De invoering van de eerste sociale zekerheid op nationale schaal was de meest ingrijpende stroomversnelling in het collectiviseringsproces van de afgelopen eeuw, en een nieuwe fase in het proces van staatsvorming. Voor het eerst werd een aanzienlijk deel van de bevolking, dat sindsdien alleen maar zou toenemen, binnen één dwingend en collectief stelsel gebracht ter bescherming tegen de tegenslagen van het arbeidsbestaan.
Rond de eeuwwisseling bleek alleen de staat te beschikken over de administratieve capaciteiten, het bereik en de permanentie om die taak te volbrengen. Alleen de staat kon met zijn dwingende macht om belastingen te heffen en lidmaatschap verplicht op te leggen, de dilemma's van vrijwillige collectieve actie overwinnen.
De dwingende accumulatie van overdrachtsvermogen betekende een directe inmenging in de financiële band tussen werkgevers en werknemers, en in de bestedingspatronen van afzonderlijke loonarbeiders. De staatsbureaucratie zou voortaan op elke werkvloer en in elk huishouden aanwezig zijn. De kleine, zelfstandige ondernemers hebben zich overal en voortdurend tegen dit vooruitzicht verzet. Hoe sterker hun politieke positie, des te langer werd de wetgeving opgehouden.
De arbeiders waren meer geneigd tot steun aan de sociale zekerheid naarmate hun organisaties meer gevestigd raakten, uitgroeiden tot nationale schaal en zich dienovereenkomstig oriënteerden op de nationale politiek en de centrale staat. De grote werkgevers maakten bezwaar tegen de kosten van de verzekering en de inmenging door bureaucratische instituties. Maar zij realiseerden zich ook dat het de arbeidsverhoudingen ten goede zou komen en hen zou ontslaan van de verantwoordelijkheid om te zorgen voor arbeidsongeschikte en bejaarde werknemers met hun gezinnen. Voor de grote werkgevers en voor de arbeiders werd de sociale zekerheid steeds meer een kwestie van kosten en zeggenschap, en uiteindelijk een onderwerp van onderhandeling.
De vierde partij in deze figuratie, het regime, vormde de enige noodzakelijke actor. Zonder dat regime viel niets te bereiken, maar om de tegenstand van de kleine burgerij te overwinnen en de wetten ook metterdaad te kunnen uitvoeren, kon dat regime het niet stellen zonder steun in het parlement en in het land. Het regime kon een begin maken zonder de vakbonden, zoals Bismarcks regering
dat gedaan had, in de zekerheid dat de grote werkgevers zouden meewerken en zijn plannen stilzwijgende aanvaarding zouden vinden bij de arbeiders. Ook kon een regime, zoals het kabinet van Lloyd George, nationale verzekeringen instellen met voorbijgaan van de werkgevers, maar dat vereiste een coalitie met de vakbonden. In de Verenigde Staten bracht het Roosevelt-regime de sociale zekerheid tot stand met steun van de vakbonden, en liet de uitwerking van specifieke compromissen met vakbonden en werkgevers over aan de afzonderlijke staten. In Frankrijk en Nederland werd de sociale zekerheid met veel vertraging gerealiseerd door wisselvallige, driezijdige coalities. In al deze landen overleed het verzet tegen de sociale zekerheid aan ‘natuurlijke’ economische oorzaken, zoals het afnemen van het aantal kleine zelfstandigen, terwijl de steun juist toenam met de groei van het aandeel van de loontrekkers in de beroepsbevolking.