|
+ |
+ (1) ofte. 2) in de plaats van dit onderschrift komt enkel: clucht-spel. 3) en 4) ontbreken.
|
De verheerlijckte schoenlappers of (1) De gecroonde leersse tot (2) een vasten-avont-spel tooneelwijs opgestelt.Amant Alterna Camenae. (3)
|
1 [bladzijde 1]
verheerlijckte: met eer, roem overladen leersse: laars vasten-avont: avond van het carnaval vóór de veertigdaagse vasten tooneel-wijs: volgens de regels van de toneelkunst Amant Alterna Camenoe: de Muzen houden van afwisseling Parnassus: gebergte in Phocis, ten noorden van Delphi, een van de verblijfplaatsen van de Muzen of zanggodinnen en van hun aanvoerder, de god Apollo, de beschermer van de kunsten |
WaerschouwinghDe vermakelijcke geschiedenis der gecroonde Leersse is soo bekent, dat het onnoodigh is die hier t'erhalen. De versierselen, daerby gevoegt, sijn ieder, voor sijn bedrijf, aengetekent. Dit spel is vertoont geweest op de saele van Rethorica binnen Duynkercke in den vasten-avont-tijdt des jaers 1688. 2 |
2 [bladzijde 2]
waerschouwingh: waarschuwing, bekendmaking, bericht; hier: woord vooraf t'erhalen: te herhalen versierselen: verzinsels daerbij gevoegt: (door de auteur aan de bekende geschiedenis) toegevoegd saele van Rhetorica: rederijkerskamer |
|
+ |
+ (1) staat vóór de ‘Voor-reden’ als volgt:
Keyser Carel. Ambroos, sijn lijfwacht. Theunis, den Lapper. Maeye, sijn wijf. Jaquelijn, hun dochter. Kosen} Vrijers van Jaquelijn Jooren} en knechten van Theun. Hovelingen. Het Tooneel is te Brussel gaet open 's morgens en eyndight des anderdaegs noenens. |
(1) PersoonagiënTeunis, schoenlapper.
Het Tooneel is te Brussel. 3 |
3 [bladzijde 3]
knapen: knechten |
|
+ |
+ (1) Waer door. (2) Van vers 4 tot en met 3 der volg. bl. komt voor:
oogwit: doel voor dit: voor deze klucht oft gij quaemt ... te: indien gij zoudt ... oft: dat |
De gecroonde leersse
|
* voor-reden: proloog
1 Wij spelen Carel: wij voeren Karel ten tonele;
Carel: Karel V van Habsburg (1500-1558), werd in 1515 soeverein van de Nederlanden, in 1516 koning van Spanje, in 1519 keizer van het Heilige Rooms-Duitse Rijk. Onder zijn regering werd de Spaanse koloniale macht in Amerika gevestigd en Italië veroverd, maar hij poogde in het Duitse Rijk tevergeefs de Hervorming tegen te gaan en moest voortdurend oorlog voeren met de Franse vorst, die de opdringende Turken steunde tegen zijn rivaal. In 1555-1556 deed hij afstand van de troon ten voordele van zijn zoon, Filips II. Alhoewel Karel V weinig en slechts voor korte tijd in de Nederlanden vertoefde, werd hij in sage en verhaal voor het volk een populaire figuur. 2 den grooten Turck: Soliman (Süleyman) de Grote (1494-1566), sultan uit de Osmaanse dynastie, belegerde, na de verovering van het grootste gedeelte van Hongarije, de stad Wenen, maar werd verslagen (1529).
3 den Saxenaer: Johan Frederik de Grootmoedige (1503-1554), keurvorst van Saksen van 1532 tot 1547, aanvoerder van de opstandige Duitse protestantse vorsten en steden die zich in het Schmalkaldisch Verbond tegen de keizer hadden verenigd, werd door Karel V in de slag bij Mühlberg (1547) verslagen en bleef diens gevangene tot in 1552.
4 wel: goed
6 genucht: genoegen, vermaak
8 bij lappers te gaen mommen: in vermomming bij schoenlappers te gaan vertoeven
9 schoen: schoenen (schoen is de later voor het enkelvoud in gebruik gekomen meervoudsvorm van schoe, Middelnederlands scoe). De druk van 1718 geeft
soms: schoens 10 op hope: in de hoop
kappoen: vetgemeste gesneden haan (een geliefkoosd gerecht op vastenavond) 11 veel, van die hier syn geseten: de auteur richt zich tot het publiek
12 rieken: ruiken
|
|
+ (1) oft. (2) haeren. (3) ick bid u. (4) nu geene schoens. (5) den. (6) gaet. (7) cnechten. (8) Met de twee volgende verzen eindigt de Voorreden (verzen 7 tot 16 ontbreken dus):
hier naer: hierna 16 Wacht u van: hoed u ervoor
17 Van vrees, of: uit vrees dat
spanriem: riem om de schoen op de knie vast te zetten 19 ik bids [= bid es] u: ik bid er u om
20 knappen: smullen
21 van desen dagh: vandaag
23 eer langh: weldra
door toornigheyt: in toorn 24 van: over
25 die vraegh: het verzoek zijn laarzen te lappen
sorgelijk vergaen: duur te staan komen 26 Quam hij niet ... te slaen: als hij niet meteen naar zijn beurs greep, met geld op tafel kwam
27 stilt: bedaart
28 stellen: een plaats geven
29 vorder: verder
lucken: aflopen 30 comt ... uyt: komt ... op
|