[p. 41]
+
|
+ (1) in 't beslag van de knechten. (2) op de weg naer huys. (3) doch 't voorstel van vier potten Wijns aen Taefel gestelt. (4) daernaer. (5) cleen (6) dikwijls. (7) hij. (8) Soo dat het mager dier, ick seg de bleecke doot (9) dorpel. (10) onmogelijck te. (11) plaesters.
|
Derde bedrijf
- Joren claegt over de smerten van sijne liefde. Maey (1) is in beslagh met haere kokerij; den Keyser met Ambroos, op (2) weegh, naer Teunis. Hij wort ingelaten, en qualijk aengesproken, (3) dogh geraekt endelijk aen tafel. Sijne gasten slapigh geworden sijnde, hij vertreckt. Joren spot met den droncken Kosen en wort (4) ook gevat. 41
-
- Joren (alleen)
- Een elsen is seer fijn, en geeft een cleenen (5) steek, 537
- Maer dikwils (6) volgen daer veel qualen op; dit bleek
- Aen mijnen macker Klaes, wien, soo hij schoenen lapte, 539
- 540
- In 't steken door de sool den elsen soo ontsnapte,
- Dat sij (7), ter sijden af, dwers door sijn vinger schoot;
- (8) Waer een soo swaer geswel op volghde, dat de doot
- Tot op den durpel (9) quam, om hem in 't graf te steken 543
- Och! een veel minder scherp heeft mijne borst doorsteken 544
- 545
- Soo hevigh en soo fel, dat geene smert, nogh pijn
- Van onsen Klaes, daer bij can vergeleken sijn:
- Een smert een pijn soo groot, soo (10) moeyelijk om stelpen 547
- Dat geen aptekers salf nogh plaester (11) mij can helpen 548
|
41 [bladzijde 41]
in beslagh: bezig
qualijk: boos
gasten: tafelgenoten
gevat: dronken
544 minder: kleiner
scherp: scherpe punt van een wapen, het wapen zelf
548 plaester: pleister, heelmiddel
|
[p. 42]
-
- +
- 'k Dacht in 't begin, dat dien ervaren meester Jan, 549
- 550
- Die, soo men seght, uyt 't graf, half doode trecken can,
- En, door wiens wondre (1) konst, mijn macker wiert genesen,
- Ook wel, met papperij, mijn qualen af sou lesen: 552
- Dies gingh ik hem te raed. Eerst tastte hij mijn hant; 553
- Dan vraegd' (2) hij: heb je pijn in keel of ingewant?
- 555
- Of schort het in de zij, of lenden (3), of gewrichten?
- Of hebt gij u misschien t'Antwerpen, met de nichten, 556
- Der Lepelstraet vervuylt (4)? Ick (5) wiert, op dese vraegh 557
- Tot achter d'ooren root, en sey hem neen... Wat plaegh,
- Sprak hij dan wederom, magh u soodaenigh quellen?...
- 560
- Hoe voelt gij meerder (6) wee, al liggen, sitten, hellen, 560
- Of staen?... Wanneer?... bij daegh (7)?... bij nacht (8)?... waer sit de smert?
- Toon (9) met de hant... Ick ley (10) de sijn', recht op mijn hert, 562
- En riep: daer meester Jan... Hij trok mijn wambays open, 563
- Hij sagh, hij tastte, en douw, al schreeuwen; g'hebt gesopen 564
- 565
- Geloov' (11) ik, Joren, of ge (12) sijt verdrayt van kop... 565
- Hier onder streek hij eens sijn spaensche knevels op, 566
- En vraegde hoe mij eerst de (13) pijn had overvallen?... 567
- Ick wederom: 't is nu een jaer, dat ik al mallen 568
- Met onse Jaquelijn, van haer, een oogslagh kreegh, 569
- 570
- En (14) zint dien oogenblik was (15) ik noyt op mijn deegh. 570
- 'k Had nauwelijx Jaqlijn en oogslagh uytgesproken,
- Of pik (16) en swavel scheen in sijn gesicht te koken; 572
- Waer op hij tierde: bruy van hier naer Jaquelijn 573
- Gij schobbejak, en vraegh van haer uw medecijn.
|
+ (1) wack're. (2) vraegde. (3) leeden. (4) vermaeckt. (5) 'k wierd op de selve. (6) meest de pijn. (7) nacht. (8) dag. (9) toont. (10) leyde sijn' recht. (11) geloof. (12) gij. (13) die. (14) Want s' in 't. (15) en wil nu noyt ter deegh. (16) Peck en Olye.
549 meester: heelmeester, dokter
552 papperij: zalven
af ... lesen: genezen door het lezen van een bezweringsformule
553 dies: daarom
ik (bij) hem
tastte ... mijn hant: voelde mijn pols
556 nichten: lichte meisjes
557 Lepelstraet: in de literatuur is herhaaldelijk sprake van de Lepelstraat te Antwerpen, waar de publieke vrouwen woonden
vervuylt: besmet
560 wee: pijn
al liggen ...: liggend ...
563 wambays: wambuis, jasje
564 douw; duwde
al schreeuwen: schreeuwend
565 verdrayt van kop: niet goed snik
566 hier onder: ondertussen
567 eerst: voor het eerst
568 al mallen: gekheid makend
569 oog slagh: (lieve) blik
570 sint: sinds
op mijn deegh: in mijn sas, in mijn schik (het WNT vermeldt de uitdrukkingen ‘deeg hebben = gezond zijn, in zijn doen zijn’ en ‘geen deeg hebben = niet tevreden zijn’)
|
[p. 43]
-
- +
- 575
- Dit buld'ren sloegh, gelijk een donder, in mijn ooren;
- Ick liep ten huysen uyt als voorts gejaegt met sporen;
- Het (1) docht mij dat't (2) geraemt', 't gen (3) in sijn winkel stont, 577
- Met al de dieren en gedrochten, die in 't ront,
- Van boven hingen, mij te saem, op d'hielen saten.
- 580
- Dus liep ick, sonder 't hooft te keeren, drij, vier straten,
- Nogh min nogh meer, dan eenen (4) hont, wien aen de steert 581
- Een fles gebonden is: noyt was ik soo verveert. 582
- In die benautheyt quam ik aen den hoek gelopen,
- Waer Cupido, gheel naekt stelt al sijn dingen open, 584
- 585
- En, sonder stilstant (5), streult (6) als of hij, met dat vocht, 585
- Vercoelen wou den brant, van ieders (7) liefde-tocht. 586
- Dan dacht ik, of dat wicht ook, niet sijn heete voncken 587
- In mij geschoten had, met Jaquelijnes loncken;
- Dies ley ik muyl aen boort, en soop soo veel ik kon 589
- 590
- Van 't water, dat hij stort, uyt sijne coele bron:
- Maer ach! ick hadde schoon te suypen of (8) te drincken
- Den brant bleef, aen het hert, en wou van daer niet sincken,
- Waer over ik besloot te sien, of meester Jan 593
- Mij wel geraden had; soo veele was daer van, 594
- 595
- Dat, hoe ik Jaquelijn quam naerder (9) bij getreden, 595
- Hoe meerder pijn, en smert ontstak, in geest (10) en leden;
- Want, sagh sij soet door vreught was 't herte weghgerukt; 597
- En, sagh sij suer, het wiert door wanhoop onderdrukt (11)...
- Och! beter hadden dan tien elssens mij doosteken,
- 600
- Als eens, van Jaquelijn, aldus te sijn bekeken. 600
-
- Maey (van binnen)
- Hou (12), Joren, Jaquelijn, Teun, Kosen... niemant niet?... 601
|
+ (1) Mij docht dat. (2) 't hol geraemt. (3) dat. (4) een. (5) stilstaen. (6) stroelt. (7) iders. (8) en. (9) nader. (10) heel mijn. (11) g'heel verdruckt. (12) Kom.
577 docht: leek
't gen: hetgeen, dat
581 nogh min nogh meer, dan: net als
584 Cupido: minnegod; Joren ziet het Brusselse Manneke Pis als een cupido stelt al sijn dingen open: zijn geslacht toont
586 liefde-tocht: liefdesverlangen
587 dacht: vroeg me af
dat wicht: Cupido die zijn (vuur) pijlen (heete voncken) schiet naar wie hij wil verliefd maken
589 dies: daarom
leg ik muyl aen boort: legde, zette ik mijn mond aan de rand (van de fontein)
593 waer over: waarom, om welke reden
594 wel geraden: goede raad gegeven
soo veele was daer van: in zoverre was dat juist
595 hoe ik ... getreden: hoe dichter ik bij J. kwam
597 sagh sij soet ... weghgerukt: keek zij vriendelijk, dan werd het hart me van vreugde op hol gebracht
601 hou: hee!
niemant niet: (is daar) niemand
|
[p. 44]
-
- +
- De drommel hael het volk; niet een die omme siet. 602
-
- (uytcomende) (1)
-
- Als alles is gereet elk comt seer vlijtigh eeten,
- Maer niemant, die eens sorgt, naer potten, pannen, speeten. 604
- 605
- ...Hoe, Joren, sijt gij daer? (2) 605
-
- Joren
- Can ik u dienen vrou?
-
- Maey
- Com, dekt de tafel... tapt wat bier... besorgt de schouw 606
- Van branthout... Draeyt het spit... Sa ras, snijd (3) roode kolen...
- Loop... vliegh...
-
- Joren
- Wat doe ik eerst? (4)
-
- Maey
- Het gen (5) u is bevolen.
-
- Joren
- Al had ik dobbel lijf, en handen seven paer,
- 610
- Hoe wilt gij, dat ik dit volbrenge al (6) te gaer? 610
-
- Maey
- Wie seght u al te gaer? Eerst 't een, en dan weer 't ander...
- Com, volgh... (7) daer slaet het ses... Ras, helpen wij malckander
-
- (binnen)
-
|
+ (1) uytcommende. (2) aen Joren. (3) snij. (4) 't eerste. (5) geen. (6) allegaer. (7) mij slechs maer naer en helpen.
602 omme siet: zich om iets bekommert
604 sorgt naer: zorgt voor
610 al te gaer: alles te zamen, tegelijkertijd
|
[p. 45]
+
-
- (1) Keyser. Ambroos
- Uw soete boerterij behaegt mij soo, Ambroos, 613
- Dat ik u, om (2) de klucht, uyt gheel het hof, verkoos; 614
- 615
- Ik moet mij heden, op sijn lappers, wat vermaken.
-
- Ambroos
- Uw (3) wachten sullen, aen den hoek der strate, waken
- Gereet, tot uwen dienst, in allerley gevaer.
-
- Keyser
- Ick ken hun (4) trouwigheyt, en goede sorgen (5); maer
- Die sijn in dese stadt mij noodigh, slechts tot luyster,
- 620
- Niet tot bewarenis: in 't klaer of in het duyster, 620
- Met wacht, of sonder, 'k vind mij seker overal. 621
- Een vorst, die liefde (6) voedt, en vreest geen ongeval, 622
- Elk onderdaen is als een borghe, voor sijn leven:
- Den troon, waerop mij Godts genade heeft verheven, (7)
- 625
- Vermogen, rijkdom, pracht, staet, glory, majesteyt
- Vernoegt mijn ziele min, dan dese sekerheyt, 626
- Van d'ondersatens trou: gerust, en, sonder wapen, 627
- Sou ik in d'armen van den minsten borgher slapen. 628
- Ook ben ik hen (8) soo lief, dat mij een ieder (9), niet
- 630
- Als vorst en keyser, maer als sijnen vaer aensiet.
- Maer segh, wat dunkt u van dees (10) à la mode kleeren? 631
|
+ (1) Keyser Carel uyt met Ambroos. (2) in. (3) u. (4) u. (5) sorge. (6) vrede. (7) Hierna komen volgende verzen, die in het handschrift ontbreken:
- Het goud dat Oost en West laet sacken in mijn schoot,
- De wijd berichte macht van mijne Oorlogsvloot,
- De fiere Leger cracht voor die de Ketters beven,
- En die den Sultan self van Weenen heeft gedreven.
[bladzijde 45, noot 7]
berichte (= beruchte): befaamde
voor die: waarvoor
(8) hun. (9) ider. (10) die.
613 soete: vriendelijke, zachte
boerterij: humor
614 om de klucht: met het oog op de vermakelijkheid
620 bewarenis: bewaking, bescherming
in 't klaer: bij klare dag
622 voedt: koestert (voor; of misschien liever: voedt bij zijn onderdanen, d.i. tot liefde inspireert)
en: ontkenning (met: geen)
627 d'ondersatens trou: trouw van de onderdanen
631 à la mode kleeren: hier wel ironisch bedoeld: bij deze gelegenheid passende kleren
|
[p. 46]
+
-
- Ambroos
- Mijn vorst, gij sijt gelijk een van die groote heeren,
- Die in het lant van Waes, de diensten doen van schout 633
- Of boer balliuw. 634
-
- Keyser
- 't Is waer, Ambroos, maer segh mij, soudt
- 635
- Gij ook wel racker sijn? want als ik schout wou wesen, 635
- Denk, gij mij dienen moet, gelijk gij dee (1) voor desen. 636
-
- Ambroos
- Seer geiren (2), heer, daer toe heb' ik all' eygendom; 637
- Ick heb een bakhuys stijf als marmer; krom en slom 638
- Staen mijne vingeren: ik loop gelijk een (3) hase.
- 640
- Ick sie gelijk een valk: 'k ontsie (4) nogh slijk nogh wase: 640
- Ey, laet mij, om de proef, eens uwen racker sijn;
- Dan siet gij peerden in arreste, bij dosijn. 642
-
- Keyser
- Per (5) naesten; gaen wij eerst dat vet kappoen besoecken 643
-
- (Joren en Kosen uyt (6), geladen met kruycken, vol bier. Keyser Carel en Ambroos ter sijden.)
-
-
- Ambroos
- Sie daer twee gasten soo gelaen, dat hunne broecken 644
|
+ (1) ded'. (2) geerne. (3) de Haesen. (4) en kan geweldig blaesen. (5) Daer naer. (6) uytcommende.
633 schout: hoofd van het gerecht en de politie
634 balliuw: baljuw, ambtenaar met de rechtspraak in een zekere landstreek belast (boer balliuw: een boer die tegelijk het baljuwschap uitoefent)
635 racker: dienaar (van de schout)
636 denk, gij: bedenk, hou voor ogen dat gij
voor desen: voordien, vroeger
637 geiren: graag
all'eygendom: iedere eigenschap
638 bakhuys: gezicht
slom: scheef (de uitdrukking krom en slom bestaat nog in de streektaal)
640 ontsie: vrees
wase: modder (cfr. Frans vase)
642 arreste: beslaglegging; dan ... in arreste: dan ziet gij paarden in beslag nemen
643 per naesten: bij de eerstvolgende gelegenheid
|
[p. 47]
-
- +
- 645
- Van 't dragen kraken... Hoey!... sy stincken van (1) 't out leer...
- 't Is van dat (2) volk, met wie gij eeten gaet, mijn heer.
-
- Keyser
- Stil, luystren wij, Ambroos... 647
-
- (sij rusten en besien de kannen)
-
-
- Kosen
- Wat segh ie van die pullen?...
- Och! Joren! niemant weet, hoe brave wij gaen smullen... 648
- Gantsbloet! elk houdt voor 't minst een vaen. 649
-
- Joren
- Die is voor mij
- 650
- En dese voor den baes.
-
- Kosen
- Voor Kosen?
-
- Joren
- Wel, sijt gij
- Den baes, gij lompert (3)?... 651
-
- Kosen
- Ick verstont u qualijk, Joren.
-
- Joren
- Ick weet, men magh er vrij een koppel aen ien ooren 652
|
+ (1) naer. (2) het (3) lompen Kosen.
647 sij: Kosen en Joren
ie: je
pullen: bierkannen
649 gantsbloet: bastaardvloek (Gods bloed)
elk houdt: iedere (pul) bevat
vaan: maat voor drank (inz. bier) (1 vaan = 2 stopen = 4 mengelen of mingelen = 8 pinten = ± 5 liter)
652 magh: kan
vrij: gerust
ien: je
|
[p. 48]
-
- +
- Vast maken; want daer is geen bierbalgh in het lant 653
- Als d'uwe. 'k Wed, gij wel een viertien (1) op sijn kant, 654
- 655
- Soudt stellen (2). 654-5 655
-
- Kosen
- Met besprek van toebak ende pijpen?
-
- Joren
- Al schoonties ick en laet mijn neus (3) alsoo niet knijpen, 656
- Wij kennen u wel vrient. 657
-
- Kosen
- Wel? moogh ie (4) dan niet sien,
- Dat ick een potien drink? 658
-
- Joren
- Een potien? spreek van tien,
- Dan (5) sit ge nogh soo koel, als eenen nuchtren reeuwer. 659
-
- Kosen
- 660
- Sa (6), Joren, is 't maer (7) dat? ie sijt een rechten schreeuwer. 660
-
- Joren
- Nu, hou (8) ie smoul, en drink van daegh, soo veel ie (9) wilt. 661
-
- Kosen (de kan (10) omhelsende)
- O mijne vreugt! mijn troost! mijn lust! mijn hoop!... 662
-
- Ambroos (11)
- Wat brilt
|
+ (1) quartien. (2) leggen. (3) neuse soo. (4) mocht gij. (5) Dat siet noch soo koel als eenen nuchtren reeuwer. (6) Jae. (7) waer. (8) houd u. (9) gij. (10) omhelsende de kanne. (11) (stil).
654 een viertien: viertje. De editie van 1718 vermeldt ‘quartien’ (= kwartje). Een kwartje is een kwart anker en een anker is 38,8 liter
654-5 op sijn kant ... stellen: leegdrinken (cfr. in het Frans: mettre la bouteille sur Ie côté = la vider)
655 met besprek van: met inbegrip van, met, de belofte van, op voorwaarde van (te geven)
656 al schoonties (= schoontjes): (het is) al goed
ick en laet ... knijpen: ik laat me niet afzetten (WNT: iemand in de neus knijpen = hem benadelen, in de nek zien)
659 koel: nuchter
reeuwer: lijkbidder
660 rechten: echte (nog in het Westhoekse dialect)
662 brilt: zanikt, kletst
|
[p. 49]
-
- +
- Ons desen slobberaer (1)?... 663
-
- Keyser
- Ambroos, sluyt uwe kaken.
-
- Kosen
- Mijn lief, mijn toeverlaet, mijn opperste vermaken.
-
- Joren
- 665
- Bemin (2) ie dan de pul nogh meer, als Jaquelijn?
-
- Kosen
- Wien? uw (3) aenstaende bruyt?
-
- Joren
- Aenstaende bruyt van mijn?
- Gij jokt (4), sij mint u meer dan haere beste krage. 667
-
- Kosen
- Is 't meuglijk (5)! sou se mij soo groote liefde drage'?
-
- Joren
- Het is om u, dat sij bij dagh en nachte sucht.
-
- Kosen
- 670
- Om mij? 670
-
- Joren
- Om u.
|
+ (1) stobberaer. (2) Bemint gij. (3) uwe. (4) sot. (5) mogelijck.
667 jokt: schertst
krage: zie 81
670 genucht: een genoegen
|
[p. 50]
+
-
- Kosen
- O (1) maet! wat doet gij mij genucht!
-
- Joren (2)
- Om u... (aen 't volk (3)) Want om u is 't dat Teunis haer comt quellen.
-
- Kosen
- Och liefste Jaquelijn! wilt u niet meer ontstellen
- Om mijnentwil, gij sijt versekert van mijn trouw.
-
- Joren
- Maer, Kosen, soo gij haer wilt hebben, tot uw vrou,
- 675
- Gij moogt (4) voortaen nogh bier nogh brandewijnties drincken.
-
- Keyser (5)
- Dat is een rechten snaek.
-
- Kosen
- Waerom?
-
- Joren
- Sij can het stincken
- Van geenen stercken drank verdragen; voegt daer bij
- Den toebak.
-
- Kosen
- Toebak ook? dat (6) 's al mijn leckernij
- Hoe sal ik, sonder bier, en toebak, connen leven?
|
+ (1) Och. (2) (stil). (3) ontbreekt. (4) mocht. (5) (stil). (6) dat is mijn.
|
[p. 51]
+
-
- Joren
- 680
- Begeert gij Jaquelijn, gij moet dit al opgeven. 680
- Soudt gij, om soo een meyt, niet willen afstant doen
- Van dese lussies (1)?... Segh... gij sijt een rechten (2) loen. 682
- Bijgommen, kost ik haer, soo veel als gij, believen, 683
- Ick sou mij t'haerder min van t'onbijt (3) self ontrieven. 684
-
- Kosen
- 685
- Van 't onbijt (4)?... 685
-
- Keyser (stil)
- Sulk een spook sagh ik mijn leven niet.
-
- Kosen
- Van 't onbijt, Joren? stil... 686
-
- Joren
- Ja, en daer nevens liet
- Ik haer altijt, voor uyt, d'helft eeten van de soppen. 687
-
- Jaqlijn (al luystren uyt) (5)
-
-
- Kosen
- 'k Bemin Jaqlijne wel, maer moet mijn darmen proppen 688
- Want anders valt mijn min (6) geheel in d'oude schoen. 689
-
- Jaqlijn (7)
- 690
- 't Is wel gij droncke-neus, gij laffaert (8), gij kappoen,
- Com weer, ik sal u naer de pijp en 't glaesie stieren. 691
|
+ (1) lustjens. (2) rechte. (3) ontbijt. (4) Neen, neen. (5) ontbreekt. (6) moet. (7) hier op uyt. (8) luyfter.
682 lussies (= lustjes): pleziertjes
loen: lomperd
683 bijgommen: zie 115
kost: kon
believen: behagen
684 t'haerder min: voor haar liefde
self: zelfs
ontrieven van: ontzeggen
685 spook: lelijkerd (bedoeld is Kosen)
686 stil: zwijg daarvan
daer nevens: bovendien
687 soppen: De Bo, Westvlaamsch Idioticon: ‘een kooksel van brood met porei, rapen of andere groensels met water, tot voedsel van geringe lieden; [...] in dezen zin is het meest mv. [...]. Zoppe is arme kost, soepe komt op treffelijke tafels’ al luystren uyt: luisterend op (het toneel)
689 valt ... in d'oude schoen: komt ... terecht bij wat versleten is, bij wat weinig waarde heeft (cfr. iemand achten als een oude schoen; iemands oude schoen(en) = de vrouw die iemands minnares is geweest)
|
[p. 52]
+
-
- Ambroos (1) (aen den Keyser)
- Daer is 't juweel.
-
- Kosen
- Mijn lief...
-
- Jaquelijn
- Wegh vrijer van de bieren...
-
- Kosen
- Ey, sijt niet quaet.
-
- Jaqlijn
- Van hier... licht dese pullen op...
- Helpt Joren, vaeyer wort door dorst (2) gheel los van kop... 694
-
- Joren
- 695
- Ras Kosen. 695
-
- Kosen
- Jaquelijn, sijt gij nogh gram op Kosen?
-
- Jaquelijn
- Dat Kosen brandewijn en Mechels bier gaet hosen, 696
- Soo lange tot het (3) hem sijn blaeuwe neus uytloopt. 697
-
- Kosen
- Maer liefste...
|
+ (1) altijt stil aen den Keyser. (2) heel. (3) dat 't.
694 gheel los van kop: geheel gek
696 hosen: scheppen; vandaar ook: drinken, zwelgen
697 blaeuwe: blauwe kleur door de alcohol
|
[p. 53]
+
-
- Jaqlijn
- Swijgh (1) segh ik, eer (2) mijne gal meer (3) kookt.
-
- Joren
- g'Hebt ongelijk, ge sult haer galle (4) meer ontsteken 699
-
- Jaqlijn
- 700
- Daer tonnestrijcker, draegh, dat u de beenen breken. 700
-
- (binnen)
-
-
- (Den Keyser en Ambroos lacchen)
-
- Neen in gheel Brussel is geen sulcke Jacquelijn
-
- Ambroos
- Mijn darmen splijten. 702
-
- Keyser
- Volgh: 't vertoeven doet mij pijn;
- Ick moet dat schoon gesin eens t'samen hooren prate' (5) 703
- Waer woonen sij Ambroos? 704
-
- Ambroos
- Hier in de naeste strate.
-
- (binnen)
-
-
- Binnen (6) gordijnen open; vertoogh van den kelder. (7)
-
-
- Teun, Joren, Kosen
- 705
- Soo! wellecom die brengt... is 't van een volle ton.
|
+ (1) swijg stil. (2) eer dat mijn. (3) weer. (4) gramschap. (5) praeten (6) ontbreekt. (7) Joren, Kosen commen in met het bier.
699 g'Hebt ongelijk ...: Joren zegt dit tot Kosen
700 tonnestrijcker: drinkebroer
702 vertoeven: dralen, wachten
704 vertoogh; tafereel, decor
|
[p. 54]
+
-
- Joren
- Jae 't meester.
-
- Teun
- Schenk, laet sien... 't is claer gelijk de son... (1)
- Het smaekt spijt spaensche wijn... Comt, Jaquelijne... Maeye... 707
- Waer sijt gij?... Brengt de spijs, gij doet mijn herte draeye'
- Met wachten.
-
- Maey (van binnen)
- Hebt gij haest loopt voren....
-
- Teun
- Wat gedult
- 710
- Heeft eenen man van doen met soo een wijf... Gij sult 710
- U haesten, of ick sal het selver comen (2) halen.
-
- Jaqlijn (3)
- Daer is salaey...
-
- Teun
- Dat 's wel; sit aen (4), niet langh te dralen,
- Roep moêr.
-
- Jaqlijn
- Sij comt terstont, begint maer vaeyer...
-
- (Men klopt)
-
-
- Joren
- Sacht
- Ick hoore kloppen baes.
|
+ (1) Hij drinckt. (2) commen. (3) uytcommende. (4) sit bij.
707 spijt: evengoed als; nog beter dan (?)
|
[p. 55]
+
-
- Teun
- Men lapt geen schoen bij nacht:
- 715
- Laet kloppen... Is de deur (1) te degen (2) toegesloten? 715
-
- Joren
- Jae 's (3) en gegrendelt. 716
-
- Teun
- Goet...
-
- (Men klopt stercker)
-
- Wat... sijn dat esel-pooten?
- Sij stampen om de deur te breken... Joren siet
- Wie daer is. 718
-
- Joren
- 'k Wou dat hij bij 't hooft hingh tusschen 't spriet
- Aen d'oude haven-poort... Wie daer?... Wie daer?...
-
- Keyser (van buyten)
- Doet open...
-
- Kosen
- 720
- Ick wenschte dat dien guyt van gister waer versopen. 720
-
- Keyser (incomende (4) Ambroos ter sijden.)
- Och meester, set me (5) togh een lap op dese leers,
- 'k Ben natschoey (6) 722
|
+ (1) deure. (2) ter degen. (3) Jae en (4) uytcommende. (5) mij. (6) nat voet
718 spriet: gevorkte staak (als straftuig)
722 natschoey: ik heb natte voeten (doordat mijn schoenen stuk zijn)
brillen: kwellen, storen
bij de keers: bij avond
|
[p. 56]
+
-
- Teun
- Wat comt gij ons brillen bij de keers?
- Het is nu buyten tijdt, om leerssen te vermaken. 723
-
- Keyser
- Ick soude mergen (1) vroegh nogh geeren (2) t'Alst geraken, 724
- 725
- Ick bid's u, help (3) mij, 'k geev'u, wat gij vraegt, tot loon. 725
-
- Joren (stil)
- De drommel sla de vent. 726
-
- Teun
- Uw (4) gelt, nogh uw (4) persoon
- Nogh Alst, nogh reys, nogh wat gij vorder (5) weet te seggen, 727
- Sal desen avont mijn servette neer doen leggen;
- Bruy met uw leerssen heen.... 729
-
- Kosen
- Soo baes, dat 's wel geseyt.
-
- Joren
- 730
- Of (6) soo gij 't minste nogh daer tegen wederleyt... 730
-
- Keyser
- Och vrienden, 't is mij leet dat ik u (7) come (8) stooren
- Maer seker 't is uyt noot.
|
+ (1) morgen. (2) geirne. (2) 'k geef u al wat gij wilt tot loon. (4) u. (5) breeder. (6) En. (7) uw. (8) comme.
724 mergen: morgen
geeren: graag
t'Alst: in Aalst
725 ick bid's u: ik bid u erom
|
[p. 57]
+
-
- Teun
- Sa, drijf hem buyten, Joren.
-
- Keyser
- Ick bid's u. 733
-
- Joren
- Kreunt gij nogh gijn (1) kalen (2) Joncker? Sa
- Naer buyten, of...
-
- Keyser
- Waer wilt gij dat ik hene (3) ga?
-
- Teun
- 735
- Ga voor den hagel... 735
-
- Kosen
- Voor den regen en de winden....
-
- Ambroos
- Is dat de sausse (4) van dat schoon kappoen?
-
- Keyser
- Maer vrinden (5)
- En sijt soo hevigh niet. Soo u den honger quelt 737
- Ick sal vertoeven: eet, en sijt soo niet ontstelt; 738
- Of soo gij mij als vrient aen tafel wilt gehengen, 739
- 740
- Ick sal voor mijn gelach tien (6) potten wijn (7) doen brengen 740
-
- (8) (Sij staen alle op van tafel)
-
|
+ (1) gij. (2) kaele. (3) henen. (4) cansse. (5) vrienden. (6) vier (7) wijn: (8) alle staen zij van Tafel op en vliegen den Keyser toe.
733 kreunen: klagen, jammeren
gijn: gij
sa: komaan
735 ga voor den hagel: loop naar de bliksem (voor de hagel is een verwensing; cfr. voor de donder, voor de bliksem)
737 en: ontkenning (bij niet)
hevigh: driftig, opvliegend
738 vertoeven: wachten
ontstelt: ontstemd
740 gelach: gelag, vertering
|
[p. 58]
+
-
- Teun
- Waer sijt gij, Maey, Jaqlijn, comt voort... wat seght mijn heer? 741
-
- Keyser
- Ick geef tien (1) potten wijn (2), is 't dat ik bij u neer
- Magh sitten.
-
- Teun
- Sa (3), mijn heer, gij doet ons groote eere.
-
- Ambroos
- Hoe ras doet die beloft de lappers gramschap keere'!
-
- Maey en Jaqlijn (4)
- 745
- Weest wellecom, mijn (5) heer.... 745
-
- Teunis
- Ruymt jongens, ruymt (6), maekt (7) plaets.
-
- Joren
- Het kijven is nu uyt.
-
- Kosen
- Wij sijn de beste maets
- Van Brussel.
-
- Ambroos
- Groote maets, soo groot als olyphanten:
- Wat heeft den Keyser daer eelmoedige trouwanten! 748
|
+ (1) vier. (2) wijns. (3) Jae. (4) te samen. (5) Heer schout. (6) ontbreekt. (7) hem.
741 voort: te voorschijn, nader
745 ruymt: ruim op; of: maak plaats
748 trouwanten; dienaars, gezellen
|
[p. 59]
+
-
- Teun
- Com heerschop, set u neer aen mijne groene zij; 749
- 750
- Gij Maey te (1) rechter hant. 750
-
- Keyser
- Benaut u niet, voor mij,
- 'k Ben wel. 751
-
- Ambroos
- Ja ruym soo wel als in een kuypers (2) setel;
- 't Is puer als of hij waer geseten op een ketel. 752
-
- Teun
- Jaqlijn, geef (3) een servet.
-
- Ambroos (altijt ter zijden)
- 't Is van dat fijn damast.
- Ten minsten brengt een bak dat hij sijn handen wast.
-
- Keyser
- 755
- Ey, maekt togh geen fatsoen; best vallen wij aen 't schaffen. 755
-
- Jaqlijn ('t kappoen brengende)
- Daer is het feest-stuk.
-
- Teun
- Soo, dat nu al d'honden blaffen,
- Dat op de kelder klop, die wilt (4), geen ooren meer. 757
|
+ (1) ter. (2) Conincks. (3) geeft. (4) wil.
749 heerschop: heerschap, heer
groene zij: linkerzijde
750 Benaut u niet: ga niet te dicht opeen zitten
751 'k Ben wel: 'k zit goed
kuypers setel: ton
755 fatsoen: drukte, omslag
schaffen: eten
757 geen ooren meer: (bevelend) er niet meer naar luisteren!
|
[p. 60]
+
-
- Ambroos
- 'k Sey dit soo wel als gij, sat ick bij heerschop neer. 758
-
- Keyser (gelt langende) (1)
- Siet meester; doet daer voor wijn naer uw (2) smake (3) halen.
-
- Teun
- 760
- Neem Kosen... 760
-
- Kosen
- Ik?... ja wel...
-
- Joren
- Du (4) Drijdarm van Westfalen...
- Geef baes; ik ga daer mee, hier naest, in d'halve maen. 761
-
- Teun
- Dat Fransien (5) ons gebuer tap uyt de (6) volle kraen, 762
- Seght dat 't voor mij is (7). 763
-
- Joren (8)
- Goet.
-
- Ambroos
- Wat brilt ons desen snapper (9)?
-
- Teun
- Ga Joren, segh aen Frans, het is voor Teun den lapper.
|
+ (1) gevende. (2) u. (3) smaeken. (4) gij. (5) Vrouwtjen. (6) een. (7) gaet. (8) ontbreekt. (9) clapper.
758 heerschop: (hoge) heren
langende: gevend
760 du: jij
drijdarm van Westfalen: V. Celen in de editie Onze bibliotheek IV, p. 39: ‘slokker; de Westfalen gingen door voor de grootste plomperds onder de Duitschers’; M.C.A. van der Heyden, in de Spectrum -editie, p. 309: ‘zuiplap (Westfalen is bekend om het bier)’; drijdarm = draaidarm, kronkeldarm, volvulus (kronkel in de darm), maar het woord zou ook een verbasterde vorm kunnen zijn: W. Ziesemer, Preuszisches Wörterbuch geeft de vorm dreidämel met als verklaring ‘Dummkopf’
761 in d'halve maen: naam van een herberg
762 Fransien: Fransje
gebuer: buurman
763 brilt: zanikt, kletst
snapper: zwetser
|
[p. 61]
+
-
- Maey (1)
- 765
- Wat dunkt u, heerschop van dat waesterlants (2) kappoen. 765
-
- Keyser
- Ick at (3) noyt beter. 766
-
- Kosen
- 't Is de feest van d'oude schoen.
-
- Ambroos
- Had ik mijn oude schoen, van daegh, meê aengetrocken, 767
- Misschien proefd' ick nu ook van dese lecker broeken.
-
- Keyser
- Jaqlijn een glaesie bier.
-
- Teun
- Soo heer, dat 's naer mijn sin...
- 770
- Wel, heeft 't wat smaeks (4)?... 770
-
- Keyser
- Gij siet, ik lap het suyver in.
-
- Ambroos
- Dit lijkt geen Keyser meer, maer eerder Teunis macker.
-
- Joren (incomende (5) met (6) den wijn)
- Daer is van 't beste vat. 772
|
+ (1) Joren binnen. (2) waeterlants. (3) sag. (4) smaeck. (5) incommende. (6) ontbreekt.
765 waesterlants: uit het Land van Waas
766 de feest van d'oude schoen: in die zin dat op vastenavond geen schoenen gelapt worden? Of duidt ‘d'oude schoen’ op de schoenlappers, waar nieuwe schoenen dan zouden verwijzen naar de schoenmakers (cfr. 793-794)? Of is de uitspraak van Kosen een zinspeling op het feit dat dank zij de oude schoenen (en de traktatie) van de bezoeker de avond extra feestelijk wordt (cfr. de reactie van Ambroos, 767)? Zie ook 842, waar Teun klinkt op de oude schoenen en de bezoeker
770 ik lap het ... in: ik giet het ... naar binnen
suyver: puur, helemaal
|
[p. 62]
+
-
- Teun
- Com Joren, schenk ons wacker
- In 't ronde... Sa, dat gaet op uw (1) gesontheyt, heer... 773
-
- Keyser
- Ervatten (2) wij dit, op uw welvaert, nogh een keer... 774
-
- Ambroos
- 775
- 'k Wou, dat dien feyaert (3) waer verkocht in 't lant van Kempen 775
- Ick leed nu geenen dorst terwijl, die lappers slempen.
-
- Teun
- Wat segh (4) ie van dien wijn? 777
-
- Keyser
- Gij hebt een leckre (5) tongh.
-
- Teun
- Dat is mij meer geseyt, mijn heer: ick was nogh jongh (6)
- En lapte met Paskier, compeer van Klaes den kuyper 779
- 780
- In welckers kelder ick al menigh stiller sluyper 780
- Gemaekt heb; ook kreegh ick daer kennis van den wijn.
-
- Keyser
- Gij dunkt mij, meester, van goey borgershuys te sijn. 782
|
+ (1) u. (2) Hervatten. (3) reckel. (4) segt gij. (5) lecker. (6) jonck.
773 dat (rondje) gaet ...
774 ervatten: herhalen
welvaert: welzijn
775 feyaert: (vei: Zuidnederlands voor vet) vetgemest dier
777 ie: je
leckre tongh: fijne tong, fijne smaak
780 sluyper: sluiptochtje, strooptochtje
782 borgershuys: burgermans afkomst
|
[p. 63]
+
-
- Teun
- Den hertoogh (1) Maxmiliaen is (2) van mijn vader lange 783
- Geschoeyt geweest; ook heb ik somtijds d'eer ontfange' 784
- 785
- Van Prins Philippus schoen te passen aen sijn voet. 785
- Maer als dien jongen vorst moest trecken, met'er spoet,
- Naer Spagnien, om van daer een spaensche vrou te halen,
- Mits niemand van ons huys kon (3) spaensche talen, 788
- Men liet ons achter, en men nam een vreemden (4) aen. 789
- 790
- Mijn vaeyer wiert hier door met droefheyt, soo bevaên, 790
- Dat hij 't bestierf (5), en liet, naer hem, vier jonge weesen. 791
- De tollen (6), om (7) die reys, dier (8) tijdt seer hoogh geresen, 792
- Die maekte (9) ons (10) soo aerm, dat ick schoenmakers soon,
- Tot lappen wiert gepraemt, en dat voor kleynen (11) loon. 793-4 794
- 795
- Men wilde mij als dan 't mosket in handen geven; 795
- Maer ick, die altijt had bemint het borger-leven (12)
- Was 't eerlijk van gemoet, om hant daer aen te slaen: 797
- Den edlen elsen stont mijn oogh veel schoonder aen. 798
-
- Ambroos
- Wat of (13) dien schoenlap sigh laet voorstaen. 799
-
- Keyser
- Eens gedroncken
- 800
- Eer gij vorder (14) gaet. 799-800 800
-
- Maey
- Ick rake (l5) wel aen 't roncken
- Soo dit nogh (16) lange duert.
|
+ (1) Hertog. (2) heeft. (3) kost. (4) vremde. (5) toen stierf. (6) Te queken. (7) en. (8) dien. (9) maecten. (10) dat ick doen arm. (11) cleenen. (12) borgers-leven. (13) dan. (l4) voorder. (15) raeckte. (16) ontbreekt.
783 hertoogh Maxmiliaen: Maximiliaan I (1459-1519), aartshertog van Oostenrijk, werd ten gevolge van zijn huwelijk met de jong gestorven Maria van Bourgondië - dochter van Karel de Stoute - voogd en regent van de Nederlanden. In 1493 volgde hij zijn vader op als keizer van het Duitse Rijk. Karel V was zijn kleinzoon
784 geschoeyt: van schoenen voorzien
785 Prins Philippus: Filips II (1527 - 1598), koning van Spanje, zoon van Karel V. Tijdens zijn regering zouden de Nederlanden in opstand komen en de Verenigde Provinciën hun onafhankelijkheid verwerven
788 mits: omdat
kon: kende
789 achter: in de steek
nam een vreemden (schoenmaker) aen: nam ... in dienst
790 bevaên (= bevangen): vervuld
791 liet naer hem: liet achter bij zijn dood
792 tollen: belastingen
om die reys: omwille van, ten gevolge van die reis (naar Spanje)
dier tijdt: toentertijd
793-4 een schoenlapper stond blijkbaar minder in aanzien en had ook een lager inkomen dan een schoenmaker
795 mosket: musket, vuurwapen; men wilde ... geven: men wilde me musketier, soldaat maken
797 eerlijk: rechtschapen, fatsoenlijk
om hant daar aen (= aan het musket) te slaen: om dat (d.i. het militaire leven) aan te vatten
799 sigh laet voorstaen: zich (wel) inbeeldt
799-800 Eens ... gaet: laten we eens drinken, voor je verder vertelt
800 roncken: snorken, slapen
|
[p. 64]
+
-
- Ambroos
- En ick verstik van dorst.
-
- Joren
- Soo, Kosen, kloestert (1) wel ien (2) oude coude borst. 802
-
- Kosen (aen den Keyser)
- Ick breng 't ie (3) speciael 803
-
- Ambroos
- Wel speciael van 't bakhuys!
- Och! moet dien schoonen wijn gaen (4) in dat stinckend bakhuys?... 804
-
- Keyser (aen Kosen)
- 805
- Sa Kosen, 'k groet (5) u weer
-
- Jaqlijn
- Mijn heere den balliuw...
-
- Ambroos
- Heb ik 't niet wel geseyt? 806
-
- Jaqlijn
- Mijn moeyer brengt (6) het u.
-
- Keyser
- Ick brenge (7) 't moeyer weer. 807
|
+ (1) cloester. (2) u. (3) u. (4) ontbreekt. (5) 't gaet uw. (6) bringe 't u. (7) bringe.
802 kloestert: koester, vertroetel
ien: je
803 Ick breng 't ie: ik drink je toe, op je gezondheid
speciael: goede vriend, vriendlief
806 Heb ... geseyt: een verwijzing naar 632-634
807 Ick ... weer: ik drink op mijn beurt (je) moeder toe
met open monde: met volle overtuiging, volmondig
|
[p. 65]
+
-
- Teun
- Sa, sa, met open monde...
-
- Joren
- In uw goe gratie, heer. 808
-
- Teun
- Men drink nogh eens in t' ronde.
-
- Keyser
- Met uwen oorlof, baes, 'k versoeke (1) dat Jaqlijn (2) 809
- 810
- Uw dochter, drincken magh met mij, een glaesie wijn...
- Ick breng 't u Jaquelijn.
-
- Jaqlijn
- Godt segen ie (3) mijn heere.
-
- Maey
- Gij botte moet gij u (4) soo voor de lieden keere' (5)? 812
-
- Ambroos
- Wat dat de swerte (6) kauw (7) de bonte kraey (8) verwijt... 813
-
- Kosen (een glas voor Joren nemende) (9)
- Ick blaes u Joren. 814
-
- Joren
- 'k Blaes u mee op sijnen (10) tijdt.
|
+ (1) versoeck. (2) Jaquelijn. (3) u. (4) uw. (5) keeren. (6) swarte. (7) schouw. (8) raef. (9) ontbreekt. (10) mijnen.
808 In uw goe gratie: op uw vriendschap (bonnes grâces = bienveillance ou amitié d'une personne à l'égard d'une autre)
812 botte: domoor
u soo voor de lieden keere': u zo tegenover de mensen gedragen
813 Wat ... verwijt: te begrijpen als: Wat wil de pot de ketel verwijten dat hij zwart ziet
814 Ick blaes u: blaesen betekende in gemeenzame taal ‘drinken’, maar ook, als uitdrukking aan het damspel ontleend, ‘iets wegkapen, voor de neus wegnemen’ (E. Littré, Dictionnaire de la langue française: souffler une dame, l'ôter à son adversaire [...]. On dit aussi: souffler le joueur même [...]; je vous souffle. Fig. et familièrement: souffler quelque chose à quelqu'un, le lui enlever, le lui dérober). blaesen is hier dan te omschrijven als ‘iemands glas voor zijn neus leegdrinken’ (nemende in de voorgaande regel betekent dan ‘wegnemende’)
mee: ook
|
[p. 66]
+
-
- Ambroos
- 815
- Wat drommel sou ik niet een glaesie connen blasen,
- Soo wel als desen loen (1)?... mijn ijdle darmen (2) rasen, 816
- Als dol, mijn maghe knort gelijk een volle seugh... 817
- Och sellement! daer sie ick sulk een schoone (3) teugh 818
- Voor Kosen. 819
-
- (Ambroos (4) licht het glas sonder gesien te worden)
-
-
- Kosen (aen den Keyser)
- Speciael, (5) hebt gij mijn wijn gesopen?
-
- Ambroos (wegh (6) gaende)
- 820
- 't Can wesen speciael.
-
- Keyser
- De glasen staen wijdt open,
- Hij magh vervlogen sijn. 821
-
- Joren
- Sa (7), Kosen, blaest nogh eens.
-
- Keyser
- Ga i (8) an dan, meester Teun, gij peuselt altijt beens, 822
- Spoelt uwe tanden wat.
-
- Teun
- 't Is wonder, ouwe kaken
- Beminnen niet soo seer, dan peuselen en kraken. 824
|
+ (1) doen. (2) dermen. (3) schoenen. (4) Hij kruypt en licht het Glas. (5) Wel speciaal. (6) ontbreekt. (7) Jae. (8) gae aen.
816 loen: lomperd
ijdle: lege
818 sellement: bastaardvloek (uit element, met voorvoeging van een mogelijk uit Gods overgebleven s)
licht: drinkt; of: neemt ... weg
821 magh: kan
blaest: drink
822 ga i an: zie 57
altijd beens: altijd maar op de botjes (voor het meervoud op -s, zie 337)
|
[p. 67]
+
-
- Ambroos
- 825
- Gelijk de kreupele (1) geduerigh willen gaen... 825
- Maer ginder lacht mij nogh een helder glaesien aen, 826
- Ick moet het lichten, al sou (2) mij den vorst ontdecken. 827
-
- (3) (Ambroos licht het glas voor Maey, met een talioor)
-
-
- Maey
- Wel vaeyer Teunis, dat sijn ommers loose trecken; 828
- Mishaegt u dat ik drinck? hebt gij nogh niet genoegh?
-
- Ambroos
- 830
- Geen mussches (4) poeper oyt soo als mijn herte sloegh... 830
-
- Teun
- Wat seght gij Maey? 831
-
- Maey
- Quansuys ick heb den man belogen.
-
- Keyser
- Den uwen is misschien ook in den wint (5) gevlogen, 832
- Schenkt, Joren, weder vol... 833
-
- Ambroos (van sijn buyt eetende) (6)
- Bloet, dat 's een (7) lecker beet,
- En weert dat sulckx de wacht van Keyser Carel eet (8) 834
|
+ (1) kreupelen. (2) moest. (3) ontbreekt. (4) menschen proefden oyt hoe dat. (5) in de locht. (6) ontbreekt. (7) en. (8) weet.
827 lichten: drinken, wegnemen
licht: moet hier wel ‘neemt ... weg’ betekenen
met een talioor: samen met een bord
828 ommers: beslist, toch
loose: gemene
trecken: streken
830 Geen mussches poeper ... sloegh: in de druk van 1718 luidt dit vers: ‘Geen menschen proefden [ervoeren] oyt hoe dat mijn herte sloegh’ - Het WNT geeft, uit de aantekeningen van G. Gezelle, het woord blutsepoeper in de betekenis van ‘pas uit het ei gekropen vogeljong’ en De Bo, Westvlaamsch Idioticon, vermeldt de uitdrukking ‘zoo bloot of zoo blutsch (kaalhoofdig, zonder pluimen) zien als eene mussche’. Zou mussches poeper ‘mussejong’ betekenen? Zodat het vers zou geïnterpreteerd kunnen worden als: Geen mussejong was ooit zo bang als ik nu. Poeper kan echter ook de betekenis hebben van achterste, aars; daaraan denkt V. Celen blijkbaar, als hij in Keurbladzijden, p. 78 noteert: ‘Thans wordt in de volkstaal nog gebruikt: mijn hart klopt als een hennengat’
831 Quansuys ick heb den man belogen: De Bo, Westvlaamsch Idioticon verklaart quansuys als zonder erg met de Franse omschrijving sans mauvaise intention; Des Roches omschrijft beliegen als ‘valschelijk beschuldigen’. - Ongewild heb ik de man vals beschuldigd (Maey zegt dat blijkbaar tot zichzelf)
832 den uwen; bedoeld is: uw drank (cfr. 820-821)
|
[p. 68]
+
-
- Maey
- 835
- Sa, Joren, danst (1) een reys met mijne Jaquelijne 835
- Ter eer van onsen gast.
-
- Joren
- Com: singt de grideleyne (2)
- Van Schotlant. 836-7 837
-
- Maey
- Sa
-
- (Maey singt, (3) sij danssen)
-
-
- (Hier onder can gespeelt worden) (4)
-
-
- Keyser
- Dat is een halve bale (5) weert.
-
- Ambroos
- Pots tausent (6), Joren danst gelijk een engels peert. 838
-
- Keyser
- Sa vrienden elk eens (7) ront het glaesien opgenomen; 839
- 840
- Daer mede keer ik weer van waer (8) ik ben gecomen.
-
- Joren
- Uw leerssen heerschop. 841
-
- Keyser
- 'k Denk nu op geen leerssen meer.
|
+ (1) danckt. (2) gordelijne. (3) ontbreekt. (4) ontbreekt. (5) Daelder. (6) Dien gauwen lapper. (7) in 't. (8) daer.
835 een reys: een keertje
836-7 grideleyne (de editie van 1718 vermeldt gordelijne) van Schotlant: hiermee moet een Schots danslied bedoeld zijn, maar het woord komt elders niet voor
837 sa: welaan
bale: bal, danspartij (aan het hof)
838 pots tausent: Duitse bastaardvloek: drommels
danst gelijk een engels peert: het WNT vermeldt ‘dansen als een paard: zoo lomp’; engels omdat het om een Schotse dans gaat?
841 heerschop: heer(schap)
op: aan
|
[p. 69]
+
-
- Teun
- Sa, viva d'oude schoen, en gij daer bij, mijn heer. 842
-
- (Dit (1) veers erhaelt ieder en drinkt er op)
-
-
- Ambroos
- De schoey (2) moet voren (3) staen, 't is tienwerf meer dan reden (4), 843
- Maer eer wij heenen gaen, ick kruyp nogh eens beneden. 844
-
- Keyser
- 845
- Nu vrienden, goeyen (5) nacht; ick dank u van de (6) feest. 845
-
|