|
|
|
| |
5 De tegenslagen van het arbeidersbestaan
De risico's die het leven van de loonarbeider konden ontwrichten waren vier in
getal: invaliditeit, ouderdom, ziekte en werkeloosheid. In veel landen werd ook
het levensonderhoud van kinderen als een collectieve zorg beschouwd.
| |
5.1 Arbeidsongeschiktheidsverzekering
De eerste tegenslag, die in ieder afzonderlijk geval onvoorspelbaar leek,
maar die gegeven de arbeidsomstandigheden binnen een industrie als geheel te
voorspellen is, was arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ongevallen op het
werk. Hier was de onvoorzichtigheid van de behoeftige arbeiders niet
voorwerp van moreel oordeel, maar onderwerp van formeel juridisch onderzoek:
in een rechtsgeding moest voor elk geval worden vastgesteld wie
aansprakelijk was, of de werkgever dan wel de arbeider (of zijn collega's)
schuld trof, en alleen als de eerste nalatigheid verweten kon worden, werd
een schadeloosstelling toegekend. Het is paradoxaal dat nooit zoveel moeite
werd gedaan om het onverantwoordelijke gedrag en de frauduleuze simulatie
van de eiser aan te tonen, als juist in deze processen, die zich vaak
voortsleepten totdat de krappe middelen van het slachtoffer waren opgegaan
aan het procederen tegen zijn werkgever. Het was heel gebruikelijk onder
fabriekseigenaren om arbeiders die schadevergoeding eisten te ontmoedigen,
door intimidatie, door hen afstand te laten doen van hun rechten bij
ondertekening van de polis van de bedrijfsverzekering, of door hen met een
bedrag af te kopen (en te suggereren dat ze door dat te accepteren hun recht
om te procederen verbeurd hadden). In het laatste kwart van de negentiende
eeuw waren deze procedures voor schadeloosstelling alom berucht
geworden.49 Het was duidelijk dat de partijen te ongelijk waren
voor een goed functioneren van de juridische machinerie, en het begrip
‘individuele aansprakelijkheid’ leek steeds minder relevant voor de feiten
van de industriële arbeidsdeling, waar via de ketenen der causaliteit vele
mensen bij één ongeval betrokken konden zijn. Als gevolg werd in veel landen
de leer van het risque professionel, het beroepsrisico,
geïntroduceerd, waarbij het bewijs van verwijtbare nalatigheid van de
werkgever kwam te vervallen en vervangen werd door het rechtsvermoeden van
zijn aansprakelijkheid, tenzij er duidelijk bewijs was van de schuld | | | | van de arbeider of in het geheel geen verband met de
werkomstandigheden kon worden aangetoond. Dit dwong de industriëlen zich
tegen arbeidersaanspraken te verzekeren. En dat bevorderde weer in hoge mate
de belangstelling van werkgevers voor industriële veiligheid.
De juridische hervorming vergrootte de kansen van arbeiders op
schadevergoeding aanzienlijk, ook al was die vergoeding vaak
beklagenswaardig klein. Het bleef een lastig probleem om de resterende
geschiktheid voor bezoldigde en passende arbeid vast te stellen. Dit werd
een specialisme van medici, en een van de eerste gebieden waar medische
deskundigheid met medeplichtigheid van de betrokken partijen bijdroeg tot
het isoleren en neutraliseren van wat in wezen een belangenconflict was,
door het te herdefiniëren als een technisch probleem dat moest worden
opgelost door ‘niet-gebonden’ experts (zie ook hoofdstuk 7).
Nadat ze eenmaal was ingesteld, werd de arbeidsongeschiktheidsverzekering al
spoedig meer dan louter ongevallendekking. Bij gebrek aan voorzieningen voor
de oude dag bleven arbeiders zo lang mogelijk doorwerken, en wanneer dat
niet meer mogelijk was, waren ze inderdaad blijvend arbeidsongeschikt.
Chronische beroepsziekten en de slijtage als gevolg van het arbeidsleven
werden gaandeweg ook tot ongeschiktheid gerekend; ze werden door de
aansprakelijkheid van de werkgever gedekt en als uitbetalingsgronden
geaccepteerd. Zo functioneerde de arbeidsongeschiktheidsverzekering indirect
als een ouderdomspensioen. Toen de betrokken partijen en het grote publiek
er eenmaal van overtuigd konden worden dat arbeiders vooral buiten hun
schuld getroffen werden door industriële ongevallen en beroepsziekten, en
dat zulke risico's inderdaad samenhingen met structurele eigenschappen van
de nieuwe industrieën, werden deze incidenten buiten het morele vertoog van
die tijd geplaatst als tegenslagen van een bijzondere soort die vroegen om
bijzondere maatregelen. Het was voor een boer of smid misschien nog moeilijk
om zich voor te stellen dat een ongeval kon gebeuren zonder schuld van wie
dan ook, maar zolang de wetgever het boerenbedrijf en de kleine ondernemers
ongemoeid liet, was het verzet van deze kant veel gematigder dan in andere
verzekeringsaangelegenheden. Naarmate de juridische precedenten zich ten
gunste van de werknemers wijzigden, kozen werkgevers meer en meer de zijde
van de arbeiders in het streven naar juridische hervorming.50 Voor zover de werkgevers
aansprakelijk werden gesteld, waren zij het nu die risico liepen, en dus
waren zij nu ook bereid de kosten van een nationaal verzekeringsproject te
dragen. In ruil daarvoor eisten de werkgevers de zeggenschap over de nieuwe
administratieve instituties. Een verplichte werkgeversverzekering droeg ook
bij aan de oplossing van het probleem dat sommige bedrijven zich niet
verzekerden, zo hun loonkosten drukten, en bovendien hun concurrenten
weerhielden van verbetering van hun dekking. Ook de aanvaarding van een
contributiesysteem dat de minst veilige bedrijven het zwaarst belastte, werd
er eenvoudiger door.
De vakbonden, van hun kant, eisten weliswaar dat de aansprakelijkheid en dus
ook de kosten door de werkgevers gedragen moest worden, maar ze wilden | | | | de afhandeling van ongeschiktheidsgevallen toch niet aan de
werkgevers of hun vertegenwoordigers overlaten. Zij beseften ook dat enige
zeggenschap over het beheer van de instellingen hen in staat zou stellen
vakbondsactivisten te benoemen en nieuwe banden met de achterban aan te
knopen. Maar de ondernemers waren heel wel in staat de
ongeschiktheidsverzekering zonder de bonden op te zetten als ze onder elkaar
maar de problemen van concurrentievervalsing en lastenverdeling konden
oplossen. De vakbonden ondersteunden daarom juist nationale projecten
dikwijls als een manier om althans enige zeggenschap te krijgen in het
beheer van de arrangementen.
| |
5.2 Ouderdomsverzekering
Pensionering op hogere leeftijd is een betrekkelijk recent verschijnsel, dat
in de traditionele arbeiderscultuur geen rol speelde.51 Wanneer het werk ze te zwaar werd
zochten arbeiders rustiger emplooi, of keerden terug naar het dorp waar ze
vandaan kwamen om op eigen land te gaan werken, of ze trokken bij hun
kinderen in om bij te springen in huishoudelijke karweitjes. Van oudsher
waren de schrikbeelden van de oude dag ziekte, armoede en eenzaamheid:
hulpeloos te zijn zonder verzorgd te worden.52
Op zichzelf was gevorderde leeftijd geen reden voor terugtrekking uit het
actieve leven of een grond om aanspraak te maken op uitkeringen.
Lichamelijke aftakeling, die vaak al op vroege leeftijd inzette, maakte alle
mensen afhankelijker naarmate ze ouder werden.
Toch was het een realiteit van de laat-negentiende-eeuwse armoede dat de
bejaarden het grootste deel uitmaakten van de allerarmsten. Landelijke
gemeenten klaagden over de lasten die de terugkerende oudere arbeiders aan
de dorpskas oplegden. Onderzoekers van de armen toonden keer op keer aan dat
veel oude mensen na een leven van arbeid toch onder rampzalige armoede te
lijden hadden. Dit kan een gevolg geweest zijn van het hogere tempo van de
fabrieksarbeid en het stadsleven in vergelijking met de omstandigheden op
het platteland, van de verslapping van familiebanden en tradities van goed
nabuurschap, en ook van het feit dat rond de eeuwwisseling veel meer
arbeiders een hoge leeftijd bereikten, en velen van hen verzwakt waren
zonder echter op grond van letsel of ziekte recht te hebben op
ongeschiktheidsuitkeringen. De meeste arbeiders waren geheel onvoorbereid op
dit overleven. Ouderdom werd nu een sociaal probleem op zichzelf.
Er was nog een bijzondere complicatie: actuariële statistieken konden slechts
de gemiddelde levensduur op een bepaald moment meten, maar deze niet tien,
twintig of veertig jaar vooruit voorspellen. En waarschijnlijk ten gevolge
van verbeterde hygiëne en voeding leefden mensen langer dan statistici en
verzekeraars hadden verwacht. Arbeidsongeschikten bleven met hun letsel
langer in leven dan men berekend had, en hun uitkeringen drukten zwaar op de
fondsen. De ouderen die niet aan een specifiek gebrek leden hadden geen
andere bestaansmiddelen dan liefdadigheid en bedeling. Elk arrangement voor
ouder- | | | | domspensioen diende zijn uitkeringen minstens vijftig
jaar vooruit te garanderen, wilden jonge arbeiders er hun vertrouwen in
stellen. Deze ‘onzekerheid van remedie’ vereiste instituties die over een
lang verloop van tijd levenskrachtig zouden blijven. Het alternatief was
natuurlijk dat de werkenden van dat moment de pensioenen zouden betalen van
de bejaarden van dat zelfde tijdstip. Maar dit vroeg om een ongebruikelijk
altruïsme, of dezelfde onzekerheid over de remedie moest worden weggenomen
door de garantie dat de contribuanten van nu later zouden profiteren van de
bijdragen van volgende generaties. Het idee dat een en hetzelfde dwingende
pensioenstelsel de toekomstige pensioenen van de arbeiders van nu kon
verzekeren en bovendien uit de huidige contributies de uitkeringen van de op
dit moment gepensioneerden kon uitbetalen, was voor het degelijke sparende
publiek een frivole, zo niet een frauduleuze goocheltoer. Maar het is
duidelijk dat zowel een volledig gekapitaliseerd project waarin bijdragen
worden geaccumuleerd en gereserveerd voor de generaties die ze betaald
hebben, als een roulerend fonds waarin de lopende uitkeringen uit de lopende
contributies betaald worden, een levenslange garantie vereisen. Niet alleen
de ervaringen met de arbeidersonderlinges, maar ook de antecedenten van
commerciële verzekeringen en bedrijfspensioenfondsen lieten zien dat dit een
wel zeer lange tijdsspanne was om zonder falen te overbruggen. Slechts de
staat, die zich reeds lang had beziggehouden met de uitgifte van obligaties
onder de belofte van terugbetaling over dertig of vijftig jaar, leek een
voldoende permanente institutie te zijn om een dergelijk vertrouwen in te
boezemen.53
Werkgevers hadden weinig reden om zich tegen pensioenprojecten te verzetten:
zulke plannen stelden hen in staat zich te ontdoen van oudere werknemers en
verlosten het bedrijf van de knellende verplichtingen jegens hun uitgetreden
employés. Het was natuurlijk van belang dat salarisinhoudingen, hoe ze ook
geïnd werden, de loonkosten zouden verhogen, maar dit bracht geen
verandering teweeg in de concurrentieverhoudingen onder even
arbeidsintensieve bedrijven binnen één sector, en gaf grote bedrijven met
een lagere arbeid/kapitaalverhouding zelfs een voordeel ten opzichte van
kleine ondernemingen.54 Verontrusting over de gevolgen van toenemende
loonkosten voor de internationale concurrentieverhoudingen verenigde grote
ondernemers zo nu en dan in het verzet tegen een wetsvoorstel voor een
pensioenproject, maar dit woog voor hen toch zelden op tegen de voordelen
van een betrouwbaar en loyaal arbeidsleger.
Voor de grote werkgevers en voor ambitieuze, activistische regimes lag de
doorslaggevende aantrekkingskracht van een nationaal pensioenproject in de
mogelijkheden om individuele arbeiders voor het leven te binden aan het
bedrijf of aan de staat door hun een aandeel te geven in het accumulerende
overdrachtsvermogen. Wat het project enkel nog in de weg stond was de
immense omvang van de aantallen en bedragen waar het om ging, een ongekend
financieel waagstuk dat pas algemeen vertrouwen begon in te boezemen toen
het bleek te werken.
| |
| | | |
5.3 Ziektekostenverzekering
Ziekte, een onvrijwillige en voorbijgaande toestand van onvermogen tot
arbeid, vormde een betrekkelijk gemakkelijk te verzekeren risico: men kon
ervan uitgaan dat die binnen een bevolking op willekeurige en dus
gelijkmatige wijze toesloeg, de kosten bleven destijds beperkt tot wat
medicijnen, eventueel enige behandeling, en - wat het belangrijkste was -
contante uitkeringen ter compensatie van gederfd loon. Bijna iedereen was
wel eens ziek geweest en zou ooit wel weer ziek worden, zodat deelnemers aan
een project zich gemakkelijk met de slachtoffers en uitkeerlingen in hun
midden konden identificeren. Er ontstonden problemen met betrekking tot
besmettelijke ziekten, die meestal een aanzienlijk deel van de deelnemers
tegelijk troffen en dus de middelen van het fonds in één klap uitputten.
Maar tijdens epidemieën konden gemeentelijke en centrale overheden met
noodhulp ingrijpen. Chronische aandoeningen, zoals de degeneratieve ziekten
die met hogere leeftijd komen, schiepen grotere moeilijkheden, vooral omdat
negentiende-eeuwse fabrieksarbeiders er vatbaarder voor waren dan de meer
welgestelde maatschappelijke lagen. Maar het grootste probleem was dat
arbeiders langer bleven leven dan men in het midden van de eeuw berekend
had, en dat ze dikwijls toch nog een hoge leeftijd bereikten met de
chronische aandoening of de blijvende arbeidsongeschiktheid die hun
aanspraak gaf op een uitkering. Alleen als de ongevallenverzekering
uitbetaalde bij blijvende ongeschiktheid, als gevolg van elke met het werk
samenhangende oorzaak, konden ziekenfondsen de aansprakelijkheden voor
chronische ziekten overhevelen naar andere instellingen, op voorwaarde dat
een samenhang met de arbeidsomstandigheden werd aangetoond.
De verzekering van chronische ziekte hangt dus nauw samen met
arbeidsongeschiktheids- en ouderdomsverzekering: de kosten van behandeling
en uitkering namen met het ouder worden sterk toe, en naarmate mensen langer
leefden en er meer medische remedies beschikbaar kwamen, werd ook die
toename steeds groter.55
Ook de armen vormden een groot risico voor de ziektekostenverzekering. Maar
toen besmettelijke infectieziekten eenmaal minder voorkwamen, werd het
verband tussen armoede en ongezondheid minder duidelijk, en vormde de
acceptatie van de laagste inkomensgroepen steeds minder een bedreiging voor
de solventie van het fonds, wanneer men middelen kon vinden om hun
contributie te financieren. En, het is al gezegd, de ouderen vormden een
steeds groter deel van de zeer armen.
De uitvoerbaarheid van ziekteverzekering enerzijds en het belang ervan
anderzijds werden vooral bepaald door de gedekte risico's; wanneer
chronische en degeneratieve ziekten in andere projecten verzekerd werden,
resulteerde er een betrekkelijk rechtlijnige actuariële situatie. Veel
landen hebben de risico's van blijvende arbeidsongeschiktheid dan ook langs
andere wegen verzekerd, doorgaans met een aanzienlijke
overheidsbijdrage.56
| | | |
Vrije wedijver tussen betrekkelijk autonome ziekenfondsen zou niettemin
resulteren in de uitsluiting van de meest kwetsbaren, tenzij de staat de
fondsen dwong hen te accepteren. Maar zo'n verplichting kon slechts worden
afgedwongen als de overheid de extra kosten voor het verzekeren van de armen
compenseerde, wat zij meestal ook deed, soms door middel van een nationaal
egalisatiefonds.57
Niettemin is ziektekostenverzekering vooral om twee redenen omstreden
gebleven: de deelnemers kunnen een paar dagen vrij nemen voor een kleine
klacht, die in de ogen van anderen hun verzuim op het werk niet kan
billijken. Tegen dergelijke ongerechtvaardigde afwezigheid zijn talloze
maatregelen bedacht: het gebruik om de eerste paar dagen van de ziekte niet
uit te betalen, de Carenzzeit bij voorbeeld, maar deze
maatregel strafte ook de echt zieken, en ontmoette veel tegenstand. In de
meeste landen werd dit geleidelijk afgeschaft. Wat ervan overbleef was de
verplichting om thuis te blijven voor een bezoek van een medische
inspecteur.
Hiermee hangt de tweede bron van onophoudelijke strijd in de
ziektekostenverzekering samen: ze was van a tot z afhankelijk van medici, en
dat geldt tot op de dag van vandaag. Dokters moesten beslissen of ziekte
inderdaad het verzuim rechtvaardigde, dokters moesten de door het fonds te
betalen behandeling en medicijnen voorschrijven, en dokters en apothekers
leverden deze.
Medische verzekering heeft de latente behoefte aan zorg getransformeerd tot
een effectieve en oordeelkundige vraag naar medische diensten, en de artsen
hebben zich georganiseerd in een beroepsgroep die een door de staat
beschermd monopolie verkreeg voor de levering van diensten. De
ziektekostenverzekeraars vormden op hun beurt ook een oligopolie of
monopolie met staatsbescherming, maar in plaats van de vraag te beperken,
breidden ze haar enorm uit. De medische professie en de
ziektekostenverzekering hadden elkaar dus nodig, en stoorden zich aan hun
wederzijdse afhankelijkheid. Een taaie machtsstrijd was het gevolg: in
sommige landen, Frankrijk, Duitsland en Nederland bij voorbeeld, wist de
medische beroepsgroep zich een aanzienlijke zeggenschap te verwerven over de
ziektekostenverzekering, en beheerst de vraag- zowel als de aanbodzijde van
een medische economie die gefinancierd wordt door gedurige
tariefsverhogingen; in andere landen, zoals Engeland of Italië, werden
dokters de werknemers van een nationale gezondheidsdienst, hoewel ze ook
daar een zekere zeggenschap over hun arbeids- en beroepsvoorwaarden wisten
te handhaven. In een groot aantal minder ontwikkelde economieën en in de
Verenigde Staten verzekerde de medische professie zich van een door de staat
beschermd monopolie, maar bleef zich tegen een gezondheidsstelsel onder
staatsbeheer verzetten, ook al betekende dit dat de vraag onder de lagere
inkomensgroepen achterbleef door gebrek aan geld.
Veel hing van de timing af: aanvankelijk waren vele, progressief gezinde
dokters individueel voorstander van ziektekostenverzekering. Maar het
optreden van de overheid of de fondsen leidde tot een tegenorganisatie bij
de medici. De | | | | leiders van de professie werden doorgaans
gerekruteerd uit de meest aanzienlijke beoefenaars, die zich sterk
identificeerden met de particuliere praktijkvoering in een vrije markt, en
zich dan ook tegen de collectivisering van de medische zorg keerden. Als er
in de tussentijd toch een sterk en verenigd stelsel van ziekteverzekering
was ontstaan, kon dat de weerstand overwinnen die het zelf had opgeroepen.
Wanneer het stelsel meer gefragmenteerd was, kon de medische beroepsgroep de
voorwaarden stellen (zie ook hoofdstuk 7).
| |
5.4 Werkeloosheidsverzekering
Van alle risico's in de moderne industriële samenleving is werkeloosheid het
moeilijkst te verzekeren. Ten eerste is het niet een gebeurtenis die iemand
onafhankelijk van de anderen overkomt; zoals bij besmettelijke ziekte
vergroot één geval de waarschijnlijkheid dat andere zullen volgen. Net als
epidemieën verschijnt en verdwijnt werkeloosheid in golven die wellicht
cyclisch zijn, maar onvoorspelbaar blijven. Dit betekent een zeer ongelijke
risico-accumulatie met alle actuariële problemen van dien. Commerciële
bedrijven zijn daarom werkeloosheidsverzekering uit de weg gegaan, en hebben
haar aan vakbonden en verenigingen voor onderlinge bijstand overgelaten, die
juist voor deze taak zeer ongeschikt waren vanwege het feit dat hun leden
doorgaans hetzelfde beroep uitoefenden.
Ten tweede is het moeilijk om te beslissen of iemand inderdaad onvrijwillig
werkeloos is, en of hij niet heimelijk erbij werkt. Deze problemen van
inspectie en afhandeling zijn het domein geworden van specialisten, die
echter niet horen tot een academische beroepsgroep die door haar gezag de
beambten en de aanvragers tegen elkaar kan beschermen, zoals dokters
arbitreren in ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Bovendien kan
een werkeloosheidsfonds als verzetskas gebruikt worden voor ontslagen
activisten en ter ondersteuning van bij een uitsluiting of een staking
betrokken arbeiders. Werkgevers en autoriteiten stonden dus wantrouwend
tegenover dergelijke fondsen en deden vaak wat ze konden om ze te ontbinden.
Ten slotte leggen werkeloosheidsuitkeringen een bodem in de arbeidsmarkt
waaronder de lonen niet zakken kunnen. Tegenstanders hebben aangevoerd dat
zulke uitkeringen de werkeloosheid alleen maar vergroten, omdat ze de lonen
kunstmatig boven het niveau houden waarop de vraag naar arbeid weer zou
toenemen en de werkeloosheid uit zichzelf zou verdwijnen. Anderen hebben
daarentegen betoogd dat deze uitkeringen een multiplier
effect sorteren, doordat ze de effectieve vraag van consumenten
vergroten en zo de economie stimuleren.
Het woord ‘werkeloosheid’ suggereert al dat doorlopend, geregeld werk de
normale stand van zaken is: iedereen die niet ziek of arbeidsongeschikt is,
erg jong of erg oud, of druk in de weer met de zorg voor een gezin, dient
een vaste baan te hebben. De bourgeoisie in de vroeg-industriële samenleving
kon niet geloven dat mensen buiten hun schuld zonder werk waren.58 Ook de officiële | | | | klassieke
economie was niet erg behulpzaam bij het wegnemen van de burgerlijke
verdenkingen: in een vrije markt zou de arbeidsreserve geabsorbeerd worden
na het dalen van de lonen en het groeien van de vraag. Wanneer dan toch
grote aantallen mensen zonder werk bleven, moesten die wel werkschuw zijn.
In de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden deze simplistische ideeën
weerlegd door een reeks onderzoekingen onder de armen. Bovendien ontdekten
de economen de conjunctuur, en toonden aan dat werkeloosheid een kenmerk was
van economische depressies, en daarom dus eerder het resultaat van een
maatschappelijk proces dan het gevolg van een individuele gesteldheid.
Desondanks werden de werkelozen behandeld als alle andere armen, en nog eens
extra bestraft omdat ze gezond en stevig waren: hun toestand diende slechter
te blijven (‘minder verkieslijk’) dan die van de actieve arbeiders, de wens
om te werken moest worden ingeprent door strenge voorwaarden aan de hulp te
stellen, en onder dreiging met het armenhuis. Onophoudelijk vermaan,
opvoeding en inspectie moesten alle resterende luiheid en ondeugd uitroeien.
Toen rond de eeuwwisseling de economische oorzaken van de werkeloosheid
duidelijker werden, leken de filantropische pogingen om het zedelijk peil
van armen en leeglopers te verheffen steeds minder ter zake. Hervorming van
de arbeidsmarkt leek een beter plan, en daartoe werden arbeidsbureaus
opgericht. Sommige bestuurders speelden zelfs met de gedachte van openbare
werkprojecten voor werkelozen om ze uit de steun te houden en om
radicalisering en oproer te voorkomen. Aan het begin van de twintigste eeuw
begonnen gemeenten op het Europese vasteland met de subsidiëring van
werkeloosheidsverzekering door vakbonden: het ‘Gentse systeem’.59 Deze projecten waren vrijwillig en
dekten slechts de beter gesitueerde arbeiders, die het merendeel van de
vakbondsleden vormden. Van hun kant verzetten de vakbonden zich tegen
uitbreiding van deze projecten omdat dit de ‘verhoogde risico's’ ertoe zou
kunnen verleiden zich in te schrijven, een paar weken contributie te
betalen, en vervolgens de uitkeringen op te strijken. De uitbetalingen waren
erg laag, maar zelfs op dit niveau overschreden ze al ras de middelen van de
vakbonden, en zelfs van de gemeenten, omdat de werkeloosheid zich meestal in
bepaalde beroepen en regio's concentreerde.60 Voor de grote massa van werkelozen was er
niet eens een verzekering, alleen liefdadigheid en bedeling.
Werkgevers verzetten zich gewoontegetrouw tegen arrangementen die de lonen
boven het marktniveau hielden. En binnen een afzonderlijk bedrijf werden de
risico's uiteraard geaccumuleerd en niet gespreid. Zelfstandige
bedrijfsprojecten speelden dus nauwelijks een rol in de
werkeloosheidsverzekering: bedrijven die werknemers ontsloegen, konden hen
het minst van al ondersteunen.
Ten slotte restte er geen alternatief dan de staat als uiteindelijke drager
van de werkeloosheidsverzekering. Maar zelfs ambitieuze bestuurders deinsden
terug voor de risico's die een nationale werkeloosheidsverzekering met zich
meebracht. De vroege wetten in Duitsland en Engeland werden in een
optimistische | | | | stemming gedurende een economische hausse
aangenomen, en zodra de financiële druk van massawerkeloosheid voelbaar
werd, moesten ze worden aangevuld met massale bijstandssubsidies. Slechts in
de Verenigde Staten werd midden in een depressie een
werkeloosheidsverzekeringsstelsel ingesteld; Frankrijk en Nederland
doorstonden de crisis van de jaren dertig van deze eeuw met
overheidssubsidies voor gemeente- en vakbondsprojecten, en met massale maar
karige armenhulp: deze landen namen pas in de jaren vijftig een nationale
werkeloosheidsverzekering aan, tijdens een periode van ongekende economische
groei en nationale eensgezindheid over de sociale zekerheid. Tegen die tijd
hadden Keynesiaanse theorieën, de ervaringen van de economische crisis in de
jaren dertig en de oorlogseconomie de regeringen geleerd hoe ze de openbare
uitgaven konden aanwenden om volledige werkgelegenheid te handhaven. En hier
doet zich nog een fundamenteel verschil met andere vormen van sociale
verzekering voor: ziekte, arbeidsongeschiktheid en ouderdom zijn tamelijk
onafhankelijk van regeringsbeleid, maar werkeloosheid kan door
regeringsinmenging in de economie gemanipuleerd worden. Het beleid van
volledige werkgelegenheid bleek zijn prijs te hebben: inflatie. Tegenwoordig
wordt de totale werkeloosheid niet langer als een extern risico gezien, maar
meer als een afhankelijke variabele in het totale economische beleid: de
kosten van de werkeloosheidsuitkeringen worden bij de bepaling van het
beleid als een van de vele posten in de berekeningen opgevoerd.
Als gevolg hiervan beschouwen mensen die geen baan kunnen vinden zichzelf
steeds meer als slachtoffers, niet van het lot of van de verborgen hand der
markt, maar van het regeringsbeleid, ook al omdat de overheid zelf verreweg
de grootste werkgever is geworden, een hardnekkig voorvechter van
economische investeringen en een vaste subsidiegever voor bedrijven in
economische nood. Werkeloosheidsverzekering, die toen zij echt nodig was
nooit goed functioneerde, kan nu beter begrepen worden als een stelsel van
bijzondere belastingen voor en restituties uit een algemene reserve voor hen
die geen werk in loondienst hebben. Maar juist het feit dat de staat
verantwoordelijkheid voor de werkgelegenheid van zijn burgers op zich neemt
(soms zelfs in de vorm van een grondwetsartikel) en dat hij daarvoor ook
verantwoordelijk geacht wordt, toont aan hoe ver de collectivisering van de
zorg reeds gevorderd is: omdat werkeloosheid de centrale staat tot zorg is
geworden, is deze van een individuele tegenslag getransformeerd tot een
berekend resultaat van overheidsbeleid, waarvoor een schadeloosstelling
gevorderd kan worden. De problemen van de werkeloosheid in hun huidige vorm
kunnen slechts worden opgelost door de banen meer gelijkelijk onder de
bevolking te verdelen.
| |
5.5 Kinderbijslag
Het zal nauwelijks verbazing wekken dat kinderbijslag het eerst verscheen en
de grootste verbreiding kende in katholieke landen, waar de officiële opinie
ge- | | | | boortenregeling verbood. Onder deze omstandigheden konden
voortplanting en zwangerschap als risico's van het volwassen leven beschouwd
gaan worden, op zichzelf allerminst onwenselijk, maar wel oorzaak van een
financiële last die door een verzekering gedekt moest worden. Een morele
bezorgdheid om het voortbestaan van het gezin als institutie bezielde de
kinderbijslagbeweging: men meende dat de omstandigheden van het
stedelijk-industrieel bestaan leidden tot ondermijning van de traditionele
banden van huwelijk en ouderschap in de lagere klassen.
Fabriekseigenaren gaven de voorkeur aan getrouwde mannen en vaders, in wie
zij bezadigder en betrouwbaarder arbeiders zagen, en waren bereid hun lonen
aan te vullen. Anderzijds kon dit beleid de concurrentiepositie van het
bedrijf ten opzichte van concurrenten verzwakken. Vooral in Frankrijk zetten
katholieke werkgevers daarom gefuseerde fondsen op om de kosten van de
kinderbijslag te egaliseren.
Vakbonden en sociaal-democratische partijen waren tegen de kinderbijslag,
omdat werkgevers zo een ontoelaatbare invloed kregen op de levenswandel van
hun arbeiders. Ze eisten bovendien dat de lonen voldoende zouden zijn voor
de ondersteuning van een gezin, zonder extra toelagen.
De staat raakte in deze kinderbijslagprojecten betrokken om de lasten
gelijker te verdelen onder de werkgevers. Die belangstelling werd in hoge
mate gewekt door de bezorgdheid over de globale geboortencijfers, die in de
loop van het industrialiseringsproces in het algemeen omlaag gaan. Ook de
nasleep en hernieuwde dreiging van oorlog maakte dit voor Frankrijk en ook
voor nazi-Duitsland tot een urgente kwestie.
De aanspraak op kinderbijslag is een soort van overdrachtsbezit, maar meer
nog dan andere overdrachten gaat deze uitkering over in een negatieve
belasting. In feite wordt in de meeste moderne landen ook belastingaftrek op
grond van gezinsomvang verleend, terwijl in veel landen een nationaal
stelsel van kinderbijslag uit de algemene belasting wordt gefinancierd.
Onder de huidige verhoudingen is voortplanting nauwelijks nog een kwestie
van toeval, en worden per ouderpaar slechts enkele kinderen geboren.
Financiële overwegingen lijken in de geboorteregeling een minder belangrijke
rol te spelen. De kinderbijslag kan nog het best gezien worden als een
manier om belastingen rechtvaardiger te verdelen.
|
49Deze aanhoudende processen vormden
uiteraard een bron van inkomsten voor advocaten. Toch was het bij elke
zaak in het belang van de advocaat van de eiser om de wet in haar
huidige vorm aan de kaak te stellen en zo een praktijk te ondermijnen
die op lange termijn ten goede kwam aan de professie als geheel.
Bovendien wordt de wet niet gemaakt door praktizerende advocaten, maar
door rechtsgeleerden, rechters en wetgevers, voor wie de calculus van de
praktijk heel wat minder telt. Dit verklaart waarom een stand van zaken
die de juridische professie tot voordeel was, ten slotte werd
afgeschaft, ten dele door de inspanningen van de juristen zelf.
Soortgelijke hervormingen hebben zich ook in de medische professie
voorgedaan.
50Werkgevers hadden een bijkomend belang in hun ondersteuning
van hervorming: ze waren gekant tegen ‘het smadelijk karakter van de
wet’ (Ewald, p. 247) die immers eiste dat hun nalatigheid op de
rechtszitting werd aangetoond.
51Vgl. Stearns; Guillemard (Inleiding). Alan Walker, p. 144,
tracht ‘te beweren dat de “afhankelijkheid” van vele ouderen en de
intensiteit daarvan bestaan uit een structureel opgelegde inferieure
sociale en economische status ten opzichte van de werkende bevolking, en
ten tweede dat sociaal beleid dat direct of indirect door de staat is
afgekondigd een centrale rol speelt in het creëren en handhaven van deze
afhankelijkheid’. Deze benadering wordt, hoewel zij gedeeltelijk geldig
is, ontsierd door een gebrek aan historisch perspectief: de uitsluiting
van ouderen van de grond en andere bestaansmiddelen en hun verwaarlozing
door jongere generaties was een algemeen kenmerk van de Europese
prekapitalistische samenleving.
52Vgl.
Stearns, p. 21 ‘...zulke aardse zaken als het verlies van tanden op
vijfenveertigjarige leeftijd. Dit betekende dat iemand, meestal de
jongste dochter, die overigens niet zou trouwen vanwege de tienjarige of
langere verzorging van een ouder wordende patiënt, het voedsel moest
fijnprakken en het de bejaarde slokdarm in moest lepelen. Kunstgebitten
werden pas na 1850 een gangbaar artikel voor de lagere klasse.’
53En regeringen slaagden er soms ook
niet in om hun obligaties te honoreren, of ze knoeiden met de
voorwaarden door inflatie toe te laten, zoals na de Eerste Wereldoorlog
in Frankrijk en Duitsland gebeurde.
54De mate van politieke
betrokkenheid bij de samenwerking met kleine werkgevers speelde dan ook
een zeer grote rol.
55In moderne naties is
ziektekostenverzekering inderdaad hard op weg om een aanvullend
ouderdomspensioen te worden: in Nederland bedragen de medische kosten
voor kinderen de helft van die van mensen van middelbare leeftijd
(vijfenveertig tot vijfenzestig jaar), de kosten van bejaarden (boven
vijfenzestig jaar) bedragen bijna het dubbele, en die van de zeer ouden
(boven vijenzeventig jaar) het viervoudige. Weglating van de
behandelingskosten van ongevallen thuis, op het werk en in het verkeer
zou tot nog grotere verschillen leiden. Vgl. Nota
2000.
56Bijv. Medicare voor de bejaarden in de Verenigde Staten (1965), of de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten in Nederland.
57Alleen in de Verenigde Staten
is de ziektekostenverzekering voornamelijk een aangelegenheid gebleven
van particuliere ondernemingen in de vrije sector; ziekengeld voor
inkomstenderving werd en wordt doorgaans gedekt door bedrijfscontracten,
ongeregelde arbeiders en de werknemers van financieel zwakke
ondernemingen genieten in merendeel geen bescherming. Liever dan een
nationaal verzekeringsstelsel te vestigen, koos de overheid ook in dit
geval voor een bijzonder project ter dekking van het uitgesloten
bevolkingsdeel: Medicaid (1965).
58Vgl. Garraty, Harris, over laat-negentiende-eeuwse houdingen
tegenover werkeloosheid.
60Vgl. De
Rooy voor een zorgvuldige studie van het werkeloosheidsbeleid in
Amsterdam en Nederland.
|
|