|
|
|
| |
3 De dwang tot sparen
Voor de burgerij was de ‘sociale kwestie’ aanvankelijk: waarom spaarden de
arbeiders niet om zich te beschermen tegen de wisselvalligheden van het bestaan?
Was het uit zorgeloosheid of bij gebrek aan middelen?
De vraag alleen al wees op een diepgaande verandering in de houding jegens de
armen, of althans jegens de nieuwe armen in een stedelijk-industriële omgeving.
Armoede in de industriële samenleving werd steeds meer gezien als een amorele
categorie, iets wat in den blinde toesloeg en verstoken was van een
transcendente betekenis die het zou kunnen heiligen door de geestelijke
verheffing voor slachtoffer en weldoener. Armoede werd nu ook beschouwd als een
| | | | toestand die in beginsel te verhelpen was, en niet zozeer als
de uitkomst van een ondoorgrondelijk goddelijk plan. Dit nieuwe type armoede
werd geleidelijk herleid tot één enkel naakt feit: geldgebrek.
Zolang het wekelijks loon maar punctueel verdiend werd, konden de meeste
arbeidersgezinnen er een geregeld bestaan van leiden, zij het een bestaan dat
binnen luttele weken ineen moest storten wanneer om welke reden dan ook geen
geld meer binnenkwam. Zo kon de armoede toeslaan in de bloei van een nijver
leven of na een levenslange arbeidscarrière; in veel gevallen kwam dat kennelijk
enkel en alleen door verlies van de geschiktheid of de gelegenheid om een
inkomen te verdienen, en stond het geheel los van karakter of levenswandel van
het slachtoffer. Stedelijk-industriële armoede was bovendien een veel
zichtbaarder en minder eenvoudig te verbergen verschijnsel dan de traditionele
landelijke misère. Zoals Harris opmerkt, leidden juist dit nieuwe realisme en de
toegenomen zichtbaarheid paradoxaal genoeg vaak ook tot een hardere opstelling
jegens de armen, omdat de armoede nu zo massaal en onveranderbaar leek.13
Het aloude onderscheid tussen de eerlijke en oneerlijke armen werd omgevormd tot
een onderscheid tussen arbeiders die buiten hun schuld waren verarmd en de
anderen die niet wilden werken om een reden die in verband gebracht moest worden
met hun morele persoonlijkheid en hun sociale milieu. Dergelijke personen - voor
wie in de hele negentiende en twintigste eeuw nieuwe termen werden bedacht en
nog steeds worden uitgevonden - moesten worden gestraft, of later hervormd of
heropgevoed, en ten slotte behandeld of genezen. Deze restgroep van armen bleef
dus het voorwerp van interpretatieve inspanningen en remediërende praktijken:
eerst van penitentiaire theorievorming en correctie, vervolgens van pedadogische
constructies en heropvoeding, en ten slotte van medische en psychotherapeutische
behandeling. Het waren nog steeds slachtoffers, zo niet van het lot, dan wel van
hun eigen verkeerd gerichte wil.
Deze geleidelijke herbewerking van de opvattingen over armoede stond in verband
met de opkomst van een arbeidende klasse, een categorie van mensen die geen
land, voorraden of machines bezaten, maar desalniettemin regelmatig arbeid
verichtten en een geregeld leven leidden: mensen die, anders dan de boeren en
arbeiders van vroeger, de standaardtaal spraken, veelal konden lezen en
schrijven, en in vrijwel ieder opzicht onmiskenbaar menselijk waren; mensen die
bovendien zelf ondernemers, huiseigenaars en kiezers zouden kunnen worden, als
ze maar spaarden en hun geld besteedden aan een onderneming of onroerend
goed.14
Onbegrijpelijk bleef waarom ze niet spaarden en investeerden als elke andere
fatsoenlijke burger. Dit gebrek aan voorzorg stelde hun karakter in een kwaad
daglicht. Als arbeiders er maar toe konden worden gebracht om iets te sparen,
zouden ze zeker de wisselvalligheden van het bestaan in de moderne samenleving
het hoofd kunnen bieden: ‘De Republiek... dient de arbeider in elke fase van
zijn bestaan te volgen en hem, als het ware bij de hand nemend, stap voor stap
te geleiden naar het bezitten van kapitaal en eigendom, | | | | het
werkelijke loon van de vrijheid, het materiële symbool van zijn
emancipatie.’15
Hedendaagse onderzoekers van de industriële arbeidende klasse zijn het er met de
radicale arbeidersleiders en deskundigen van die dagen over eens dat arbeiders
domweg niet genoeg verdienden om spaargeld voor later opzij te leggen.16 Het sparen wordt voor de laagste inkomensgroepen vooral in hechte
gemeenschappen ook bemoeilijkt omdat familieleden en vrienden ondersteuning
zullen eisen van iemand van wie ze weten dat hij iets bewaard heeft. Zulke
aanspraken kunnen nauwelijks afgewezen worden. De burgers van die tijd, en met
hen vele arbeiders, geloofden echter dat arbeiders om te sparen niet zozeer
loonsverhoging behoefden, maar meer discipline. Verkwistten de armen soms niet
een flink deel van hun geld aan drank en tabak?17 De vraag was
waar en hoe de arbeiders de vereiste zelfbeperking moesten leren. De religie kan
met haar niet aflatende aandrang op onthouding - hoewel niet noodzakelijk uit
materiële zuinigheid - hebben bijgedragen tot de verbreiding van een spaarzamer
levenswijze. Maar naast de vermaningen en aansporingen van priesters en
leken-moralisten waren er de pogingen van de arbeiders zelf om elkaar in hun
voornemens te sterken door het gezelschap van welmenende collega's te zoeken: ze
hoopten elkaar te helpen sparen door speciaal daartoe bijeen te komen - de
onderlinge spaar- en verzekeringsfondsen dienden om de spaarzin van hun leden te
bevorderen. De samenvoeging van de spaargelden vergrootte ook hun effectiviteit
als een verzekering tegen tegenslag. De vrijwillige onderlinge
arbeidersverzekeringsfondsen vormden een mechanisme van wederzijdse sociale
controle dat speciaal voor dat doel was opgezet, en de leden traden toe uit
eigen vrije wil om elkanders spaarzin te versterken. Zo'n gezamenlijke en
doelbewuste invoering van een instelling voor onderlinge dwang en de vrijwillige
onderwerping aan haar voorschriften staan op zichzelf in scherpe tegenstelling
tot de traditionele instituties van sociale controle in het dorpsleven, waarin
mensen vanaf hun geboorte waren opgenomen, en waarvan zij zich nauwelijks konden
ontdoen, als zij ze al tot onderwerp van reflectie hadden kunnen maken. Dit is
een duidelijk voorbeeld van de Parsoniaanse overgang van status naar contract.
De onderlinge fondsen vertegenwoordigden een overgangsfase van individuele
accumulatie naar de accumulatie van overdrachtsvermogen onder dwang van de
staat, en als zodanig vertoonden ze alle paradoxale kenmerken die met dergelijke
voorbijgaande collectieve actie gepaard gaan, zoals in hoofdstuk 5 al is
aangetoond.
De arbeidersonderlinges spoorden uitstekend met liberale kapitalistische
opvattingen over zelfhulp, en het collectieve karakter van de onderneming paste
goed zowel in de patriarchaal-religieuze gemeenschapsgedachte als bij een meer
radicaal begrip van arbeiderssolidariteit. Ze leken een waar panacee.
Toch bleken om reeds besproken redenen de onderlinge arbeidersverenigingen in de
bredere sociale context, zelfs wanneer ze wijd en dicht verbreid waren,
ontoereikend te zijn als bescherming van de industriële arbeidersklasse tegen de
| | | | wisselvalligheden van het arbeidersbestaan onder het
kapitalisme in een stedelijke en industriële context: het spookbeeld van de
armoede bleef in de levens van afzonderlijke arbeiders aanwezig, en dat gold
vooral voor de onderlagen die zich niet eens de contributies van de onderlinges
konden permitteren.
De burgerlijke opinie van die tijd bleef nochtans het probleem formuleren in
termen van bestedingsdiscipline in plaats van loonsverhoging. Hogere lonen
zouden door ongedisciplineerde besteders toch maar verkwist worden. Bovendien
werd de hoogte van de lonen beschouwd als het resultaat van vrije concurrentie
op de arbeidsmarkt. Lonen konden dus niet per decreet verhoogd worden, en zelfs
als dit wel het geval was, zou het slechts de concurrentiepositie van de
betrokken industrie verslechteren. Het zou maar vertraging geven van de
kapitaalsaccumulatie, en alleen daarvan kon een echte vergroting van de
nationale rijkdom komen en een blijvende verbetering in de omstandigheden van de
arbeidersklasse zelf.
Omdat de burgerlijke meningsvorming het probleem in termen van goede voornemens
en zelftucht definieerde en de kwestie nauwelijks in andere termen besproken kon
worden, dienden er nieuwe manieren gevonden te worden om de spaarzin van de
werkende klassen om hun eigen bestwil te vergroten. Als aansporing niet hielp en
onderlinge aanmoediging niet voldoende was, dan - en slechts dan als laatste
toevlucht - moest er maar een wet komen: de staat moest zich ermee bemoeien en
de arbeiders dwingen tot een besteding van hun geld die zij eigenlijk wensten,
maar waar zij zich niet aan konden houden. ‘Bezit een man het recht om geen oog
voor de toekomst te hebben,’ riep de Franse minister van arbeidszaken, Viviani,
in 1901 uit, ‘wanneer hij, zodra hij de banden van solidariteit verbreekt,
daarvan profiteert?’18
Wat de economen spaarzin noemen is een duidelijk voorbeeld van de beheersing van
affectieve impulsen, van de lustvolle neiging om geld uit te geven volgens de
opwellingen van het moment. Het beheer van een huishoudinkomen is ook beheer van
affect; financiële zelfbeheersing is een vorm van emotionele zelfbeheersing. De
klassieke sociologische karakterisering van de mentaliteit van de middenklasse
als één van uitgestelde bevrediging verwijst al naar deze moeizame onthouding
van onmiddellijke genoegens.
Norbert Elias heeft in zijn analyse van het civilisatieproces de samenhang
onderstreept tussen enerzijds statenvorming en binnenlandse pacificatie en
anderzijds de toenemende affectieve beperkingen die mensen anderen en zichzelf
opleggen: de maatschappelijke dwang tot zelfdwang.19 Zoals Elias heeft aangetoond, dwong juist de
‘druk van beneden’ die door de lagere klassen werd uitgeoefend de middenklassen
tot een grotere zelfbeheersing en de handhaving van hun sociale distantie.
Overeenkomstige pogingen om de sociale afstand te vergroten tegen de druk van
beneden in, brachten de bovenlagen van de arbeidersklasse, de ‘nette en
fatsoenlijke’ arbeiders, er op hun beurt toe vele burgerlijke gedragscodes over
te nemen, om zich daarmee van de grove en ongelikte | | | | immigranten,
losse arbeiders en paupers te onderscheiden.20 De arbeidersonderlinges, die zozeer de nadruk legden op
beschaafd gedrag in hun vergaderingen, droegen bij aan dit onderscheid binnen de
arbeidersklasse, dat nog in hoge mate werd versterkt door de inspanning van deze
voorzorgsverenigingen om de toekomstgerichtheid van hun leden te vergroten door
de aandrang tot collectief sparen.
In de loop van het socialiseringsproces van de middenklasse blijkt de externe
dwang tot zelfdwang in uitgeven en sparen zo effectief te zijn ingeprent, dat
volwassenen niet langer behoefte leken te hebben aan aansporingen door anderen,
en uit zichzelf gingen sparen omdat het deel van hun karakter was geworden. In
dit perspectief bezien waren de onderlinges een volmaakt voorbeeld van de
externe dwang tot zelfdwang: vrijwillig, maar collectief; gebaseerd op
persoonlijke instemming onder alomtegenwoordige druk door lotgenoten.
Met de overgang naar dwingende verzekering sloeg de balans weer definitief van
zelfdwang door naar externe dwang, dat wil zeggen: staatsdwang. Voortaan werden
externe beperkingen op de bestedingen niet langer alleen opgelegd aan een
slinkende proletarische achterhoede, maar werden ze juist uitgebreid tot alle
loontrekkers, inclusief beambten en middenkader, en ten langen leste zelfs tot
de zelfstandigen. Het globaal gevolg van deze vrijwel universeel opgelegde
voorzorg was een vermindering van contrasten, een nivellering tussen
opeenvolgende levensfasen van betrekkelijke rijkdom en armoede. Hoge
premieheffingen en tamelijk royale uitkeringen hebben voor de overgrote
meerderheid van moderne burgers de financiële gevolgen van de wisselvalligheden
van het bestaan getemperd. In dit opzicht heeft de dwang tot deelname aan de
accumulatie van overdrachtsvermogen de economische onderbouw gelegd voor een
bovenbouw van afnemende contrasten in het sociale leven; het heeft ook
bijgedragen aan een grotere gerichtheid op de toekomst, doordat carrière-,
gezins- en zakenplannen nu gebouwd kunnen worden op het veilige fundament van
overdrachtsbezit. Ook hier geldt een analogie met Elias' analyse van de
binnenlandse pacificatie, die krachtdadig wordt opgelegd als monopolisering van
het geweld door de staat, en die het mensen tevens mogelijk maakt zich een
grotere zelfbeperking op te leggen, omdat zij niet langer voortdurend voorbereid
hoeven te zijn op gewelddadige aanvallen. En zoals de monopolisering van geweld
en in samenhang daarmee de vorming van een belastingmonopolie, de voornaamste
aspecten zijn van het proces van statenvorming, zo is ook de accumulatie van
overdrachtsvermogen door middel van belastingheffing wezenlijk voor een later
stadium van statenvorming: de sociogenese van de verzorgingsstaat. Dit thema
wordt in hoofdstuk 7 weer opgenomen.
Ook nu nog is vertrouwen in collectieve en dwingende arrangementen in plaats van
privé-accumulatie misschien wel het belangrijkste onderscheid tussen de
proletarische en burgerlijke mentaliteit, een verschil dat de arbeidersklasse én
het middenkader in loondienst onderscheidt van wat er nog rest van de oude | | | | middenklasse van kleine zelfstandigen. In dit opzicht heeft er in
het geheel geen verburgerlijking van het proletariaat plaatsgevonden, maar
eerder een proletarisering van alle loonafhankelijken, inclusief de nieuwe
middenklasse, die samen tegenover de restanten van de oude middenklasse staan.
Niets hiervan is volgens plan verlopen. Wat indertijd mensen dreef, was een
massaal ongenoegen onder steeds meer georganiseerde arbeiders, die blijkbaar
niet de middelen hadden om voorzieningen te treffen voor bijna onvermijdelijke
perioden van inkomstenderving. Individueel noch collectief sparen leek een
adequate remedie te bieden. Daarom stelden sommigen voor dat de staat zou
interveniëren, zoals al eerder was gebeurd in de armenzorg, het onderwijs en de
stedelijke hygiëne: de staat moest een verplichte verzekering instellen.
Dit was inderdaad een grove inbreuk op de persoonlijke vrijheid, en zo werd het
ook door velen ervaren, burgers zowel als arbeiders. Het vergde bovendien een
geweldige administratieve inspanning om de wekelijkse bijdragen te innen en de
uitkeringen te betalen, een enorme opgave van wetgeving en regulering om de
contributies te bepalen, en - erger nog - de aanspraken vast te stellen, maar
het dreigde bovenal de staat op te zadelen met de verantwoordelijkheid voor een
financieel waagstuk van ongekende en hoogstwaarschijnlijk onbeheersbare omvang.
Dit vooruitzicht leek des te onheilspellender toen werd voorgesteld dat de staat
een deel van de kosten zou dragen, of dat zelfs het gehele project uit de
algemene belastingen gefinancierd moest worden, zonder enige specifieke bijdrage
van de arbeiders, zoals de radicale vleugel van de arbeidersbeweging eiste.21
De overgang van individuele voorzorg door privé-sparen - via vrijwillige
collectieve vormen van verzekeringen tegen inkomstenderving - naar nationale
dwingende sociale-zekerheidsarrangementen brengt een overgang in de vormen van
eigendom met zich mee. Overdrachtsvermogen verscheen naast privé-bezit als het
functionele equivalent van dat privé-bezit in zijn voorzorgsaspecten. In dit
perspectief zal de opkomst van de sociale zekerheid in dit hoofdstuk benaderd
worden.
Er bestaat een analogie tussen de aanspraak van burgers in moderne
kapitalistische democratieën op een inkomen van de staat onder bepaalde
voorwaarden en de rechten van bezitters op de opbrengst van hun kapitaal. De
deelnemers in sociale zekerheid kunnen echter niet beschikken over hun aandeel
in het overdrachtsvermogen: overdrachtsbezit is niet transferabel. Ze kunnen
slechts een zeker toezicht uitoefenen in hun hoedanigheid van staatsburgers,
vakbondsleden, of kiezers die - in theorie - de besluitvorming over sociale
zekerheid, uitkeringen en betalingsvoorwaarden kunnen beïnvloeden. In dit
opzicht lijkt hun positie wel wat op die van aandeelhouders, die de wijze waarop
hun investering gebruikt wordt ook slechts indirect kunnen beïnvloeden, en
hierin niet veel effectiever zijn dan kiezers in een democratisch staatsbestel.
De opkomst van | | | | naamloze vennootschappen met het bijkomende
onderscheid tussen rechten op een deel van de winst en rechten van beheer kan
van invloed zijn geweest op het denken over nationale verzekeringsstelsels, die
de arbeiders ‘een aandeel in het land’ zouden geven, om Churchills
‘Bismarckiaanse uiting’ te citeren.22
Er is echter één belangrijk verschil: aandelen kunnen worden gekocht en verkocht,
spaargeld kan worden belegd of opgenomen, maar de aanspraak op uitbetalingen
vanwege de sociale zekerheid is niet te koop:23 zij vormt een
onvervreemdbaar recht - en een onontkoombare plicht. In ten volle ontwikkelde
stelsels zijn de contributies van arbeiders verplicht en worden deze op het loon
ingehouden: het zijn opgelegde besparingen die gereserveerd worden om
inkomenshandhaving te garanderen in geval van nood. En slechts in dit laatste
opzicht zijn ze een functioneel equivalent van privé-bezit.
Als het functionele equivalent van privé-bezit groeit sociale zekerheid doorgaans
ten koste van privé-besparingen, omdat de looninhoudingen het besteedbare
huishoudelijk inkomen verminderen:24 dit was ooit een favoriet argument tegen nationale
verzekeringsprojecten. Maar naarmate ze zich verbreidt, wordt sociale zekerheid
ook noodzakelijker; niet alleen omdat de mensen - die toch al minder uit te
geven hebben - het aan ‘de staat’ overlaten om hun behoeftige buren te helpen,
maar ook omdat een ieder het nu door sociale zekerheid geabsorbeerde inkomen
anders als dekking tegen komende moeilijke tijden had kunnen gebruiken. Dit
argument ontmaskert nog een andere onbehaaglijke waarheid over
sociale-zekerheidsarrangementen: het beste weten van de werker is voor zijn
eigen bestwil kennelijk niet goed genoeg. Loontrekkers kan het eigen loon
blijkbaar niet geheel toevertrouwd worden; in plaats daarvan moeten ze gedwongen
worden tot bescherming van zichzelf en hun verwanten. Sociale zekerheid is bezit
onder voogdij.
Staatsdwang moest het veronderstelde gebrek aan discipline onder de arbeiders
compenseren. Zelfs de voorvechters van de arbeiders, die betoogden dat de lonen
gewoon ontoereikend waren om te kunnen voorzien in toekomstige tegenslag en dat
de fondsen elders vandaan - van de werkgevers of de staat - dienden te komen,
vonden dat dit geld niet vrij ter beschikking van afzonderlijke arbeiders moest
komen.
In deze kwestie stonden de werkgevers niet tegenover de arbeiders, of de
conservatieven tegenover de radicalen. Anarcho-syndicalisten kozen de zijde van
kleine bezitters, mutualistische arbeiders en vele vakbondsleden in het verzet
tegen dwingende contributies, terwijl patriarchale conservatieven, grote
industriëlen, gematigde vakbondsleiders en sociaal-democraten veelal
voorstanders waren van wettelijke dwang.
Maar terwijl de discussie bijna dwangmatig in termen van ‘discipline’ versus
‘zorgeloosheid’, of ‘vrijheid’ versus ‘dwang’ plaatsvond, ging het onmiddellijk
onder de oppervlakte om de angsten die het spookbeeld van de berooide massa's in
de stedelijke samenleving opriep, of in meer analytische termen, om de externe
effecten van massale armoede en om de dilemma's van collectieve actie die | | | | met elke poging tot oplossing zouden ontstaan.
In deze termen vervat was het probleem dat dadeloosheid zou leiden tot
achteruitgang, en ten slotte tot chaos en rebellie, ten detrimente van allen die
zich met de bestaande maatschappelijke orde identificeerden. Activiteit op
vrijwillige basis zou echter ofwel de behoeftigsten uitsluiten (en op hogere
niveaus van integratie de armste industrieën, vakverenigingen of regio's), ofwel
een derde partij vereisen die bereid zou zijn uit eigen vrije wil de lasten van
anderen te dragen. Dwang zou, ten slotte, een meerderheid verplichten te betalen
voor een behoeftige of zorgeloze minderheid, tenzij zelfs de mensen zonder geld
op de een of andere manier gedwongen zouden worden hun aandeel te betalen. Dat
zou meer toezicht en onderdrukking met zich meebrengen dan wie dan ook
verteerbaar of uitvoerbaar achtte: veren plukken van een kikker. Maar sommigen
toestaan om zonder te betalen toch een uitkering te genieten, zou velen tot
profiteren kunnen verleiden, en het systeem alsnog ondermijnen.
Al naargelang van hun positie gingen de diverse maatschappelijke klassen en de
verschillende groepen en individuen in heel uiteenlopende mate gebukt onder deze
dilemma's.
|
14Vgl. Hatzfeld, 1971, pp. 87-8.
15Verslag van het Comité du
Travail van de Franse Nationale Vergadering, 1849, geciteerd door
Ewald, p. 213.
16De onderzoekingen naar de omstandigheden van de
arbeidende klasse die aan het einde van de negentiende eeuw door
regeringscommissies en deskundige onderzoekers werden uitgevoerd, maakten
een einde aan de eerdere hoop dat hygiënische hervorming alleen voldoende
zou zijn om een einde te maken aan behoeftigheid en ziekte, vgl. Harris'
bespreking van het Britse sociale onderzoek uit die tijd, vooral p.
41.
17Hun
tijdgenoten geloofden dat arbeiders te veel geld besteedden aan dergelijke
‘luxe’. Vgl. Orwell, The road to Wigan Pier, voor de
prioriteit die dergelijke consumptieve franje in de jaren twintig van onze
eeuw had. George Orwell merkte op dat mijnwerkers op betaaldag hun
luxeartikelen kochten, omdat ze als ze het niet meteen deden met het geld
nog in de hand, nooit de kans zouden krijgen ervan te genieten. Van jonger
datum is het cliché dat arme mensen het eerste van alles een
kleurentelevisie kopen: men kan ook niet verwachten dat ze er een kopen nadat al het andere is aangeschaft.
18Geciteerd in Ewald, p. 331.
19Vgl.
Elias, 1982, p. 239 e.v.
21Zij herhaalden de oude strijdkreet van de Franse
Revolutie: ‘Laat de samenleving zorgen voor de kinderen, de ouderen en de
arbeidsongeschikten.’ Vgl. Hatzfeld, 1971, p. 190.
22Geciteerd door
Harris, p. 365.
23Er zijn
uitzonderingen, bij voorbeeld wanneer mensen zich met een bedrag ineens
kunnen inkopen in een pensioenproject, of wanneer buitenlandse werknemers
een eenmalige uitkering ontvangen ter compensatie van een verlies aan
rechten op een sociale verzekering waaraan zij hebben bijgedragen. Sommige
sociale-zekerheidsuitkeringen, met name arbeidsongeschiktheids- en
ouderdomspensioenen, omvatten voorzieningen voor afhankelijke nabestaanden
en zijn dus in heel beperkte zin ‘erfelijk’.
|
|