[p. 73]
+
|
+ (1) hierop. (2) staet. (3) compt. (4) getrouwig. (5) eenen Hussier of. (6) brilt mij. (7) 't geen. (8) gistren. (9) verwormen. (10) Om van een Brugs Capoen te cnappen, ick die cout. (11) moet. (12) daeg. (13) al de. (14) dit. (15) den.
|
Vierde bedrijf
- Ambroos trekt uyt, om Teunis met sijn volk, ten hove te dagen. Joren en Kosen doende met Jaquelijn. Teun, daer (1) op uytcomende, berispt sijn dochter en spreekt (2) voor Kosen. Ambroos comt (3) in de kelder, en ontstelt geheel 't gesin door sijne uitdagingh. Kosen verlaet sijnen baes in de benautheyt en vertrekt. Joren blijft getrouw (4). 73
-
- Ambroos
-
- (alleen uyt als (5) een deurwaerder opgeset)
-
- Wat bril me (6) dat kappoen, 't gen (7) in soo veele vormen, 891
- Mijn heer, en mij, van daegh, en gister (8), quam vervormen (9) 892
- Want hij, van Keyser, wiert gelijk een boere-schout, 893
- Om (10) t'eeten van dat beest: en ik, die gister (8), kout
- 895
- En stijf voor deure stont, terwijl het wiert geeeten,
- Ga (11) nu, van dage (12), de (13) doorluchtige ingeseten, 896
- Van 't onderaerds kasteel als absiaer, of huyssier, 897
- Uytdagen voor den vorst... Hoe staet mij die (14) rappier, 898
- En hellebaert?... mij dunkt ick hadde groote reden, 899
- 900
- Mij gist'ren aen de (15) schout voor dienaer te besteden, 900
|
73 [bladzijde 73]
ten hove: voor het hof
dagen: dagvaarden
voor: ten voordele van
uitdagingh: dagvaarding
benautheyt: benarde omstandigheden
uyt: op; opgeset: uitgedost
891 bril: kwelt, veroorzaakt... last
't gen: hetgeen, dat
in soo veele vormen: op zoveel manieren
892 vervormen: van uiterlijk veranderen
893 gelijk: als; maar ook, als bijwoord van tijd: terstond, meteen
896 ingeseten: (spottend) ingezetenen, bewoners
897 absiaer: hapschaar, lagere dienaar van het gerecht
huyssier: deurwaarder
898 uytdagen: dagvaarden
rappier: rapier, degen
899 hellebaert: piek met dwarsbijl
900 voor: als
te besteden: te verhuren (aan), in dienst te gaan (bij)
|
[p. 74]
-
- +
- Want al dit dienaers tuygh past mij ten hoogsten wel. 901
- Vrees Teunis, Maey, Jaqlijn, ik come (1) naer je (2) vel;
- Vrees Joren, (3) Kosen vrees: daer hangen maerte-buyen 903
- U over 't hooft: den wint trekt tenemael uyt 't zuyen, 904
- 905
- Naer 't Noorden. Gister was 't, tast toe, snijt, schenkt, drinkt uyt
- Van daegh veranderen wij van woorden en geluyt;
- Van dage sal men u, met omgecromde (4) muylen, 907
- En d'handen in het hair sien krijten ende huylen,
- Op dat gij andermael, te midden in de vreught, 909
- 910
- d'Aenstaende swarigheyt indachtigh wesen meught. 910
- Want, waer van comt het, dat de menschen, uytgelaten 911
- Tot weelde (5), en wellust, sonder regel, sonder (6) maten
- Steeds geven (7) vollen toom, aen hunne sinlijkheyt (8)?.. 913
- Daer van, dat niemant, dan, de nasmaek (9) overleyt, 914
- 915
- Die op (10) de malle vreught gemenlijk (11) pleegt te volgen. 915
- Wanneer den wijn, en 't bier sijn (12) door de keel geswolgen,
- En 't buykxie (13) volheyt heeft, de mage haeren lust,
- Dan sluymt (14) het herte, soo tevreden, soo gerust, 918
- Bewierookt met den damp (15) van Bacchus soete geuren, 919
- 920
- Alsof die vroylijkheyt voor eeuwigh moeste dueren. 920
- Sorgh, vrees, becommernis verjaegt men uyt den geest,
- Opdat den mensche, dan de rolle van een beest,
- Met meerder vrijheyt speel (16), en sijne lussies (17) streele. 923
- Anteun, die gistren (18) met sijn gasten, tot de keele,
- 925
- Gedompelt lagh in drank, sal heden connen (19) sien,
|
+ (1) comme. (2) u. (3) want den wint treckt teenemael uyt Zuyen naer 't Noorden. Gisteren was 't snijt, schenkt, tast toe, drinkt uyt; (4) ongecromde. (s) In wild'en wellust, staeg. (6) en. (7) geven den. (5) sinnelijckheyt. (9) naersmaeck. (10) naer. (11) gemeenelijck. (12) is. (13) 't buyckxen. (14) schijnt. (15) dauw. (16) speelt. (17) lusten. (18) gister. (19) commen.
901 tuygh: uitrusting
ten hoogsten wel: uitermate
903 maerte-buyen: maartse buien
907 omgecromde muylen: gezichten die in plaats van een lachende een angstige of verdrietige uitdrukking gekregen hebben
909 andermael: een andere, volgende maal
910 swarigheyt: moeilijkheden, kommer
meught: moogt, zult
911 uytgelaten tot: dol, tuk op, begerig naar
913 vollen toom: vrije teugel
sinlijkheyt: zingenot, begeerte
914 dan: op dat ogenblik
overleyt: nadenkt over
915 gemenlijk: gewoonlijk
919 Bacchus: god van de wijn
923 speel: zou kunnen spelen
sijne lussies streele: aan zijn begeerten zou kunnen voldoen
|
[p. 75]
-
- +
- Hoe seer een iegelijk, van overdaet, moet vliên, 926
- Als ick hem schroom, en schrik sal in de herssens (1) jagen, 927
- En, met sijn huysgesin, voor Keyser Carel dagen.
- Niet dat dien (2) grooten vorst hem quaet wil... neen, den tijdt
- 930
- Des jaers, brengt mee, dat elk sigh, naer sijn staet, verblijdt. 929-30
- Ook sult gij Teun (3), van daegh, naer ongegronde schroomen, 931
- Misschien, vol vroylijkheyt, weer sien te rugghe komen; 932
- Maer of dit weder langh sal dueren, weet ik niet.
- Dies doet hij wijselijck, die in 't geluk voorsiet 934
- 935
- Hoe licht (4) den goeden wint van (5) voorspoet, om can keeren..:
- De miltheyt van fortuyn is jonst van groote heeren, 936
- Is, als een schoonen dagh, een hantvol rook en wint,
- Een vogel in de lucht, een lachie (6) van een kint:
- Nu schijnt sij (7) aerm (8), en schaers, dan blinkt sij, als een wonder;
- 940
- Dat onder lagh klimt op, dat boven was raekt onder;
- Geen staet 't sij groot of cleen, verheven of versmaet,
- Die somtijts niet en proeft, hoe los hier alles staet. 942
- Maer met (9) die sede-lees vergeet ik 's keysers orden: 943
- Ben ick dan van huyssier een predyker (10) geworden?... 944
- 945
- (11) Wat wilt gij?... dit gebrek bevangt er meer dan mij: 945
- Te smallen op 't gemeen lijkt nu een ieder vrij, 946
- En, twijl een iegelijk dus op 't gemeen blijft smallen, 947
- Daer betert sigh, in hert, nogh zeden, geen van allen:
- 't Is al 't gemeen... 't gemeen... en niemant overleght, 949
- 950
- Dat d'algemeene saek aen hem is vastgehecht. 950
|
+ (1) herssen. (2) sijn Majesteyt. (3) hem. (4) lichte dat den wint. (5) des. (6) lachtje. (7) hij. (8) arm. (9) door dees. (10) Predecant. (11) Verzen 19 tot 18 der volg. bl. ontbreken.
926 een iegelijk: iedereen
van overdaet moet vliên (= vlieden): overdaad moet vluchten, schuwen
929-30 den tijdt des jaers: nl. carnaval
931 naer ongegronde schroomen: na onnodige angsten
934 dies: daarom
doet: handelt
in 't geluk: tijdens momenten van geluk
936 fortuyn: het lot
is jonst... heeren: ...is net als de gunst van de grote heren, nl. onbestendig
942 proeft: ervaart
los: onzeker
943 sede-lees: zedenpreek
orden: bevel; opdracht
945 De verzen 945 tot 968 ontbreken in de druk van 1718
946 smallen: smalen
't gemeen: het (gewone) volk
947 twijl: terwijl
een iegelijk: iedereen
950 d'algemeene saek: het algemeen belang, het algemeen welzijn
aen hem is vastgehecht: met hem verbonden (m.a.w. dat ook hij erbij betrokken is)
|
[p. 76]
-
- +
- Dien seght: mijn buerman moest dit soo doen, en dat late; 951
- Mijn buerwijf moeste wat meer swijgen, en min praten.
- Een tweeden smalt op 't hair, de kleeren, of den baert; 953
- Hij spot als desen quist, hij knort als d'ander spaert. 954
- 955
- Veel sijn' er, die wat hen bevalt, als wijsheyt prijsen,
- En, wat hen tegensteekt, als sotternij verwijsen: 956
- Mishaegt het hun, het stinkt al waer 't van gout gemaekt, 957
- 't Riekt beter als civet, wanneer het hun maer smaekt. 958
- Wel, viese neusen, is uw reuke dan den regel? 959
- 960
- Wel, dwersse hoofden, is uw vonnis dan den zegel? 960
- Voor gij dus oordeelt, van uw evenmenschs gebrek 961
- Steekt uwe neusen eerst in uw vermuft vertrek,
- Daer sullen sij misschien beseffen vuylder geuren, 963
- Dan, in de beste zael, of kamer der gebueren.
- 965
- Dogh wat breek ick mijn hooft, met dit verwaent geslacht, 965
- Dat al soo wel met mij, als met veel ander lacht?
- Het lacche soo het wil, 't en sal mij niet mishagen,
- Al moest het, tot in 't graf, twee Midas ooren dragen. 968
- Ick ga (1) naer Teunis toe, en daegh hem, in een (2) hof 969
- 970
- Waer geenen Midas oyt behaelt (3) den minsten lof.
-
- (Al de gordijnen open) (4)
-
-
- Joren, Kosen
-
-
- Joren (gegaept en gegeeuwt hebbende)
- Oy!... ick en can mijn hooft niet lichten... is dat recken... 971
- Mijn oogen sijn nogh toe... wie comt soo vroegh mij wecken?
- Het can pas minnacht (5) sijn... Wat drommel, gheel (6) mijn lijf 973
|
+ (1) gaen. (2) het. (3) behaegt. (4) Joren en Kosen uyt. (5) mid'nacht. (6) heel.
954 desen: de een
quist: verkwistend is
956 tegensteekt: tegenstaat
verwijsen: veroordelen
958 riekt: ruikt
civet: welriekende muskusachtige stof van de civetkat
959 viese: kieskeurige, grillige
regel: norm, maatstaf
960 dwersse hoofden: dwarskoppen
vonnis: oordeel
den zegel: het beslissende, het enig geldende
963 beseffen: gewaarworden, ruiken
965 verwaent: aanmatigend, laatdunkend
geslacht: soort van mensen, ras
968 Midas: koning Midas van Frygië, als scheidsrechter aangeduid in de wedstrijd tussen Pan en Apollo, verkoos het fluitspel van Pan, boven het citerspel van Apollo; voor die domme keuze werd hij door Apollo met ezelsoren gestraft. Midas ooren: ezelsoren
973 minnacht: middernacht
|
[p. 77]
-
- +
- Is als versworen... bey mijn beenen sijn soo stijf, 974
- 975
- Als of ick, voor de deur, had in de vorst gelegen...
- Waer ligh ick hier?... ick sie (1) mij selfs nogh niet te (2) degen... 976
- Is dat mijn bed?... is dat mijn kussen?
-
- (hij tast toe, en grijpt Kosen bij sijn vodden) (3)
-
- Sacht, het leeft
- Het roert...
-
- Kosen
- Oy! (4)! Oy!
-
- Joren (opspringende)
- Och! och! al mijn gebeente beeft,
- Is 't toverij, of spook?... Och Joren! aermen (5) Joren.
- 980
- Waer sijt gij?.. hebt gij dan uw eygen self verlooren?...
- En sijt gij Joren niet?... ick Joren?... ja, ick ben 't...
- 'k Ben Joren selve (6)... ja... waer ben ick dan belent?... 982
-
- (hij siet om naer Kosen, en de tafel)
-
- Wel... daer 's (7) de tafel nogh van gister; daer leyt Kosen,
- Wiens lijf, tot (8) kussen, mij gedient heeft, als vervroosen... 983-4
- 985
- Ja vastenavont... ja, beur (9) Fransie... ja kappoen!... 985
- Ja fransse wijn... mijn kop, mijn lenden, mijn fatsoen, 986
- Mijn nek (10), mijn steerte-been (11) gevoelen (12) wel te (13) degen 987
- Dat ick, van desen nacht, op d'aerde heb gelegen: 988
- Gij hebt mij, soo verheugt, soo fraeyties (14) opgeset, 989
- 990
- Dat ick niet heb gedacht te kruypen in mijn bed...
|
+ (1) sien. (2) ter. (3) ontbreekt. (4) ay! ay! (5) armen. (6) selver. (7) is. (8) voor. (9) buer. (10) hert. (11) sterte-been. (12) gevoelt het. (13) ter. (14) fraeytjens.
974 versworen: opgezwollen
976 selfs: zelf
te degen: goed
983-4 te lezen als: daer leyt Kosen (wiens lijf mij tot kussen gediend heeft) als vervroosen, d.i. bevroren, ijskoud, versteven
986 fatsoen: gedeelte van het lichaam tussen schouders en middel
987 steerte-been: staartbeen, stuitbeen
te degen: goed
988 van desen nacht: vannacht
d'aerde: de grond
989 fraeyties (= fraaitjes) opgeset: mooi, netjes getooid (ironisch bedoeld)
|
[p. 78]
-
- +
- Maer, placht hier niet een fles met brandewijn te wesen?
- Een soop (1) waer goet, om mijn verzeeuwtheyt te genesen... 992
- Sij moet hier ergens sijn, want Teunis, onsen baes,
- Gebruykt dat (2) dierbaer vocht, om 't water uyt sijn blaes
- 995
- Te drijven...
-
- (hij soekt (3))
-
- 'k Heb se vast...
-
- (hij suypt)
-
- Dat doet mij weer becommen.
- Hou Kosen... slaep (4) ie nogh? gijn (5) stijven, gijn (5) verklommen... 996
-
- (Hij schenkt een weynigh brandewijn in een glas, en Kosen opgelicht (6) hebbende hij steekt het aen sijn neus)
-
- Riek (7), riek (7)... 997
-
- Kosen
- O soeten geur!...
-
- Joren
- Nu suyp (8) eens slappen Jan.
-
- Kosen
- O goeden drank... 998
-
- Joren
- Sa rijs... rijs, Kosen...
-
- Kosen
- Ick en can
- Niet rijsen...
|
+ (1) stoop. (2) dien stercken dranck. (3) ontbreekt. (4) slaept gij. (5) gij. (6) oplichtende. (7) riekt. (8) suypt.
992 soop: teug (zie 44)
verzeeuwtheyt: kater, ongesteldheid na een drinkpartij (Des Roches: verzeeuwen = zeeziek zijn)
996 hou: hee
ie: je
gijn: gij, jij
verklommen: verkleumde, stijve
|
[p. 79]
+
-
- Joren
- Rijs, segh ick
-
- Kosen
- Ey laet me (1) nogh wat slapen...
-
- (gerucht van binnen)
-
-
- Joren
- 1000
- Maer stil... wat hoor ick? Wie comt mij soo vroegh betrapen?. 1000
-
- (hij steekt de fles wegh)
-
- Gans bloet, had onsen baes mij met sijn fles gesien 1001
- Ick was verloren... hoey!... daer comt hij mij bespien... 1002
-
- Jaqlijn (uyt)
- Wel Joren, hoe becomt u onse gansse feeste? 1003
-
- Joren
- Seer wel mijn Jaquelijn.
-
- Jaqlijn
-
- (naer Kosen siende)
-
- Hoe? light die droncke beeste
- 1005
- Daer nogh versopen, en versmoort in sijnen drank?
-
- Joren
- Gelijk gij siet, mijn lief.
-
- Jaqlijn
- Foey, wat een vuylen stank
|
1000 betrapen: betrappen
steekt... wegh: verbergt
1003 gansse feeste: ganzenfeest
|
[p. 80]
-
- +
- Comt uyt sijn bakhuys... op, gijn (1) dronkaert, op, gij vercken 1007
- Gijn (1) gulsigaert. 1008
-
- (Sij schopt (2) hem)
-
-
- Kosen
- Oy! oy!
-
- Jaqlijn
- Spoey, Joren, hael een bercken,
- Of eycken serviet (3), dat ick dien vuylen vraet (4) 1009
- 1010
- Sijn lenden smeer... 1010
-
- Kosen
-
- (5) (kruypende en vallende)
-
- Oy! oy!
-
- Jaqlijn
- 'k Weet niet waerom ik 't laet
- Dat ick u (6) niet bij 't hair te kelder uyt doe (7) sleepen 1011
-
- Kosen (knielende (8))
- Genade, Jaquelijn! heb (9) ik mij self (10) vergrepen (11) 1012
- Ick bid, vergeef het mij. 1013
-
- Jaqlijn
- Van hier, gijn (12) slodderbroek (13)
- Ga uyt mijn oogen, kruyp in eenen donckren (14) hoek,
|
+ (1) gij. (2) schupt. (3) serveet. (4) verraer. (5) opstaende, kruypende, enz. (6) uw. (7) doen. (8) ontbreekt. (9) ick heb. (10) selfs. (11) vergeten. (12) gij. (13) flodderbroeck. (14) duyst'ren.
1007 backhuys: mond
gijn: gij, jij
1009 serviet: servet, vingerdoek (hier spottend gebruikt i.v.m. ‘vraet’; bedoeld is: haal me een stok)
vraet: veelvraat, gulzigaard
1010 Sijn lenden smeer: afransel
1011 te kelder uyt: te ... uyt werd o.m. gebruikt om aan te duiden van waaruit een
beweging begon: uit de kelder
1012 my self vergrepen: een misslag begaan
|
[p. 81]
-
- +
- 1015
- Dat ick u (1) gheel de week niet meer en sie nogh hoore.
-
- Kosen
- Hoe can uw (2) herte sigh op Kosen soo verstoore' (3)? 1016
- Hoey! hoey! 1017
-
- Jaqlijn
- 't Is wonder want gij sijt afgrijsigh soet.
-
- Kosen
- Erroep dat vonnis togh (4)... 1018
-
- Jaqlijn
- Van hier, gijn (5) lompen kloet (6)
-
- Kosen (wegh gaende)
- Mijn hert is soo benaut, als of ick moest gaen hangen.
-
- Jaqlijn
- 1020
- Seght als gij hangen wilt, ick sal den (7) strop doen langen. 1020
-
- Joren
- 't Is wel geseyt, wat past' er beter, dan de galgh
- Aen sulk een morssigh beest, soo vuylen swijne-balgh (8)? 1022
- Maer (9), Jaquelijn, dit (10) maekt mijn hert niet min verlegen, 1023
- Soo langh uw vaeyer, tot sijn beurs, soo is genegen.
- 1025
- Vermaledijde beurs. 1025
|
+ (1) Dat ick geheel de week u niet meer sien noch hoore. (2) u. (3) verstooren. (4) doch. (5) gij. (6) bloet. (7) de. (8) swijnen balg. (9) mijn. (10) dat.
1016 sigh... verstoore': boos worden
1017 afgrijsigh: afgrijselijk
soet: lief, mooi, minzaam
1018 erroep: herroep
kloet: lummel, domoor
1020 doen langen: laten bezorgen
1022 aen: voor
swijne-balgh: vreetzak
1023 dit... verlegen: dit brengt me niet minder van de wijs, in de war
1025 vermaledijde: verwenste
|
[p. 82]
+
-
- Jaqlijn
- Wat wilt gij dat ick doe,
- Het is mij leet genoegh.
-
- Joren
- Ick sterv' (1) van onrust... Hoe?
- Sal, om een hantvol gelt, dien onbeschoften Kosen,
- Dien hatigen (2) slavoen, voor Joren sijn verkosen? 1028
- Voor mij?.. voor Joren, die u (3) als sijn ziele lieft
- 1030
- En altijdt lieven sal?... Om 't gelt hij sijn gerieft 1030
- En ik verstoten?... 'k wou dat d'eerste muntevinder, 1031
- Voor hij, dat duyvels gelt, dien deught- en eer verslinder,
- Met sijnen hamer sloegh, met silver en met gout
- In d'aerd versoncken waer!... is 't daerom dat men trout,
- 1035
- Of is 't om kinderen, in eeren, op te queeken?
-
- Jaqlijn
- Ick hou voor 't lest. 1036
-
- Joren
- Waerom dan soo naer 't gelt te steken?
-
- Jaqlijn
- Om dat men, sonder gelt, geen eten krijgen can.
-
- Joren
- Geen eten sonder gelt?... soo veele is daer van, 1038
- Dat ik, op staende voet, u anders sal betoonen. 1039
- 1040
- Can ick den backer, en den brouwer niet beloonen
|
+ (1) sterf. (2) baetigen. (3) uw.
1028 hatigen: verfoeilijke, onuitstaanbare, nare
slavoen: zie 332
voor: boven
1030 hij sijn gerieft: hij zijn geholpen, hij hebben wat hij wil
1031 d'eerste muntevinder: de eerste die munten geslagen heeft
1036 Ick... 't lest: ik opteer voor het laatste
steken: trachten
1038 soo veele is daer van: zoveel is daarvan aan
1039 betonen: aantonen, bewijzen
|
[p. 83]
-
- +
- Met schoen te lappen?... en, als dit soo can geschien, 1041
- Waerom dan altijdt naer dat pestigh (1) gelt te sien?
-
- Jaqlijn
- Wel, hebben wij niet meer, dan broot, en bier van nooden? 1043
-
- Joren
- 'k Wou dat ik, staende voet, gevoegt wiert bij de dooden;
- 1045
- Ick ben mij selfs niet meer, wanneer ik daer op peys... 1045
- Dat gelt, dien werelt (2) godt, den troost (3), den wil, den eysch
- Van alle menschen, daer veel kofferen van vol sijn, 1047
- Dat velen (4) overschiet!... Jaqlijn, ick soude dol sijn, 1048
- Om dat mij, nu gij 't mint (5), dat drommels gelt ontbreekt..
- 1050
- Kan ick u dienen, met mijn bloet, mijn ziele? spreekt;
- Waerom sijt gij versot op 't gen ick niet can geven?... 1051
- Och! nu (6) dit soo is, 'k wil niet eenen stont meer leven; 1052
- 'k Weet middel om den dood te vinden... Trout dan, trout
- Met Kosen, met sijn gelt, sijn silver, en sijn gout
- 1055
- En met sijn bierbalgh ook... 1055
-
- (hij wil wegh gaen)
-
-
- Jaqlijn (hem vast houdende)
- Gij sijt wel ras te peerde...
- Ick (7) achte Kosens gout, om Kosen, min dan eerde, 1056
- Maer, wat ick van u maek dat siet gij met 'er tijdt.
-
- Teun (uytcomende) (8)
- Soo, Jaquelijne, soo, gij slove (9), 'k sie, gij sijt 1058
|
+ (1) heftig. (2) weirelt. (3) wensch. (4) veele. (5) bemint. (6) dat. (7) Al soet... 'k acht. (8) uytcommende (9) sloeve.
1041 geschien: geschieden
1045 selfs: zelf
daer op peys: daarover nadenk
1048 Dat velen overschiet: dat velen in overvloed bezitten
dol: gek, razend
1051 't gen: hetgeen, wat
1055 bierbalgh: bierbuik
Gij sijt wel ras te peerde: gij zijt (je bent) wel gauw op uw (je) paard, gauw boos
1056 achte: beschouw (...als min...)
min: minder
eerde: aarde
1058 slove: term om met zekere meewarigheid van een vrouw te spreken (WNT); stakker, schepsel
|
[p. 84]
-
- +
- Al weer in vrijerij, tot over hals, en ooren;
- 1060
- Met uwen harlekijn uw welbeminden Joren.
-
- Jaqlijn
- Och vaeyer!... 1061
-
- Teun
- Stop jen (1) mont
-
- Joren
- Maer baes...
-
- Teun
- Brilt (2) gij van hier,
- En set u, op uw werk, gijn (3) stooker van een vier, 1062
- Dat endelijk Jaqlijn geheel in brant sal steken... 1063
- Waer sijt gij (4) Kosen?...
-
- Kosen (van binnen)
- Baes!...
-
- Teun
- Waer hoor ik Kosen spreken
-
- Kosen
- 1065
- Ick come, baes, ick com... 1065
-
- Joren (stil)
- 't Is om verwoet te sijn.
|
+ (1) ie. (2) sart. (3) gij. (4) ge.
1061 stop: hou
Brilt gij van hier: pak je weg
1062 op: aan
gijn: gij, jij
vier: vuur
1063 endelijk: ten slotte
1065 stil: terzijde
verwoet: woedend
|
[p. 85]
+
-
- Teun
- Mijn Kosentie (1), com hier... hoe gaet? hebt gij geen pijn
- In 't hooft? 1067
-
- Kosen
- Neen baes.
-
- Joren (stil)
- Hebt (2) gij geen tantsweer in jen (3) darmen
-
- Teun
- Hoe sie' (4) jer soo uyt dan! 1068
-
- Kosen
- Ick sliep nogh baes
-
- Teun
- Och armen
- Den bloet heeft gisteren wat laet te bed gegaen. 1069
-
- Joren (stil)
- 1070
- (5) Met twee, drij potten biers, en soo veel wijn gela ên. 1070
-
- Teun
- Mijn Kosen, sit wat neer; com Kosen, sit bij Teunis:
- Gij sijt mijn hert soo lief, als mijnen oudsten seun is. 1072
|
+ (1) vrindt hoe is't. (2) noch oock. (3) ie. (4) siet gij soo dan? (5) Verzen 5 tot I der volg. bl. (tot: uwe beurs) ontbreken. In de plaats komt het volgende:
-
- Kosen
- Het geen gij gister seyd sult gij dat houden staen.
-
- Joren (stil)
- Hij mint maer uwe beurs.
1067 tantsweer: tandpijn; ‘tandpijn in je darmen’ is nonsensicale spot vanwege Joren
1069 bloet: kerel, sukkel
1072 Gij sijt (aan)...
seun: zoon
|
[p. 86]
+
-
- Joren (stil)
- Niet gij maer uwe beurs.
-
- Teun
- Jaqlijne, sit daer neer
- Bij Kosen. 1074
-
- Jaqlijn
- 'k Ben niet moey.
-
- Teun
- Vrees, soo ik (1) nogh een keer
- 1075
- Moet seggen. 1075
-
- Jaqlijn
- Foey!... hij stinkt gelijk een rotte prije
-
- Joren (stil)
- Sijn gelt en stinkt niet. 1076
-
- Teun
- Swijgh gij (2) van die sotternije
- Ick segh u, sit (3)
-
- Jaqlijn
- Ick sit,... wat nu?
-
- Teun
- Geef hem uw hant.
|
+ (1) ick 't. (2) mij. (3) dit.
1076 Swijgh gij...: tot Jaqlijn gericht
|
[p. 87]
+
-
- Kosen
- Ey Jaeqsie (1) 1078
-
- Joren (stil)
- Ick ben doodt
-
- Teun
- Doet geenen (2) wederstant
- Of wel...
-
- Joren (stil)
- Can hij Pastoor en vaeyer t' samen wesen?
-
- Jaqlijn
- 1080
- Siet voor je vaer, hij can sijn vader-ons, niet lesen. 1080
-
- Teun
- Dat 's niet geef (3) gij uw hant. 1081
-
- Joren (stil)
- Sal ick dit moeten sien?...
- Neen; 'k waere liever doodt. 1082
-
- Teun
- Wel, wat sal hier geschien?
-
- (Joren sluypt (4) van achter, en trekt de drijpeckel van onder Kosen, weghloopende)
-
|
+ (1) Jackje. (2) geen. (3) geeft. (4) loopt.
1078 doet: bied
Pastoor: die immers het huwelijk moet inzegenen
1080 Siet voor je vaer: kijk uit, vader
lesen: bidden
1081 Dat's niet (= niets): dat geeft niets, hindert niet
1082 drijpeckel: driepoot
|
[p. 88]
+
-
- Kosen
- Och meester! help mij! help...
-
- Teun
- Wat drommel, sijn hier spoken?
-
- Kosen
- Och! Och! mijn leen. 1084
-
- Jaqlijn (stil)
- 'k Wou dat hij waer den hals gebroken.
-
- Teun
- 1085
- Hoe drommel val (1) je soo? 1085
-
- Kosen
- Ay! ay! mijn heup, mijn leen!...
-
- Maey en Joren uyt; Joren aen Maey
- Och! sonder u (2), wij sijn, voor al gescheyt van een. 1086
-
- Maey
- Wat is hier weer te doen?
-
- Jaqlijn
- Och moeyer!
|
1085 leen: leden, ledematen
1086 voor al: voor altijd
gescheyt: gescheiden
|
[p. 89]
+
-
- Maey
- Och Jaquelijne!
- Mijn kint! mijn liefste kroost! (1)... 1088
-
- Jaqlijn
- Ey! help (2) mij uyt mijn pijne
-
- Kosen
- Och Maey... 1089
-
- Maey
- Brilt gij van hier, gijn (3) hatelijken loen.
-
- Teun
- 1090
- 'k Segh dat hij blijven sal.
-
- Maey
- 'k Segh dat hij 't niet sal doen.
-
- Teun
- Swijgh of ik snoer jen mont...
-
- Maey
- Laet sien, wilt eens beginnen...
-
- (Ambroos comt in de kelder) (4)
-
-
- Joren
- (5) Och baes! och vrouwe! daer comt een deurwaerder binnen!
|
+ (1) troost. (2) helpt. (3) gij. (4) ontbreekt. (5) vers 5 luidt:
- 't Is u ghelijck ick sien daer comt hier jemand binnen.
1089 brilt: pak je weg
gijn: gij, jij
loen: knul, lummel
|
[p. 90]
+
-
- (1) Ambroos
- Waer sijt gij, goutsmeder, 1093
- In schoen en oudt leder,
- 1095
- Gijn (2) stinckenden roker
- Gij schoelappens (3) stoker.... 1096
- Leent ooren, leent ooren, 1097
- Naar 't geen u, met tooren 1098
- En gramschap, beseten
- 1100
- Den Keyser doet weten...
- Omdat gij sijn wetten
- Soo derfde (4) besmetten, 1102
- Versmaên en onteeren 1103
- Sijn last (5), en begeeren 1104
- 1105
- Om dat gij, met guyten 1105
- Soo binnen, dan buyten 1106
- Dees machtige stede,
- Sijn wil hebt vertrede' (6),
- Sult gij sonder falen, 1109
- 1110
- Vertoeven, nogh dralen 1110
- Met Maey, en Jaqlijne
- Ten hove verschijne',
- Om reden te geven 1113
- Van 't gen (7) is misdreven... 1114
-
- Teun
- 1115
- Mijn heere! mijn heere!
-
- Ambroos
- Van 't gen (8) tegen d'eere,
|
+ (1) Ambroos komt in de kelder. (2) Gij. (3) schoelappers. (4) durfde. (5) lusten. (6) vertreden. (7) 't geen. (8) 't geen.
1093 goutsmeder (in): die geld verdient (met)
1096 schoelappens stoker: die vuur stookt van schoenlappen (= zolen) (?) (cfr. 519: verbrande schoenen-leer)
1097 leent ooren: luister
1098 tooren: toorn
beseten (met): vervuld (van)
1102 besmetten: verkrachten, met voeten treden
1104 last: bevel
begeeren: wil
1106 soo... dan: zowel... als
1109 sonder falen: zonder mankeren
1114 't gen: hetgeen, wat
|
[p. 91]
-
- +
- Der Keysersche troonen,
- En scepters, en kroonen,
- Gij stinckenden stijven, 1119
- 1120
- Hebt derven (1) bedrijven... 1120
- Kruyp uyt uwe stove 1121
- Met Maey, en die slove, 1122
- Begeeft u op wegen,
- Om tegen den negen 1124
- 1125
- Ten hove te wesen;
- Daer sal men u lesen,
- In (2) weynige reken, 1127
- Wat straf uw (3) gebrecken 1128
- En feyten. en sonden
- 1130
- Sijn weerdigh bevonden 1130 1131
- Aen 't gen (4) ick uytspreke, 1132
- Men salder u sleepen
- Gekoord en geknepen. 1134
- 1135
- D'uer is nabij; past op, en volgt mij al-te-gader.
-
- (Ambroos (5) binnen)
-
-
- Teun (neersitttende)
- Och! wat heb ik gedaen? 1136
-
- Maey
- Och Teun!
-
- Jaqlijn
- Och vader!
-
- Joren en Kosen
- Och baes! 1137
|
+ (1) durven. (2) met. (3) u. (4) 't geen. (5) ontbreekt.
1121 stove: woonvertrek, woning
1122 slove: zie 1058 (bedoeld is Jaqlijn)
1124 tegen den negen: negen uur
1130 sijn weerdigh bevonden: verdienen
na dit vers, dient een vers 1131 ingeschoven te worden:
En comt gij 't ontbreken
1131 ontbreken: in gebreke blijven, tekortschieten
1134 gekoord: gebonden
geknepen: stevig vastgegrepen (knijpen kan, als scheepsterm, ook de betekenis van vastbinden hebben)
1136 te corrigeren als volgt:
MAEY Och Teun! TEUN Och Maey! JAQLIJN Och vader!
|
[p. 92]
+
-
- Teun
- Och knapen! ick beswijk... geeft wat asijn...
- Mijn herte swijmt... och! och! (1) 1138
-
- Maey
- Och haest u Jaquelijn...
- Mijn man! mijn lieve Teun...
-
- Teun (becomende)
- Wat heb ick togh misdreven?...
- 1140
- Rampsaligh mensch!...
-
- Maey
- Och! siet sijn oude handen beven...
- Mijn lief! mijn cameraet!
-
- Jaqlijn
- Och vaeyer! schep (2) togh (2) moedt...
-
- Joren
- Courage (3) baes.
-
- Teun
- De schrik bevangt mijn hertebloet...
-
- Maey
- Och Godt! wat sal dat sijn?... 1143
|
+ (1) Hij valt. (2) schept doch. (3) corage.
1143 spannen: boeien
vangen: gevangen nemen, gevangen zetten
|
[p. 93]
+
-
- Teun
- Mij spannen ende vangen!
- Mij, in mijn ouden (1) dagh, doen geesselen of hangen?...
-
- (sij huylen al te mael)
-
- 1145
- Heb ick daerom soo langh soo heerelijk (2) geleeft?... 1145
-
- (sij huylen) (3)
-
- Soo, voor 't gestrenge recht eerbiedelijk gebeeft?...
-
- (wederom) (4)
-
- Soo langh, dien grijsen kop in eer, en deught gedragen?... (5)
-
- (wederom) (6)
-
- Had mij de dood gehaelt in mijne jonge dagen!...
-
- (wederom) (7)
-
-
- Jaqlijn
- Eylaes (8)! mijn boesem scheurt.
-
- Maey
- Mijn herte splijt van rouw.
-
- Joren
- 1150
- Ick ben gelijk een steen...
-
- Maey
- Och lieve man!
-
- Teun
- Och vrouw!...
- Wie sal in desen noot, mij bijstaen, voor mij spreken?... 1151
- Och knapen! gaet met mij... 1152
|
+ (1) oude. (2) eerelijck. (3) en (4) ontbreken. (5) sij huylen weder. (6) en (7) ontbreken. (8) Och Godt wat sal dat sijn.
1145 heerelijk: eerlijk, rechtschapen, fatsoenlijk
1151 voor mij: te mijnen voordele
1152 knapen: knechts
in dat gat mij steken: me met die zaak laten
|
[p. 94]
+
-
- Kosen
- Ick, in dat gat, mij steken?
- Neen... hebt gij u daer gebracht, help (1) u daer uyt.
-
- Teun
- Och Kosen! sta (2) mij bij; mijn liefste knecht! ontsluyt
- 1155
- Voor mij nu uwe beurs, stelt uwen koffer open. 1155
-
- Kosen
- Neen, dat verstaet sigh niet... 1156
-
- Teun
- Ick vest op u mijn hopen;
- Misschien can, met een cleyn (3), mijn sake sijn erstelt (4) 1157
-
- Jaqlijn
- O Kosen! help (5), in noot, mijn vaeyer met ie gelt; 1158
- Ey doe (6) soo veel voor mij.
-
- Kosen
- Met gelt?... neen Jaquelijne,
- 1160
- Waer ick dat pantje quijt, ick sou van droefheyt quijne!... 1160
- De saek (7) en raekt mij niet.
-
- Teun
- Ten minsten gaet met ons...
|
+ (1) helpt. (2) staet. (3) cleen. (4) herstelt. (5) helpt. (6) doet. (7) saecke.
1155 stelt... open: zet... open (nog in de streektaal gebruikt)
1156 dat verstaet sigh niet: dat kan niet (onder invloed van het Franse ‘cela s'entend’?)
vest: vestig
1157 klein: kleinigheid
erstelt: hersteld, in orde gebracht
1160 waer: ware
pantje: pand: goed, kostbaar bezit
|
[p. 95]
+
-
- Kosen
- Neen, ick vertrek van hier, met kiste, beurs, en dons, 1162
- En wat mij aengaet, eer mijn goet wort (1) aengeslagen,
- En ick deelachtigh word' van uwe schult en plagen. 1164
-
- (binnen)
-
-
- Teun
- 1165
- Och Kosen, gaet gij deur?... 1165
-
- Maey
- Laet dien verrader gaen.
-
- Joren
- Ick, baes, sal tot'er (2) doot, aen uwe sijde staen:
- Ick ga (3) met u, naer 't hof; en wilt u niet ontstellen, 1167
- Is 't noodigh 'k sal mijn lijf, voor u te pande stellen. 1168
-
- Teun
- Och Joren! mijnen troost.
-
- Maey
- Ons hulp, ons toeverlaet.
-
- Jaqlijn
- 1170
- Ons hope!
-
- Teun
- Sonder u en wist ick geenen (4) raet.
|
+ (1) waer. (2) totter. (3) gaen. (4) geen.
1167 wilt... ontstellen: wees niet bang
1168 lijf: lichaam, leven
te pand stellen: in pand geven
|
[p. 96]
+
-
- Joren
- 'k Sal, tot den lesten snick, u mijne trou betoonen.
-
- Teun
- Och Joren! waermee (1) sal ick u, daer voor (2), beloonen?
|
+ (1) waermed'. (2) naer.
|
|
|