[p. 114]
+
|
+ (1) ider. (2) in 't. (3) de. (4) in. (5) zijd. (6) wel te vreên. (7) sijne. (8) versader. (9) pijn. (10) voordeel.
|
Nae-reden 114
- Een ieder (1) oeffent sigh met (2) 't voorval van vandaegh. 1341
- Veel lacchen overluyt met onsen Teunis vraegh, 1342
- En seggen: hadde mij den vorst die (3) keur gegeven 1343
- Ick waere nu bevrijt van sorgen, voor mijn leven.
- 1345
- Een trotschaert, die den wint van eer heeft in sijn geest, 1345
- Roept uyt: ick had nu voogt van 't Gentsche slot geweest. 1346
- Een gierigaert: wou mij den Keyser soo bedancken,
- Ick had' een rent gevraegt op Antwerps wisselbancken...
- Belacchelijck besluyt! Anteun heeft niet van doen 1349
- 1350
- Nogh slotvoogdij, nogh rent... Hij blijft bij (4) sijne schoen,
- En als hij elders sou sigh selven gaen besteden, 1351
- 't Waer of men eenen aep, in zij (5) en gout, sagh kleden.
- Wat raekt het gelt, of d'eer een lapper, die (6) tevreên,
- Met sijnen (7) elssen leeft, versaden (8) met een cleen, 1354
- 1355
- En als hij eens in 't jaer van een cappoen magh eten
- Al sijn voorleden roy (9) en aerbeit heeft vergeten. 1356
- Te vreden sijn is veel, te vreden sijn is meer,
- Dan al den schat en roem, van een gecroonden heer 1358
- Die, in sijn overvloet, nogh wil naer vorder (10) trachten. 1359
- 1360
- Dat alle gierigaerts en trotsaerts Teun verachten, 1360
- Sijn vraege toont ons claer, dat hij tevreden leeft, 1361
- Dienvolgens, meer besit, dan eer en rijkdom geeft. 1362
|
114 [bladzijde 114] nae-reden: epiloog
1341 oeffent sigh met: houdt zich bezig met, wijdt zijn aandacht aan, neemt... ter harte
1342 onsen Teunis vraegh: het verzoek van onze Teunis
1345 wint van eer: eerzucht
1346 slot: burcht; Gentsche slot: bedoeld is het Gravensteen te Gent
1349 niet: niets
van doen: nodig
1351 sigh... besteden: zich... verhuren, in dienst gaan
1354 elssen: els, priem
versaden met een cleen: tevreden met een kleinigheid
1356 voorleden: vroegere
roy: zorg, beslommering, armoede
1359 vorder: meer, groter
1360 Dat alle...: laat alle.... maar....
1362 dienvolgens: [en] derhalve
|
[p. 115]
-
- +
- Geluckigen Anteun! gij gaet geruster slapen, 1363 1364
- 1365
- Dan eenen focker (1) die sijn kassen heeft vol gelt, 1365
- Waer mee (2) hij sigh, bij daegh, en gheele nachten quelt. 1366
- Gij slaept bij 't oude leer, bevrijt van duysent sorgen,
- Voor geenen dief bevreest, tot aen den lichten morgen:
- Uw kelder, uwe Maey, en uwen schralen heert 1369
- 1370
- Voldoen aen uwe (3) lust, vernoegen uw (4) begeert; 1370
- En soo gij desen dagh wat eersucht quam betoonen,
- Het was niet om uw (4) hooft, maer eene (5) leers te croonen.
- Soo langh het Brussels hof en wallen sullen staen, 1373
- Sal uw gecroonde leers met 't ambacht ommegaen. 1374
- (6)
- 1375
- (7)Tot meerder eer Godts 1375
- Ende van den
- H. Aertsengel Michael 1377
- (17 Ap. 1706)
|
+ (1) Jonker. (2) med'. (3) uwen. (4) u. (5) om een. (6) Tot meerder lof en glorie van 't doorluchtig en goedertieren Huys van Oostenrijck. (7) ontbreekt. In de plaats staat enkel: Ende. Vòòr de Nae-reden staat:
- Den Drucker tot den Leser.
-
- Waerde Leser die de cluchten
- Soeckt en mint met groot genuchten
- Hier is aengenaeme stof
- Tot Antheun den Lappers lof,
- Die het ambacht doet verrijcken,
- Vraegt van Keyser Carel, dat
- Men mag draegen ront de stadt
- Eenen Leers gecroond van boven,
- 't Welck is waerd om Theun te loven,
- Want hetgene dat hij vraegt
- 't Lappers ambacht seer behaegt.
- Keyser Carel groot van jonste
- Gaf aen d' Edel Lappers Conste,
- Op 't versoeck van Theun en Griet,
- 't Geen men alle jaeren siet
- In den Ommegang nog dragen.
- Dus die wil aen Vorsten vraegen,
- Vraeg iets voor 't gemeene best,
- Maer niet voor sijn eygen nest.
- Leert dan aen ons Lapper Theunis,
- Schoon hij maer een lompen cleun is
- Dat men door de eygen baet
- Raeckt in aller menschen haet.
[bladzijde 115-116, noot 7]
cleun: lobbes, onbehouwen man
1363 na dit vers dient volgend vers 1364 ingelast te worden: Dan eenen grooten Vorst, gedient van hondert knapen
1364 van: door
knapen: dienaren
1365 focker: rijkaard
kassen: kisten
1366 bij daegh: overdag
gheele: (ge)hele
1369 heert: haard, woning
1370 vernoegen: bevredigen, zijn voldoende voor
begeert: begeerte, wens
1373 wallen: Brussel was omringd met een muur en grachten; ze werden achteraf op bevel van Napoleon geslecht en vervangen door boulevards
1374 ambacht: gilde
ommegaen: in de ‘ommegang’ (zie bladzijde 97) aanwezig zijn
1375 Tot meerder eer Godts: zinspreuk die door de stichter van de jezuïetenorde, Ignatius van Loyola, aan zijn orde werd meegegeven; ze komt al voor in de Dialogi van paus Gregorius I de Grote (ca. 540-604): ‘sed ad maiorem Dei gloriam vicit pietas’
1377 H. Aertsengel Michael: patroonheilige van de auteur en van de Duinkerkse rederijkerskamer
|
-
|