[p. 97]
+
|
+ (1) den Keyser doet hem binnen commen. Theunis en de sijne sijn in wonderlijcke gesteltenisse in de tegenwoordigheyt des Keysers. Den Keyser versekert hun met sachtmoedigheyt, en vraegt Theunis wat hij voor sijne onthaeling versoeckt, hij vraegt en vercrijgt d'eere van de gecroonde Leersse onder sijn Ambacht in den Ommeganck te draegen, waer door verblijt, belooft sijn Dochter aen Joren.
(2) schept. (3) als gij. (4) als. (5) sien.
|
Vijfde bedrijf
- Teun met de sijne, op weegh, naer den Keyser, wort van Joren getroost. (1) Voor den Keyser gecomen sijnde, hij geraekt in een groote ontsteltenis. Endelijk door des Keysers minsaemheyt versekert, en gevraegt sijnde, wat hij voor sijn onthael versocht, hij vraegt en vercrijgt d'eere van de gecroonde leersse, onder sijn ambacht te dragen in den ommegangh. Waer door verheugt, verlooft hij sijne dochter aen Joren. 97
-
- Joren, Teun, Maey, Jaqlijne
- Schep (2) moedt, mijn baes, het lukt wel beter dan (3) ie meent 1173
-
- Teun
- Dien absiaer heeft mijn moedt en herte soo vercleent, 1174
- 1175
- Dat ick niet dan (4) gerecht en galgen sie (5) voor oogen. 1175
-
- Maey
- O Heer! hoe sal 't vergaen? 1176
|
97 [bladzijde 97]
sijne: zijnen
van: door
versekert: tot zekerheid, kalmte gebracht
onthael: het onthalen van de keizer de avond tevoren
van: om
gecroonde leersse: laars met een keizerskroontje erboven
ambacht: gilde
ommegangh: stoet optocht (de ‘ommegang’ was een typische gebeurtenis in het Vlaamse volksleven: gegroeid uit de kerkelijke processies, werd hij vaak een groots opgezette stoet met praalwagens, allegorische groepen, figuren en dieren uit de sagenwereld, reuzen, enz)
1173 lukt: loopt af
ie: je
1176 ijdele vertoogen: waanvoorstellingen
|
[p. 98]
+
-
- Joren
- Die ijdele vertoogen,
- En spruyten niewers uyt, dan uyt (1) de vrees; ey stelt 1177
- Uw sinnen wat, en jaegt den schrik wegh die u quelt; 1177-8
- g'Hebt op uw lever niet waerom gij soo soudt schroomen. 1179
-
- Teun
- 1180
- 't Is waer, ick hebbe noyt een anders goet genomen;
- Ik heb noyt peerde-leer voor koeyen-leer (2) verkocht;
- 'k Heb noyt bedorven sool nogh (3) randen ingewrocht; 1182
- Nogh d'oogen, voor 't bedrogh van knapen toegeloken. 1183
- Ik heb nooit, dat ik weet, den vorst te na (4) gesproken,
- 1185
- Nogh oyt geweygert (5) tol, of rechten of excys (6), 1185
- Nogh (is 't niet waer, Maey?) oyt geeyscht te hoogen prijs,
- Van lappen? 1187
-
- Maey
- Ja 't, mijn man, dat stak mij selver tegen.
-
- Teun
- Ook heb ik noyt mijn wijf onredelijk geslegen,
- Dat weet gij wel. 1189
-
- Maey
- Dat raekt 't recht nogh den Keyser niet.
-
- Teun
- 1190
- 'k Ben niemant schuldigh, dan alleen, aen buurwijf Griet,
- Voor bier en brandewijn, naer mij geheugt, ses blancken. 1191
|
+ (1) door. (2) koeye-leer. (3) of. (4) naer. (5) geblauwt in stadt van. (6) acsijs.
1177 en: ontkenning bij niewers
niewers: nergens
1177-8 stelt Uw sinnen wat: bedaar wat
1179 lever: ‘hart’, ‘geweten’
niet: niets
schroomen: bang zijn
1182 randen: bedorven moet hierbij worden gedacht
ingewrocht: verwerkt
1183 knapen: knechts
toegeloken: dichtgedaan
1185 tol: belasting
excys: accijns
1187 van: voor
ja 't: ja
stak... tegen: stond... tegen, mishaagde
1191 naer mij geheugt: naar ik me herinner
blancken: 1 blank = 6 duiten = ¾ stuiver
|
[p. 99]
+
-
- Joren
- Wel waerom dan, soo seer te beven, en te jancken?
- Dat beev', en jank (1) en schroom (2), en schrik(3) en huyle (4) en tier 1193
- Die vuyl van binnen is.
-
- Teun
- Wat weet ik, of Passchier
- 1195
- Den touwer, die op mij soo nijdigh is ontsteken, 1195
- Mij dese pert niet speelt, om hem, van mij, te wreken? 1196
-
- Maey
- Wat can hij doen? hij is maer eenen man als gij:
-
- Teun
- 't Is waer, maer hij verwint mij ver in fielterij, 1198
- En, als hij is gesint sijn boosheyt uyt te wercken, 1199
- 1200
- Hij can (5) de (6) selve wel met valsche blijcken stercken. 1200
-
- Joren (7)
- Met valsche blijken?
-
- Teun
- Ja, want, tot een valschen eedt,
- Sijn hedendaegs al veel, om cleyn (8) gewin, gereet. 1202
- Sij souden onsen Heer als Judas self (9) verkoopen,
- Schoon of m'hun maer de helft van Judas loon dee (10) hopen. 1204
|
+ (1) jankt. (2) schroomt. (3) schrikt. (4) huylt. (5) sal. (6) hem. (7) Maey. (8) cleen. (9) selfs. (10) deed.
1193 Dat (diegene) beev'(e)...
1195 touwer: touwslager
nijdigh: fel, heftig
ontsteken: boos geworden
1196 dese pert... speelt: deze poets... bakt
hem: zich
van: op
1198 verwint: overtreft
fielterij: schelmerij
1200 de selve: nl. sijn boosheyt (vers 1199)
blijcken: bewijzen, getuigenissen
stercken: kracht bijzetten
1202 al veel: heel velen
gereet: bereid
1204 schoon of m'hun... hopen: ofschoon men hen maar de helft... liet verwachten
|
[p. 100]
+
-
- Maey
- 1205
- Ick denk niet dat (1) er twee, van die in Brussel sijn. 1205
-
- Teun
- Och Maey! daer sijn er veel van dien geveynsden schijn. (2)
- Met sulcke sou Passchier mij lichtelijk beliegen. 1207
-
- Joren
- Maer meent gij dat den vorst soo licht sigh laet bedriegen?
- Sijn oordeel is te snel in handelingh van (3) recht; 1209
- 1210
- Hij denkt en overdenkt, al wat een ieder seght:
- Hij vonnist geene saeck, dan in den rechten regel, 1211
- En, voor de waerheyt blijkt, hij drukt noyt sijnen segel. 1212
- Geen uytsicht van sijn baet, geen vrient, nogh maegschappij, 1213
- Geen staets nogh lants verschil, geen oogen-luykerij 1214
|
+ (1) datter. (2) Tusschen verzen 2 en 3 komt:
- Och Maey! der sijnder veel die met een valschen schijn,
- Langs straete gaen, het sijn van buyten goede lieden,
- Maer als men neerstig hun van binnen gaet bespieden,
- Men vint den wolven aerd bedekt met lammer vel,
- Ick ken niet verr' van hier soo een geveynsden wel,
- Een heyligen in schijn, een bijter van Pilaeren,
- Die daegelijckx maeckt soo veel Cruysen als hij hairen,
- Op 't hooft en kinne heeft, wiens uytterlijck gesicht,
- Al wie hem niet en kent door sijne seden sticht,
- Maer 't is een loosen vos becleet met duyve pluymen,
- Hij trekt dat wesen aen om beterder te luymen,
- Op winst en eygen baet, en blijft daer med' bedeckt,
- Tot hij 't geen hem lust, in sijne netten treckt.
[bladzijde 100, noot 2]
geveynsden: huichelaar
bijter van Pilaeren: pilaarbijter, schijnvrome
hairen: haren
luymen: loeren
(3) en.
1205 van die: van mensen als Passchier
1207 lichtelijk: gemakkelijk
1209 snel: schrander
in: bij
handelingh: behandeling (Des Roches omschrijft als wyze van iet te doen; behandeling)
1211 in: naar, volgens
rechten: rechtvaardige, billijke, juiste
regel: norm, rechtsprincipe
1212 hij drukt noyt sijnen segel (op het vonnis): M. Sabbe vertaalt: ‘et n'y attache jamais son sceau si la vérité n'est pas évidente’
1213 insicht van sijn baet: eigenbelang
vrient: vriend; hier veeleer: vriendschap
maegschappij: verwantschap
1214 staets... verschil: standsverschil
oogen-luykerij: oogluikend toezien
|
[p. 101]
-
- +
- 1215
- Comt in de vierschaer waer hij neder is geseten.
- Steunt op dien rechter, en op uw oprecht geweten
- Soo gaet gij naer het hof gerust en onbevreest. 1217
-
- Teun
- Och Joren! trouwe (1) knaep (2)! hoe troost gij mijnen geest; (3) 1218
- Com dan, in 's Heerens (4) naem, laet ons ten hove trecken.
-
- Maey
- 1220
- Courage, Teun, Godt sal d'onnooselheyt ontdecken. 1220
-
- Jaqlijn
- Soo vaeyer, draegt u kloek, ons (5) sal geen leet geschiên. 1221
-
- Joren
- Is 't noot, dan sult gij, baes, de trouw van Joren sien.
-
- Teun
- O mijn getrouwe (6) knecht (7)
-
- Maey
- O mijnen lieven Joren!
|
+ (1) trouwen. (2) knecht. (3) Tusschen verzen 4 en 5 komt:
- Al 't geen gij segt is waer, den Keyser is rechtveerdig,
- En wijst een ieder toe naervolgens hij is weerdig,
- Oock stelt hij nevens dit de ruste van 't gemoet,
- Waer geenen gragen worm van onrust binnen vroet.
[bladzijde 101, noot 3]
wijst... toe: kent... toe, legt... op
naervolgens: volgens wat, naargelang van wat, in verhouding tot wat
weerdig: waard
Oock stelt... dit: ook plaatst hij op gelijke hoogte daarvan, ook vergelijkt hij daarmee, ook acht hij evenzeer
(4) 's Heeren. (5) u. (6) getrouwen. (7) knaepe.
1220 d'onnooselheyt: de onschuld
ontdecken: openbaren
1221 draegt: gedraag
kloek: flink, verstandig
geschiên: geschieden
|
[p. 102]
+
-
- Jaqlijn
- Soo, Joren, gaet soo voort. 1224
-
- Maey
- Gij sijt voor ons geboren. (1)
-
- (Al de gordijnen op (2). Vertoogh van 't keyserlijk (3) hof.)
-
-
- Keyser, Ambroos, Hovelingh (4)
- 1225
- Soo hebt gij onse (5) Teun, ten hove, ingedaegt: 1225
- Hoe houdt (6) hij (7) hem? 1226
-
- Ambroos
- Hij sucht, hij krijt, hij kermt en klaegt,
- Alsof hij om een moort, waer van den schout gevangen, 1227
- En morgen op de mert moest wesen opgehangen. 1228
-
- Keyser
- Gij moest hem soo veel schrik niet jagen in het hert,
- 1230
- Dat (8) was mijn orden niet. 1230
-
- Ambroos
- 'k Nam vreugt in sijne smert,
- Om dat de selve quam, uyt sulcke losse gronden. 1231
- Maey, Jaquelijn, en wie daer binnen was gevonden 1232
- Verschrikten soo, wanneer ick quam de trappen af 1233
- Met d'hellebaert in d'hant, al tieren, met een straf 1234
|
+ (1) binnen. (2) open. (3) Keysers. (4) en Hovelingen. (5) onsen. (6) vont. (7) gij. (8) Dit.
1224 vertoogh: tafereel, decor
1225 ingedaegt: gedagvaard
1227 waer: ware, zou zijn
van: door
schout: zie 633
1230 orden: bevel, opdracht
1231 de selve: nl. ‘sijne smert’
quam: voortkwam
1232 was gevonden: was te vinden
1234 hellebaert: zie 899
al tieren: tierend
straf: streng
|
[p. 103]
-
- +
- 1235
- En toornigh aengesicht, en promoteurs gerommel, 1235
- Als of voor hun verscheen den schrikkelijksten (1) drommel, 1236
- Wien (2) oyt Anteuns (3) patroon in sijne celle sagh. 1237
- Mijn opgemaekte spraek geleek een donderslagh, 1238
- Mijn oogh, vol blixems, aen dien moedeloosen ouden. 1239
- 1240
- Hij comt, met sijne Maey en dochter en vertrouden
- Ten hove, tot'er doot benaut in sijne ziel.
-
- Keyser
- Gij sijt een oolijcken (4) en afgerichten fiel: 1242
- Waerom dien ouden man soo in 't gemoet te prangen? 1243
-
- Ambroos
- Waeromme heeft hij u soo onbeleeft ontfangen?
-
- Keyser
- 1245
- Ick was hem onbekent (5): maer 'k sal u, met'er tijdt
- Ook stellen in de proef van 't gen hij door u, lijdt, 1246
- En sien, of gij dan min, als hij, benaut sult wesen. 1247
-
- Ambroos
- Als 't u behaegt, mijn vorst; maer als gij mij doet vreesen
- 't Moet ook sijn op die wijs. 1249
-
- Keyser
- Misschien op slechter. Gaet
- 1250
- Nu heen, en siet of Teun nog niet in 't voorhof staet;
|
+ (1) schrikkelijcken. (2) Die. (3) Auteurs. (4) oylijcken. (5) niet bekent.
1235 promoteurs gerommel: kabaal, drukte van een gerechtelijk ambtenaar (promoteur was een openbaar aanklager in de kerkelijke rechtspleging; Ambroos is immers als deurwaarder vermomd)
1237 wien: die
Anteuns patroon (= beschermheilige): Antonius Abt (ook wel genoemd Antonius de Kluizenaar, Antonius de Grote) (3de-4de eeuw) werd, volgens de traditie, als kluizenaar in de Egyptische woestijn door duivelen in allerlei gedaanten geplaagd en bekoord
1238 opgemaekte: opgetooide, geaffecteerde
1239 ouden: oude man (Teun)
1242 oolijcken: guitige; maar kan ook betekenen: onhebbelijke, slechte
afgerichten: sluw, geslepen
fiel: schavuit; maar ook: schurk
1243 in 't gemoet... prangen: benauwen, angstig maken
1246 in: op
't gen: hetgeen, wat
1249 wijs: manier
...op slechter (wijs)
|
[p. 104]
-
- +
- Vertoeft hij langh, 'k sal hem van daegh niet connen hooren; 1251
- Dies, soo hij daer is, brengt hem dadelijk met Joren, 1252
- En vrou, en dochter in. 1253
-
- Ambroos
- Ik pas op uw (1) bevel.
-
- (binnen)
-
-
- Hoveling
- Uw (1) majesteyt bereyt ons daer een aerdigh spel.
-
- Keyser
- 1255
- Het is den rechten eysch der vasten avont tijden: 1255
- Den besten middel om sigh selven te verblijden
- Is jock en boerterij (2) van veynsen ongeraekt (3). 1257
-
- Ambroos uyt (3), met Teun, Jaqlijn, Maey en Joren (4))
-
|
+ (1) u. (2) Hier komt volg. tekst, welke in het hs. ontbreekt:
- Ick walge van de pracht,
- Waer nae den Edeldom in sijn verheuging tracht,
- Het schijnt of nu voortaen sich niemant kan vermaeken,
- Dan in de mommerij, waer Venus diertiens blaecken,
- Door 't mommers bachuys als serpentiens vol fenijn,
- Waer beursen vol van gout op kaert te stellen sijn,
- En ander wulpsheyt meer, met welcke sij verquisten,
- Meer dan hun toebehoort, dan raecken zij aen 't twisten,
- En 't schelden, en daer op een ider in 't geweer,
- Ick gaen soo onverdacht die mommers soo te keer,
- Dat sij die dertelheyt voor eeuwig achter laeten.
-
- Hovelingen
- Gelukkig grooten Heer sijn alle d'ondersaeten
- Voor wie soo wijsen Vorst, soo goeden Herder waeckt.
[bladzijde 104, noot 2]
nae: naar
Edeldom: adel
mommerij: maskerade
Venus diertiens (= diertjes): meisjes van lichte zeden
blaecken: (met hun verleidelijke verschijning of ogen?) branden
mommers bachuys: masker, mombakkes
serpentiens (= serpentjes): de beeldspraak van de ‘diertiens’ wordt hiermee verder gezet
fenijn: venijn
Waer beursen... sijn: waar beurzen... met het kaartspel verspeeld worden, waar gekaard wordt voor beurzen...
en daer op [raeckt] een ider...: daarop raakt iedereen slaags (?)
gaen... te keer: bestrijd
onverdacht: De Bo, Westvlaamsch idioticon, geeft als synoniem voor
‘onverdachts’: onverwachts, onvoorziens
mommers: gemaskerden, maskeradegekken
dertelheyt: onzedigheid, oneerbaarheid
achter laeten: nalaten
ondersaeten: onderdanen
(3) ontbreekt. (4) uyt.
1253 in: binnen
pas op uw bevel: voer uw bevel uit
1255 den rechten eysch: zoals het hoort (op)
1257 jok: scherts
van veynsen ongeraekt: niet door veinzerij aangetast
uyt: op
|
[p. 105]
+
-
- Ambroos
- Siet hier den lapper, wien den wijn soo lecker smaekt.
-
- (Alle vallen (1) sij op 't aensicht neer, roepende)
-
- Genade!...
-
- Keyser
- Is dat Teun, die gistren heeft geseten
- 1260
- Tot aen den middernacht, om leckerlijk te eten?....
-
- Alle
- Genade!...
-
- Ambroos
- Ja 't mijn vorst.
-
- Keyser
- Die van den besten wijn
- Geduerigh glaesies (2) dronk, en schaelties (3) bij dosijn? 1262
-
- Alle
- Genade!... 1263
-
- Ambroos
- 't Is hij self (4).
-
- Keyser
- Is dat die leck're (5) Maeye
- Die sulk een schoon kappoen wist aan het spit te draeye'? (6)
|
+ (1) alle vallende op hun knieen en aensicht neder, roepende. (2) glaesjens. (3) schaeltjens. (4) selfs. (5) lecker. (6) draeyen.
1262 glaesies: glaasjes
schaelties: schaaltjes: kommetjes, bekertjes (cfr. drinkschaal)
1263 leck're: bekoorlijke, verleidelijke
|
[p. 106]
+
-
- Alle
- 1265
- Genade!...
-
- Ambroos
- Ja, die is 't.
-
- Keyser
- Is dat die Jaquelijn
- Die gister altijdt moest bij haeren Joren sijn?
-
- Alle
- Genade!... 1267
-
- Ambroos
- 't Is die sloof.
-
- Keyser
- Is dat dien cuyschen Joren,
- Die altijdt vis'len (1) gingh in Jaquelijnes (2) ooren? 1268
-
- Alle
- Genade!... 1269
-
- Ambroos
- 't Is dien quant, dien selven guychelaer.
-
- Joren (stil)
- 1270
- Is 't (3) Keyser Carel self (4), of eenen toveraar? 1270
-
- Keyser
- Anteunis, antwoord mij, maer wacht u van te liegen, 1271
- Want gij nogh niemant can mij in dat stuck bedriegen. 1272
|
+ (1) sprecken. (2) Jacquelijnens. (3) 't Was. (4) selfs.
1267 sloof: zie 1058
cuyschen: nette, schone (cfr. nu nog in het Westhoekse dialect: kuusch (= proper) glas, kuuschen neusdoek)
1268 vis'len = visselen: fluisteren
1269 quant: kwant, snaak
guychelaer: paljas, potsenmaker
1271 wacht u van te liegen: pas ervoor op, zorg ervoor niet te liegen
1272 in dat stuck: op dat punt
|
[p. 107]
+
-
- Joren (stil)
- Daer speelt de (1) drommel mee. 1273
-
- Teun
-
- (met de sijne 't hooft opheffende) (2)
-
- Vraegt vrijelijk (3) mijn heer.
-
- Keyser
- Sat niemand meer dan (4) dees' (5) bij u ter tafel neer? 1274
-
- Teun
- 1275
- Nogh eenen knaep, mijn heer, die, als gij ons dee (6) dagen, 1275
- Van mij gelopen is, uyt vreese van de plagen. 1276
-
- Keyser
- Geen ander?... Siet wel toe...
-
- Teun
- Daer quam een vreemden (7) in.
- Terwijl ick nedersat, met gheel mijn huysgesin.
-
- Ambroos (stil) (8)
- Sijn kelder noemt hij huys.
-
- Keyser
- Wat wilde desen seggen?
|
+ (1) den. (2) ontbreekt. (3) mij vrij al. (4) den. (5) die. (6) ded'. (7) vremden. (8) ontbreekt.
1273 Daer speelt de drommel mee: daar begrijp ik niets van de sijne: de zijnen
1274 dees': dezen (diegenen die Teun vergezellen)
1275 nogh: nog
knaep: knecht
als: toen
dee: deedt
1276 Siet wel toe: let goed op
|
[p. 108]
+
-
- Teun
- 1280
- Hij wou, dat ick een lap sou op sijn leerssen leggen,
- Waer op ick wat ontstelt, door dorst en hongers noot, 1281
- (Ick segh 't (1) mijn heer, recht uyt) in mijnen (2) key uytschoot. 1282
-
- Keyser
- Heeft desen ook, met u, aen tafel neergeseten? 1283
-
- Teun
- Hij gaf ons, op dat hij, met mij, sou mogen eeten,
- 1285
- Acht (3) potten wijns
-
- Keyser
- Kent gij dien milden vreemden (4) niet?
-
- Teun
- 'k Sagh hem voor boer-balliuw... 1286
-
- Joren
-
- (den Keyser besiende) (5)
-
- Och Meester Teunis, siet
- Eens op, het is den vorst, voor wien (6) wij sijn gebogen,
- Die gister met ons at. 1288
-
- (Sij sien alle op, en vol verbaestheyt neervallende, roepen) (7)
-
- Genade!... toont (8) meededoogen...
|
+ (1) seg mijn. (2) mijne. (3) vier. (4) vriendschap. (5) ontbreekt. (6) wie. (7) ontbreekt. (8) toont ons.
1281 ontstelt: onstuimig, ontstemd
hongers noot: het kwellen van de honger
1282 in mijnen key uytschoot: mij kwaad maakte (?); kei is gemeenzaam voor hoofd; uitschieten = uitvallen, zich heftig uiten
1283 desen: bedoeld is steeds de ‘vreemde’ (1276) man
1286 sagh: hield
boer-balliuw: zie 634
1288 verbaestheyt: vrees, ontsteltenis
|
[p. 109]
+
-
- Keyser
- Rijs, Teunis, rijs (1) op Maey, Jaqlijne, Joren, rijst; 1289
- 1290
- 't Is reden, dat men u ook wederjonst bewijst, 1290
- Nu gij mij gisteren soo smakelijk dee (2) eeten.
- Soo langh ick desen troon, als Keyser heb beseten
- En heeft mij geen kappoen soo hartelijk gesmaekt.
-
- Maey
- 't Was goet ook, vorst. 1294
-
- Keyser
- Oprecht.
-
- Jaquelijn
- Ick hadde (3) 't schoon gemaekt.
-
- Keyser
- 1295
- Gij sijt een brave meyt.
-
- Joren
- Hoe smaekten (4) Frans den tappers
- Bordeeusen, heer?... 1295-6 1296
-
- Keyser
- Seer wel.
-
- Ambroos (stil)
- Wat brillen mij die lappers?
- Sij maken met den vorst compeer en cameraet. 1297
|
+ (1) rijst. (2) ded'. (3) had het. (4) smaeckte.
1290 reden: billijk
wederjonst: wederdienst
1295-6 Frans den tappers Bordeeusen: bordeaux(-wijn) van Frans de tapper (zie 762)
1296 brillen: zaniken, kletsen
1297 maken: spelen, zich voordoen als
compeer: makker, vriend
|
[p. 110]
+
-
- Keyser
- 't Was alles wonder goet, salay, bier, wijn, gebraet, 1298
- Geselschap, al om best. 1299
-
- Teun
- 't Verheugt mij boven maten.
-
- Keyser
- 1300
- Maer segh mij, Teunis, 'k wil die feest daer bij niet laten;
- 't Is reden dat ick u, naer mijne schult, betael: 1301
- Segh, wat gij van mij vraegt, voor een soo goet onthael (1) 1302
-
- Teun
-
- (bij se selven (2) wat gepeynst hebbende)
-
- Op dat men, 't alle tijdt, d'eer sou indachtigh wesen,
- Die uwe Majesteyt een lapper heeft bewesen,
- 1305
- Jon (3), dat ons ambacht, op sijn feestelijcken dagh, 1305
- Een leersse, met de (4) croon daerboven, dragen magh.
-
- Ambroos (stil)
- Een rechte lappers vraeg. 1307
-
- Keyser
- 't Verlof is u gegeven.
-
- Teun
- Ick dank uw (5) Majesteyt. 1308
|
+ (1) Wat gepeyst hebbende. (2) ontbreekt. (3) Jont. (4) een. (5) u.
1299 al om best: alles op z'n best
1305 jon: gun, sta toe
ambacht: gilde
feestelijcken dagh: jaarlijkse feestdag (feest van de patroonheilige van het gilde)
|
[p. 111]
+
-
- Alle
- Langh (1) moet den Keyser leven!
-
- (2) (Gordijnen toe)
-
-
- Teun, Maey, Jaquelijn, Joren
- Bijgommen, sulk een eer is 't ambacht noyt geschiet. 1309
-
- Maey
- 1310
- Ick ken (3) door vroylijkheyt mijn eygen selven niet.
-
- Jaqlijn
- 't Is weert sulk (4) eenen gast sijn eten (5) voor te stellen. 1311
-
- Maey
- Waer is dien Kosen nu, die ons niet durf versellen... 1312
- Had ick hem hier, ick krabd' hem neus en kaken op. 1313
-
- Teun
- Ey Maeye, spreek niet meer van desen dasen (6) kop; 1314
- 1315
- Ick liet mij al te los, door sijne beurs bekoren; 1315
- Maer nu is gheel mijn hert, voor onsen trouwen Joren. 1316
- En mits den Keyser ons, soo milt, sijn jonsten biedt,
- 'k Wil, Joren, dat de vreugt, die ick hier door geniet,
- U mede, sij gedeelt; ick ken uw (7) minne-pijne 1318-9
- 1320
- Dies geev' ick u, van daegh mijn dochter Jaquelijne,
- Ter eeren van de Leers, tot loon van uwe trouw;
- Ick neem u aen, tot soon, neemt Jaquelijn tot vrouw.
|
+ (1) Lanck. (2) Vertrecken op Theater en de achterste Gordijnen toe. (3) ben. (4) soo. (5) spijse. (6) bosen. (7) u.
1311 weert: waard
voor te stellen: voor te zetten
1312 durf: is dit een foute lezing voor dierf (maar ook de editie van C. Meyer geeft de vorm durf)? Het Westhoekse dialect kende alleen de vormen du(r)fde en do(r)ste
versellen: vergezellen
1314 dasenkop: dwaze kerel
1316 mits: omdat
jonsten: gunsten
1318-9 ...dat de vreugt... U mede, sij gedeelt:... dat je deel hebt aan de vreugde...
|
[p. 112]
+
-
- Maey
- Daer spreekt gij, weerde man, een woort, naer mijn behagen (1)
-
- Jaqlijn
- Och vaeyer!... 1324
-
- Joren
- Och mijn baes!...
-
- Teun
- Ick sal u liefde dragen
- 1325
- Ter (2) doot, en wil, dat gij nogh voor den dagh verloopt 1325
- Met mijne Jaquelijn u, door belofte knoopt. 1326
-
- Joren
- Och Jaquelijn mijn lief!... 1327
-
- Jaquelijn
- Och Joren!
-
- Teun
- Dat 's gesloten (3)...
- Maer, om dees vreugde-feest, en blijdschap te vergrooten
- Gaet, Joren, uyt mijn naem, als deken van de konst, 1329
- 1330
- Der oude lapperij, vercondigen de jonst 1330
- Des Keysers desen dagh, door mijn versoek vercregen, 1331
- Aen gheel het ambacht: sulk een ongemeenen segen, 1332
- En heerlijkheyt vereyscht, dat elk sijn werk laet staen: 1333
- Drij guldens geev' ick hen (4) tot teire in d'Halve Maen. 1334
|
+ (1) naervolgens mijn behagen. (2) altijd. (3) gestooten. (4) hun.
1326 belofte: trouwbelofte
1327 gesloten: besloten, geregeld, in orde
1329 deken: deken (hoofd) van het gilde
konst: gilde
1332 ambacht: gilde
ongemeenen: buitengewone, zeldzame
zegen: blijk van gunst
1333 heerlijkheyt: heerlijke, voortreffelijke zaak, gebeurtenis
1334 teire: vertering, teergeld
d'Halve Maen: zie 761
|
[p. 113]
+
-
- Joren
- 1335
- Ick ga (1) aen ieglijk uw lief bevel ontlede'. 1335
-
- Teun
- Als gij te rugghe keert, brengt een Notaris mede,
- Op dat men, met (2) geschrift, uw ondertrouwe sluyt: 1337
- Soo wort gij bruydegom, en Jaquelijn de bruyt.
-
- Joren
- Ick vliege meester.
-
- Maey
- Ga, maer keer in (3) haesten weder.
-
- Teun
- 1340
- Langh blijf de leers gecroont tot roem van 't oude leder. 1340
|
+ (1) gaen. (2) in 't. (3) nu haestig.
1335 iegelijk: iedereen
ontlede': bekendmaken, uitleggen
1337 met geschrift: schriftelijk, op (officieel) papier
1340 oude: aloude, eerbiedwaardige
|
|
|