[p. 6]
+
|
+ 1) Theun. 2) opstaende. 3) Jaquemyn. 4) wat volgt ontbreekt. 5) Theunis uyt. 6) soud my. 7) longerpijpen. 8) Hij hoest. 9) Hij hoest en snuyt sijn neuse. 10) 'k en kander niet. 11) hoest en. 12) naer. 13) Flesje. 14) heel.
|
Eerste bedrijf
- Teunis (1) opgestaan (2) synde, bereyt sigh tot de feest. Hij geraekt met Jaquelijn (3) en Maey in twist over Kosen en Joren; (4) endelijk gebiedt naer de mert te gaen om te koopen wat noodigh is. 6
-
- Teunis
-
- Alleen uyt (5), al hoesten en rocchelen, syn sweetrock toerijgende met de muylen aen de voeten en slodderende koussen. 6
-
- Spou uyt gij rotsak!... wat... het soume (6) wel verdrieten... 31
- Mijn longepijpen (7) sijn gelijk versluysde rieten... (8) 32
- Ick rocchel, en ick spouw, en daer en comt niet uyt... (9) 33
- 't Is schier een uer, dat ick mijn drooge neuse snuyt: 34
- 35
- Mijn hooft is soo verstopt, dat (10) ick niet uyt can krijgen...
- Wat last is 't oudt te sijn! 't is quijlen, snuyten, hijgen,
- En hoe men quijlt, en snuyt, en rocchelt (11) ende spouwt 37
- 't Is altijt even na (12)... 38
-
- (hij haelt een fles (13) uyt).
-
- Mijn hert is soo (14) benout...
|
6 [bladzijde 6]
de feest: het feest
endelijk: tenslotte
gebiedt = gebiedt hij
mert: markt
6 uyt: op
al hoesten en rochelen: hoestend en rochelend
sweetrock: wollen hemd, overhemd
slodderende: afzakkende
31 spou uyt: spuug uit
rotsak: in Zuid-Nederland een benaming voor iemand die aan een borstkwaal lijdt en veel moet hoesten (L.W. Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon geeft als synoniem ‘rochelpot’)
soume: zou me, moest me
32 versluysde rieten: verstopte pijpen
33 en (comt): ontkenningswoord, vaak met niet, niets, noch verbonden.
niet: niets
37 hoe men [ook] quijlt...
38 't Is altijt even na: het blijft altijd hetzelfde, het helpt niets
uyt: te voorschijn
|
[p. 7]
-
- +
- Me (1) dunkt ik soude wel een brandewijnke (2) drincken... 39
- 40
- Maer, (3) dat ons oude Maey mijn aessem niet riek stincken: 40
- Sij is het vieste wijf, dat ick mijn leven sagh. 41
- 'k Wed, wort se (4) dit gewaer se preutelt gheel den dagh... 42
- Maer preutelen of (5) niet... geen preut'len can in 't lijf gaen
- Gelijk dit soopken (6) doet... 44
-
- (Hij drinkt).
-
- Dat doet mijn beenen stijf staen (7)
- 45
- 'k Ben als een ander maen (8)... 45
-
- (Hij hoest uyt).
-
- Daer rijst die taeye fluym,
- Die in mijn gorgel sat, soo dik gelijk een duym... 46
- Ick voele mij verlicht, door dese stercke kruyden,
- De beste medecijn, voor sulcken (9) oude luyden, 48
- Als ik en mijns gelijk... geen apotekers goet
- 50
- En maekte mij soo fris, gelijk dit sloxie (10) doet... 50
-
- (11) (Hij sit op een drijpeckel neêr, en trekt sijn koussen op).
-
- Maer, wat schort mijn frioen?... sou (12) 't beesie (13) nogh wel slapen?... 51
- Dat is het niet gewent (14) 52
-
- Hij schuyffelt en (15) spreekt het aen
-
- Hoe sit (16) ie soo, al gapen,
- Mijn soete bexke (17)?... 53
-
- Hij schuyffelt (18)
-
- Nu (l9) volgh uwen meester naer,
- Mijn manneke... Hoe comt gij desen dagh soo swaer?... 54
|
+ (1) Mij. (2) brandewijntie. (3) 'k vrees mijn oude Maey, mijn aessem soud licht stincken. (4) sij. (5) oft. (6) soopje. (7) Hij drinckt nog eens. (8) man. (9) sulcke. (10) soopje. (11) Hij sit neer en treckt sijn Coussen op, spreeckt tegen sijn vogeltie. (12) souw. (13) beestje. (14) gewoon. (15) ontbreekt. (16) staye. (17) beckje. (18) ontbreekt. (19) Van af: Nu volgh... tot vers II der volg. bl komt voor:
- Com en volgt u meester naer
- (Hij schuyffelt noch eens).
- Hij kan niet; 't arrem beest; is 't mantie sonder eten?
- Oft is 't plantijne saet al wederom vergeten?
- 't Is seker dat het beest is in sijn maeg verhit
- Dat sijn de reên waerom het nu soo treurig sit...
- Maer 'k salder in voorsien soo haest als ick gecleet sijn...
- Waer sijt gij Jacquelijn, gij moest altijt gereet sijn,
- Soodra gij d'eersten hoest van uwen Vaeyer hoort.
- (Jacquelijn uyt.)
[bladzijde 7-8, noot 19]
mantie: mannetje
39 ik soude wel: ik moest maar
40 maer, dat ...: maar laat ik opletten dat ...
riek: ruikt
41 vieste: ongezelligste, humeurigste
42 preutelt: mort, moppert
44 soopken: teugje (Des Roches vertaalt zoopje door ‘coup d'eau-de-vie’)
stijf: sterk, stevig
45 maen: man
fluym: uitgespuwde slijm
50 en: ontkenning
sloxie: slokje
sit ... neer: gaat ... zitten
drypeckel: driepoot, schoenmakersstoeltje
51 schort: mankeert
frioen: De Bo, Westvlaamsch Idioticon: soort vlasvink
beesie: beestje
52 schuyffelt: fluit
ie: je
al gapen: gapend
53 nu: wel! kom!
naer: na
|
[p. 8]
-
- 55
- Gij placht van 's morgens vroegh altijt te tierelieren...
-
- hij schuyffelt
-
- O liefste vogelken! o bloem van alle dieren...
-
- hij schuyffelt
-
- Courage dan... ga' i' an... wat is 't dat U behoeft?... 57
- Nogh drank... nogh saet... wat dan?... gij maekt mijn hert bedroeft... 58
- Mij dunkt ghebt gisteren niet naer gewoont geeeten...
- 60
- Of is 't plantijne-zaet al wederom vergeten?... 60
- 't Is zeker dat... het beest is in syn maegh verhit 61
- Dat sijn de reên, waerom het nu soo treurigh sit... 62
- Maer 'k sal daer in voorsien soo ras ik sal gecleedt sijn.
-
- hij roept.
-
- Waer sijt gij Jaquelijn?...
-
- Jaquelijn uyt.
-
- Gij moest altijt gereet sijn,
- 65
- Soo dra gij d'eersten hoest van uwen vaeyer hoort.
-
- Jaquelijn
- Dagh vaeyer.
|
57 ga'i'an (ga je aan): begin, toe dan, vooruit
58 nogh: noch, of: nog (met vraag)
60 plantijne-zaet: zaad van de weegbree (Fr. plantain), een kruid uit de familie van de Plantaginaceae, met brede ellipsvormige bladen in een wortelrozet en met aarvormige bloem
62 reên: redenen
uyt: op
vaeyer: vader
|
[p. 9]
+
-
- Teunis
- Jaquelijn, wel aen dan, com dan voort.
- Brengh mijne (1) sondagh (2) schoen... dat 's wel... gespt (3) mijne hosen... 67
-
- Jacquelijn
- Com vaeyer. 68
-
- Teunis
- Wel, hoe gaet?... denkt gij niet meer op Kosen?
- Waer is uw (4) tongh?... wat 's dit? mij dunkt gij stueremuylt? 69
- 70
- Siet (5) voor u, eer die (6) hant heur (7) aen ie vel (8) vervuylt 70
- (9) Niet spreken?... hé?... 71
-
- Jacquelijn
- Och! doet mij eer in 't rasphuys steken.
-
- Teunis
- In 't rasphuys slok? wien? gij?... gij doet mijn bloet ontsteken. 72
- Daer gaen geen dochters in van soo een man als ik...
-
- sij huylt (10).
-
- Hou (11) op van huylen, of 'k geev u de schoonste klik 74
- 75
- Die oyt een nieuwe sool heeft aan den blok gegeven... 75
|
+ (1) mij mijn. (2) sondags. (3) geef mij mijn. (4) u. (5) sie (6) mijn. (7) sich. (8) niet aen u. (9) verzen 6 en 7:
- Gij bothooft, wel hoe is 't? belieft u eens te spreken.
- (Jacquelijn huylt.)
- Och Vaeyer swijg van hem oft doet m'in 't Rasphuys steken.
(10) ontbreekt. (11) houd.
67 sondagh schoen [zie 9]: beste schoenen
hosen: kuitbroek
68 gaet: gaat het
op: aan
69 stueremuylt: zet een stuurs gezicht, pruilt
70 siet voor u: pas op
eer die (= mijn) hant heur (= zich) aen ie (= je) vel vervuylt: eer je een pak slaag krijgt
71 rasphuys: tuchthuis waarin veroordeelden brazielhout, waarvan rode verfstof werd gemaakt, moesten raspen
72 slok: stumperd, bloed
ontsteken: koken
74 van: met
schoonste: ironisch gebruikt
klik: klap
|
[p. 10]
-
- +
- Waer sijn wij?... sal ik u nogh moeten leeren leven? 76
- Ik weet wel wat u schort; 't is Joren die u quelt, 77
- En daerom is 't dat gij om Kosen (1) u ontstelt... 78
- Maer ik versta (2) dat gij sult mijn geboden volgen 79
- 80
- En niet uw (3) sotten sin: of (4) maeck (5) je mij verbolgen 80
- Vrees (6) voor mijn muylen... ga, en brengh mijn beste kraegh. 81
-
- Teunis (alleen) (7)
- Ick houde met mijn volk, de ganse-feest van daegh, 82
- Die (8) moet ick, naer gewoont, met mijne beste kleeren, 83
- En lijwaet, (9) net gepapt, (10) gelijk 't behoort, vereeren... 84
- 85
- Maer is 't niet droevigh dat de jonkheyt noyt den wil 85
- Van haere (11) ouders volgt, en altijdt na haer (12) gril, 86
- Wil huwen (13)? wat...il sou (14) van spijt mijn knevels branden... 87
- Mijn Jaquelijn, soo flux van voeten, en van handen, 88
- Een brave smulle tas daer manne-vreugt in steekt, 89
- 90
- Sou die soo jeughdigh voor dien kalaert (15) sijn gequeekt?... 90
- 't Is waer den knecht is gauw, en schoon gewent te klappen, 91
- Noghtans (16) de tongh belet sijn handen niet te lappen:
- Maer, wat is gauwigheyt, ontbreekt er duyme-kruyt? (17) 93
- Een blijk aan mijn gebeur (18), die blijft een aermen guyt 94
- 95
- Bij faut van weynigh gelt om pik (19) en leer te koopen.
95
- En daerom wil ick dat sij Joren laete loopen (20),
- Om Kosen aen te bien, het gen (21) een eerlijk man 97
|
+ (1) alleen dat Koosen. (2) verstaan. (3) u. (4) oft. (5) maeckt gij. (6) vreest. (7) Jaquelijn binnen. (8) dus. (9) lijnwaet. (10) gestijft. (11) sijne. (12) sijn. (13) trouwen. (14) soud. (15) kaelhart. (16) En oock belet syn tong. (17) duym-kenskruyt. (18) gebuer. (19) Peck. (20) oock dat sy laet Joren loopen.(21) Van af. het gen... tot en met vers 3 der volg. bl. staat:
- want hij heeft ronde schijven,
- En daar mé kan een vrouw haar huysgesin beclijven.
- (Hij siet om.)
76 waer sijn wij: wat zullen we nu hebben
78 u ontstelt: zich ontstellen = boos worden
80 of maeck ...: ofwel, als je me kwaad maakt, vrees dan ...
81 kraeg: losse bedekking van de hals, vaak als sieraad, vroeger ook door mannen gedragen
82 volk: huisgenoten
ganse-feest: feestelijk maal, met gans als gerecht, op carnaval
83 die: dat, nl. ‘de ganse-feest’
84 lijwaet: linnen
gepapt: gesteven
vereeren: eren, eer aandoen, opluisteren
89 brave: schone, flinke, voortreffelijke
tas: vrouw, meid; smulle tas, naar analogie met smulkont, smulpaap (smul = smulgraag, snoepziek) of met smulbek (lekkerbek): lekkere meid daer manne-vreugt in steekt: waar een man vreugd aan kan beleven
90 kalaert: kale kerel, armoedzaaier (Teunis doelt hier op Joren)
sou die ...: zou die opgevoed zijn om haar zo jong aan die armoedzaaier uit te huwelijken
91 knecht: jongen
gauw: schrander, handig
schoon: ofschoon
klappen: praten, babbelen
94 een blijk aen mijn gebeur: dat wordt bewezen door het geval van mijn buurman
guyt: sukkel, schamel iemand
95 bij faut van weynigh: bij gebrek aan
pik: pek
97 bien: bieden
het gen: hetgeen, datgene wat
eerlijk: achtenswaard, fatsoenlijk
|
[p. 11]
-
- +
- Van sijn aenstaende bruyt, met recht, verwachten can.
- Al is sijn hooft wat plat, sijn beurs is ront van schijven, 99
- 100
- Daer mede can een vrou een huysgezin beklijven. 100
- Waer blijf (1) ie Jaquelijn. 101
-
- Jaquelijn (uytcomende) (2)
- Mijn moeyer con de kist
- Niet open krijgen. 102
-
- Teunis
- Is dat hooft al weer vergist (3)?...
- Met cleyne dingen sijn de wijven (4) strax (5) verlegen: 103
- Soo veel beslagh als of het (6) vroedwijf was (7) gelegen, 104
- 105
- En dat om eenen gans, of een kappoen te braên:
- Daer mee is d'oude vrou in d'herssens meer belaen, 106
- Dan (8) hertoogh Carel was om 't Luycksche volk te dwingen. 107
-
- Jaquelijn (lacchende)
- Maer vaeyer...
-
- Teunis
- Wel? gij lacht!... behagen u die dingen
- Meer dan voorgaende kout van Kosen?... Siet, daer staet 109
- 110
- Dat (9) bakhuys weder scheef... hoor Jaquelijn, verlaet 110
- U op dien Joren niet, nogh peys (10) niet op sijn vrijen, 111
- Of 'k weet op wat manier uw (11) koppigheyt (12) castijen: 112
- Ik schik u Kosen toe: 't is Kosen wien ik min; 113
- Soo steek (12) vrij Joren, met een spel uyt uwen sin. 114
-
- (binnen)
-
|
+ (1) blijft gij. (2) ontbreekt. (3) vergift. (4) vrouwen. (5) licht. (6) de Vroedvrouw. (7) waer. (8) als. (9) het. (10) peynst. (11) u. (12) koppig hooft. (13) steekt.
100 daer mede: waarmee
beklijven: de woordenboeken verklaren als gedijen; hier is de betekenis veeleer laten gedijen
102 vergist: van de wijs. Van vergisten = gisting (doen) ondergaan? Of, zoals J.J. Mak, Rhetoricaal glossarium (Assen, 1959), bij verghistigh aantekent: ‘van * verghist: verzuurd, bedorven (door te veel gist)?’
104 beslagh: drukte
als of het vroedwijf was gelegen: alsof de vroedvrouw zelf in het kraambed lag (d.w.z. alsof de ergste dingen aan 't gebeuren zijn)
106 d'oude vrou: hier wel een familiare uitdrukking: moeder de vrouw (cfr. oudemoeder = grootmoeder; oudtante...)
belaen: bezorgd, gekweld
107 hertoog Carel: nadat hij de 600 inwoners van Franchimont, die 's nachts zijn legerkamp hadden pogen te overvallen, verslagen had, veroverde de Bourgondische hertog Karel de Stoute (1433-1477) op 30 oktober 1468 de stad Luik, die door de Franse koning tegen hem was opgeruid
109 voorgaende kout: ons gesprek daareven
van: over
113 schik ... toe: bestem
114 steek: zet
vrij: voor mijn part
met een spel (spel - grap, scherts): al spelend, luchtig, onbezorgd? Of: met een speld ('t is gestoken met een spelle = fijn geschikt) (C. Moeyaert)?
binnen: af
|
[p. 12]
+
-
- Jaquelijn (alleen)
- 115
- Bij gommen (1)! al moest ik mijn (2) rocks om broot verkoopen, 115
- Gaan wasschen (3) voor de kost, ja (4) achter lande loopen 116
- 'k Begeire Kosen niet... mijn vaer doe wat hij wilt,
- 'k Waer liever levendigh gebraden, en gevilt,
- Gekapt tot hutsepot, dan met dien mof te trouwen. 119
- 120
- Wil vaeyer soo voortgaen (5) 't sal hem en mij berouwen,
- Want (6), met een lossen sin, (7) bedrijft men dikwijls iet, 121
- Het gene men daer na betaelt met groot verdriet...
- Mijn herssens staen soo los dat ik niet weet waer keere'... 123
- Ik sweere, waer het niet, uyt insicht van mijn eere, 124
- 125
- Ik speeld' hem sulk een pert, dat hij wel tienmaal sou 125
- Beclagen, mij gepraemt te hebben, tot die trouw. 126
- Ik trouwen met dien mof?... ik Jaquelijn, met Kosen?...
- Dien Jan?... dien koelt-de-pap?... dien cauwaert?.. dien vervrosen?.... 128
- Met mij!... met Jaquelijn?... ik heb geen man van doen,
- 130
- Die eene stoof behoeft om sijne leên te broen... 130
- Met Kosen Jaquelijn?... 'k waer liever noyt gebooren
- Dan ik, om Kosen, sou verlaten mijnen Joren... 132
- Och Joren! 'k liet voor u tien sulcke Kosens staen;
- En, soo gij maer begeirt, 'k sal liever met u gaen
- 135
- Naer Keulen aen den Rijn, of waer gij heen wilt trecken,
- Dan voor die tirannij mij selven neer te strecken. 136
- Maer, of hij niet en wou, en soo mijn vaer ontsagh, 137
- Dat hij, van liefde, mij voorts maekte geen gewach?... 138
- Dat hij niet meer en quam, voor mijne deur verschijne'?...
- 140
- Dat hij de leepe gaf, aen sijne Jaquelijne?... 140
|
+ (1) gommel. (2) mijne Rocks. (3) schoyen. (4) en. (5) dit alsoo. (6) want ick waer liever doot. (7) van af: bedrijft... tot vers 16 der volg. bl. ontbreekt.
115 bij gommen: bastaardvloek (bij de God-Mens)
rocks: kleren
116 achter lande loopen: door het land zwerven; vandaar allicht ook: bedelen
119 mof: lompe kerel, opschepper
121 met een lossen zin: in onbezonnenheid
iet: iets
124 uyt insicht van: met het oog op
125 ik speeld' hem sulk een pert: ik bakte hem zo'n poets
128 Jan: sukkel, slappeling
koelt-de-pap: iemand die bang is zich de mond te verbranden, slappeling cauwaert: (Frans) couard = lafaard, of kaluwaard = kaalkop vervrosen: koukleum
130 leên: leden, ledematen
broen: broeden, warmhouden
136 neer te strecken (voor): te onderwerpen (aan)
137 of: als
ontsagh: zou duchten
140 de leepe gaf: niet in de idiotica; niet bekend in de Westhoek. C. Looten interpreteert als ‘s'il venait à donner des coups, à maltraiter sa Jacqueline’.
Veeleer toch: de bons gaf
|
[p. 13]
-
- +
- De leep aen mij!... sijn lief?... sijn troost?... sijn ziel?... (sijn hert?...
- Maer dat sijn woorden, die de vrijers in hun smert,
- Soo los versieren, als lichtveerdelijk uytspreken: 143
- De tonge praet van 't gen, in 't hert, noyt heeft gesteken; 144
- 145
- Uytwendigh is 't al soet, maer, wat van binnen schuylt, 145
- Ontdekt men niet voor dat de vrijheyt is geruylt, 146
- En dat den vrijer eens, tot meester, is geworden. 147
- Dan is het: wijf, pas op... blijf daer... ga... volgh mijn orden... 148
- Soo lange naer de mart... soo lange hier... dan daer.... 149
- 150
- Wasch dese hosen... schreep mijn schoenen... kamt mijn haer.. 150
- Waer blijft gij platmuts?... is mijn kraegh wel uytgestreken?.. 151
- Sa fraey dan... knort gij slok... wacht u van tegenspreken, 152
- Of gij krijgt desen vuyst wel dapper tegen 't hooft... 153
- Och! sou dit ook soo gaen met Joren, die belooft
- 155
- Mij aen te bidden?... mij als sijn meestres te vieren?... 155
- Sou hij dit, tot hij mij in 't nettien heeft, versieren? 156
- Dan waer ik liever doodt...
-
- (sij huylt)
-
-
- Maey (uytcomende) (1)
- Wat schort u Jaquelyn?...
- Wat is er?... spreek... sult gij voor mij gesloten sijn? (2)
- Voor mij, die u bemin als d'appels van mijn oogen?...
-
- Jacquelijn (al snicken)
- 160
- Ach, moeyer!... 160
-
- Maey
- Lieve Meyt!...
|
+ (1) uytcommende. (2) sij blijft huylen.
143 los: lichtzinnig
versieren: verzinnen
144 't gen: hetgeen, wat
heeft gesteken: heeft gestoken, aanwezig is geweest
146 voor dat de vrijheyt is geruylt: voor men getrouwd is
150 hosen: zie 67
schreep: poets
151 platmuts: muts als scheldnaam voor een vrouw vindt men ook in Znl. zottemuts
kraeg: zie 81
153 wel dapper: krachtig, flink
155 vieren: eer bewijzen, het hof maken
156 in 't nettien (= netje) heeft: in het netje van het huwelijk gevangen heeft
versieren: verzinnen
|
[p. 14]
+
-
- Jaquelijn
- Och (1) hebt met mij meedoogen!...
-
- Maey
- Waer over?... och Jaqlijn wat leet is u geschiet?...
-
- Jaquelijn
- Och! vaeyer wil (2) dat ik met Kosen... (3)
-
- Maey
- Geensins niet...
- Is 't daerom dat gij huylt?... hou (4) op, droogh uwe kaken...
- Dat sou (5) ik moeten sien... wien? hij den meester maken? (6) 164
- 165
- Hij mijne Jaquelijn doen knoopen met een vent, 165
- Die schier geen onderschil van man en vrouwe kent? 166
- Sou moeyer u daerom soo langh gekloestert hebben, 167
- Besorgt, van op tot neer, met wol- en linne-webben? 168
- Soo deughdelijk geleert, navolgens onsen staet?... 169
- 170
- Soo rijckelijk voorsien, met allerley cieraet?
- Met ringen aen de hant, aen d'ooren met pendanten, 171
- Met kraegen sonder ploy, en neusdoecken met kanten?... 172
- Sou 't voor dien dikkop sijn, dat uwe jeught soo bloeyt?
- Soo quam' er Kosen al gekoust in en geschoeyt, 174
- 175
- Soo soud' al het geluk voor dien Jan-hen wel wesen. 175
- Neen dochter, houd u stil, en wilt daer voor niet vreesen
- Soo lang ik leven sal, en sal dit noyt geschien: 177
- 'k Sou liever u gestrekt voor bey mijn oogen sien, 178
|
+ (1) Hebt met mij doch medogen. (2) wilt. (3) sij huylt. (4) houd. (5) soud. (6) Verzen 6 tot 10 der volg. bl. ontbreken.
164 den meester maken: de baas spelen
166 onderschil (van): onderscheid (tussen)
167 gekloestert: gekoesterd
168 besorgt, van op tot neer, met wol- en linne-webben: van hoofd tot voeten voorzien van wollen en linnen weefsels
169 navolgens: overeenkomstig
staet: stand
171 pendanten: oorbellen, oorhangers
172 neusdoecken: zakdoeken
174 al: helemaal
Soo quam' ... geschoeyt: te begrijpen afs: Dat zou voor Kosen wel een schitterende zaak betekenen
178 gestrekt: levenloos uitgestrekt
|
[p. 15]
-
- +
- Ja schey eer van uw vaer, dan dit te moeten lijen. 179
- 180
- Wat laet dien ouden grol hem voorstaen?... Wie van beijen, 180
- Dat is, van mij, of hem, heeft 't meeste deel in u?
- Of ik, die soo vol pijn (waer van ik nu nogh gruw)
- U in mijn lichaem droegh; met meerder smerten baerde; 183
- Opvoedde met mijn sogh; voor ongeluk bewaerde; 184
- 185
- Gekuyst, geegent heb tot huyden desen dagh; 185
- Of hij, die noyt naer u, hoe seer gij klaegde, sagh;
- Bij nacht de hant niet eens wou naer de wiegh uytsteken;
- En als gij kreet nie dee dan onverduldigh spreken?... 188
- Bij git! is 't dat hij nogh daer (1) van sijn tonge roert 189
- 190
- 'k Wil dat den hagel... (2) 190
-
- Jaquelijn
- Och (3)!
-
- Maey
- Mijn (4) kop is soo ontroert,
- Dat ik me (5) selven sou in gramschap overloopen... 191
-
- Teunis (uytcomende)
- Wat voor getier is dit?... wat is hier te verkoopen
- Dat gij soo roept en schreeuwt?... 193
-
- Maey
- Com hier, eerwaerde (6) Teun,
- Is 't gij, die Kosen kiest, voor uwen liefsten (7) seun?... 194
|
+ (1) hier af. (2) (sij maeckt eenige grimacen) (3) Och! Moeyer! (4) 'k Ben. (5) mijn. (6) eerweirde. (7) lieven.
179 Ja (ik) schey ...
eer: eerder, liever
180 grol: brompot
wat laet ... voorstaen: wat matigt ... zich aan
beijen: beiden
184 opvoedde: voedde
sogh: moedermelk
185 gekuyst: gewassen
geegent (= geëgent): als m'n eigen, als mezelf verzorgd (?)
huyden: heden
188 kreet: schreide
nie: niets'
onverduldigh: boos, ongeduldig
189 bij git: bastaardvloek (bij God)
190 'k Wil dat den hagel ...: ... hem sla (een verwensing)
ontroert: in de war gebracht
191 me selven ... overloopen: te ver gaan
193 eerwaerde: hier spottend gebruikt
|
[p. 16]
+
-
- Teun
- 195
- Wien beter? 195
-
- Maey
- Die hem 't woort alrede hebt (1) gegeven?
-
- Teun
- Met reden... 196
-
- Maey
- Die hem stelt voor Joren en voor Steven?...
-
- Teun
- Soo is 't. 197
-
- Maey
- Die Jaquelijn wilt binden aen dien knecht?...
-
- Teun
- Voorseker. (2) 198
-
- Maey
- Die haer wilt (3) bedwingen tot dien (4) echt...
-
- Teunis
- 'k Beken 't. (5)
-
- Maey
- Die haer bedreygt (6) met schelden en met slagen?
-
- Teun
- 200
- 't Is waer... 200
|
+ (1) heeft. (2) 'k Bekent. (3) met cracht wilt dwingen. (4) den. (5) Voor seker. (6) dreygt.
195 woort: jawoord, toestemmend antwoord
alrede: reeds
196 met reden: terecht
voor: boven
|
[p. 17]
+
-
- Maey
- En die dit al doet sonder mij te vragen?...
-
- Teun
- Ick loochen 't niet.
-
- Maey
- En die wel weet, dat ik niet wil?...
-
- Teun
- 'k Heb daer niet tegen... 202
-
- Maey
- Ick uw vrou (1)?
-
- Teun
- Ick swijge stil...
-
- Maey
- Haer moer?...
-
- Teun
- En ick haer vaer?...
-
- Maey
- Gij koos uw (2) soon een vrouwe
- En ick wil, naer mijn sin, Jaqlijn mijn dochter trouwe'!
-
- (3) Teun
- 205
- En ick wil dat se mij hier in gehoorsaem blijf.
|
+ (1) wijf. (2) u. (3) Hier komt volgend vers:
- Al soud' het mij op eet, mijn leven dagen rouwen.
202 'k Heb daer niet(s) tegen ... (in te brengen)
|
[p. 18]
+
-
- Maey
- En ick verbie 't haer op verbeurte van haer (1) lijf. 206
-
- Teun
- Swijgh... Bij den ackerment gij sult uw (2) backhuys sluyten Of... 207
-
- Maey
- Dreygh niet, of ik loop met Jaquelijn naer buyten,
- En laet u (3) hier alleen, met Kosen, uwen baes,
- 210
- Kookt dan soo g'eeten wilt. 210
-
- Teun
- Houd op van dit geraes,
- En wacht u desen dagh, mij nogh daer van te spreken, 211
- Of ick sal dochters mal, op moeyers rok-lijf wreken... 212
- Trekt aenstonts naer de mert (4) en koopt wat ons behoeft, 213
- 't En sy gij liever, van mijn taeye spanriem proeft. 214
-
- (Teun binnen) (5)
-
-
- Maey
- 215
- Ga, knorpot, trek (6) vrij heen: wij lacchen met uw (7) dreygen
- Com, gaen wij Jaquelijn, mijn hoogste troost, mijn eygen
- Afbeeltsel, peys (8) niet meer op vaeyers nortse (9) kop; 217
- Wij geven (10) met' er tijdt dien koelt-de-pap de schop. 218
|
+ (1) het. (2) dat. (3) uw. (4) mart. (5) Binnen. (6) trekt. (7) u. (8) peyst. (9) norsche. (10) gaen.
206 op verbeurte van: op straffe van verlies van
lijf: leven
207 bij den ackerment: bastaardvloek (bij het Sacrament)
backhuys: mond
211 wacht u (ervoor): pas ervoor op
desen dagh vandaag
212 mal: malligheid, gril
rok-lijf: kort bovenkledingstuk; ook: keurslijf
Of ick ... wreken: te begrijpen als: Ik zal de moeder laten boeten voor de gril van haar dochter
213 wat ons behoeft: wat wij nodig hebben
217 peys ... op: denk ... aan
norts: nors
218 wij geven ... de schop: wij danken ... af, wij sturen ... weg
met' er tijdt: op zijn tijd
koelt-de-pap: zie 128
|
[p. 19]
+
-
- Jaquelijn
- Och moeyer! sonder u mijn hope viel in duygen.
-
- Maey
- 220
- Ick sal dien stijven hals naer mijnen wil (1) doen buygen. 220
|
220 stijven hals: stijfkop
|
|
|