[p. 20]
+
|
+ (1) van de mart commende met het Cappoen ingaet. (2) hij maeckt plaets aen Joren. (3) bespieding. (4) ontbreekt. (5) of. (6) vremde. (7) 'k En geloof. (8) vremt. (9) commen. (10) deur. (11) marckt. (12) capuyn. (13) stuckje (14) weirdig.
|
Tweede bedrijf
- Ambroos bespiet waer Maey, met (1) het kappoen van de mert comende, ingaet. Kosen claegt over Jaquelijn, hij ontmoet haer, en laet sigh wijs maken, dat hij bemint wort; hij wijkt (2) voor den aencomenden Joren, men Jaquelijn gehoor geeft. Ambroos, van sijne afspiedingh (3) terug gekeert, gaet sijne boodschap volbrengen. 20
-
- Ambroos (uytcomende al lacchen) (4)
- Wie heeft er oyt soo ver gesworven om den Noort!... 221
- Voor mij, ich hebbe noyt gelesen, nogh (5) gehoort, 222
- Dat in een grooten vorst soo vreemde (6) lusten reesen. 223
- 'k Geloof (7) nu evenwel dat sulckx ook waer can wesen,
- 225
- Al schijnt het wonder vreemt (8) ick twijffel daer niet aen. 225
- Soo aenstonts comen (9) wij, dwers door (10) de mert (11) gegaen, 226
- Met sijne Majesteyt, die, wijl wij voren loopen, 227
- Een vrouwe besigh sagh, met een kappoen (12) te koopen;
- Het stuckie (l3) stont hem aen als weerdigh (14) sijnen disch. 229
- 230
- Sijn lust was wonder groot: maer op de merten is
- Het goet niet voor die 't lust, maer voor die 't eerst betalen 231
- De vrouw, die, soo het scheen, niet langer wilde dralen, 232
|
20 [bladzijde 20]
ingaet: binnengaat
wijkt: vlucht
wien: aan wie
afspiedingh: bespieding
al lacchen: lachend
221 Wie ... Noort: om den Noort = naar, in het Noorden. Hier te begrijpen als: Wie heeft er ooit zo iets buitensporigs meegemaakt
222 Voor mij: Ik voor mij
223 lusten: neigingen, grillen
226 soo aenstonts: daarnet
dwers door: over
227 wijl: terwijl
voren: voorop
|
[p. 21]
-
- +
- Sprak 't boere wijf in d'oor, en telde haer het gelt.
- Den Keyser stont hier op een weynighie (1) verstelt, 234
- 235
- En, mits hij van 't kappoen (2) seer geeren (3) had geeeten, 235
- Gebood mij dese vrou te volgen om te weten,
- Waer, (4) haere wooningh is, op dat hij nogh van daegh
- Een deel van 't stuckie (5) vleys doe sincken in sijn maegh.
- Voorwaer een viese lust: men (6) spreekt van sware vrouwen 239
- 240
- Die somwijl in hun lijf (7) veel vreemde (8) dingen brouwen, 240
- En hebben moeten, waer het herte naer verlanght;
- Maer, wat de sinlijkheyt (9) van mijnen vorst belangt, 242
- Ick weet niet, wat geval men (10) dese toe sal schrijven: 243
- Voor eerst het praemt hem niet, gelijk de ducke (11) wijven; 244
- 245
- 't Ontbreekt hem aen geen macht: de beste spijs van 't lant
- Wort dagelijx bereyt, voor sijnen gragen tant; 246
- En als hij was gesint kappoene-vleys (12) te eeten, 247
- Men stak' er dadelijk drij, vier, aen sijne speeten...
- Wat is 't dan, dat hem drijft, om, in een borgers huys, 249
- 250
- Misschien bij lappers of nogh hatiger gespuys, 250
- Te soecken, wat hij t'huys can nutten met sijn heeren? 251
- Wat, sou men seggen, can een keyser meer begeeren,
- Dan hem sijn grooten staet en overvloet aenbiedt,
- En die, in volle maet, al, wat hem lust, geniet?
- 255
- Sal 't borgers huys hem doen de spijse beter smaken?
- Of sou een lappers kout of praetie meer vermaken, 256
- Dan prinssen onderhout? Ik weet niet wat het sij; 257
- Dit sie ik, dat men self in d'hoogste heerschappij 258
- Het herte niet versaet; geen staet, hoe seer verheven 259
- 260
- Can aen des menschens ziel vol vergenoegen geven.
|
+ (1) weynig wat. (2) cappuyn. (3) geiren. (4) Waer dat haer woning was (5) stuckje. (6) mê. (7) lust. (8) vremde. (9) sinnelijckheyt. (10) ick. (11) dicke. (12) cappuyne.
239 viese lust: wonderlijke gril
sware: zwangere
240 vreemde dingen brouwen: vreemde verlangens koesteren
242 sinlijkheyt: luim, lust
belangt: betreft
243 wat geval: aan welke oorzaak
244 het praemt hem niet: er kwelt hem niets
ducke: dikke, d.i. zwangere
246 gragen: hongerige, begerige
249 borgers huys: burgermanswoning
250 hatiger: verfoeilijker, lelijker, lager
gespuys: gemeen volk, geboefte
256 kout = praetie = praatje
257 onderhout: conversatie
259 versaet: verzadigt, bevredigt
|
[p. 22]
-
- +
- Versaetheyt heeft men noyt behaelt (1), uyt overvloet, 261
- Maer uyt genoegsaemheyt; 't is dese, die voldoet... 262
- Waer woont genoegsaemheyt, ontbreekt sij in de wooningh
- Van eenen grooten vorst, een sege-rijcken koningh?
- 265
- Heeft desen niet genoegh, die, als hij maer gebiedt,
- Den schat, van oost en west, voor sijne voeten siet? (2)
- Ontbreekt aen desen iet, om welcken te versaden,
- Met dieren (3), en gewas men schepen vol siet laden? 267-268
- Ja, daer ontbreekt hem veel, in desen overvloet,
- 270
- Van eeren, (4) rijkdom, macht, en allerhande goet...
- Hoe veel wel?... recht soo veel als hij nogh can begeiren. 271
- Die vergenoegt wil sijn moet sijn begeirten (5) weiren, 272
- Soo langh hij nogh begeirt (6) ontbreekt hem altijt iet
- Al sit hij in den troon van 't opperste gebiet. 274
- 275
- Gemeene lien sijn meer vernoegt, dan groote vorsten, 275
- Als, buyten hunnen staet, sij nergens naer en dorsten: 276
- Den aermen, wel tevreên, geen rijkdom locken sal,
- Soo langh hij niet begeirt (7) hij is den heer van al. 278
- Vorst Carel sal van daegh misschien meer sijn tevreden,
- 280
- Met slechte borgers kost, als (8) hij oyt in 't voorleden 280
- Met keysers spijse was... maer 'k blijf hier lange staen...
- Siet 't wijf van ons kappoen, (9) comt met haer dochter aen.
-
- (Ambroos blijft ter sijden)
-
-
- Maey, Jaquelijn (10)
- Wat dunkt u van dien koop?
|
+ (1) gehaelt. (2) Na vers 5 volgt:
- Heeft desen niet genoeg, die op een winck der oogen
- Geheele Legers siet voor sijnen Troon gebogen?
- Heeft desen niet genoeg, voor wie wordt afgesnoeyt
- De beste Wijngaert vrucht die in de weirelt groeyt?
(3) Indiaens. (4) eere. (5) begeerten. (6) begeert. (7) begeert. (8) als dat hij. (9) die comt daer ginder aen. (10) ontbreekt.
261 versaetheyt: bevrediging
262 genoegsaemheyt: tevredenheid
267-268 Ontbreekt ... laden: om wie men, als hem iets ontbreekt, om hem te bevredigen schepen vol ziet laden met dieren en gewas
272 weiren: weren, tegengaan
274 opperste gebiet: hoogste heerschappij
275 gemeene: gewone
lien: lieden
vernoegt = vergenoegt: tevreden
276 staet: stand
dorsten: verlangen
280 slechte borgers kost: kost van gewone burgerlui
voorleden: verleden
|
[p. 23]
+
-
- Jaquelijn
- Ik sagh, mijn levens (1) dagen,
- Geen leckerder kappoen (2)... Ey Moeyer, laet mij 't dragen,
- 285
- Eer dat gij u vermoeyt. 285
-
- Maey
- Geen noot.
-
- Jacquelijn
- Gij trok van pas,
- In 't toeslaen van den koop, het gelt uyt uwe tas, 286
- Want eenen grooten heer quam achter ons, al sluypen, 287
- Ten uytersten gesint, om u te onderkruypen: 288
- Ook scheen hij wat verstoort, toen gij er meê vertrok.
-
- Maey
- 290
- Daer lach ick mee, mij lust soo wel een goeye brok
- Somwijlen t' eeten als die opgepronkte heeren,
- Die dikwils (3) staen te pronk met andre (4) liedens kleeren:
- Een ieder draeghe (5) en eet hetgen hij heeft betaelt. 293
- Voor mij, ick hebbe (6) noyt iet op den kerf gehaelt 294
- 295
- En 't waer mij groote pijn geborghde spijse t' eeten. 295
- Gemeene liedens (7) lust heeft rijcke altijt gespeten: 296
- Dogh, spijten ofte niet, ik spotte met dien heer; 297
- Al lapt uw vaeyer schoen hij heeft geen mont van leêr,
- 't Kappoen (8) sal hem soo wel, als eenen keyser smaken.
- 300
- Maer, daer ontbreekt nogh wat om ons gerecht te maken;
|
+ (1) leve. (2) cappuyn. (3) dikwijls. (4) alderliedens. (5) draegt. (6) heb' nog noyt. (7) lieden. (8) Cappuyn.
288 onderkruypen: voor zijn (met de koop)
294 op den kerf: op de kerfstok, op krediet
295 't waer: het ware
geborghde: op krediet gekochte
296 gemeene liedens lust: plezier van gewone mensen
rijcke (lieden)
|
[p. 24]
-
- +
- Gaet naer de groenselmert (1) en koopt wat roode beet, 301
- En kool, en van dat groen dat vaer soo geiren (2) eet. 302
-
- (sij geeft haer gelt)
-
- Neemt wat ajuyn daer bij; een mande versche knollen, 303
- Karstangnien vijf ses pont om ons kappoen te vollen, 304
- 305
- Wat peeren om te braen, gelijk u is bekent, 305
- Dat wij op desen dagh van vreughde (3) sijn gewent.
-
- Jaquelijn
- Ick weet wat ons behoeft; ey, laet me (4) slechts (5) betijen. 307
-
- Maey
- Maer wacht u, Jaquelijn, van op den wegh te vrijen, 308
- En maekt uw mert-ganck (6) cort. 309
-
- Jaquelijn
- Ik keer op staende voet
-
- (binnen)
-
-
- Maey (alleen)
- 310
- Ick trek, langs dese straet, naer mijnen ouden bloet, 310
- Die seker op mijn comst sij selven sal verblijden (7) 311
- Al scheen hij tegen mij aenstonts soo fel te strijden (8) 312
- Wanneer m'iet medebrengt m'is altijdt liefgetal. 313
-
- (binnen)
-
-
- Ambroos
- Ick lette neerstigh waer dit wijf in kruypen sal. 314
-
- (binnen)
-
|
+ (1) groenselmerct. (2) geeren. (3) vreugden. (4) mij. (5) slechs. (6) merc ganck. (7) verblijen. (8) strijen.
301 groenselmert: groentemarkt
beet: biet
304 karstangnien: kastanjes
vollen: vullen
305 braen: braden, bakken
307 slechts: maar
betijen: mijn gang gaan
308 op den wegh: onderweg
309 mert-ganck: tocht naar, over de markt
311 op: over
sij selven: zich(zelf)
313 m'iet: men iet(s)
m'is: men is
liefgetal: bemind
314 neerstigh: nauwgezet, ijverig
|
[p. 25]
+
-
- Kosen (alleen) (1)
- 315
- Segh Kosen... is 't (2) wel weert, dat gij soo veele pijne 315
- Bij daegh (3) en nachte lijdt om uwe Jaquelijne,
- Om eene lichte tuyt?... me (4) dunkt ie (5) sijt wel sot 317
- Is 't dat ie (6) vrijen wilt, vrijt 't glaesien en de pot, 318
- Daer krijgh ie (7) deught van; die en sal ie (8) noyt verstooten, 319
- 320
- En is se somtijdts leegh, se (9) wort weer vol gegooten.
- Wat krijgh (10) ie van de min, als quaelkten, aen het (11) hert, 321
- En pijnen in het hooft?... 't is altijt droefheyt, smert,
- Benautheyt, schroom, en angst (12) en hondert duysent sorgen,
- Die mij gedeurigh (13) aen verdreygen te (14) verworgen. 324
- 325
- Als ik haer niet en sie ik ben in hartseer (15) groot,
- En als ik bij haer com, se (16) jaegt mij in de doot;
- Se (17) schelt mij of ik (18) in 't oudt leder waer. gevonden. 327
- Het is... ‘wel slappe Klaes, wie heeft ien (19) schoen gebonden? 328
- Wie nestelde ien (20) broek? hoe (21) sie ier weer soo uyt 329
- 330
- Gijn (22) slobberaer, gij mof, gij quijlebab?.. Ga (23) snuyt 330
- Ien (24) rotten neus van hier; gij doet mijn maghe walge' 330-1
- Slavoen!... Daer hangend' er daer buyten aen de galghe 332
- Veel jeughdiger dan gij!... Vertrek terstont van hier.’
- Daer is het lief onthael, 't gen (25) mij dat soete dier 334
- 335
- Schier alle dage (26) doet; en waer 't (27) niet, om haer (28) vaeyer,
- 'k Geloof men had me (29) langh verkocht aan Jan den Draeyer, 336
- Om bloks te maken voor Joos Potters bolle baen... 337
- Wel? waerom moet se mij soo schimperigh ontfaen, 338
- Ick ben soo mannelijk, als haren joncker Joren.
|
+ (1) alleen uyt. (2) ick wel weet. (3) dag. (4) mij. (5) gij. (6) gij. (7) krijgt gij. (8) u. (9) sij. (10) crijgt men. (11) 't (12) vrees. (13) gedurig. (14) en. (15) hertseer. (16) sij (17) sij. (18) waer in 't oude leer gevonden. (19) u. (20) uwe. (21) van hier gij vuyle guyt. (22) gij. (23) snuyt uyt. (24) uw. (25) dat. (26) dagen. (27) het. (28) ontbreeckt. (29) mij.
315 weert: (de moeite) waard
317 lichte: vrolijke, loszinnige
tuyt: vrouw meisje
ie: je, ge
318 glaesien: glaasje
pot: ‘pot met eten’ of, blijkens de context (vers 320), veeleer synoniem met ‘glaasje’
319 daer ... van: dat doet je goed, dat verschaft je genoegen
321 als: anders dan, behalve
quaelkten (= qualijkten): ongesteldheden
327 of: alsof
in: bij, tussen
oudt leder: leder van minder kwaliteit, doordat het zijn soepelheid en frisheid heeft verloren (oud leder stinkt, zegt vers 12 en 645)
329 nestelde: reeg de veters (in)
ier: j(e) er
330 gijn: gij, jij
slobberaer: slordige, morsige vent
mof: onbeschaafde kerel, opschepper
quijlebab: eigenlijk een doekje onder de kin van kwijlende kinderen; fig. kwijlbaard, babbelaar
330-1 snuyt ien rotten neus van hier: rot werd vroeger gezegd van personen die door een huid- of andere ziekte aangetast waren (cfr. 31 en 424). Vandaar misschien hier, spottend: ga elders je besmetting, je ziekte ronddragen, maak dat je wegkomt
332 slavoen: scheldnaam, vermoedelijk afgeleid van een benaming voor een soldaat van Slavische oorsprong, zoals Krowaat, vervormd tot karwaat en kerwaat, eveneens een scheldnaam is geworden (Des Roches geeft de vormen slavoniêr, Slavonisch).
336 Draeyer: draaier, hij die (in dit geval houten) voorwerpen op de draaibank maakt
337 bloks: dergelijke meervoudsvormen op -s zijn in het Westhoekse dialect nog steeds levend; de bloks zijn de blokken op de spijlen van een neerliggende mast (in Zuid-Nederland wip of gaaipers genoemd), die door het gooien met bollen (vandaar bolle baen, de ruimte waarbinnen ‘gebold’ wordt) afgeslagen moeten worden (C. Moeyaert)
|
[p. 26]
-
- +
- 340
- Al heeft hij wat meer snaps, al weet hij aen (1) haer ooren 340
- Te vleyen, en somwijl te maken harlequijn (2); 341
- Al draegt hij aen sijn das een letse van satijn; 342
- Al loopt hij dagelijx naer Pier den Danssers schoolen;
- Al maekt hij voor sijn lief, Jaqlijn (3), veel kabrioolen; 344
- 345
- Wel, sou hij daerom moeten sijn gestelt voor mij?... 345
- Men sie niet wie best klapt of lacht (4) van ick, of hij, 346
- Maer, wie best muylen, schoen en leerssen weet le lappen:
- Men queekt sijn kinderen en vrouwe (5) niet met (6) snappen. 348
- Dogh (7) 't is nu soo gestelt, dat al de meysies (8) sien,
- 350
- Naer 't schoone hair en partigh (9) lijf der jonge liên: 350
- Die best met 't kakebeen can spelen, wat can liegen, 351
- Om 't wel staen, en daer bij een suchtie laten vliegen, 352
- Met eenen ooge-slagh (10), al duwen (11) in de vuyst, 353
- Al waer hij uyt sijn stat, met noorder (12) son verhuyst, 354
- 355
- Hij sal dat lichte volk meer, dan gebeurs (13) behagen. 355
- Dat (14) is 't waer na nu al de (15) jonge vrijsters vragen, 356
- Van deught en spreekt men niet, al waer hij Turk, barbaar
- Soo hij maer blasen can, hij (16) vindt sijn saken klaer. 358
- Genomen, 'k was wat swaer van leden en van sinnen, 359
- 360
- Is mijne beurs niet weert dat sij mij sou beminnen?
- De beurs, die 't al bekoort?... Daer sijn (17) er meer dan (18) tien
- Degene (19) mij daerom wel geiren souden sien... 362
- Bij gommen 'k wil niet meer soo sot sijn als voor desen. 363
- Ontseght se (20) mij nogh eens ik wil geen Kosen wesen 364
- 365
- Soo ick se weer (21) aenspreek. 365
|
+ (1) naer. (2) Arlequijn. (3) Jaquelijn. (4) danst. (5) vrouw. (6) met t (7) dus. (8) meyssiens. (9) oock naer 't. (10) oogenslag. (11) douwen. (12) sel sonder son. (13) gebuers. (14) Daer. (15) die hoofsche. (16) vindt hij. (17) sijn der. (18) als. (19) degene die. (20) sij. (21) hier.
341 te maken harlequijn: voor nar, hansworst te spelen (cfr. het Franse ‘faire le fou’)
344 kabrioolen: danssprongen, bokkesprongen; in het Zuidnederlands ook: drukte, fratsen
346 sie: kijke (naar) (wensvorm)
348 queekt: brengt groot, voedt op
snappen: praten
350 partigh: bevallig, fraai
351 die: wie
met 't kakebeen ... spelen: praten
352 om 't wel staen: om zich goed voor te doen
suchtie: zuchtje
353 ooge-slag: draai, lonk van de ogen
al duwen in de vuyst: al knijpend in de vuist van het meisje; of: al knijpend in de eigen vuist, d.i. doende alsof men verlegen is
354 Al waer ... verhuyst: al was hij 's nachts stil uit zijn stad verdwenen (omwille van schulden)
355 licht: veranderlijk, lichtzinnig
gebeurs: buurjongens
359 genomen: aangenomen, verondersteld
362 degene: die
geiren: graag
364 ontseght: wijst... af
|
[p. 27]
+
-
- Jaquelijn (van (1) achter (2) uytcomende)
- Wel Kosen, lieve maet!...
-
- Kosen
- Hoey!...
-
- Jaquelijn
- Hoe vind ick u hier soo suchten, op de straet?
-
- Kosen
- Och Jaeqsie (3)! vraeg (4) ie dat? 367
-
- Jaquelijn (stil)
- Ick moet den bloet wat vleyen (5)...
- Wat schort ie (6) dan; ie (7) siet, als of ie quam van schreyen. 368
-
- Kosen
- Eylaes! ik sie gij peyst niet veel op mijn verdriet. 369
-
- Jaquelijn
- 370
- Ick? waerom segh ie (8) dat? 370
-
- Kosen
- Al kakx ien (9) weet het niet.
-
- Jaquelijn
- Wat sou ik weten?
|
+ (1) en (2) ontbreken. (3) Jaeckje. (4) vraegde. (5) fleyen. (6) u. (7) gij. (8) gij. (9) gij.
367 Jaeqsie: Jaaksje, diminutief van Jaquelijn
ie: je
stil: terzijde
bloet: man, sukkel
368 ie siet: je ziet eruit
quam van schreyen: net gehuild had
369 peyst... op: denkt... aan
370 Al kakx: in schijn, kwansuis; Al kakx ien weet het niet: Alsof je dat niet wist!
|
[p. 28]
+
-
- Kosen
- Dat het hert, van uwen (1) Kosen,
- U siende, weer ontdoyt, hoe seer het was vervroosen. 372
-
- Jaquelijn
- Ja... Kosens hert ontdoyt!...
-
- Kosen
- Het gloeyt mijn Jaquelijn,
- Soo ras (2) het maer verneemt uw lodderlijcken (3) schijn. 374
-
- Jaquelijn
- 375
- Vervrosen, en ontdoyt, en dadelijk aen 't gloeyen!...
-
- Kosen (stil)
- Sij sprak me (4) noyt soo soet, haar vrientschap schijnt (te groeyen
-
- Jaquelijn
- Wat seght mijn (5) lieve vrient?
-
- Kosen
- Dat gij soo minsaem sijt,
- Dat sonder u mijn hert noyt wesen sal verblijdt.
-
- Jaquelijn
- Dat 's liefde. 379
|
+ (1) uwe. (2) haest. (3) loderlijcken. (4) mij. (5) mij lieven.
374 verneemt: ontwaart
lodderlijcken: lieftallig
schijn: uiterlijk
379 eer: liever
boekweit: graansoort, waarvan de korrels als voedsel (brij = pap) voor vee en mens gebruikt wordt
uertie: uurtje
|
[p. 29]
+
-
- Kosen
- Dat ick eer geen boekweyt-brij sal eeten
- 380
- Dan mijne Jaquelijn een uertie te (1) vergeten.
-
- Jaquelijn
- O groote vierigheyt. 381
-
- Kosen
- Dat Kosen liever sou
- Veranderen van muts (2) dan missen uwe trou!
-
- Jaquelijn
- Ick hadde (3) 't noyt gelooft 383
-
- Kosen
- Dat ick voor al mijn leven,
- U Jaeqsie (4) heeten sal, wilt gij mij 't jawoort geven.
-
- Jaquelijn
- 385
- O suycker-soete naem! 385
-
- Kosen
- Dat, als wij sijn gepaert,
- Gij alles hebben sult het gen ik heb gespaert.
-
- Jaqlijn
- Wanneer verschijnt dien (5) dagh? 387
|
+ (1) uyt mijn gedacht. (2) hoet. (3) hadt het. (4) Jaeckje. (5) die.
381 vierigheyt: vurigheid, liefde
387 gelegen: voltooid deelwoord van geliggen: bevallen, in het kraambed liggen
|
[p. 30]
+
-
- Kosen
- Dat, als gij sijt gelegen,
- Ick 't jonge popie (1) selfs (2) sal pappen (3), ende vegen. 388
-
- Jaqlijn
- Een engel van een man!
-
- Kosen
- Dat, met uw eerste kint,
- 390
- Gij 't alderschoonste paer oud-nieuwe muylen wint (4) 390
-
- Jaqlijn
- Uw miltheyt wort te groot.
-
- Kosen
- Dat ick u noyt sal wecken
- Bij nacht, als 't kintie (5) krijt, maer selfs de wiegbant trecken. 392
-
- Jaqlijn
- Hoe luckigh sal ik sijn!... 393
-
- Kosen
- Dat ik, van 's morgens vroegh,
- Tot 's avonts, sonder u, noyt gaen sal naer de kroegh.
-
- Jaqlijn
- 395
- Dat is getrouwigh sijn. 395
|
+ (1) popje. (2) self. (3) paeyen. (4) vint. (5) kintje.
388 popie: popje, baby
selfs: zelf
pappen: pap geven
vegen: reinigen, schone luiers aandoen
390 oud-nieuwe: (veelal komt de koppeling oud-maak-nieuw als substantief en adjectief voor) tweedehandse
wint: krijgt
392 kintie: kindje
selfs: zelf
wiegbant: weigetouw, touw waarmee de wieg aan 't schommelen werd gebracht
395 getrouwigh: (ge)trouw
|
[p. 31]
+
-
- Kosen
- Dat Kosen noyt sal eeten,
- Ten sij gij bij (1) hem, op een peckel sijt geseten. 396
-
- Jaqlijn
- Gij rukt mijn herte wegh.
-
- Kosen
- Dat ick noyt loopen sal,
- Waer een (2) getrouden man licht crijgt een ongeval.
-
- Jaqlijn
- Dat sal een leven sijn!... O Kosen!... lieve Kosen!...
-
- Kosen
- 400
- O liefste Jaquelijn!...
-
- Jaqlijn
- Uw (3) woorden sijn, als roosen;
- Uw tongh is honingsoet, uw sprake leckernij:
- Wie wiert' er niet bekoort van soo een vrient, als gij?
-
- Joren (comt (4) uyt van ver)
-
-
- Kosen
- Wien sie ik ginder ver?... me (5) dunkt 't is onsen Jooren!
|
+ (1) op een stoel bij hem zijt neergeseten. (2) den. (3) u. (4) van verre uytcommende. (5) mij.
396 peckel (= pikkel): Zuidnederlands voor: stoeltje met drie poten, zonder leuning, krukje
|
[p. 32]
+
-
- Jaqlijn
- Wel, of het Joren waer: geen Joren can ons (1) stooren. 404
-
- Kosen
- 405
- 't Is waer, maer, niet te min, 't is best dat hij niet weet
- Wat tusschen ons geschiet.
-
- Jaqlijn
- Vreest gij, voor eenigh leet?
-
- Kosen
- Neen, maer hij mocht misschien jaloers sijn.
-
- Jaqlijn
- Hoe sal 't wesen
- Als wij eens sijn getrout?..... 408
-
- Kosen
- Dan is 't proces gewesen:
- Ick ga... mijn Jaquelijn, hou Kosen in ien (2) hert. 409
-
- Jaqlijn
- 410
- Blijf: 'k (3) wete niet waerom dat (4) gij verlegen wert. 410
-
- Kosen
- Ick sal eer corten tijdt u weer tot vaeyers vinden. 411
-
- (5) (binnen)
-
|
+ (1) u. (2). u. (3) ick weet. (4) gij dus. (5) Treckt binnen.
408 Dan is 't proces gewesen: dan is de zaak beklonken
411 eer corten tijdt: binnenkort
tot vaeyers: bij (je) vader (thuis)
|
[p. 33]
+
-
- Jaquelijn (alleen, soo Kosen wegh gaet)
- Versteven laffaert (1) 'k wensch u voor de noorde winden... 412
- Siet, wat (2) daer huwen wilt, aenschouwt eens dat fatsoen... 413
- Wat sou een jeughdigh hert, met soo een kneukel doen? 414
- 415
- Ick, trouwen, met dien uyl,... dien loen,... dien Jan-tast sochte: 415
- 'k Had liever, dat men mij met eenen ruyter knochte... 416
- Maer hier is Joren...
-
- (sij spreekt hem aen) (3)
-
- Waer comt gij soo vroegh van daen?
-
- Joren
- Ick dee, dees morgenstont, die blecken plaeties (4) slaen 418
- Van Pieren ons gebeur (5), gelijk men op de scheenen, 419
- 420
- Gemeenlijk dragen siet van oude (6) blie-beenen. 420
-
- Jaqlijn
- Gij sijt vol boerterij... Ik denke gij wort gek; 421
- Wat wilt gij, Joren, met die plaeties (7) doen van blek? 422
-
- Joren
- Om tegen al wat stoot, mijn scheenen te bedecken.
-
- Jaqlijn
- Sijt gij ook (8) scheene-rot? 424
|
+ (1) lafhert. (2) wat dat houwen. (3) ontbreekt. (4) plaeten. (5) gebier. (6) voor de gequetste beenen. (7) plaeten. (8) dan.
412 soo: als
versteven: stijve, onhandige
laffaert: dat Kosen een lafaard is, zal uit het vierde bedrijf blijken
'k wensch u voor de noorde winden: loop naar de maan (C. Looten vertaalt: ‘je souhaite que vous soyez le jouet des vents du Nord’)
413 wat: (spottend) wie
fatsoen: schepsel, ‘exemplaar’
414 kneukel: kinkel, lomperd, domoor
415 loen: lomperd
Jan-tast-sochte: misschien hetzelfde als hennetaster (= sul; en in het Zuidnederlands ook: vrek)
416 ruyter: soldaat; dan moest zij marketentster worden, wat wel het laatste was wat een meisje gewild zou hebben (M. Sabbe)
knochte: in de echt verbond, deed trouwen
418 blecken: blikken
plaeties: plaatjes
419 van: door
gebeur: buur
420 gemeenlijk: gewoonlijk
olie-beenen: het WNT geeft voor oliekop de verklaring ‘figuurlijk, in schertsende toepassing op (mannelijke) personen [...]. Iemand, wiens gezicht als een oliekop [bij stoomwerktuigen] gebruind is, hetzij door de zon geblakerd, hetzij - en vooral - hooggekleurd ten gevolge van verslaafdheid aan sterken drank.’ Vandaar: olie-beenen = dronkemansbenen?
421 boerterij: humor, scherts
424 Sijt... scheene-rot: heb jij ook gekneusde (blauwe) schenen (voor rot: zie 330-1), heb jij ook een blauwtje gelopen
trecken: stoten
|
[p. 34]
+
-
- Joren
- Ick krijgh soo (1) veele trecken
- 425
- En kloppen tegen 't een en tegen 't ander been,
- Dat ik het minste niet can lijden op de scheen.
-
- Jaqlijn
- Gae hene vent; gij sult noyt uwe perten laten. 427
-
- Joren
- Van perten weet ik niet te seggen nogh te praten;
- Dit weet ick, dat van daegh een grouwelijcke (2) stoot
- 430
- 't Been van mijn scheenen schier geheelijk heeft ontbloot.
-
- Jaqlijn
- Wie gaf u desen (3) stoot?
-
- Joren
- Uw vaeyers lieve Kosen.
-
- Jaqlijn
- Sa (4) is 't maer dat? Gij spreekt gelijk een hersseloosen. 432
-
- Joren
- Dat heb ik wel gehoort....
-
- Jaqlijn
- En wat hebt gij gehoort?
|
+ (1) soo veel te. (2) grouwelijcken. (3) dese. (4) Jae.
427 perten: streken, poetsen
432 hersseloosen: iemand zonder hersenen
|
[p. 35]
+
-
- Joren
- Hoe seer uw vaeyer is, door Kosens beurs, bekoort,
- 435
- Hoe straf hij u (1) beveelt hem, als uw (2) vrient, te vieren. 435
-
- Jaqlijn
- En wat sey moeyer? 436
-
- Joren
- Of uw moeyer al comt tieren,
- Daer past den (3) baes niet op; dit heb ick wel verstaen (4)... 437
- Om alle (5) vorder leet en swarigheyt t'ontgaen 438
- Bind ik die platen vast van buyten op mijn hosen... 439
-
- (hij (6) bindt se vast)
-
- 440
- Dat 's wel... nu vrees ik niet... com Kosen... stoot nu Kosen 440
- Klopt, smijt, slaet achter uyt, met uw getatste (7) schoen; 441
- Die platen sullen mij, voor uw gewelt behoen.
-
- Jaqlijn
- Nu sijt gij net gestelt gelijk Jeroon den kuyper,
- Die roo karbonkelneus, (8) dien droncken keldersluyper, 444
- 445
- Wiens scheenen sijn geverft gelijk als (9) rotte kaes. 445
-
- Joren
- Dat Kosen stoote, en smijt... 446
-
- Jaqlijn
- Wel Joren sijt ie (10) dwaes?
|
+ (1) uw. (2) uwe. (3) mijn. (4) gesien. (5) Om tegen voorder leet mijn scheenen te voorsien. (6) Hij bindt de plaeten op sijn Kousen. (7) getaste. (8) rood caek-boukelneus. (9) verrotte. (10) gij.
435 straf: streng
vieren: eren, vertroetelen
437 past ... op: laat ... zich ... aan gelegen liggen
438 vorder: verdere
swarigheyt: moeilijkheid
440 Dat's wel: dat zit goed
441 getatste schoen: met spijkers beslagen schoenen
444 keldersluyper: dronkelap die de (bier)kelder insluipt (?)
446 Dat Kosen...: laat Kosen maar ...
|
[p. 36]
+
-
- Joren
- Of dwaes, of wijs; ik wil geen blaeuwe scheenen loopen
- Al moest ik al mijn gelt besteên in blek te koopen. 448
-
- Jaqlijn
- Ey!... laet dat mallen daer. 449
-
- Joren
- Wat?... mallen?... neen Jaqlijn
- 450
- k' Wil, om geen souvereyn. nogh soo gestooten sijn. 450
-
- Jaqlijn
- Nogh al?.. 'k gebie (1) u van die sotternij te swijge' (2)... 451
-
- Joren
- Soo is 't uw wille, dat ik nogh veel stooten krijge (3)?
-
- Jaquelijn
- 't Is mijnen wil, dat gij die platen nederleght.
-
- Joren
- Ik ben uw (4) minste slaef, uw dienaer, uwen knecht,
- 455
- Dat uwen wil geschie... Hoort scheenen, niet te klagen; (5) 455
- Al moest gij nogh soo veel voetschoppen (6), stooten (7), slagen
- En smeeten onderstaen, gedenkt, in uwe pijn, 457
- Sulkx is 't behagen van die schoone Jaquelijn,
|
+ (1) gebied. (2) swijgen. (3) krijgen. (4) u. (5) Hij maeckt de plaeten los. (6) schuppen. (7) stooten en slaegen.
449 mallen: dwaas doen, gekheid maken
450 souvereyn: gouden munt; om geen souvereyn: voor geen geld (van de wereld)
451 Nogh al: ga je nog door
455 niet te klagen: niet klagen
457 smeeten: klappen (cfr. 441: smijt)
onderstaen: verduren
|
[p. 37]
-
- +
- Die lodderlijcke meyt, die bloeme een uyt hondert; 459
- 460
- Dat puykien over wie gheel (1) Brussel staet verwondert; 460
- Die perel van de jeught, dat lieve minnepant,
- Die roose, die karssouw (2), die schoone tuyleplant. 462
-
- Jaqlijn
- Daer gaet die tonge los. 463
-
- Joren
- Die soete Engelinne...
- Mijn troost, mijn toeverlaat, mijn hulpe, mijn vriendinne,
- 465
- Mijn kroost, mijn tortelduyf, mijn lief, mijn hert, mijn lam (3),
- Mijn rust, mijn suyckerdoos, mijn jeught, mijn vier, mijn vlam 466
- Nu 't haer behagen is, dat Kosen sla en smijte,
- Lijdt scheenen, lijdt, en swijgt, schoon dat gij moeste splijte'! 468
-
- Jaqlijn
- Mijn harssens worden los door al die malle praet. 469
-
- Joren
- 470
- Maer, segh nu eens recht uyt hoe mijne (4) sake staet:
- Heeft Kosen niet met al, tot achterdeel, van Joren? 471
-
- Jaqlijn
- Hebt gij mijn vaeyers last soo fraeyties (5) konnen hooren, 472
- Soo hebt gij ook gehoort, wat Jaquelijne sey.
-
- Joren
- Magh ik daer vast op gaen? 474
|
+ (1) geheel. (2) Kassouw. (3) vlaem. (4) uwe. (5) fraeytiens.
459 lodderlijcke: lieftallige
462 karssouw: madeliefje
tuylepant: tulp
463 Daer gaet die tonge los: daar begint hij weer te babbelen
468 schoon dat gij moeste splijte': ook al zou je splijten
471 niet met al: niemendal, niets
tot achterdeel van: dat hem tot nadeel strekt ten opzichte van, waarin hij de mindere is van
474 Magh ... gaen: mag ik daar zeker van zijn
vrij: vrijpostig
|
[p. 38]
+
-
- Jaqlijn
- Gij sijt mij al te vrij,
- 475
- Ick moet naer huys, ga heen: mijn moeyer mochte kijven. (1) 475
-
- Joren
- Ach! gaet gij Jaquelijn! gij doet mijn hert verstijven.
-
- (binnen) (2)
-
-
- Ambroos (alleen uyt)
- Heb Ick niet wel geraen?... de koopster van 't kappoen
- Is een schoenlappers wijf; het aerdigste fatsoen, 478
- Dat ik, mijn leven sagh te Brugge (3) in d'eselstrate. 479
- 480
- Voor die was 't, dat mijn vorst sijn apetijt moest late' (4),
- Al was se nogh soo groot... Wat segh (5) ie van Janlap, 481
- Dien (6) roesten elsen, dien verdroogden hiele-tap, 482
- Die leeren-muyl, die keel verhart in toebak dampen, 483
- Weet ook, op sijnen tijdt van leckerlijck te slampen, 484
- 485
- Soo wel als heeren doen... Het is nu soo gestelt,
- Hoe slecht de tijden sijn, hoe seer men schraeft om gelt, 486
- Hoe raer die (7) munte sij (8), men siet se noyt ontbreken 487
- Op markten. Ieder (9) comt daer moedigh aengestreken (10) 488
- Met gelt in d'hant... hoeveel dat braetvercken?... dat hoen?...
- 490
- Dat koppel haenden?... dien faysant?... die kallekoen? 490
- Hoe veel die quackels?... die bosch-snippen (11)... die partrijsen? 491
- Hoe veel dat brugs kappoen?... soo jaegt te (12) diere prijsen 492
- Den een den (13) ander op... Veel houden 't wilt in d'hant
|
+ (1) Binnen. (2) Binnen van d'ander cant. (3) Brug. (4) laeten. (5) segde. (6) vers 8 ontbreekt. (7) de. (8) is. (9) ider. (10) uyt gestreken. (11) sneppen. (12) door. (13) de.
475 mochte: zou kunnen
kijven: mopperen
478 aerdigste: eigenaardigste, raarste
fatsoen: schepsel
479 eselstrate: de Ezelstraat was een van de drukste straten van Brugge
481 ie: je
Janlap: Jan-de-lapper, een gewone schoenlapper als Teun
482 roesten: roestige
elsen: els
tap: band aan de schoen
483 muyl: pantoffel; maar hier ook (spottend): gezicht
484 slampen: zich te goed doen
486 schraeft om gelt: geld bijeen schraapt
487 raer: schaars
die munte: het geld
488 aengestreken: aangezet
491 quackels: kwartels
partrijsen: patrijzen
|
[p. 39]
-
- +
- En staen met open beurs, gereet om 't lecker pant 494
- 495
- Waer na hun herte gaet, met silver op te wegen. 495
- Niet schijnt'er hen (1) te dier, om hunne lust te plegen: 496
- 't Sij kook- of ambachts-man, 't sij rijk of aerm (2) gesel, 497
- Elk past op leckernij... Dien seght, 't smaekt mij soo wel 498
- Als 't aen de groote doet; en, als ickt can bestellen, 499
- 500
- Ik wil mijn mage niet van lusten laten quellen... 500
- Verfoeyelijke drift, die al de werelt (3) stookt 501
- Waer sijn de tijden nu, wanneer men met gekookt 502
- Karoot- en (4) rape-moes, met peen, en pastenaken (5), 503
- En groen, en kruyden wiert gevoedt; niet om de smaken
- 505
- Te strelen, maer om 't lijf in cracht te houden staen?
- Wat breek ik hier mijn hooft? dien tijdt is langh vergaen;
- Men peyst nu niet meer op wat aen het lijf can kleven, 507
- Maer op wat aen de smaek can vergenoegen geven. (6) 508
- Men siet nu niet meer in, nogh stam, nogh staet, nogh macht, 509
- 510
- Elk volgt sijn leckernij, in overdaet, en lacht, 510
- Met d'oude zeden van voorleden eeuw en tijden...
- Siet, eenen lapper can se selven niet verblijden,
- Of moet kappoene-vleys op sijne tafel sien...
- Hoe hoort den keyser op, als ik hem sal bedien, 514
- 515
- In wat gesteltenis de luyden sijn geseten, 515
- Met wie hij geerne sou van desen avont eten? 516
- Ick sagh 't wijf neergaen in een kelder, als een kuyl,
- Waer uyt mij tegenquam een stank van out en vuyl
|
+ (1) hun. (2) arm. (3) weirelt. (4) of. (5) pasternaeken. (6) Hier eindigt, met volgende 4 verzen, het 2de bedrijf. Zij ontbreken in het handschrift.
- Doch hoe het is oft niet 'k sal trachten dat ik dan
- Den Keyser desen lust uyt sijne herssens ban,
- Want waerlijck hier geseyd; 't is bij Jan hagel volck
- In eenen kelder, vuyl gelijck den tover colck.
[bladzijde 39, noot 6]
Doch hoe ...: te lezen als: Doch, hoe het is oft niet, 'k sal ...
Jan hagel volck: janhagel heeft op zichzelf reeds de betekenis van: gering volk, gespuis
colck: kuil, afgrond; tover colck: vergelijk met 519-521
494 pant: kostbare, waardevolle stuk
495 na: naar
gaet: uitgaat
op te wegen (met): in te ruilen (voor)
496 niet: niets
dier: duur
plegen: voldoen
498 Elk past op leckernij: zorgt voor, is uit op (?). Of is passen hier gebruikt als een term uit het kaartspel: zijn beurt laten voorbijgaan, niet meespelen (ieder verkiest lekkere dingen boven het spel)?
Dien (slaat op ‘Elk’): Hij
499 bestellen: (Des Roches vertaalt door: régler, arranger) schikken
501 al: heel
stookt: aanstookt, opruit
503 karoot: kroot, biet; in Zuid-Nederland ook: peen
peen: gele of rode wortel
pastenaken: pastina(a)k, witte wortel
507 peyst (op): denkt (aan)
lijf: lichaam
kleven: kracht, stevigheid geven (cfr. aan de ribben kleven: goeddoen)
508 vergenoegen: vergenoeging, genoegen, bevrediging
509 Men siet nu niet meer in: men houdt tegenwoordig geen rekening meer met
stam: afstamming
510 leckernij: lust tot iets lekkers, snoeplust
514 hoort ... op: staat ... erover verbaasd, hoort ... met verwondering toe
bedien = bedieden: duidelijk maken
515 gesteltenis: gesteldheid, toestand
sijn geseten: zich bevinden
516 van desen avont: vanavond
|
[p. 40]
-
- Verbrande schoenen-leer! 't Scheen mij een hol te wesen
- 520
- Waer in de toveraers en kollen t'samen lesen 520
- Vulcanus jaergetij. Den meester, van 't gesin, 520-1
- Lijkt doctor Faustus wel, met sijnen scherpen kin, 522
- Schreep aenschijn, hol gesicht, en ingevalle kaken.... 523
- Dit hatelijck vertoogh bedwong me schier te braken, 524
- 525
- Mijn herte draeyde, als een topie voor 't klesioor. 525
- Maer stellen wij dit al, aen keyser Carel voor,
- En sien wij of de lust hem niet en sal ontbreken,
- Van sigh, om een kappoen, in sulk een kot te steken. 528
- Navolgens ik hem ken, is hij van sulk een aert, 529
- 530
- Dat hem niet tegensteekt, becommert, nogh beswaert, 530
- Wanneer hij, om de clucht, een voorval heeft voor handen. 531
- 't Is soo gelegen met verhevene verstanden
- Als met de gulde son; sij daelt somwijlen neer
- Uyt haeren middagh in een nevelachtigh weer. 534
- 535
- Soo sal den vorst misschien van daegh sijn grootheyt staken, 535
- Om aen een lappers disch sigh selven te vermaken.
|
520 kollen: heksen
t'samen: tezamen
520-1 lesen Vulcanus jaergetij: in de rooms-katholieke liturgie betekent ‘het jaargetijde lezen’ de mis opdragen op de verjaardag van de overledene; hier: het jaargetijde (de gedachtenis, het feest) van Vulcanus (de god van het vuur) vieren
522 doctor Faustus: volgens de sage een geleerde en tovenaar die zijn ziel aan de duivel verkocht had
524 hatelijck: weerzin opwekkende
vertoogh: aanblik
bedwong: dwong
525 topie: tol (cfr. het Franse: toupie)
klesioor: zweep, koord (Zuidnederlands kletsoor, klasjoor uit Picardisch clachoire, van clacher, Fr. claquer).
530 niet: niets
tegensteekt: tegenstaat
531 om de clucht: voor de grap
voor handen: in het vooruitzicht
534 middagh: volle (middag)glans
535 sijn grootheyt staken: zijn keizerlijke waardigheid afleggen
|
|
|