasse hing sterk af
van de financiële voorwaarden van het voorstel, maar belangrijker nog, de steun
van de leiders van de werkende klasse hing af van de mate van institutionele
zeggenschap die het plan hun toestond. Het regime kon nauwelijks tegen de
vakbonden ingaan, maar zonder hen kon toch veel bereikt worden als de werkgevers
bereid waren een aanzienlijk deel van de kosten te | | | | betalen en
loyaal aan de uitvoering van het project mee te werken. Krachtig
werkgeversverzet kon door het regime gebroken worden, wanneer het kon rekenen op
massale steun van de arbeidersklasse. Een regime kon het zonder de bijdragen van
de werkgevers stellen en vertrouwen op het eigen administratieve apparaat of op
de arbeidersorganen, als het project gefinancierd werd uit de algemene
belastingfondsen (de inzameling van arbeidersbijdragen is zonder medewerking van
de werkgevers een welhaast onmogelijke opgave). Een activistisch regime was dus
onontbeerlijk; de werkgevers konden in geval van krachtige steun door de
arbeiders gemist worden, en bij voldoende steun door de werkgevers was de
stilzwijgende en passieve instemming van de arbeidersbeweging genoeg. Hoe sterk
de hervormingsgezinde alliantie moest zijn om de wetgeving aanvaard te krijgen
werd bepaald door de kracht van het parlementaire verzet in kringen van de
kleine burgerij. Was een wetsvoorstel eenmaal aangenomen en gereed om uit te
voeren, dan deed dit verzet er niet langer toe. Kleine werkgevers konden zich
aan inspectie onttrekken en daarom voorzagen veel voorstellen - althans
aanvankelijk - in een ontheffing voor boerenknechts en huispersoneel.
De figuratie waarbinnen het overdrachtsvermogen werd geïnstitutionaliseerd
bestond in hoofdzaak uit vier partijen, die in de loop van het proces zelf een
verandering ondergingen. De kleine zelfstandigen stelden zich teweer tegen elke
poging tot dwingende collectivisering van de voorzorg. Zij verzetten zich ook
tegen de meeste andere uitbreidingen van overheidsactiviteiten en bestreden
tegelijkertijd de groeiende concurrentie van de grote industrieën.
De grote ondernemers identificeerden zich weliswaar met hun mindere broeders en
rivalen, maar zij hadden ook veel te verliezen bij arbeidsconflicten en waren
dan ook zeer verdeeld op het punt van sociale zekerheidswetgeving. De arbeiders
hadden het meeste te winnen bij de invoering van sociale zekerheid, maar hun
leiders waren ambivalenter. En de regering ten slotte, was de onmisbare vierde
partij.
In de loop van het industrialiseringsproces zagen vakbonden, werkgevers en
regeringsbureaucraten zich gedwongen tot onderlinge onderhandelingen, die meer
en meer een reguliere grondslag kregen, en gaandeweg ontwikkelden zij
overeenkomstige denkbeelden over personeelsadministratie, fabrieksregulering en
de interdependenties van een nationale economie in internationale wedijver. In
dit zich ontwikkelende afhankelijkheidsevenwicht was het voor een activistisch
regime dat de invloedssfeer van het staatsapparaat zocht uit te breiden en de
politieke loyaliteit van de groeiende arbeidersklasse trachtte veilig te
stellen, mogelijk om voldoende steun bijeen te brengen om de politieke
tegenstand van kleine bezitters en werkgevers te overwinnen. Als een regime
besloot voor de zaak te strijden, kon het dingen naar de steun van de werkgevers
en alleen op de invloed van de arbeiders anticiperen (de Duitse situatie), het
kon de steun van arbeiders trachten te werven en alleen maar anticiperen op de
eisen van de werkgevers (de Engelse en Amerikaanse situatie), of het kon een
drie-partijen- | | | | coalitie vormen (de Franse en Nederlandse situatie).
De samenstelling van de coalitie bepaalde ook de aard van de overeenkomst. Alle
betrokken partijen streefden naar maximale invloed en minimale
kosten: ze verlangden een vertegenwoordiging in het bestuur van het sociale
zekerheidsstelsel en ze eisten dat de andere partijen de kosten van het project
zouden dragen. Maar wanneer het tot een overeenkomst kwam, bleek dat betaling
van de kosten de prijs van de zeggenschap was.
De geschiedenis van de sociale politiek is een geschiedenis van grote
vraagstukken, grote noden en grote mannen en vrouwen tegen de achtergrond van
grote veranderingen in de samenleving. Uit dit weidse samenstel van oorzaken en
handelingen dat zo complexe en omvattende structuren als de moderne instituties
van sociale zekerheid voortbracht, is een beperkte maar nog altijd zeer brede
vraag ter opheldering te selecteren: waarom kwam het tot collectieve en
dwingende arrangementen met nationale reikwijdte ter bestrijding van de
financiële tegenslagen van loonarbeiders, en wat verklaart de timing en de
groei, de wijzen van financiering en beheer, de reikwijdte en het dekkingsniveau
van deze verzekeringsstelsels?
Collectief, dwingend en nationaal zijn hier de sleutelwoorden, zoals ze dat in
deze hele studie geweest zijn; de kritieke episoden zijn de tijden waarin een
regering besluit tot een project voor inkomensverzekering voor de industriële
arbeiders in het land. Dergelijke projecten waren collectief voor zover de
middelen werden samengevoegd en de uitkeringen werden betaald uit
gemeenschappelijke fondsen, onafhankelijk van de individuele bijdragen;12 ze waren
nationaal, omdat de projecten de grenzen van specifieke beroepen en industrieën
overschreden, voorbijgingen aan plaatselijke en regionale besturen, en
loonarbeiders in het hele land betroffen; ze waren dwingend, omdat de heffing
van premies en de vaststelling van uitkeringen geen kwesties waren van
onderlinge overeenstemming tussen de betrokken partijen, maar van staatsgezag,
opgelegd aan alle betrokkenen, of men nu tot deelname en bijdrage genegen was of
niet.
Deze nieuwe arrangementen schiepen een geheel nieuwe relatie tussen burgers en de
staat: een overdrachtsverbintenis waardoor afzonderlijke
personen als contribuanten en actuele of potentiële uitkeerlingen gebonden
werden aan openbare instellingen die zich verplichtten tot de honorering van hun
aanspraken onder welomschreven omstandigheden. Ze vormden een functioneel
alternatief voor de zekerheid die privé-bezit kon verschaffen, een ‘sociale
zekerheid’. Ze vormden ook een alternatief voor de dekking die de commerciële en
onderlinge verzekering kon bieden, een ‘nationale verzekering’. Alle vroegere
arrangementen berustten op een neiging tot sparen; de nieuwe projecten niet. Als
premies geheven werden - en dat was meestal het geval - werden ze op het loon
ingehouden, nog vóór het de werknemer werd uitbetaald. Zo werden de uitkeringen
ook niet ineens uitbetaald, maar in wekelijkse of maandelijkse porties.
| | | |
Van meet af aan ging men ervan uit, en sindsdien is dat ook algemeen aanvaard,
dat een groot deel van de arbeidersklasse niet in staat was te sparen om te
voorzien in toekomstige tegenslagen. Een vroegere illusie moest daartoe nog
uitgebannen worden: het idee dat het proletariaat wel vanzelf zou verdwijnen
wanneer de loonarbeiders genoeg opzij gelegd zouden hebben om zich te vestigen
als onafhankelijke ambachtslieden of winkeliers, en nog slechts een restant van
lichtzinnige arbeiders zou overblijven wier armoede een weerspiegeling was van
hun gebrekkige karakter. Tot aan het einde der negentiende eeuw geloofden veel
mensen dat het industrieel proletariaat een voorbijgaand verschijnsel was dat
binnen een generatie wel zou verdwijnen, ofwel omdat de algemene welvaart snel
genoeg zou groeien om de lonen op een niveau te brengen dat een ‘fatsoenlijke’ -
dat wil zeggen: kleinburgerlijke - levenswijze kon garanderen, ofwel omdat
afzonderlijke arbeiders zich nog tijdens hun leven met hun spaargeld zouden
vrijkopen en voor zichzelf zouden beginnen. Talrijke geschoolde arbeiders en
handwerkslieden in loondienst koesterden een overeenkomstige hoop, en verenigden
hun krachten in vrijwillige, collectieve spaarprojecten en verzekeringsfondsen
om door hun gezamenlijke inspanningen de bescherming te verkrijgen die de
bezittende klassen in het particuliere sparen zochten. Maar naarmate de eeuw
verstreek werd het voor de welingelichte publieke opinie en de arbeiders zelf
steeds duidelijker dat de meesten van hen absoluut niet in een positie waren om
met eigen middelen voorzieningen te kunnen treffen voor langere perioden van
arbeidsongeschiktheid, de oude dag, of het levensonderhoud van hun nabestaanden.
Integendeel, het had er alle schijn van dat de industriearbeiders deze hoop al
hadden laten varen: in plaats daarvan begonnen ze zich in vakbonden te
organiseren, arbeiderspartijen te steunen en actie te voeren voor hervormingen,
en zelfs voor revolutie. Het proletariaat zou kennelijk niet vanzelf verdwijnen,
de industriearbeiders zouden niet en masse overgaan tot de
kleine burgerij, en ook haar vormen van voorzorg niet overnemen. Integendeel,
een arbeidersbeweging was in opkomst, bereid om collectief te strijden voor
institutionele veranderingen in het belang van de loonafhankelijke klassen.
|
11De termen moteur en frein zijn afkomstig van Hatzfeld.
12Strikt genomen waren sommige volledig voorgefinancierde
pensioenprojecten (bijv. dat van 1935 in de Verenigde Staten) niet
collectief in deze zin, omdat de uitkeringen die iemand ontving werden
bepaald door de premies die hij of zij betaald had. Maar dit was meer een
kwestie van retoriek, dan van reëel uitvoeringsbeleid.
|
|