|
|
|
| |
3 De transformatie van de middenklasse en de opkomst van de
professionele regimes
De collectivisering van de zorg in deze eeuw hangt nauw samen met de
transformatie van de middenlagen in de samenleving van voornamelijk
zelfstandige, kleine ondernemers tot vooral in loondienst werkende geschoolde
employés van grote organisaties.27 In dat proces gingen zij ook over van particulier, economisch
kapitaal naar cultureel kapitaal en een aandeel in het collectieve
overdrachtsvermogen. Net als andere loonarbeiders raakten het middenkader, en
vooral de overheidsemployés, aangewezen op collectieve overdrachtsarrangementen
in plaats van particuliere besparingen, maar hun voorzieningen waren doorgaans
veel beter dan die van de handarbeiders. De meer genereuze verzekeringen voor
het overheids- en bedrijfskader moesten een precaire, sociale afstand bevestigen
en dienen als een norm voor het algemeen sociaal beleid.28 De overweldigende voorkeur van deze
hoog opgeleide, loonafhankelijke mid- | | | | dengroepen voor collectieve
voorzorg is een blijk van hun proletarisering in vergelijking met de kleine
zelfstandigen. Individueel geaccumuleerde kennis onderscheidde hen van
handarbeiders in loondienst, wier ‘verburgerlijking’ andere
klasseonderscheidingen dreigde uit te wissen. Hun expertise en hun collectief
geaccumuleerde overdrachtsaanspraken moesten goedmaken wat ze hadden ingeboet
aan zelfstandigheid in het werk en aan particuliere bezitsvorming, die
samengingen met het ondernemerschap in de oude middenklasse.29
Deze transformatie van de middenklassen hing echter op nog een andere manier
samen met de opkomst van de verzorgingsstaat: de collectivisering van
gezondheidszorg, onderwijs en inkomenshandhaving verschafte talloze geschoolde
experts vaste posities in het beheer van de nieuwe arrangementen. In een en
dezelfde omvattende ontwikkeling werden zonen en dochters uit de kleine
onafhankelijke burgerij, die bedreigd werd door het grote-zakenleven of de grote
industrie, én de ambitieuze kinderen van opwaarts mobiele industriearbeiders,
die nieuwe stijgingskansen ontwaarden in de grote organisaties, gerekruteerd in
de expanderende dienstverlenende bureaucratieën, waar ze moesten zorgen voor hen
die niet konden of niet wilden werken, of die nog niet of niet meer
hoefden.30 Dit stootkussen van
werkgelegenheid in het dienstenapparaat absorbeerde zodoende een groot deel van
de burgerlijke frustraties en arbeidersaspiraties door de nieuwe generaties toe
te laten tot de ‘verdelingselites’, die de zich uitbreidende ‘sociale
clientèles’ van de verzorgingsstaat beheerden. Daar deelden zij via
bureaucratische procedures schaarse middelen toe in ruil voor politieke
loyaliteit.31
Zelfs staten zijn figuraties van mensen die verbonden zijn met andere sociale
groepen binnen het grondgebied, en alle tezamen een ‘familie van staten’ in
wederzijdse en wedijverende interdependentie vormen. In zulke staatsfiguraties
bevinden zich de meest zichtbare personen aan de top van de hiërarchie: de
bestuurders en politici, die formeel de leiding hebben en soms ook in staat zijn
het feitelijk beleid te veranderen. Zij vormen wat hier het politieke regime
genoemd is. Maar staten bestaan van hoog tot laag uit mensen. De expansie van
het staatsapparaat impliceert een navenante toename van de aantallen mensen die
erin tewerk zijn gesteld, er de kost verdienen, daar groepen, subgroepen en
tegengroepen vormen, hun persoonlijke, collectieve, professionele of
departementale belangen verdedigen tegen anderen, en zich identificeren met het
staatsapparaat als geheel zodra ze met mensen van buiten te maken krijgen.
Bovendien zijn buiten de formele grenzen van de staat andere groepen opgekomen,
die er hecht aan verbonden zijn door de wettelijke bescherming van hun positie,
door subsidies en politieke steun, in ruil waarvoor zij hun diensten, hun
deskundigheid, hun beroepsgezag en loyaliteit bieden, steeds doende hun positie
ten opzichte van andere groepen te verbeteren. Dit zijn de professionele en
semi-professionele cohorten die functioneren in alliantie met de centrale staat,
nooit volkomen afhankelijk, nooit geheel betrouwbaar, maar voor de handhaving en
verbetering van hun positie er volledig op aangewezen.
| | | |
Al deze groepen kunnen bestudeerd worden in een gemeenschappelijk dubbel
perspectief - ze zijn te beschouwen in hun bijzondere relatie tot de staat, en
als bezitters van een bijzonder middel van bestaan: deskundigheid. Het gaat hier
niet om de vraag of deze twee voorwaarden hen tot een ‘klasse’ of ‘sociale laag’
maken, tot een ‘categorie’ of een ‘fragment’ van iets anders. Tussen deze
groepen onderling bestaan belangrijke verschillen, en hun gemeenschappelijke
karakteristieken staan slechts een gradueel onderscheid toe met andere
maatschappelijke groeperingen. Hier is van belang hoe deze groepen zijn ontstaan
in het proces van statenvorming, en hoe zij op hun beurt bijdroegen tot de
collectivisering van de zorg.
| |
3.1 Professionalisering en de opkomst van de professionele
regimes
Leraren, artsen en verpleegsters, maatschappelijk werkers en bestuurders
verlenen allen professionele diensten aan hun leerlingen, patiënten en
cliënten in een rechtstreekse ontmoeting met hun clientèle. Deze
onmiddellijke cliënt-expert-relaties zijn ingebed in een dubbele context:
van verbindingen met de professie en met de staat.32 De staat en hun eigen professie verschaffen
deze experts de remedies en faciliteiten waarmee ze moeten werken. Maar die
instanties leggen ook veelal strijdige eisen op. Zo hebben maatschappelijk
werkers een professionele geheimhoudingsplicht, maar dienen ze
staatsinstellingen informatie te verschaffen. Om zulke contradicties in de
praktijk te kunnen oplossen, is professionele hulpverleners een
aanzienlijke, maar wisselende mate van vrije beslissingsruimte voorbehouden.
De deskundigen hebben dus met twee instanties te maken, de beroepskring en de
staat, en met een derde - denkbare - categorie die bestaat uit hun actuele
en potentiële clientèle. Het is typerend voor de ontwikkeling van moderne
staten dat deze derde groep grotendeels denkbeeldig is gebleven: de zieken,
de behoeftigen en de onwetenden zijn door de staat, de arbeidsmarkt en de
professies tot welomlijnde categorieën van patiënten, cliënten en studenten
omgevormd, maar zij hebben zich, buiten deze clientèle-relatie om, slechts
zelden in tamelijk autonome, eigen groepen georganiseerd. Universitaire
studenten zijn er nog het best in geslaagd om hun eigen organisaties op te
zetten, en die hebben inderdaad het docentenkorps en de staat tegenstand
geboden. Hier en daar hebben bepaalde patiëntengroepen zich georganiseerd,
maar zelfs in de omschrijving van het lidmaatschap weerspiegelen ze de
categorieën van de medische professie, en dikwijls blijken ze die
beroepsgroep te steunen in de eisen die ze aan de staat stelt. Hetzelfde
geldt voor ouderverenigingen en docenten, patiëntenorganisaties en artsen,
wijkgroepen en buurtwerkers. De lijdzaamheid van uitkeringstrekkers en
bijstandscliënten als het erom gaat zich te doen gelden is berucht, en zij
zijn voor de verwoording van hun eisen, verwerkt in meer algemene
programma's, vrijwel geheel aangewezen op vakbonden en politieke
partijen.33 Zo is de clientèle
van de staatsgebonden experts grotendeels een denkbeeldige categorie | | | | gebleven, gedefinieerd door experts, bureaucraten en politici,
door hen aangeroepen in hun pleidooien, maar bijna altijd in de indirecte
rede, en zelden rechtstreeks aan het woord - geen klasse ‘op zichzelf’, maar
‘voor anderen’.
Zo zijn de behoeften en belangen van de cliënten voor hen gedefinieerd;
leerplannen, therapieën en programma's worden vooraf opgesteld door de
georganiseerde professies en de staat, waarbij het aan de staatsgebonden
experts wordt overgelaten om de cliënten met de nodige discretie en
flexibiliteit in deze projecten in te passen. Dat is hun beherende taak.
Onderwijzen, genezen en helpen zijn in de afgelopen eeuw het bijna exclusieve
werkterrein geworden van sterk georganiseerde groepen in en rondom de staat.
De toegang tot hun gelederen liep via formeel onderwijs, door de accumulatie
van cultureel kapitaal in een lange mars door de onderwijsinstituties die
ontstaan waren in een voortgaande golf van collectivisering en
staatsregulering. De zo verworven deskundigheid bestaat uit officieel
erkende kennis, die met diploma's aantoonbaar en uitwisselbaar gemaakt is.
Vroeg in de negentiende eeuw, toen de centrale regeringen optraden om de
gildes en ‘coalities’ van ambachtslieden, handelaars en - met name -
arbeiders te ontbinden, werd tegelijk een nieuw aan de staat gebonden
monopolie geschapen: in het lager onderwijs - een terrein dat tot dan toe
vrijwel uitsluitend het domein van de kerk geweest was. Door de strijd van
metropolitaanse kringen van ondernemers en beambten tegen de regionale
aristocratische en kerkelijke elites was de staat geleidelijk bij het lager
onderwijs betrokken geraakt. Na enige tijd kwam het tot centraal opgelegde
normen voor het leerplan, de scholen en de onderwijzers.
Toen de staat de regels eenmaal had vastgesteld, moest deze ook op de
naleving ervan toezien en werd zo gedwongen om de middelen te verschaffen om
de afgekondigde normen ook te verwezenlijken. Door te verlangen dat
onderwijzers een diploma haalden, raakte de centrale regering betrokken bij
de oprichting van kweekscholen en vervolgens bij de vaststelling van het
salaris dat zo'n kwekeling ertoe zou brengen om inderdaad in het onderwijs
te gaan; en dan moest ervoor worden gezorgd dat de schoolbesturen die
salarissen inderdaad konden betalen. De keerzijde van dit beleid was de
uitsluiting van ongediplomeerde onderwijzers uit de scholen. Dat betekende
weer dat schoolbesturen moesten worden geprest tot afwijzing of ontslag van
ongeschikte werknemers die men nu net met een aanstelling als schoolmeester
uit de bedeling had willen houden. Ook deze inmenging moest betaald worden,
met subsidies.
Uiteindelijk ontstond een onderwijzerskorps van heel homogene sociale
herkomst, opleiding en ook overtuiging, voor zover ze in het
openbare-schoolstelsel werkten. In die landen waar confessionele
schoolstelsels tot ontwikkeling kwamen, werden parallelle
onderwijzersbataljons gerekruteerd, met overeenkomstige sociale achtergrond
en opleiding, maar uiteraard van heel verschillende gezindte. Maar alle
onderwijzers deelden een pedagogische roeping en een on- | | | | derwijskundige korpsgeest. En met het verstrijken van de eeuw werden
steeds meer onderwijzers direct of indirect betaald door de staat.
Onderwijzer was altijd een nederig beroep geweest, maar de grote conflicten
over het onderwijs droegen veel bij aan het prestige van de scholen en
onderwijzers, terwijl vervolgens de staatsbemoeienis hun materiële
omstandigheden drastisch verbeterde. Het gevolg was dat rond het midden van
de eeuw een loopbaan in het onderwijs voor veel arbeiderskinderen die goed
konden leren een aantrekkelijk vooruitzicht vormde, en voor de zonen van de
zelfstandige kleine burgerij althans een aanvaardbaar alternatief.34 Van belang was ook dat met de
materiële verbetering en de verhoogde status van het onderwijs, lesgeven nu
een eerbare bezigheid werd voor meisjes uit de middenklasse, een tijdlang
zelfs de enige, totdat overeenkomstige ontwikkelingen in ziekenhuizen en
filantropische instellingen het vrouwen ook mogelijk maakten als
verpleegsters en armenbezoeksters waardig in eigen onderhoud te voorzien.
Eén belangrijk effect van de strijd rond het onderwijs was de constante en
algemene campagne om de kinderen naar school te krijgen; moeders moesten ze
naar school sturen, vaders moesten ze vrijstellen van produktieve plichten
en werkgevers mochten ze niet op het werk vasthouden. Terwijl het
schoolbezoek toenam veranderden gaandeweg de heersende ideeën over
bekwaamheid van iets dat men opdeed en bewees in de taken en genoegens van
het alledaagse leven thuis en op het werk, naar iets dat in speciale
instituties onder specialistische begeleiding werd aangeleerd en gewaarborgd
werd met een officieel document. Nadat ze zovelen hadden overtuigd van de
wenselijkheid van onderwijs, slaagden de schoolhervormers erin het ook voor
iedereen onmisbaar te maken: de verschijning van het analfabetisme als een
nieuw soort tekort, als een residu van onwetendheid, betekende ook de
uiteindelijke overwinning van het alfabetisme. Het algemeen lager onderwijs
schiep residuale probleemgroepen zoals kinderen met ‘leermoeilijkheden’,
‘moeilijk opvoedbare kinderen’ en ‘schoolverlaters’, die in deze eeuw het
onderwerp van specialistische pedadogische experts zouden worden.
Zo, geholpen door de staat en met de onderwijzers als infanterie vestigde de
onderwijsbeweging een onderwijsregime over de bevolking.
Niemand kon het nog zonder onderwijs stellen - alleen scholing kon geldige -
dat wil zeggen: gedocumenteerde en erkende - kennis leveren. Kindertijd en
jeugdjaren verliepen nu grotendeels onder rechtstreeks toezicht van de
school, terwijl het gezinsleven zich maar moest aanpassen aan de dag- en
seizoenroosters, de normen van hygiëne, kleding en taal, die de school had
opgelegd.
Slechts in één opzicht slaagden de onderwijzers niet helemaal: ze wisten geen
eigen zeggenschap te krijgen over de onderwijspraktijk, het leerplan en de
toelating tot de beroepsgroep. Ze bereikten nooit de relatieve autonomie van
professies als de geneeskunde en de advocatuur. Daar zijn drie redenen voor
aan te wijzen: hun expertise was niet esoterisch genoeg - het was precies de
grootste gemene deler van wat alle elites geleerd hadden. Ten tweede
beschikten de | | | | onderwijzers als beroepsgroep niet over een
alternatief voor werk binnen het schoolstelsel: wat aan particuliere
praktijk bestond, verdween weldra met de komst van het door de staat
gesteunde onderwijs. Ze konden, anders dan de medici, nooit dreigen met een
uittocht uit het institutionele dienstverband naar een zelfstandige
praktijkvoering op de vrije markt. En ten slotte, het schoolstelsel van
kinderdagverblijf tot universiteit is als geheel een hiërarchie,
onderwijzers konden daarbinnen individueel omhoogkomen, en hoefden dus niet
noodzakelijk als beroepsgroep de gelederen te sluiten om naar collectieve
statusverbetering te streven.
Er bestaat een academische pedagogische professie, maar onderwijzers zijn
daarvan niet de beoefenaars, maar de studenten en cliënten. In de kieren
tussen de richtlijnen van de pedagogiek en het officiële leerplan kunnen
leerkrachten een zekere mate van individuele speelruimte vinden.
Activistische onderwijzers streven dan ook naar vergroting van hun aanzien
en autonomie door de voorschriften van de progressieve pedagogiek tegen de
eisen van het formele programma uit te spelen.
Van begin af aan hebben de onderwijzers op de kracht van hun aantal de
hoofdmacht gevormd van het nieuwe salariaat.35 Bovendien
verwierven zij het toezicht over de routinetoewijzing van cultureel
kapitaal, waarop de nieuwe middenklasse voor haar vooruitgang was
aangewezen.
Formeel onderwijs bood toegang tot steeds meer carrières binnen het
expanderende staatsapparaat zelf. Ambtenaren werden een tweede belangrijke
formatie binnen de loonafhankelijke middenklassen. Zowel de lokale als de
centrale overheidsadministratie zijn in de afgelopen honderdvijftig jaar
enorm gegroeid36 en dat bood opeenvolgende lichtingen de
mogelijkheid van een ambtelijke carrière, die voor de meesten bovenal
zekerheid, enig prestige en een kans op promotie inhield.37 De negentiende-eeuwse overheid is wel eens
‘de armenzorg van de aristocratie’ genoemd, maar in het ene land na het
andere maakten geërfde rang en politieke gunst plaats voor aanstelling en
promotie naar verdienste.38 Als gevolg hiervan konden nu jongelui uit de gelederen
van de oude middenklassen, als ze voor hun examens geslaagd waren een vaste
en eervolle aanstelling krijgen in ambtelijke dienst en toetreden tot de
nieuwe middenklasse als aan de staat gebonden experts.
Al hebben werknemers in de staatsbureaucratie officieel weinig
bewegingsvrijheid, sommige groepen experts wisten een grote autonomie binnen
de overheidshiërarchie te verwerven: het ingenieurskorps bijvoorbeeld, de
accountantsdienst en begrotingsbureaus werden bevolkt door specialisten die
in hun ambt een beroepsethos en korpsgeest meebrengen. Belangen- en
meningsverschillen worden doorgaans buiten de publieke arena uitgevochten,
en voor de buitenwereld blijft zorgvuldig de schijn van hiërarchische
besluitvorming bewaard. Maar uiteraard opereren ambtenaren allemaal als
ondernemers binnen de bureaucratische context, en trachten ze een mate van
beslissingsvrijheid te behouden en uit te breiden voorbij de formele grenzen
van hun functie, terwijl | | | | hun meerderen op hun beurt zullen
streven naar een grotere autonomie van de aan hen toevertrouwde afdeling.
Dit streven in het bestuursapparaat naar beslissingsvrijheid, autonomie en
schaalvergroting schept enerzijds een dynamiek van algemene expansie, maar
beperkt anderzijds de beheersbaarheid van het staatsapparaat door het
politieke regime dat formeel de zeggenschap heeft.
Anders dan de betrekkingen tussen het onderwijzerskorps en de scholieren,
zijn de ontmoetingen tussen de centrale staatsadministratie en het publiek
meestal kortstondig en formeel, en blijven ze beperkt tot specifieke
overheidsinstellingen.
De politie, die het meest aanwezig en zichtbaar is in het dagelijkse leven,
heeft het onderwijzerskorps wellicht ooit geëvenaard als opvoedende
instantie, met name voor de negentiende-eeuwse stedelijke armen. Een
politieel regime strekt zich nu over de bevolking uit, in het gewone leven
licht en nauwelijks merkbaar, maar al vrij intensief bij het beheersen van
menigten of van het moderne verkeer, en als een totaal regime voor
veroordeelde wetsovertreders of voor de burgers van een politiestaat.
In landen met dienstplicht heeft het leger een vergelijkbare greep op
mannelijke adolescenten tijdens hun jaren van dienst onder een totaal
‘militair regime’. Maar in het leven van moderne volwassenen uit de
middenklasse is de belastingdienst misschien wel de meest omvattende
aanwezigheid van de overheid, niet zozeer vanwege de opgelegde belastingen,
als wel door het voortdurende zelftoezicht dat gevergd wordt van de
belastingplichtige, die in wezen van zijn transacties een papieren schaduw
dient te creëren, om ze alsnog te kunnen herinterpeteren39
als aftrekpost, al dan niet voorzien in de belastingwet.
Hier is met name de administratie van de sociale zekerheid en bijstand van
belang. De wekelijkse of maandelijkse inzameling van miljoenen aan
contributies en het beheer van miljarden aan fondsen en van aanspraken voor
honderden miljarden is voor de moderne bureaucratie een vrij rechtlijnige
routine-aangelegenheid geworden, die betrekkelijk weinig personeel vergt en
verassend zelden tot conflict of corruptie leidt.40 De bijdragen aan de
sociale zekerheid worden meestal op het loon ingehouden, zonder dat de
contribuant er ook maar iets aan hoeft te doen, of van hoeft te begrijpen.
Het beheer van de fondsen is een uiterst technische zaak die ook geheel aan
specialisten is overgelaten.
De dagelijkse contacten met bijstandscliënten en met trekkers van de sociale
zekerheid zijn aan afzonderlijke diensten gedelegeerd, en bij weer andere
specialistische instituties kan beroep worden aangetekend tegen beslissingen
in eerste instantie. Het is in dergelijke confrontaties dat de
verzorgingsstaat zich manifesteert in de levens van zijn burgers, en zijn
vormende werking rechtstreeks uitoefent. Op deze snijpunten tussen de
invloedssfeer van de staat en de levens van afzonderlijke burgers hebben
professionele groepen monopolistische bemiddelingsposities ingenomen.41 Als ondubbelzinnig aantoonbare feiten niet
voldoende grond voor uitbetaling vormen, raken bureaucraten in geschillen
verwikkeld, en zien de eisers zich gedwongen tot een zo overtuigend
mogelijke | | | | presentatie van hun geval: de interactie overschrijdt
de grenzen (of liever: de idealen) van administratie en komt terecht in de
sfeer van onderhandeling. Toen eenmaal betrouwbare geboortenregisters werden
bijgehouden, hoefde de aanspraak op een pensioen gelukkig niet meer
aangetoond te worden, een bewijs van de leeftijd was voldoende. Ook
pensioenen voor nabestaanden worden toegewezen uitsluitend op grond van
openbare documenten. Maar de meeste andere uitkeringen vereisen veel
subtielere bewijsprocedures, en na verloop van tijd moet de aanspraak
opnieuw aangetoond worden. Dit is het werk van maatschappelijk werkers en
bijstandsbeambten, experts in behoeftigheid, die bemiddelen tussen de
uitkerende instanties en hun cliënten. Wanneer de uitkering een onderzoek
naar eigen middelen met zich meebrengt, en nog meer wanneer ze een of andere
norm van goed gedrag vereist, staan cliënten onder toezicht en druk om de
voortzetting van hun aanspraak veilig te stellen. In andere gevallen, of
zelfs tegelijkertijd, zijn maatschappelijk werkers doende het gedrag van hun
cliënten te corrigeren, en helpen ze bij een aanvraag en bepleiten hun
aanspraken. Al deze interventies samen vormen het welzijnsregime, dat de
begunstigden van de verzorgingsstaat in wisselende mate beroert en haast
onmerkbaar overgaat in de totale regimes van gesloten instituties - met
andere woorden: van ‘extramurale’ naar ‘intramurale’ zorg.
Reeds in een vroeg stadium waren dokters en advocaten bij dit welzijnsregime
betrokken: gedingen over de schadeprocedures bij bedrijfsongevallen
vereisten het getuigenis van medici over oorzaak, aard en prognose van het
letsel, en advocaten moesten de vaak slepende processen voeren, die ten
langen leste door rechters werden beslecht. Hoewel in een latere fase de
ongevallenwet het vereiste schuldbewijs afschafte, nam de behoefte aan
medische expertise nog toe, omdat de gronden voor uitbetaling waren
uitgebreid. De ziekteverzekering bracht vervolgens artsen tot aan hun nek in
bemiddelingsposities. De juristen, daarentegen, bleven achter de frontlinie,
beperkten zich tot het ontwerpen van regelingen, en kregen pas in
beroepszaken met individuele gevallen te maken. Maar zodra de lichamelijke
toestand van de eiser, en meer en meer ook zijn psychische gesteldheid in
het geding was, werd artsen gevraagd om uitsluitsel te geven. En zij
bepaalden in toenemende mate de voorwaarden voor de toewijzing van
uitkeringen in de moderne verzorgingsstaat.
Om de figuratie waarin deze professionele groepen tussen de staat en zijn
cliënten bemiddelden nauwkeuriger weer te geven, is het van nut om in enig
detail in te gaan op de vestigingsstrijd die artsen voerden bij de vorming
van de verzorgingsstaat.
| |
3.2 Het terughoudende imperialisme van de medische
professie
De medische professie ontleent haar positie in de hedendaagse samenleving aan
een vestigingsstrijd en aan drie samenhangende ontwikkelingen: de opkomst
van ziekenhuizen als wetenschappelijke opleidings- en behandelingsinstellin-
| | | | gen, voortgekomen uit de asielen en armenhuizen van weleer;
de vestiging van openbare gezondheidsdiensten ter voorkoming en behandeling
van besmettelijke ziekten en andere aandoeningen die samenhingen met
stedelijke armoede; en, ten slotte, het ontstaan van een massale vraag naar
medische dienstverlening, gefinancierd uit overdrachtsvermogens in de vorm
van sociale zekerheid, sociale bijstand en ziekteverzekering. Deze
ontwikkelingen schiepen de voorwaarden voor een enorme uitbreiding van de
medische praktijk en het onderzoek. Maar voordat in de medische wetenschap
de grote ontdekkingen gedaan waren, en voordat de sociale zekerheid en
gezondheidsdiensten waren opgezet, waren de artsen al begonnen zich te
organiseren. Rond het midden van de negentiende eeuw trachtten
vooraanstaande artsen en medische hoogleraren al om een regeling voor de
hele professie tot stand te brengen, om onbevoegde praktizijns uit te
sluiten, tarieven vast te stellen, en een wet aangenomen te krijgen om hun
beroepsgroep dwingende kracht te verlenen.42 De universiteiten en
academische ziekenhuizen waren de centra van deze beweging, en het
verwijzingsstelsel tussen bonafide collega's vormde een krachtig mechanisme
ter bewaring van de eenheid. Het prestige van de medische wetenschap werd
zeer bevorderd door de groei van medische kennis die in het laatste kwart
van de negentiende eeuw een aanvang nam. De nieuwe remedies boden de dokters
meer behandelingsmogelijkheden, vooral in de particuliere praktijk. Een
gevolg was dat een eerdere gerichtheid op collectieve arrangementen van
preventie en sanitaire inspectie weer verschoof naar een voorkeur voor de
zelfstandig gevestigde, curatieve praktijk in de vrije markt.43 Maar de
artsen bleven verdeeld en ambivalent over deze opties. De collectivisering
van de gezondheidszorg vormde al met al een strategie van weinig risico en
weinig winstkans: binnen een nationaal gezondheidsproject leken
werkgelegenheid en een aanhoudende vraag naar medische diensten verzekerd,
maar de inkomens zouden bescheiden zijn en de professionele autonomie zou
waarschijnlijk beperkt worden. Anderzijds kon een vrije markt voor de
medische dienstverlening enkele aanzienlijke artsen dan wel grote winst
opleveren, de minder succesvolle medici zouden aan hun achterbuurt- of
plattelandspraktijk slechts een karig inkomen overhouden.44 De zelfstandige praktijk zou
een grotere autonomie toestaan en een vollediger verwezenlijking van de
beroepsidealen, behalve een gelijke behandeling van de behoeftigen; die was
beter gewaarborgd in collectieve arrangementen.
De medische professie werd zo geconfronteerd met een dilemma dat telkens
anders werd opgelost door artsen afzonderlijk en door de georganiseerde
medici in verschillende perioden en samenlevingen. Veel hing af van de
actuele omstandigheden op de markt voor medische diensten, het aanbod van
jonge artsen, de effectieve vraag van het publiek, en veel hing af van
vroegere ervaringen met collectieve arrangementen zoals de onderlinges en de
ziekenclubs.45
De positie van de professie werd in hoge mate bepaald door de elites die in
de georganiseerde geneeskunde toonaangevend waren: vooraanstaande artsen
gaven eerder de voorkeur aan zelfstandigheid op de vrije markt, terwijl de
voor- | | | | standers van collectieve arrangementen konden worden
aangetroffen onder universitaire hoogleraren en de bestuurders van openbare
ziekenhuizen en gezondheidsdiensten. Natuurlijk speelde politieke
overtuiging een belangrijke rol, al zal deze vaak hebben samengehangen met
de maatschappelijke positie van de arts in kwestie.46
Daardoor verschilt ook de positie van de medische professie van land tot
land, en is de verscheidenheid aan nationale stelsels in dit opzicht groter
dan in vrijwel enig ander aspect van de verzorging.47 Maar overal nam de invloed van de professionele
geneeskunde enorm toe, en langs dezelfde lijnen. Overal ook bereikte de
medische professie een mate van autonomie die door geen andere beroepsgroep
werd geëvenaard.48
Er is een schaal op te stellen van in toenemende mate gecollectiviseerde
geneeskunde. Het gezondheidsstelsel van de Verenigde Staten zou zich aan het
ene uiterste bevinden. Maar zelfs daar vormen Medicare en
Medicaid gigantische nationale, collectieve
arrangementen onder beheer van de staat, en zijn de Blue
Cross en de Blue Shield verzekeringen vrijwillige,
maar ‘semi-openbare’ arrangementen, die gedragen worden door een coalitie
van beroepsorganisaties en organen van de staten.49 Bedrijfs- en
vakbondsverzekeringen vertegenwoordigen een derde vorm van collectieve
dekking die, in naam particulier, en ook alleen in naam vrijwillig is.
Als volgende zou op deze schaal het Franse stelsel verschijnen, met zijn
heilige entente directe: de rechtstreekse overeenkomst
tussen dokter en patiënt. In werkelijkheid heeft het systeem van een
nationale ziektekostenverzekering met vrijwillige extra-dekking door
‘onderlinges’ wel degelijk geleid tot tussenkomst van een derde partij en
tot een overheersende rol voor de overheid.
In Duitsland en Nederland zijn dokters in naam zelfstandig en onafhankelijk,
maar het systeem van contracten met de ziekenfondsen die weer onder beheer
van de overheid staan, heeft deze autonomie grotendeels uitgehold in ruil
voor grotere economische zekerheid. Engeland zou ten slotte met zijn
alomvattende nationale stelsel het meest gecollectiviseerde systeem van
gezondheidszorg vormen, maar zelfs daar ontvangen de artsen geen vaste
salarissen, en behouden ze hun nominale onafhankelijkheid. Alleen in
socialistische landen wordt het stelsel van gezondheidszorg beheerd als een
directe overheidsbureaucratie.
De medicalisering van de samenleving was niet zo maar een automatisch gevolg
van de groei van wetenschappelijke medische kennis. Er waren andere
mechanismen werkzaam. De medici raakten steeds meer betrokken bij een
bijzonder soort conflictoplossing.50 Zij wisten de Definitionsmacht en de toewijzingsmacht te
verwerven: de macht om mensen in categorieën in te delen en om schaarse
middelen toe te wijzen aan personen in omstreden situaties.
Tot op de dag van vandaag trachten dokters hun sociale kansen op inkomen,
prestige en de verwezenlijking van beroepsidealen te vergroten. In dit
opzicht verschillen ze niet van anderen, hoewel de realisatie van
beroepsidealen voorbe- | | | | houden blijft aan hooggeschoolde en
betrekkelijk autonome beroepsgroepen.
Dokters proberen, individueel of in specialistische groepen, voortdurend
nieuwe remedies uit, bedenken nieuwe definities van ziekte en propageren
nieuwe idealen van medische zorg.51 Zodoende slagen ze
er soms in een medische definitie te geven voor een toestand die voorheen in
termen van moreel - of liever sociaal - conflict gezien werd, en
dienovereenkomstig werd behandeld.52 Zo is rond de eeuwwisseling seksueel
afwijkend gedrag door medici opnieuw gedefinieerd als iets dat voor
behandeling vatbaar was. Gezinsproblemen van vrouwen werden benaderd als
medische problemen van de voortplantingsorganen, of als een ander soort
ziekte, ‘hysterie’. De aanhoudende klachten van slachtoffers van een ongeval
of oorlog werden niet langer zonder uitzondering als gevallen van simulatie
behandeld, maar soms als ‘posttraumatische neurose’. Maar in al deze
gevallen was expliciet of impliciet sociaal conflict aanwezig: een botsing
tussen seksuele voorkeur en morele of wettelijke normen, een vrouw die niet
aan de verwachtingen van haar man kon voldoen, een arbeider die niet voldeed
aan de eisen van zijn werkgever. Artsen gingen zich bovendien bezighouden
met zeer omstreden vraagstukken als prostitutie, maar dan in termen van de
voorkoming van geslachtsziekten, en zo herformuleerden ze ook de evenzeer
controversiële problemen van geboortenbeperking en abortus in medische
termen van de gezondheid van de moeder en de levensvatbaarheid van de
foetus.
Met de komst van de ziekteverzekering en vooral van het ziekengeld was het
aan de artsen om te beslissen in welke gevallen arbeidsverzuim terecht was.
Dit betekende een uitbreiding van de medische interventie naar de alledaagse
betrekkingen tussen arbeiders en bedrijfsleiding, waardoor zeer veel
conflicten over de arbeidsdiscipline voortaan zorgvuldig in medische termen
ingepakt werden. De meest verbreide vorm van medicalisering van de onvrede
was dan ook toegestaan arbeidsverzuim onder het mom van ziekteverlof.
Medische experts - en psychologen die het medische voorbeeld navolgden -
gingen een rol spelen bij het keuren van sollicitanten, bij de selectie voor
de militaire dienst, en bij de beslissing of een veroordeelde de gevangenis
in moest of naar een psychiatrische strafinrichting. Het waren ook weer
dokters die beslisten wie op welke voorwaarden werd toegelaten tot de
ongevallen-, levensen hypotheekverzekering. Naarmate de staat steeds meer
bij de verdeling van schaarse goederen betrokken raakte, was ook steeds
vaker ‘medisch advies’ genoeg om in aanmerking te komen voor huisvesting,
bijzondere voorzieningen, zelfs voor privé-parkeerplaatsen. Meestal
bereidden maatschappelijk werkers het geval voor en verwezen omstreden
cliënten door voor medisch advies, dat doorgaans beslissend bleek, tenzij
het tot administratief beroep of een rechtsgeding kwam, en ook dan kon weer
een medische getuigenverklaring de doorslag geven.
De toekenning van een categorische status en de toewijzing van schaarse
goederen door artsen die een vocabulaire van medische rechtvaardiging hante-
| | | | ren is een vorm van conflictoplossing - een belangrijke
maar latente functie van de geneeskunde in moderne samenlevingen.53 Deze inmengingen worden de
mensen niet eenvoudig opgelegd door het staatsapparaat of door de heersende
klasse, en al evenmin eigende de medische professie zelf zich deze functie
toe.54 Dokters
hebben wellicht soms het initiatief genomen, maar ze hebben altijd in
stilzwijgende overeenstemming met de in het conflict betrokken partijen
gehandeld. De zwakste partij, individuele werknemers bij voorbeeld, waren
gebaat bij de herformulering van hun eisen als medische noodzaken. Zo werden
de aanspraken geobjectiveerd, maar tegelijkertijd geïndividualiseerd,
gereduceerd tot de specifieke en precies afgebakende problemen van deze
specifieke employés. Deze beperking van het geschil kon de sterkste partij,
bij voorbeeld de bedrijfsleiding, ertoe bewegen om in te stemmen met een
medische oplossing van het conflict om hen zodoende sociaal te
isoleren.55 De medicalisering van de omstreden
kwestie resulteerde automatisch in een uitzonderingstoestand. Zelfs waar de
uitzondering honderdduizenden betrof, of zelfs miljoenen, droeg de
medicalisering ertoe bij dat dit allemaal afzonderlijke gevallen bleven, die
zich nooit zouden verenigen tot een partij in een breder sociaal conflict.
Zelfs wanneer 5 of 10% van de beroepsbevolking gedefinieerd was als
arbeidsongeschikt, zei dit nog niets over de heersende
arbeidsomstandigheden, maar verwees het uitsluitend naar individuele
tekorten. Medische diagnoses, hoe talrijk ook, werden nooit opgeteld tot een
sociale kritiek. De winst voor de derde in dit verbond, de dokter, bestond
uit zijn kansen op prestige, inkomen en de verwezenlijking van
beroepsidealen.
De in een conflict betrokken partijen zochten vaak een medische uitweg uit
hun moeilijkheden. De effectieve herformulering van hun geschil in
technischwetenschappelijke termen veronderstelde al een zekere bekendheid
van hun kant met de basisbegrippen en grondhoudingen van de medische
professie: een zekere mate van ‘proto-professionalisering’, op zich zelf een
extern effect van de professionalisering van de medische sector op
uitdijende kringen van leken.56
Al deze driehoeksverhoudingen tussen strijdende partijen en artsen deden zich
voor in afzonderlijke episoden, zonder dat de betrokkenen het effect van hun
strategieën op langere termijn en in een bredere context beseften. Maar op
den duur werden de academische en organisatorische elites in de medische
professie geconfronteerd met de gecombineerde gevolgen van al die
incidentele medische inmenging. Wat geleidelijk aan de alom bekende en
aanvaarde praktijk van individuele artsen en afzonderlijke groeperingen van
medici was geworden, vereiste uiteindelijk de formulering van een algemeen
beleid voor de professie. Maar toen deze sociaal omstreden kwesties binnen
de medische professie eenmaal voorwerp van discussie werden, deden zich
vrijwel onvermijdelijk legitimeringsproblemen voor. Steeds wanneer de
gegroeide praktijk niet toereikend in termen van consensuele medische kennis
te rechtvaardigen was, bleken in de kring der professie evenvele
uiteenlopende meningen te bestaan als onder de bevolking als geheel. Binnen
de medische beroepsgroep braken zulke conflicten | | | | uit over
vraagstukken als abortus, geboortenregeling, prostitutie en
homoseksualiteit. Conflict ontstond ook als het ging om de gevolgen op lange
termijn van bedrijfsongevallen en oorlogsverwondingen, of toen sommige
artsen zich gingen toeleggen op de medische keuring voor verzekeringen en
personeelsselectie, of toen weer anderen verslavende geneesmiddelen
voorschreven of verslaafden in behandeling namen, of zelfmoorden en de
euthanasie bij terminale patiënten gingen begeleiden. Juist de sociale
conflicten die de medicalisering had versluierd dreigden nu binnen de
medische professie zelf tot uitbarsting te komen. Maar de machtsbasis van de
beroepsgroep berustte nu juist op eendracht binnen de gelederen, het gezag
was gestoeld op eenstemmigheid over de grondslagen van de medische
wetenschap. Wanneer het medische regime zich uitbreidde tot aspecten van het
bestaan waar de medische deskundigheid als zodanig ontoereikend was voor de
rechtvaardiging van de voorschriften, dreigden de tegengestelde
wereldbeschouwingen binnen de professie in het geding te komen en dus
openlijk met elkaar in conflict te raken. Zulke verdeeldheid zou de
onderhandelingspositie van de medische elites tegenover de staat en de
daarmee gelieerde adviesorganen aantasten. De uitbreiding van het medische
regime over zijn legitimiteitsgrenzen heen tastte ook het gezag van het
medisch korps jegens de buitenwacht aan. Het maakte de medische
machtsuitoefening tot voorwerp van openbare discussie en politieke kritiek,
juist op die punten waar de professie per definitie kwetsbaar was, omdat het
beleid niet volledig te rechtvaardigen blijkt op grond van medische
deskundigheid, de enige rechtvaardigingsgrond voor de machtsuitoefening.
In feite heeft de professie als geheel vaak geaarzeld het territorium uit te
breiden, ook wanneer daar alle kans toe leek te zijn. Want op dat niveau van
integratie doen zich de problemen voor van het behoud van consensus en
gezag, die de medische beroepsgroep als geheel bedreigen. Deze bezorgdheid
om de legitimering verklaart de terughoudendheid van de bestuurlijke en
academische elites bij de uitbreiding van het medische regime over steeds
uitgestrektere gebieden.57 Het feit dat het regime zich desalniettemin verbreid heeft
was ten dele de onbedoelde resultante van talloze medische interventies door
individuele artsen in sociale conflicten in collusie met de betrokken
partijen. Vooral bedrijfs- en verzekeringsartsen, huisartsen en psychiaters
waren intens betrokken geraakt bij allerlei vormen van medische
conflictoplossing, en zij behoorden tot de minst aanzienlijke beoefenaars
van het medische beroep. Toch is met name door hun inspanningen het medische
regime tot ver buiten de grenzen van de negentiende-eeuwse praktijkvoering
uitgebreid.
Ook andere oorzaken, die meer intrinsiek zijn aan de medische wetenschap,
hebben bijgedragen aan de expansie van het medische regime in moderne
samenlevingen. De praktijk van bevolkingsonderzoek naar besmettelijke
ziekten bracht alle burgers in aanraking met medische procedures. De
ontwikkeling van steeds verfijndere technieken voor de vervroegde
signalering van gezondheidsrisico's bracht groeiende aantallen - naar alle
schijn gezonde - mensen de | | | | spreekkamer binnen. Er bestaan nu
alleen nog maar patiënten en aanstaande patiënten. Ze proberen allemaal het
doktersadvies te volgen om af te slanken en fit te blijven, niet te roken en
hun dieet te kiezen uit een almaar slinkend medisch toegestaan menu. En ook
hier gaan ondernemende artsen de grenzen van de professionele eenstemmigheid
ver te buiten in het voorschrijven van de juiste levensgewoonten, diëten en
oefeningen.58
Waar het medisch regime in zijn lichte en uitgebreide vorm de meest
belangrijke vorm van begeleiding is geworden in het eigentijdse, dagelijkse
leven, heeft het zich in zijn totale, institutionele vorm evenzeer
uitgebreid: chronische en degeneratieve ziekten vereisen langdurige opname,
terwijl in een ouder wordende bevolking ook het aantal inwoners dat in
aanmerking komt voor verpleeghuizen toeneemt. De collectivisering van
ziekte- en ouderdomsvoorzieningen heeft de financiering van deze vormen van
institutionele zorg vereenvoudigd, en de institutionalisering van
arbeidsongeschiktheid en ouderdom heeft op haar beurt weer de expansie van
het medische regime versterkt. In veel opzichten zijn artsen de
scheidsrechters in sociale geschillen geworden, de arbiters van sociale
normen in een samenleving waar andere bronnen van morele consensus goeddeels
verdwenen zijn.59 Andere professies
hebben dit medisch model trachten na te volgen, maar zelfs zij moeten de
competentie van de medische professie in de bepaling van de grenzen van hun
eigen competentie aanvaarden.
Het medische regime in de eerste plaats, de onderwijs-, welzijnsregimes, en
zelfs de politionele, militaire en fiscale regimes vormen de sociale context
waarin mensen hun ervaringen verwoorden en hun onderlinge omgang regelen. In
die zin zijn de professionele regimes vormend voor de mentaliteit van de
burgers in de verzorgingsstaat.
|
27Vgl. voor de
transformatie van de ‘oude’ tot de ‘nieuwe’ middenklasse, of tot de
‘professioneel-bestuurlijke’ klasse ( professional-managerial
class, MC) respectievelijk Gouldner, 1979, en B. en J.
Ehrenreich.
28Alber, 1984, pp. 244-5: de verzorgingsstaat in de Bondsrepubliek Duitsland
is gericht op Statussicherung, dat wil zeggen: de
veiligstelling van statusverschillen, ook waar dit tot verticale
redistributieve effecten leidt.
29Een verschuiving van een coalitie van de stedelijke petite bourgeosie en de onafhankelijke boeren ter verdediging van
particuliere bezitsvorming naar een alliantie van de nieuwe gesalarieerde
middenklasse met de arbeidersklasse ter ondersteuning van gecollectiviseerde
arrangementen, vormt de kern van het historisch betoog van Esping-Andersen
en Korpi.
30Vgl. Gouldner, 1971, pp. 76-87, over
‘afhandeling en beheer van de nuttelozen’.
32Vgl. Freidson, 1984, voor een korte en verhelderende bespreking van de
terminologie inzake ‘professie’ en ‘beroep’, en voor een inventaris van
recente kritieken: in volgorde van toenemende specificiteit zijn
gespecialiseerde deskundigheid, diploma's en relatieve autonomie de
karakteristieken. Vgl. Freidson, 1970, voor de rol van de staat in de
professionalisering.
33Alber, 1984, p. 232, wijst erop dat
ontvangers van sociale overdrachtsinkomens in de Bondsrepubliek
Duitsland de snelst groeiende categorie vormen, die in 1980 27% van het
electoraat uitmaakte: vooral de bejaarden onder hen tonen bij
verkiezingen een groot opkomstpercentage (85%). Niettemin, vgl. p. 245,
zien uitkeringstrekkers hun positie als iets voorbijgaands, en achten ze
hun lotgevallen niet ‘relevant voor anderen’.
34Vgl. Muel-Dreyfus, p. 25, voor gezinsachtergronden
van Franse lagere-schoolonderwijzers rond 1900: meer dan de helft had
ouders uit de middenklasse, waarvan de helft zelfstandigen (inclusief
boeren) waren; bijna een kwart van de mannelijke onderwijzers waren
arbeiderszonen. Vgl. ook Day.
35Vgl.
Flora (red.): rond 1870 vormden onderwijzers de helft van het
overheidspersoneel in Frankrijk, en in 1975, toen het totale personeel
tien keer zo groot was, nog steeds 37,8% (pp. 210-11). In Nederland
bedroeg het percentage in 1889 37,7%, en in 1960 nog 32,9% (p.223); het
overheidspersoneel was intussen verzesvoudigd.
36Vgl. Flora (red.) voor cijfers; vgl.
ook Fischer en Lundgreen.
37De voorkeur binnen de Amerikaanse Progressieve Beweging voor
‘regulerende instituties’ en ‘inspectie’ wordt ten dele verklaard door
de carrièrebelangen in de middenklasse; Skocpol en Ikenberry, p. 31.
Ongeveer tegelijkertijd bezette het sociaal-democratische kader de
posities in de gevestigde orde van Bismarcks
socialezekerheidsstelsel.
38Bijv. Kelsall over
Engeland, vgl. p. 3: ‘Voor en na de negentiende-eeuwse hervormingen van
de ambtelijke dienst veranderde de intocht van de middenklasse in wat
tot dan toe aristocratisch territorium geweest was de posities
radicaal.’
39Vgl. ‘De valse schaduw’, in De Swaan, 1983, 115-118.
40Fraude neemt meestal de vorm van belastingontduiking of onrechtmatige
aanspraken aan. Verduistering van sociale-zekerheidsfondsen door de
beheerders doet zich zo nu en dan voor, maar de betrekkelijke
zeldzaamheid ervan wijst op een meer effectieve scheiding van
persoonlijke motieven en institutionele belangen in de
overheidsadministratie, en op de ver ontwikkelde technieken van
boekhouding, bewaking en inspectie in de moderne bureaucratie.
Corruptieschandalen komen echter doorgaans in golven, en meestal in
tijden van economische teruggang, wanneer ondernemingen die eens
veelbelovend en gedurfd leken opeens mislukken, terwijl Schumpeters
‘doorvoerders van nieuwe combinaties’ in het felle licht van de
publiciteit als bedriegers worden ontmaskerd.
41Zie Katz, 1986, pp. 163 e.v., voor een bespreking van
het vroege professionaliseringsproces van deze ‘stedelijke experts’ in
de Verenigde Staten.
42In
Engeland de Medische Wet van 1858, vgl. Peterson, pp. 30 e.v.;
Waddington, pp. 53-134; in Nederland de Wet van 1865, vgl. Jaspers, p.
10; voor de Verenigde Staten de Wetten op de Beperking van de Medische
Praktijk (1880-93), vgl. Berlant, p. 235, en zijn verklaring in termen
van bescherming door de staat van de lokale handel tegen de opdringende
nationale ondernemingen, pp. 238-42.
43Vgl. Eckstein, p. 106. Zie ook Gilbert, 1970, hoofdstuk 7,
voor de Britse Medische Associatie en de wet van 1911. Vgl. voor de
Verenigde Staten Starr, pp. 192 e.v., en Rosen. Voor Frankrijk, Goguel,
pp. 269-71; Hatzfeld, 1963, passim.
44Vgl. Peterson, pp. 200-1, 223, 243, voor het betrekkelijk
geringe prestige en inkomen van dokters in het Victoriaanse Engeland.
Vgl. Eckstein, pp. 75-8, over de inkomensverdeling onder huisartsen en
de moeilijke situatie van jonge artsen in de periode tussen de
wereldoorlogen. Vgl. voor recente gegevens over medische inkomens in de
Verenigde Staten Waitzkin, p. 38.
45Deze ervaringen leidden ertoe dat -
zelfs hervormingsgezinde - Britse dokters zich verzetten tegen
zeggenschap van lokaal gezag of particuliere instellingen, en de
voorkeur gaven aan staatsbeheer; vgl. Eckstein, p. 129. Een
klasseminachting voor gezondheidsambtenaren speelde hierbij ook een rol.
Voor Frankrijk zie Hatzfeld, 1971, pp. 291-3.
46Vgl. Ecksteins analyse van de mening van de doorsneeleden van de
British Medical Association na 1945.
47Vgl. Hatzfeld, 1963, voor een beknopte vergelijking van Engeland,
Frankrijk en Duitsland, pp. 36-45; Berlant voor Engeland en de Verenigde
Staten; Starr geeft een uitstekend verslag van de situatie in de
Verenigde Staten.
48Marxistisch georiënteerde auteurs,
vooral in de Verenigde Staten, menen dat het hier vooral om een
schijnbare autonomie gaat, een die op zijn best gedeeld wordt met de
dominante klasse: vgl.B. en J. Ehrenreich; Brown; en Navarro. Zie
Freidson, 1986, voor een recente en uitgebreide bespreking van de
professionele autonomie in de Verenigde Staten.
49Vgl. Heidenheimer, 1973, p. 333.
51Vgl. Peterson, pp.
244-82, over laat-Victoriaanse medische ondernemers die nieuwe remedies
aan de man brachten en tegen het beleid van de georganiseerde professie
in toch specialistische klinieken stichtten.
52‘Tijdens perioden
van verandering in de organisatie en samenstelling van professies kunnen
er dus nieuwe “missionarissen” verschijnen die aanspraak maken op nieuwe
territoria, of in de steek gelaten ecologische niches herkoloniseren.’
P. Atkinson, p. 240.
53Zie D. Stone, 1979b, voor de ‘poortwachtersfunctie’
van artsen bij de sociale toewijzing van schaarse middelen; vgl. ook
Freidson, 1986, over de rolconflicten die hierdoor voor professionals in
de bureaucratie geschapen worden.
54D. Stone, 1979a, p. 519, schrijft: ‘Hoewel
al deze distributieve programma's een vergroting van de reikwijdte van
het medische gezag tot gevolg hebben, wijst hun groei niet op een
machtsovername door de medici; op dit gebied lijkt althans eerder het
omgekeerde te gelden. Medici hebben hun georganiseerde macht niet vaak
gebruikt om de vestiging van programma's die op medische verklaringen
berusten aan te moedigen...’ Vgl. ook D. Stone, 1979b.
55Vgl. Waitzkin, p. 41: ‘Door sociale
problemen als medische problemen te definiëren, wordt de geneeskunde een
instrument van sociale beheersing... artsen zijn geneigd zulke problemen
die aanleiding zouden kunnen worden tot georganiseerde politieke actie
uit de wereld te helpen.’
56Vgl. De Swaan; 1982 en
1989.
57De these van het ‘medische
imperialisme’, zoals deze onder anderen door Waitzkin en Waterman, met
name pp. 86-9, is voorgesteld, stelt daarentegen dat medische
instituties van nature expansionistisch zijn. Zie Strong, en ook
Eisenberg en Kleinman, voor een kritische bespreking van deze
positie.
58Vgl. Crawford over de politieke
implicaties van deze medische aandacht voor persoonlijke
gewoonten.
59Volgens opiniepeilingen vindt bij
voorbeeld een toenemende meerderheid van de Nederlanders, 52% in 1986,
‘gezondheid’ belangrijker dan alle andere zaken in het leven, waaronder
inkomen, gezin, huwelijk, werk en godsdienst; Sociaal en
cultureel rapport, 1986, p. 349.
|
|