Inleiding‘Verheven geest, ... als in een hoeck van vlaender verholen.’ Het leven van M. de Swaen.Michiel de Swaen (ook de naam De Swa(e)ne komt voor, maar hijzelf gebruikte de schrijfwijze De Swaen) werd, als zoon van meester-kleermaker Pieter en van Catharina Sint-Legier (of Senlegier) op 20 januari 1654 in Duinkerke geboren. 1654 is het jaar waarin Vondel zijn Lucifer liet verschijnen en Salmoneus schreef. Het jaar tevoren had Huygens Hofwijck gepubliceerd en Trijntje Cornelis voltooid, en in 1655 zagen Alle de wercken van Cats het licht. Nederland beleefde zijn Gouden Eeuw. In de zuidelijke provinciën, nu Spaanse Nederlanden geworden, voerden emigratie om geloofsmotieven, economische moeilijkheden - vooral door de sluiting van de Schelde -, voortdurende oorlogsdreiging en een groeiende sociale taalbarrière naar verval van cultuur en literatuur.
Duinkerke, dat vanouds deel uitmaakte van de Nederlanden, maar herhaaldelijk, zoals de hele Westhoek, de inzet van de machtsstrijd tussen Frankrijk en diens noorderbuur was geweest, werd in 1662 door de Franse vorst Lodewijk XIV afgekocht van de Engelsen, aan wie het vier jaar had behoord, en definitief bij zijn rijk ingelijfd. Michiel de Swaen was toen acht jaar oud.
Over zijn jeugd is weinig bekend. Hij kreeg blijkbaar een goede humanistische opleiding. Mogelijk is dat gebeurd aan het plaatselijke jezuïetencollege, waar hij zich dan ook aan het toneel heeft kunnen wijden, want het theater gold volgens de gangbare pedagogische opvattingen als een belangrijk middel tot vorming; bewijzen ervoor ontbreken 1 . |
1 Als argument voor zijn vorming door de Jezuïeten geldt o.m. dat De Swaen het devies van de Orde op al zijn werken plaatst. Ook aan het einde van De gecroonde Leersse komt het voor.
|
|
Na een zesjarige leertijd - drie jaar bij een Duinkerks leermeester, drie jaar elders, zoals de voorschriften vereisten - vestigt hij zich in 1678 als heelmeester en ‘barbier’, want die twee beroepen gingen gewoonlijk samen, in zijn geboortestad.
Hij moet een drukke praktijk hebben gehad, want, niettegenstaande Duinkerke in 1685 veertien heelmeesters telde, klaagt hij in gelegenheidsgedichten wel eens over gebrek aan tijd voor de poëzie. Zijn lofdichters roemen zijn ernst, zijn bekwaamheid en plichtsbesef. Hij krijgt de officiële functie van ‘stadtsgesworen heelmeester’ (wat o.m. betekende dat hij lijken moest schouwen en balsemen) en is herhaaldelijk lid van de magistraat. Dat hij tot de gegoede burgerij heeft behoord, blijkt uit het bezit dat hij naliet.
Uit zijn eerste huwelijk met Maria Damast, dochter van een oud-schepen van de stad, had hij zeven kinderen, een dochter en zes zonen. Een jaar na haar dood (1697) hertrouwde hij met de weduwe Petronella Francke, die een zaak in ijzerwaren uitbaatte. Zij had twee kinderen uit haar eerste huwelijk. De zoon die uit haar huwelijk met Michiel de Swaen geboren werd, was pas acht jaar oud toen zijn vader op 3 mei 1707 stierf.
Een jaar nadat Duinkerke Frans bezit was geworden, werd het Frans er de officiële en verplichte taal voor ambtelijke zaken en rechtspleging. Daarmee begon een geleidelijke verfransing, die, in de hand gewerkt door metterwoon zich in de stad vestigende ambtenaren en kooplui, het Nederlands verdrong, dat van oudsher de streektaal én de taal van het openbare leven was gebleven in een gebied dat nochtans eeuwen lang, via oorlogen, bezettingen en veroveringen, onder Franse druk gestaan had.
Bij het volk en de kleine burger bleef de moedertaal nog lang, tot over de grens van de negentiende eeuw heen, de omgangstaal. Wanneer echter De Swaen en zijn literaire vrienden voor het Nederlands opteren, moet dat, gegeven de veel sneller door de vreemde taal en cultuur beïnvloedbare hogere stand (na 1700 werden in de Duinkerkse
stadsschouwburg bij voorbeeld vooral Franse stukken gespeeld), een bewuste keuze geweest zijn. Allicht heeft het dagelijkse contact met de gewone man, via zijn beroep, hem daarbij geholpen. Zijn vertalingen uit het Frans bewijzen zijn kennis van die taal. Maar hij gebruikt haar nooit. Al heeft hij zich blijkbaar als burger in het nieuwe staatsverband gewillig ingeschakeld - zijn Andronicus -vertaling draagt hij op aan Barentin, de intendant van Lodewijk XIV in Duinkerke -, toch voelt hij zich geestelijk nochtans behoren bij
zoals Oragnien (Oranje) het in De zedighe doot van Carel den Vyfden met van bewondering trillende woorden formuleert. En in zijn sonnet ‘aen den heer Van Heel [,] my onbekent [,] over syne clacht, op myn vertrek, uyt Hollant’ klinkt het vol weemoed:
De bewondering voor het verloren vaderland zal een constante worden in het Nederlandstalige literaire leven van wat men nu ‘de Franse Nederlanden’ noemt, en uit de bewaarde achttiende-eeuwse teksten blijkt hoezeer De Swaen daarbij het stimulerende voorbeeld zal blijven. Uit het zoëven geciteerde sonnet blijkt dat Michiel de Swaen Holland had bezocht. Dat moet kort na 1700 zijn geweest, maar over de omstandigheden waaronder of de aanleiding ertoe tast men in het ongewisse 2 . Herhaaldelijk is hij ook, in het raam van de activiteiten van de Duinkerkse rederijkerskamer, in de Zuidelijke Nederlanden geweest. In 1688 was hij met zijn kamer te gast bij de ‘Kruys-Broeders’ van Veurne, in 1700 dingt hij mee in een dichtwedstrijd te Brugge 3 . Hij onderhoudt vriendschappelijke betrekkingen met rederijkers uit Diksmuide, Ieper en elders.
Van deze contacten vindt men de neerslag in zijn gelegenheidspoëzie, die ons overigens in veel gevallen de enige aanduidingen bezorgt voor dergelijke biografische gegevens. Omgekeerd blijkt de bewondering voor en de faam van Michiel de Swaen uit de lofdichten die vrienden en tijdgenoten hem wijdden. Hoe graag zouden ze zijn werk in druk hebben zien verschijnen! Maar de dichter lijkt dat niet te hebben gewenst. Alleen de al vermelde Andronicus -vertaling (1700) verscheen met zijn toestemming bij drukker Van Ursel te Duinkerke.
Wat daarbuiten het licht zag, werd gepubliceerd ofwel zonder zijn medeweten - dat geldt voor de uitgave van Den Cid (1694) bij dezelfde drukker - ofwel na zijn dood. Zo gaf drukker Pieter Labus, zijn rederijkende dichtvriend, in 1707 zijn De zedighe doot van Carel den Vyfden uit (onder de ietwat gewijzigde titel De Zedelijcke Doodt van Keyser Carel den Vyfden) en in 1722 een bundel gedichten: de Zedelycke rymwercken |
2 Er is gesuggereerd (R. Seys, Michiel de Swaen, VWS-Cahiers nr. 3, p.5) dat hij er zijn oudste zoon Juliaan is gaan bezoeken, maar L. Lemaire, die de gelukkige vinder is geweest van de schaarse archivalia over De Swaen, schrijft in Michel de Swaen. Détails biographiques inédits, p.244, dat deze zoon na de dood van zijn vader diens ‘chirurgijnwinkel’ nog enige tijd hield, daarna naar het Noorden uitweek en in 1710 in Rotterdam overleed.
3 Het feit dat De Swaen bij die gelegenheid niet bekroond werd, lokte overigens een stevige rel-in-verzen uit, die voor heel wat beroering zorgde in de Vlaamse en Brabantse rederijkerskringen: de Duinkerkse kamer publiceerde een Beroepschrift (van de Swaen zelf?), de Bruggelingen riposteerden met een brochure die, met een uitdagende woordspeling als titel, Den Val des Waens heette.
|
|
en christelycke gedachten Door M. de Swaen (later, zonder datum, in een tweede vermeerderde uitgave door Labus nog eens gepubliceerd) 4 . De Gentse rederijker en drukker Cornelis Meyer bezorgde in 1718 een (nogal slordige) editie van De gecroonde Leersse, waarschijnlijk naar een oudere - de oorspronkelijke? - versie dan het bewaarde, door de dichter zelf verbeterde en aangevulde handschrift. Toen de Brugse drukker J. van Praet in 1767 het manuscript in handen kreeg van Het leven en de dood van [...] Jesus Christus, dat via een erfenis uit een Duinkerkse magistraatsfamilie bij de overste van het clarissenklooster in Brugge was terechtgekomen, gaf hij het werk dadelijk uit en formuleerde hij in de inleiding ervan zijn bewondering voor ‘desen vermaerden Poëet’.
De overige manuscripten belandden na de dood van de dichter in de abdij van St.-Winoksbergen. In zijn uitgave van Het dobbel Refereyn-Boeck (ca. 1720), een liedboek waarin hij ook negen gedichten van De Swaen opnam, beklaagt drukker Labus er zich over dat diens werk er als begraven lag:
Maar de abt liet zich niet vermurwen en de handschriften bleven in St.-Winoksbergen, tot de abdij tijdens de Franse Revolutie de prooi werd van de vlammen. Gelukkig werd De |
4 De gedichten waren, zo deelt Labus mee, ‘ontgraeft door een sijns [= De Swaens] weerde Spruyten’, nl. door de zoon Frans Lodewijk, kloosterling in de Sint-Nicolaasabdij in Veurne, die overigens de bundel opdraagt aan een vriend van zijn vader, burgemeester M. Lieven, de hoofdman van de Diksmuidense rederijkerskamer.
|
|
Swaens werk toen (geheel of gedeeltelijk?) gered ... 5 .
In zijn tweede uitgave van de Zedelycke rym-wercken heeft Pieter Labus van Michiel de Swaen een mooi literair portret getekend, dat tegelijk een ontroerend getuigenis is van ‘de liefde die my tot dien weerden Schryver in 't herte gedruckt blijft’. Niet de baatzucht heeft hem tot deze heruitgave gedreven, schrijft hij in de ‘slot-reden’, wel ‘den drift die ick heb om den naeme deses verheven Geest, die als in een hoeck van Vlaender verholen was, te doen uytglinsteren, als die van een Man, wiens schriften en levens-handel heel over-eenkomende, alle die hem kenden, hebben gesticht; soo dat ick gepraemt door herte-jonst hier moet by voegen, d'eere gehadt te hebben hem meest al die [...] Gedichten te hooren opseggen, in welcke gave hy soo wel uyt-scheen, als om de selve te maken: dit konnen getuygen menige treffelijcke, geleerde en Geestelijcke Mannen in Duynkercke, die hun [= zich] vereert en vernoeght vonden somtydts op de Gilde-kamer te zyn, om uyt dien Guldemont te hooren sijn zedelijcke Gedichten [...], soo suyver in taele, in stijl en orden, als deftigh en wel gegront op reden en op Gods-geleertheyt’. Als het werk van een ‘soo minsaem, deughdelijck en geleert Man’ tot stand was gekomen in een stad waar overheid en volk dezelfde taal spraken, dan was het sinds zijn dood al wel tien keer gedrukt geweest: een mening die hij reeds eerder in een Graf-schrift voor den Phenix der Dichters 6 poëtisch als volgt vertolkt had:
|
5 Door pastoor Bareel van Wormhout? Vragen daaromtrent bij M. Sabbe, Het leven en de werken van Michiel de Swaen, p. 30-31.
6 Het Graf-schrift komt voor in het door Labus ongedateerd uitgegeven Nieuw Liedt-Boeck ghenaemt Den Vogel Phenix, waarin ook enkele teksten van De Swaen zijn opgenomen en dat samengesteld werd ‘door eenen Eerweerdigen Pater Capucyn’, waarmee de jongere broer van Michiel, nl. Willem de Swaen, bedoeld kan zijn.
|
|