QUemadmodum immortalis Numinis majestas, natura mortalibus oculis maccessa, aeterna potestas, atque Divinitas ex quibuscunque rebus creatis evidentissime intelliguntur, & nudissime perspiciuntur; ita tamen aliae Creaturae prae aliis multo apertius atque clarius DEUM invisibilem offerunt contemplandum: uti ex subsequente de Apibus tractatu manifestum fiet. Quandoquidem igitur sapientissimo illi atque ter optimo DEO clementer placuit, indefessos & assiduos meos labores felici successu beare atque co-
DE heerlykheid des onverderfelyken GODS, syne onsienclykheid, syn eeuwige kraght ende Goddelykheid, gelyk die baarblykelyk uyt alle de schepselen verstaan, ende naaktelyk doorsien werd: soo is het nogtans, dat het eene schepsel veel naakter ende klaarder den onsienelyken GOD schynt te vertoonen als het andere. Gelyk door de navolgende verhandeling vau de Byen dat klaarelyk blyken sal. Waarom alsoo dien alwysen ende goeden GOD myn onverdrietelyken ende gestaadigen arbeit goetgunstigh heeft gelieven te seegenen
ronare; hinc & spero, infinitam DEI potentiam, & immensam sapientiam, aeque ac tenuissimam nostram imbecillitatem, adeo sole meridiano clarius per eos iri patefactum, ut, quisquis huncce tractatum evolvit, materiem inveniat atque stimulum, ad exclamandum DEI magnificentiam, intelligentiam Ejus demirandum, & inexhaustae Ipsius abundantiae benedicendum. Quodsi exiguae hae pagellae, quae nonnisi umbram, multisque defectibus limitatas operum DEI arcanorum, investigatu difficillimorum, impenetrabilium, descriptiones exhibent, eo Lestorem manuducant; labores, quos impendi, non solum compensatos, sed etiam abunde prosperatos, atque Divina gratia foccundatos existimabo.
Si quis indolem & fabricam Animantium minutissimorum atque maximorum accurate ponderando inter se contulerit, ei innotescet, utraque non solum indolis & structurae ratione penitus convenire; verum etiam similibus omnino ex principiis, quae aeque in minimis ac maximis Animantibus Ova sunt, oriri. Atque uti ova haec, in Animantium maximis, ex minutissimis quasi punctis, & visum veluti fugientibus particulis accrescunt, & perficiuntur; ita eadem, in exilissimis Animalculis, modo haud absimili ad incrementi sui plenitudinem pertingunt. Neque sane ullum eorum, quae creata sunt, Animantium hinc excipitur: quum vel nobilissima omnium creatura, Homo, Animal ratione praeditum, suos quoque ortus ex ovo sortiatur; & propterea, ratione primi sui initii, Animantium minimis sive Insectis semet praeponere, aut ratione dispositionis suae naturalis atque structurae prae Insectorum vilissimis, uti v.g. est Pediculus, aut Acarus, primum dignitatis gradum sibi adtribuere haud quaquam valeat. In Hominibus verissimum id esse, anno 1667. mihi juxta ac Cl. van Horne experiundo innotuit; uti in libro meo, Miraculum Naturae inscripto, est videre. Praeterea circa minorum majorumque Animantium principia id animadverti meretur, quod magis conspicua atque clarius discernenda in suis rudimentis sint minora, quam majora Animalia. Accedit etiam, quandoquidem DEUS Animantium minoribus certos magnitudinis limites statuit, quos ultra nequeunt increscere; quique limites forte in fabrica & infirmitate cordis, cujus vi membra omnia contra atmosphaerae prementis gravitatem debent extendi, siti sunt; quod ideo pa-
ende te krooneu. Soo hoop ik ook, dat door de selve syne Goddelyke almagtigheit, ende onbepaalde wysheid, neffens dan onse seer swakke onmagtigheit, soo middaghklaar sal uytblinken, dat yder, die deese volgende verhandeling sal ter hand komen, GODS heerelykheid daar in, ende daar door, zeer sal uytkryten, syn verstant verwonderen, ende syne algenoegsaamheid verheerlyken: Waar toe soo den Leeser, deese myne schaduwen, gepooghde omtrekkingen, en swakke beschryvingen van GODS onnavorschelyke, ende gansch ondersoekelyke, ende ondoorgrondelyke werken komen te leyden, soo sal ik mynen arbeit niet alleen wel betaalt, maar ook ten vollen gesegent, ende van Goddelyke genaade vrugtbaar aghten.
Soo nen nu den aard ende het maaksel van de alderminste Schepselen veel overweeght tegens die van de aldergrootste, soo sal men bevinden, datse in aard ende in structuur niet alleen overeenkomen, naar dat se daar by ook eevangelyke begintselen hebben; dewelke en in de grootste ende in de kleenste Dieren beyde te gelyk d'Eieren syn: dewelke gelyk sy als uyt seer kleene punten, ende als uyt onsightbaare deelen, haare aangroeying ende volmaaking in de grootste schepselen neemen; ende op deselve wyse voltrekken sy haare volwassing inde kleenste Dieren. Synde hier alsoo geen Dier of Schepsel van uytgesondert; want ook het alderedelste der Schepselen, ik meen den Mensch, dat redelyke Dier, neemt syn begintsel uyt een Ey, ende kan alsoo ten aansien van syn eersten oorspronk niet boven de kleene Dieren ofte de Insecten sigh verhefsen, ofte ook ten aansien van syn natuurelyke stant ende structuur, booven de alderveraghste van deese kleene Dieren, als by voorbeelt den Luys, of het kleene Dierken Acarus, sigh in rangh van waardigheid stellen. Gelyk ik dat van de Menschen, neffens den Heer van Horne, in 't jaar 1667 ondervonden hebbe, als in myn boek, Wonder der Natuur genoemt, na te sien is. Noch isser ontrent de begintselen der kleene ende in die der groote Dieren aan te merken; dat de kleene Dieren in haare begintselen merkelyker ende kennelyker syn als de groote. Waar by noch komt, dat alsoo GOD de kleene Dieren een perk van niet grooter te kunnen groeyen gestelt heeft; ende het welk perk mogelyk bestaat in het maaksel ende de swakte van het Hart, dat elle de leeden tegens de
riter Animantia parva, suo etiamnum in ortu constituta, majoribus perfectiora existant.
Verum ut propius ad institutum meum perveniam: quum in libro meo de Insectis, anno 1669. edito, sigillatim aliquando de structura Insectorum agere, & ibidem simul peculiarem Apum historiam tradere promisi, in antecessum tunc dicens, Regem Foemellam esse, Fucum Marem, vulgaresque Apes neutrum ad genus pertinere; propterea nunc praecipue fabricam, indolem utqueprincipia trium horumce, diversorum quidem, at ejusdem tamen speciei, Animalculorum exponam. Intermiscebo autem, pro re nata, nonnullas adhuc observationes de membris aliorum quorundam Insectorum, quorum totam constructionem, alio tempore, si DEUS annuerit, plene pertractabo atque describam.
Cum 22do Augusti ann. 1673. alveare Apum, quae examinaverant, aperirem, inveni in eo millia aliquot Apura vulgarium, aliquot centenos Fucos, unumque Regulum. Verum quandoquidem, uti modo indicatum est, proprie ncc Regulus unquam, neque Fuci, in alvearibus reperiuntur; & pessimo atque inexcusabili errore factum est, ut memoratis Animalculis isthaec nomina fuerint adsignata; ideo heic mox in principio monitos velim Lectores, quod, per universum huncce tractatum meum deinceps, fictitium illum Regulum nomine Apis Foeminae, Fucum vero vulgo creditum nomine Apis Maris, vulgaresque tandem Apes, distinctionis gratia, titulo Operariarum sim insigniturus. In subsequentibus autem argumenta, quae me ad novationem hanc moverunt, clarissima atque evidentissima proponam, demonstrabo, atque stabiliam.
Memorato igitur tempore cum aperuissem alveare atque destruxissem; praeter Mares, Foeminam, & Operarias Apes in eo adhuc inveni tres diversas species domuncularum, aedicularum, sive cellularum, quas generali nomine Favos, a fovendo, uti perhibent, ita dictos, adpellant. In centenis aliquot harumce domuncularum Mares enutriti fuerant atque accreverant; in paucis quibusdam generatae fuerant Foemellae; & in reliquis, quarum millenae aliquot erant, Apes vulgares exclusae, nutricatae, educatae fuerant, suasque subierant mutationes. Marium aeque ac Foemellarum Favi penitus erant vacui. At Apum Vulgarium aediculae, quamvis pro parte ma-
swaarte van de omringende persende Lucht moet uytsetten; dat daar door de kleene Dieren volmaakter ende volkomender in haare begintselen als de groote syn.
Maar om nader tot myn voorstel te komen; soo ist dat hebbende, in myn boek van de Insecten in 't jaar 1669 uytgegeven, bysonderlyk beloost van de structuur der Insecten te handelen; ende dat ook te gelyk van de Byen aldaar gedaan en beloost hebbende, alwaar ik dan den Koning een Wyfken, den Hommel een Manneken, ende de gemeene Byen geen van beyden te syn, geseght hebbe, soo ist dat ik nu voornamentlyk de structuure, aard en de begintselen van deese drie onderscheide eensoortige Dierkens sal afhandelen: sullende na gelegentheid daar tusschen in noch van eenige andere Dierkens haare leeden spreeken, welkers Structuur ik in haar geheel, op een ander tyt, soo het GODS wil is, sal afhandelen ende beschryven.
Als ik op den 22 August. 1673 een korf met Byen, die geswermt had, quam te openen, soo vond ik daar in eenige duysende gemeene Byen, eenige honderde Hommels of Broeybeyen, ende een Koning: maar gelyk essen geseght is, alsoo daar eygentlyk geen Koningh, noch ook geen Hommels, inde korven der Byen ooit of ooit te vinden syn: ende dat door een seer groot, ende geheel onverschoônelyk misverstant, de geseide Dierkens de voorige namen gegeven ende toegeeygent syn; soo sal ik alhier nu in het begin vermaanen, dat ik overal in myn volgende werk den gefingeerden Koning, het Wyfken der Byen sal noemen, ende den gemeenden Broeyby sal ik het Manneken der Byen heeten; ende ten laatsten de gemeene Byen, sal ik Werkbyen tot onderscheit noemen, waar van ik dan van alles de reeden in het vervolgh klaarelyk ende onwedersprekelyk sal geeven, toonen, ende bewyzen.
Op de geseide tyt dan een korf met Bijen openende ende destrueerende, soo vond ik daar noch binnen in, behalven de Mannekens, het Wyfken, ende de Werk-Bijen; noch driederhande ende onderscheidelyke huyskens, kamerkens, ofte cellekens, in 't generaal het Wasch, of het Honingraat, anders broeihuisjens, van broejen, gelyk men voorgeeft, genoemt. In eenige honderden van deese Huyskens daar in waren de Mannekens opgequeekt ende voortgegroeit, in eenige weinige waaren de Wyfkens voorgeteelt, ende in het grooter getal, dat wel eenige duysenden beliep, daar in waren de gemeene Byen uytgebroeit, opgevoet, voortgequeekt, ende verandert. De Huyskens der Mannekens, als ook die der Wyfkens, waaren geheel leedig: maar die vande gemeene Byen, hoewel daar het meeste gedeelte als leedig van was, soo was echter
xima viderentur inanes, haud paucae tamen etiamnum plenae erant, ceraque adglutinata consignatae; in quibus equidem, aciculâ bacillo infixa effractis sive resignatis, nonnullos Apum Vermiculos, erectos, offendi, qui nullum penitus motum edebant. In aliis autem sigillatis ejusmodi favis Nymphae delitescebant, sive Apum Vermiculi, qui Apum inde nasciturarum formam vi accretionis jam acquisiverant. In aliis porro consignatis cellulis Mel reperiebatur. Favi reliqui aperti erant, & minime signati; horumque nonnulli continebant Ovula; alii Vermiculos novissime ovis suis exclusos, ad latera & circa se undique reposito alimento instructos. Alii iterum Vermiculos gerebant adultiores; alii tandem Vermes incrementi plenitudinem adeptos, qui ab Apum Cultoribus Proles, Progenies, Juventus, vocantur, & flava subter se excrementa monstrabant.
Intermedio inter Ovula illa atque Progeniem loco aediculae quaedam conspiciebantur obsignatae, quas cum aperirem, melle plenas deprehendi. Neque enim Apes ullum unquam in suo alveari loculum vacuum relinquunt; verum mox ac Vermiculus quidam in Apem mutatur, cellulam hujus alia quapiam re ilico replent. Hinc sicubi favi in superiore alvearis parte exclusis ocyus apiculis inaniuntur; Apes primo in hos mel suum reponunt: si vero favi in medio alveari siti prae aliis citius maturescunt; hos prius melle replent: tandemque ubi favi infimi alvearis primum vacui sunt; hos quoque, ante alios, melle onerant. Attamen mel huc repositum deinceps rursus transferunt in alvearis superiora; uti Clutius animadvertit: quod interim videre mihi nondum contigit. Hac nimirum ratione procedunt Apes, cum annus fertilis est; ut tempus compendifaciant, quo majorem mellis copiam possint colligere; aut etiam quando numerosiores in alveari Apes existunt: tum enim mel, qua primus datur locus, confestim exonerant, & postmodum, mellificandi tempore elapso, aliorsum transferunt.
Alveare igitur isthoc, tanquam communis & fraterna habitatio, rudimenta continebat & Juventutem, Mares & Foemellas, Famulos sive Ancillas, id est, Apes vulgares, tandemque annonae affluentiam: atque hinc optime instructum erat, ut concinno sub ordine vel disciplina instantis hyemis inclementiam perferre intemeratum posset. Ordo autem, quem Apes in-
een groot getal der selve nog vol, ende toegesegelt, of overkleeft met wasch; in welke, als ikse met de punt van een naalt, in een Stoxken gestooken, quam te breeken ofte te ontsegelen; eenige over eynd staande Wurmen van Byen, die gansch geen beweegingh toonden, waaren. In andere toegesegelde huyskens waaren Popkens, of Wurmen van Beyen, die nu de gedaante vein het toekomende maaksel der Beyen hadden aangenomen, os daar in verandert waaren. In andere toegesegelde huyskens was Honing. De rest van de huyskens waaren open ende niet gesegelt, en eenige daar van waaren vervult met Eyeren, andere met Wurmkens essen uyt haar Ey gekroopen, hebbende aan haare syden, en ront som haar, byleggent voetsel. Andere huyskens wederom waren voorsien met volwassender Wurmen; andere vorders met heel volwasse Wurmen, Broet of Broetsels van de Byenhouders genoemt, dewelke onder haar geele uytwerpselen hadden.
Midden selfs tussen deese Eyeren ende ket Broetsel in sag men eenige toegesegelde huyskens, dewelke, als ik quam te openen, ik vol Honing te syn vernam: synde hier van de reeden, dat de Bijen in haaren korf geen plaatse ydel laten: maar soo dra daar een Wurm in een Bye komt te vergroeijen, soo vullen sy datelyk dat huysken meer met iets anders. Waarom soo de huyskens boven inden korf eerst uytgebroeit syn, soo brengen sy den Honing eerst booven in den korf: soo deselve midden in den korf eerst uytgebroeit syn, soo brengen sy den Honing in het midden: en soo de huyskens aan het eynde van den korf eerst leeg sijn, soo brengen sij den Honing aan het eynde; diese dan, als Clutius aanmerkt, ende dat ik noch niet gesien hebbe, weer verdraagen boven in den korf. Dan dit doense in vruchtbaare jaren, ende om tijt te winnen van meer Honing te vergaren, en ook als 'er overvloedige Bijen in den korf sijn, als dan plaatsen sij die Honing, daar sij zig die maar ten eersten quyt maaken kunnen, en de vergaartyd ophoudende, soo verdragen sij die.
Siet soo was dan deese korf, deese gemeene ende broederlyke woning, versien met Jongen en begintselen, met Mannekens ende Wyfkens, met Kneghten of Maaghden, dat is gemeene Bijen; ende dan met overvloet van voorraat, ende alsoo seer wel gestelt, om, tegens de strengheid van de aanstaande winter, in goede welgestelde ordere of discipline over te blyven. In het welk overblyfsel de Bijen deese order in
tervallo quatuor mensium hyemalium superstites observant, is est: quod Mel in ima Alvearis regione depositum prius resignent atque consumant, paullatim versus Alvei superiora adscendentes; quo videlicet mutuum pulchrius calorem inter se sustentare queant: quae vero interea cellulae evacuantur, in has Foemella sua deponit Ovula. Unde sub initium Martii progeniem jam atque Nymphas in Alvearibus detexi. Neque id mirum videatur cuipiam: quandoquidem sub finem Augusti aliquot millia Ovulorum, in corpore Foemellae, intra Ovarium conclusa vidi; ut adeo Apes quocunque anni tempore semen suum egerere, atque familiam multiplicare aptae natae sint. Haud igitur solo examinandi tempore duntaxat generationem perficiunt Apes; imo vero tantum non continenter: quum & quotidie per imbrium ventorumve injurias, aliaque incommoda & morbos, jacturam civium quarundam faciant, quarum in locum juvenculas vi partus assidui jugiter substituere coguntur.
Apum Cultores sequenti proverbio indicare solent, quam mature Apiculae excludantur: dum ajunt, quod prima Hirundo & prima Apicula sese mutuo praemoneant. Sunt equidem, qui putant, id de Apum evolatu intelligendum esse: at non videtur propria haec esse istius proverbii significatio.
Heic nunc animadvertendum est, quod illarum cellularum nonnullae materie fuerint repletae variorum colorum, quae per strata veluti coacervata erat; quemadmodum Harengi in cadum repositi, aut aliae merces, quae paullatim, atque diversis temporibus, supra se invicem aggestae compinguntur. Porro granulata erat haec materies, & gustata dulcedinis quidpiam intermistum exhibebat. Cellularum eam continentium nonnullae obsignatae erant; aliae vero apertae atque semiplenae; aliae vixdum inchoatae; aliae iterum intus nonnihil mucescere incipiebant. Cultoribus Apum materies isthaec Panis sive Cibus Apum audit, quo Apes alvi fluxu laborantes sibimet mederi dicuntur. Verum quandoquidem credulitas errorum mater est; ideo, de veritate receptae istius opinionis ambigens, variis materiem hanc modis exploravi atque examinavi: videbatur enim potius Cerae esse rudimentum. Principio igitur eam injeci aquae; in qua celeriter quidem solvebatur, at granosa tamen semper permanebat: id quod & contigit, cum linguae eam imposuissem. Deinde ubi tenuis vitri fragmento commissa prunae, cineribus
de winter maanden onderhouden, dat se den Honing, die onder in den Korf is, eerst ontseegelen ende verteeren, klimmende allenxkens, om haar beeter onder een te verwarmen, hooger en hooger opwaarts in den Korf, alwaar soo daar eenige huyskens leedig raaken, het wyfke dan haare Eyeren inset; soo dat ik in 't begin van Maart in de Korven al jong Broet en Popkens gesien hebbe. Het welk niemant vreemt moet dunken, alsoo ik in 't laatst van Angustus eenige duysenden van Eyeren, het lichaam van het Wyfken, binnen haar Eyerstok aldaar beslooten, gesien hebbe, soo dat se tot allen tyden van het jaar bequaam syn om haar saat te setten, ende haar familie te vermeerderen. Soo dat het alleen inde swermtyt niet en is, dat de Bijen vermeerderen, maar sy doen dat haast geduurigh; want se ook gestadig in regen, wint, en door ongemak en siekten van de haare komen te verliesen, die sy dan door het geduurig teelen weer aansokken.
Ontrent het vierig voortkomen der Bijen hebben de Byenhouders dit spreekwoort, te weeten, dat het eerste Swaluwke ende het eerste Beyke malkanderen waarschouwen; dat andere weer van het uytvliegen der Bijen verstaan, hoewel dat soo eygentlyk door dit spreekwoort niet verstaan word.
Hier dient nu aangemerkt, dat eenige onder deese huyskens gevult waaren met een stof van verscheiden couleur, met leagen op een gelegert, gelyk de Haaring in den ton, of andere waaren, die men na vervolgens ende op verscheide tyden inpakt. Het was een korl of kruymelachtige stof met eenige soetigheid als men se proefde vermengt. Eenige Huyskens hier van waren toegesegelt; andere open en half vol; andere essen begonnen; andere wederom begonnen van binnen een weinigh te schimmelen. Deese stof noemen de Bijenhouders Bijen-broot, waar meede de Bijen zig geneesen alsse den buyk loop hebben. Maar alsoo die light gelooft, light bedroogen wort, soo heb ik aan dit seggen twysselende, ende ook oordeelende, dat deese stof een begintsel van Wasch was, deese stof op verscheide wysen beproest ende ondersoght. Eerst heb ik se in het water geworpen, waar in se vaardig smelt, dan altyt grein of korlachtig blyvende, gelyk se ook doet op den tong gelegt sijnde. Ten anderen, als men se op een dun stuxken glas, op een kool vuur, daar de asch nog om is, legt, soo roostertse metter tyt, sy droogt, sy wort hart ende ten laatsten swart. Op dese manier op het vuur leggende soo
tectae, imponitur; paullatim tunc torreri eam, arescere, indurari, tandemque nigram evadere observavi. Neque unquam diffluit hac ratione igni exposita: imo vel nuda si in ignem conjicitur, aut candelae accensae admovetur; ne sic quidem unquam ardet. Ex hisce experimentis videbatur mihi parum admodum de materiei istius pinguitudine, cujus examinandae gratiâ ea institueram, constare: praesertim quia animadvertebam, illam valde similem esse isti materiei, quam Apes, in quinto posteriorum suorum pedum articulo defixam, suis jugiter Alvearibus inferunt, & quae ab omnibus Apum Cultoribus pro Cera habetur. Propterea & materiem hancce, quam suis in pedibus Apes portant, examini subjiciens deprehendi, quod prorsus eadem sit Pani illi medicato Apum. Factum hinc est, ut vix ac ne vix quidem persuadere mihi possim, quod Apes Ceram, sine alia intercedente praeparatione, perfectam e campis in Alvearia sua deferant: quemadmodum pariter induci hactenus haud queo, ut simile quid de Melle credam; qui potius existimo, id in Apum Ventriculis in dulcius magisque temperatum & spissius liquidum coctione transmutari: quamvis tamen etiam fieri possit, fertilibus praesertim atque ferventioribus aestatibus, ut Mel, quale a natura paratum inveniunt Apes, intra cavum Proboscidis suae colligant: verum, quia plena est granulis, & quasi glandulis obsita Proboscis; hinc sequitur. Mel in ea pariter nonnullam mutationem subire. De Cera saltem nullus dubito, quin ipsis ab Apibus praeparata sit. Quidquid denique hujus rei sit: quum postmodum dubia isthaec mea intelligentibus Apum Cultoribus objicerem; uno omnes ore id mihi concedere fuerunt coacti, quod nullum animadverti possit discrimen inter Panem seu Cibum Apum, & inter Ceram, quam Apes, pedibus suis adglutinatam recens in Alvearia detulerunt.
Propterea Panem istum cum Melle miscui; ut ipse viderem, anne quid inde possem conficere: verum experimenti eventus me docuit, quod ratiocinando minus recte calculum posuerim. Principio quidem, cum miscetur, valde tenax evadit & glutinosa massa; quin magis etiam, quam ante, diffluit, & subactu facilior fit, quando igni exponitur: at vero ubi paullo diutius ignis vim patitur, pristinam denuo naturam suam prodit. Liquescit itidem in aqua, nec multum a priore sua indole recedit.
Attamen experimento isthoc inducor, ut aliquo modo credam, quod haec materiessit e qua Apes
en difflueert sy nooit, nog sy en brand ook ooit, in 's vuur geworpen synde, ofte met de kaars aangestooken wordende. Uyt deese experimenten dogt my dat men ten aansien van de vettigheid van deese stof, die ik daar in sogte, seer weinig kon oordeelen. Te meerom dat ik sag, dat deselve soo seer overeenkomt met het geen de Bijen, op het vyfde lit van haare aghterste beenen, geduurig aan in hare Korven draagen, ende het geen by yder een voor Wasch geoordeelt wort. Waarom ik dan ook deese stof, diese op haare beenen draagen, meede heb ondersogt, ende ik bevinde dat se even deselve is, als dit gesegt me dicinaal broot der Bijen. Het welk my eene seer groote zwarigheit veroorsaakt heeft om te gelooven, dat de Bijen het Wasch onmiddelyk uyt de velden in haare Korven souden draagen, gelyk ik ook dat selve soo van den Honing niet en geloof, menende, datse die tot een soeter ende gematigder vogtigheid en harder consistentie in haare Maagen hebbende verkooken; hoewelse egter den Honing, soo natuurelyk alsse gevallen is, meede wel soude kunnen in haar Snuytken vergaaren, ende dat in vrughtbare ende heete somers, maar alsoo het Snuytke vol greynkens, en als met klierkens beset is, soo moet den Honing dan ook daar in eenige verandering ontfangen. Dan wat het Wasch aangaat, daar en twyfel ik gansch niet aan, os het is een bereiding der Bijen selver. Watter van sy, als ik naderhand deese zwarigheden verstandige Bijenhouders quam voor te werpen, soo hebben sy my eenpaarigh moeten toestaan, dat men geen onderscheit tusschen het Wasch ende het Byenbroot, wanneer de Bijen dat in den Korf op haar beenen gekleeft dragen, kan bemerken.
Hierom heb ik dit Bijenbrood met Honing gaan mengen, om alsoo selvs te sien, of ik daar wat van kon maaken, dan de uytkomst leerde my, dat ik niet wel geredeneert had. In 't eerste mengen word het wel seer taay, en kleeverig; het vervloeit ook meer als te vooren op het vuur gelegd synde, en het word handelbaarder om te kneeden, maar egter, als het wat lang op het vuur staat, soo vertoond het syn eersten aard. Het smelt ook in het water, en verscheeld niet veel van syn oude natuur.
Egter soo doet my dit experiment eenigsins gelooven, dat dit de stof is, dien de Bijen tot Wasch
Ceram praeparant. Existimo autem, ipsas, salivae suae, aut excreti coctique Mellis adminiculo, hoc opus perficere. Unde, quamvis forte verum quoque sit, quod dicitur, Apes Materie hac, loco remedii, uti; attamen nullus dubito, quin urgente affluentiae tempore eam colligant, ut deinceps, cum penuria, tempestas humida, sterilesque & tenebricosi dies instant, aut quando evolare haud possunt, eidem perficiendae operam navent. Quod quidem an ita se habeat, experiri levi negotio quis posset. Videntur igitur Apes eodem sese modo circa hanc materiem gerere, ac ipsis circa Mel usitatum est: hujus enim itidem plus colligunt, quam opus habent; ut inopia urgente inde vivere possint. Acquat superpondium istud aliquando 30, 40, 50, vel 60 libras. Imo vel eousque nonnunquam ipsarum in colligendo Melle studium procedit; ut & progeniem suam Alvearibus ejiciant, cellulasque sic evacuatas Melle repleant: attamen crediderim aliam adhuc subesse hujusce actûs rationem, quae etiamnum animadvertenda atque expiscanda superest.
Ita igitur sentio, quod Apes dictam materiem forte coacervent; ut eam, penuriae atque sterilitatis tempore, in Ceram perficiant, tum cellulas Favorum ea obsignent, & super texta Vermium, qui fila duxerunt, eam adglutinent: quemadmodum postea accuratius exponam. Praeterea crediderim, hanc materiem quoque ostio Alvearis, cum hyems instat, obsignando, aut potius contra frigoris inclementiam angustando, inservire: nisi quis verosimilius esse putet, ipsas, quam huic operi impendunt, materiem de reliqua Cera abradere; aut potius propolim hanc per menses autumnales de Betullis & Populis colligere, qua deinde, uti Apum Cultores perhibent, non ostium duntaxat Alvearis angustius efficiunt; verum & quandoque totam Alvearis partem inferiorem, marginem, & asserem investiunt, atque intrinsecus obducunt. Panis ergo Apum, juxta ac Apum Cultoribus videtur, diversum quid a Cera foret: at, meo quidem judicio, ipsa est Cerae materies, nondum tamen praeparata. Ad Panis Apum fabricam pulcherrime contemplandam atque investigandam, accomodatius nihil est, quam microscopium sequenti modo adhibere. Immittitur Apum Panis in vitrum aqua pura plenum, tumque concutitur nonnihil, in tenuem pulverem separetur: quod, ubi forte haud satis expedite succedit, exiguo & sub-
verwerken. Het welk ik geloof, dat sy dan doen met haar speeksel, ofte uytgespogen ende verkookte Honing: waarom ik den niet en twyssel, hoewel de Bijen met konst dese stof tot haare siekten, als men segt, souden kunnen gebruyken; of sy vergaderen deselve in den tyd van overvloet, om se in tyd van noodt, nat weer, ende onvrugtbaare duystere dagen te verwerken, en op die tyd, als sy niet uyt kunnen vliegen: waar van men ook ligt de proef sou kunnen neemen. Soo dat de Bijen dan hier in souden volgen haar manier, die se hebben, om ook wel meer Honing, als se wel van doen hebben, om in tyd van nood van te leven, intesamelen, dat wel somtyds tot 30, 40, 50, en 60, ponden toeloopt. Jaa sy sijn somtyds soo yverig om Honing te vergaaren, dat se haar Broet wel uyt de Korven werpen, en de leege huyskens daar van dan wel met Honing opvullen: dan ik geloof, dat dat ook nog een andere reden heeft, die nog te bemerken staat, ende te ondersoeken is.
Siet soo geloof ik dan, dat de Bijen de geseide stof souden kunnen vergaderen, om in tyt van noodt, ende schaarsheid, deselve tot Wasch te verwerken, ook om de Huyskens van het Honingraat toe te segelen, en te kleeven over het spinsel der Wurmen, die gesponnen hebben; als onder nader sal gesegt worden. Nog geloof ik, dat dese stof dient in de wintertyd om het gat van de Korf toe te segelen; of liever tegens de koude naauwer en enger te maaken. Ten sy men liever wilgelooven, datse dat van het andere Wasch afschrabben: of liever dat se dit voorwasch, in de herfstmaanden, van Berkenboomen, en Populierboomen weeten af te haalen, waar mede sy, soo de Bijenhouders seggen, niet alleen het gat van de Korf naauwer maaken, maar ook somtyds den gantschen Korf van onderen, en den rand, en den plank, bekleeden, en ook van binnen overtrekken. Soo dat dan het Bijenbrood wat anders nog by haar als Wasch sou sijn: synde het hy my de stoffe van Wasch, maar ongewerkt. Om het maaksel van het Bijenbroot het hequaamste te beschouwen, en te ondersoeken, dat selve kan men niet beter doen als met een vergrootglas, op dese wys. Men neemt een glas met schoon water, waar in men dan het Bijenbrood leggen moet, ende dan wat omschommelen, soo sal het als een fyn poeyer van een gedeeld werden: dan soo het dat niet vaardig genoeg en doet, soo kan men een sijn en kleyn penseelken daar toe nog gebruyken. Dit poeyer moet men dan op een stuksken glas, soo
tili penicillo accelerari valet. Pulvis isthic deinde vitri frustulo, quantum ad lampadis flammam fieri potest, tenuissimo imponitur; tum vitrum, interventu amyli, particulae suberis adglutinatur, haecque postea in aciculae cuspide defixa microscopio objicitur. Ita patebit, Panem Apum nonnisi subtilibus constare globulis, aequali magnitudine & forma praed tis, plerumque trigonis aut quadrigonis, semper tamen globosis: quin angulata isthaee figura forte duntaxat nascitur a congestione & compastione harumce particularum, quam Apes dentibus suis perficiunt; Nonnunquam has inter particulas quaedam nonnihil minores reperiuntur. Quamvis autem subtilissimae sint, e quibus Panis iste constat, particulae, nihilo tamen minus admodum manifeste eas linguâ, discernere licet: quum enim Apum hicce Panis degustatur, aut commanducatur; subtile semper sabulum in ore & super lingua dispersum, aut saccharum quasi haud dissolutum, sed in granula tantum sua sive angulares crystallulos divisum, refert. Pariter cum in aqua liquescit ille Panis; vera nunquam fit dissolutio aut colliquatio minutorum ejus globulorum, sed hi duntaxat, retentis constanter pristinis suis figuris, a se mutuo separantur atque dividuntur. An vero globuli hi, quando in Ceram elaborantur, binis Apum dentibus commolantur, subigantur, & cum saliva misceantur, an vero cum pinguitudine aut liquore Apum venenato condepsantur, indagandum adhuc superest.
Miratu dignum est, pinguedinem in Hominibus acque ac Brutis itidem ex minutis ejusmodi granulis atque particulis constare: quod ubi distincte videre cuipiam volupe est, supradicto pariter modo eam tractare atque contemplari oportet. Attamen aquae interventu pingue separari in particulas haud potest: unde, ut pinguitudo, quantum par est, subigatur; cum spiritu vini paullum concutere eam convenit: ita enim facillime in particulas secedet. Hoe facto si vitro deinde imponitur, dictoque modo examinatur, spectaculum praebet visu quam elegantissimum.
Atque hanc quidem encheiresin, qua parvas ejusmodi & subtiles res, vitro impositas, adglutinamus, ut arescentes deinceps ope microscopii perlustrari queant, haud sane aliam ob rationem heic propono; quam quia infinitis pollet usibus; plurima enim, quae alioqui nec tractari nec examinari possunt, huncce in modum facillime deteguntur; quemadmodum in sequentibus passim innotescet clarius.
dun men het by de lamp blasen kan, leggen. Dit stuksken glas moet men verder met styfsel aan een stuksken kurk kleeven, en dat dan op de punt van een naalt gestooken hebbende, onder het vergrootglas besigtigen. Soo sal men sien, dat het Bijenbroot niet als uyt subtiele klootkens sal bestaan, van een groote ende figuur, gemenelyk drie ende vierhoekigh, dan altyt bolrond, ten sy men wilde seggen, dat deese hoekige figuur van het vergaderen ende op een pakken deeser deelkens, dat door de tanden der Bijen geschiet, syn oorspronk sou neemen. Somtyts vind men onder deese deelkens wel eenige, die wat kleender als de andere sijn. Hoewel nu dit Bijenbroot uyt seer subtiele deelkens bestaat, soo kun men nogtans haar seer merkelyk op de tong onderscheiden, want als men dit Bijenbroot proest, of kauwt, soo is het altyt in denmond ende op de tong als een subtiel verspreit sand, ofte suyker die niet gesmolten is, en alleen maar in syn greintkens of hoekige cristallekens verdeelt. Van gelyken wanneer het smelt in het water, soo en is dat smelten anders niet als een scheidingh of verdeeling in syn subtiele klootkens, sonder dat de selve in 't geheel smelten, oste tot een loopen, maar sy behouden altyt haar figuur. Of na deese klootkens, allse tot Wasch verwerkt worden, door de twee tanden der Bijen vermaalt, verkneet, ende vermenght met speeksel worden, ende alsoo in Wasch verandert, oste met vettigheid of venyn vermengt, dat staat nog te ondersoeken.
Het is verwonderlyk, dat het Vet in de Menschen ende in de Beesten meede uyt diergelyke kleene grynkens ende deelkens bestaat. Het welke soo men distinct weeten wil, soo moet het meede op de geseide wyse beigtigt worden, ende gehandelt; dan met water en is het vet niet van een te scheiden, waarom men dan dat selve, om syn vettigheid, soo veel als mogelyk is, te hulp te komen, in Brandewyn wat moet omschommelen, waar in het seer ligtelyk van een sal scheiden; het welk dan op glas geleit synde, op de geseide wyse moet besien worden, dat een aardigh gezigt geven sal, 't geen seer fraay is.
De geseide wyse, om diergelyke kleene ende subtiele dingen op glas te leggen, en die daar dan op vast te kleeven ende te laten droogen, om se naderhand met een vergrootglas te besigtigen, die stel ik hier voor om het oneyndig nut, dat daar in is. Want seer veel dingen, die anders ondoorsoekelyk ende ook onhandelhaar syn, die worden daar door ligtelyk ondekt, gelyk dat in 't vervolg hier en daar meerder blyken sal.
Verumtamen ut ad Apum Panem revertamur; notandum est, quod variae Acarorum species eidem avide inhient: atqui & adipem nondum liquatam hae ipsae admodum in deliciis habent; quod forte inde derivandum est, quia plurimis tum pelliculis adhuc interseptum est pingue, quae inter liquandum consumuntur, & Animalculis istis potissimum in escam cedunt. Caeterum in Cera etiam, qua Apum cellulae obthurantur, & obsignantur, nonnullas quandoque globosas particulas animadvertere licet: quo quidem novo argumento exposita ante opinio mea, quod Panis Apum sit Cerae materies, confirmatur. Ubi Cera aliquo tempore in spiritu Vini macerata fuit, admodum quoque friabilis ea evadit, & in glebulas secedit; quae itidem contuso Apum Pani quodammodo similes esse videntur: at vero experimentum isthoc cum Cera Virginea instituere oporteret; quod hactenus, aliunde impeditus, exsequi haud potui.
Omnibus interim hisce non obstantibus, quandoque tamen cernimus, quod Apes veram in Alvearia Ceram deferant, itidem ex globulis compositam, sed vel quadruplo, sextuplo, imo decuplo majoribus, quam sunt Panis Apum granula: sunt & globuli illi figurae irregularis, & alii aliis majores. At vero dubio procul Apes Ceram hanc praedantur, suisque dentibus de Cera alia, jam perfecta, demorsam, ad posteriores suos pedes adplicant atque accumulant, ut suis deinde Alvearibus importent. Quapropter glebulae istae mensurae atque magnitudini morsûs Apum congruunt, sive & moli proportionatae sunt, quam Apes de Cera, caloribus aestivorum mensium emollita, demordere valent.
Quodsi exposita hactenus circa Panem Apum experimenta attento animo perpendimus, simulque granosam ejus compagem consideramus; haud admodum credibile videtur, quod Apes eo per hyemem vesci queant: Apes namque materiem tantum, ipso Melle haud spissiorem, in corpora sua ingerere valent; quandoquidem lingua sive proboscide gaudent admodum angusta. Hinc etiam Apum Cultores granosum, sive in crystallos concretum, Mel, ut Apibus nutriendis ineptum, rejiciunt, neque unquam ipsis comedendum praebent; sed potius tempore hyberno bacillos Sambuceos, excavatos, liquido Melle replent, atque per Ceram, ab uno ad alterum usque Alvearis latus, transadigunt. Si quis autem forsan regerit, quod Apes dentibus suis huncce Panem commolere, atque deinde deglutire valeant; is hoc sibi denuo re-
Maar on weer tot het Bijenbroot te keeren, soo[...] nog te weeten, dat verscheide soorten van Myt het selve graeg eeten, gelyk ook het ongesmolten vet graag van haar gegeten word, het welk mogelyk daar uyt komt, om dat het als dan met verscheide vlieskens, die door het smelten verteert worden, nog omvangen is, en welke vlieskens sy verteeren. Vorders in het Wasch, daar de Bijenhuyskens meede toegekleest ende versegelt worden, siet men somtyts meede eenige rondigheeden, dat myn gevoelen, dat het Bijenbroot daar de stof van sou sijn, vermeerdert. Wederom als het Wasch eenigen tyt in Brandewyn geleegen heeft, soo is het meede seer brieselig of brokkelig, welke deelkens als dan ook eenigsins schynen overeen te komen met gekneust Bijenbroot; dan deze proef moet ontrent Maagden-Wasch genoomen worden, dat ik tot nag toe, door iets anders belet, niet gedaan hebbe.
Evenwel dit alles niet tegenstaande, soo siet men somtyts, dat de Bijen Wasch selve in de Korven draagen, dat dan ook rondagtig is, maar wel vier, en zes, en tienmaal grooter, als de greinkens van het Bijenbroot: ook is het irregulier van figuur, synde ook het eene deelke veel grooter als het andere; dan het welk Wasch sy sonder twysel rooven, ende met haare tanden van ander Wasch, dat alreede gemaakt is, asbyten, ende dat dan alsoo op haare agterste voeten op een stapelen, om in haare Korven te draagen. Soo dat dan deese klootkens syn na de maate ende de grootheid van haare beet, oste na die grootte, op de welke sy byten kunnen, als het Wasch week is in de somermaanden.
Deese ondervindingen van het Bijenbroot soo men die wel overweegt, ende te gelyk syn greinagtigheid aanmerkt, soo vind ik eenige zwarigheid om te gelooven, dat de Bijen het selve in den winter soude kunnen eeten myne redenen syn, dat de Bijen niet, als dat soo dun als Honing selvs is, in haare lighamen kunnen inswelgen, ende dat door reeden van de engte ofte de nauwte van haar Snuytken of Tongeken. Waarom ook de Bijenhouders den gegreinden of gecristalliseerden Honing, als onnut tot voetsel van de Bijen, verwerpen, ende de selve haar nimmer geeven; maar sy neemen in de wintertyd uytgeholde Vlierstokken, die sy met vloeyenden Honing vullen, en door het Wasch van de eene syde der Korf tot de andere doorsteeken. En of men al op deese swarigheid kon antwoorden, datse met haare tanden dit Bijenbroot konden vermalen, en soo souden opeeten, soo sou ik daar op weer kunnen
sponsum habeat, quod Apes simili modo granosum Mel tractare possent. Quapropter difficultas mea hactenus indissoluta manet: nisi cui fingere placuerit, quod Apes Panis hujusce granula suis mandibulis commolant, & cum saliva, aut eructato, sive recenti Melle commista deinde per proboscidis suae angustias sugendo adtrahant; quandoquidem, praeter proboscidem, alius quidam introitus, os, aut fauces hunc in finem ipsis concessa non sunt. Hinc sane vel nunc etiam hac in re maxime haereo; quum ostiorum proboscidis tam incomprehensibiles sint angustiae, ut vix ampliora mihi videantur osculis venarum Meseraicarum, aut Lactearum, in intestina hiantibus, quae nonnisi subtilissimos & ad ultimum tenuitatis gradum evectos liquores admittunt.
Possemus heic nunc ulterius inquirere, quonam modo Panis Apum subrotundam suam figuram nanciscatur? tum anne Ros sit; an florum fructuumque effuvia, prius in vapores resoluta, dein rursus condensata, eum constituant; an vero alia quaedam concreta materies, quae ob fluorem suum, vi atmosphaerae prementis, in formam globosam coacta est, ipsi originem det? Verum experimentis hactenus destituimur ad haec determinanda necessariis: namque, juxta ac rectissime ait Baco, non fingendum aut excogitandum, sed inveniendum, quid Natura faciat aut ferat. Attamen haud raro simile quidpiam in rerum natura semet visui offert; quemadmodum praecipue in Gummibus observare licet; quin inter Lupuli florum petala ingens ejusmodi granulorum numerus conspicitur, quae amari sunt saporis.
Venerandus Pater meus suo in horto nonnullos Vitis ramos, ut citius maturas obtineret uvas, per effractum vitrum intra domunculam ibi exstructam deduxerat; circum quos ramos infinitum saepius numerum globulorum, instar crystalli pellucidorum, alborum, subhumidulorum & nonnihil lentescentium observavi: neque potui unquam globulos hosce penitus liquare, aut in vapores resolvere; quia semper aliqua remanebat materies, quae exsiccando indurabatur. Id autem cum praesertim in finem quoque heic commemoro, ut naturam Sitûs, cui Apum etiam Panis obnoxius est, tanto explicare possim accuratius: quamvis enim particulae pilosae, plumatiles quasi, & lanuginosae, sive, ut Cl. Hooke in Micrographia sua, nunquam satis laudanda, depinxit, flosculi veluti conniventes atque aperti Situm videantur constituere; at-
voorwerpen, dat se den gegreinden Honing ook alsoo souden kunnen doen. Waarom myne swaarigheit onoplosselyk blyft, ten sy men zig wilde inbeelden, dat se de greinkens van het Bijenbroot met haare kaakebeemen quamen te vermaalen, ende die dan met opgerispte Honing, of Speeksel, of versche Honing vermengt hebbende, quamen door de engte van haar snuit op te suygen; want sy anders geen opening, mont of keelgat daar toe hebben. Waarom my dat egter nog al een groote swaarigheid maakt, ende dat om de onbegrypelyke nauwte van den ingang van de Snuit, die ik haast soo nauw en eng aanmerke, als de mondekens van de scheyl of melk Aders van de Darmen, alwaar niet, als dat ten alderuytersten dun ende subtiel is, kan ingaan.
Men sou hier nu kunnen ondersoeken, op wat wyse het Bijenbroot syn rondagtige figuur verkrygt, en of het dan uytgewaasemde, ende dan weer verdikte uitvloeisels der bloemen ende vrugten waaren, oste ook eenige andere samengelopene stoffe van de omringende lugt om haare vogtigheid tot rondheid gedwongen. Dan men moet daar meer proef van hebben: want men moet niet versieren of uitdenken, maar uitvinden wat de Natuur doet, segt Bacon seer wel. Egter siet men dikwils soo iets in de natuur, als ontrent de Gommen voornamentlyk te bemerken is. En tusschen de bladeren van de Hop-bloemen siet men diergelyke greynkens, die bitter van smaak syn, in overvloet.
In myn waarde Vaders Hos, daar had hy eenige takken van een Wyngaart, binnen in het tuynhuysken, om te eerder rype vrugten te hebben, door een uytgebrooken glas ingelegt; om welke ranken ik dikmaals een ontallyk getal ronde klootkens gemerkt hebbe, doorlugtig en wit als Cristal, ende een weinig vogtig ende kleeverig: deselve heb ik nooit heel en al kunnen doen smelten of uitwaasemen, want daar bleef altyt over eenige stof, die droogde ende verhart wierd. Het welke ik voornamentlyk ook hier om bybreng, om de natuur van het schimmel beter te doen verstaan, dat het Bijenbroot ook onderworpen is: want hoewel ket schimmelhayrige ende pluymagtige donselige deelkens schynen, oste als gesloote ende ontsloote bloemkens, als de Heer Hooke dat in syn nooit volpreese Micrographia soo uytbeelt, dat seg ik het egter anders niet en is als een opeenstapeling van diergelyke ronde
tamen in sola is accumulatione ejusmodi globulorum, qui alii aliis majores sunt, revera consistit: quod quidem, industrio Leeuwenhoekio monstrante, ope microscopii, ad modum ab amplissimo Consule Amstelaedamensi, Hudden, excogitatum, constructi, Delphis primum conspexi. Propterea de hac re ita existimo, quod corpora, quando Situm contrahunt, nonnisi effluvia & vapores emittant, qui fermentescentis & in calorem commotae materiei vi foras propulsi, ab atmosphaera frigidiore denuo condensati, globosam induunt figuram; quia aëre aequabiliter premente undique ambiuntur: dum vero hujusmodi globulorum alii alios insequuntur, & sese mutuo altius jugiter, sursum in aëra, propellunt, hinc inaequales illae, pilosae, & oblongae particulae tum nascuntur.
Porro & Cerae natura accuratius investiganda foret, ut innotescat, an forte ex corpore Apiculae pingue aliquod, flammam concipere aptum, ei admisceatur: quod quidem e corporis partiumque adjacentium structura constare posset. Mirabilia enim sunt, quae in corporibus secernuntur; heic pingue, illic oleum; istic fel, ibi humores dulces; alibi aquosa, alibi lentescens & glutinosa materies; virosa alibi, alibi suaveolentia, aromatica & oleosa salia volatilia, cujusmodi est Zibethum, quo oblita charta etiam scriptionem fert: atque hocce indicio quam certissime dignoscimus, an Zibethum genuinum sit. Verum immensi temporis maximique laboris isthaec sorent scrutinia : namque & liber undequaque aditus ad omnia Naturae arcana haud datur; & incomprehensibilis nostrarum virium tenuitas in passu quolibet statis suis limitibus extremisque finibus coërcetur.
Transeo ad Favum, sive domunculas, aediculas, cellulas atque tubulos Apum, quos, de Cera effictos & fabricatos, Melle replent, Ceraque iterum obsignant: unde Favus proprie Ceram Melle farctam significat. Primo de Apum Vulgarium, dein de Marium, tandemque de Foemellarum cellulis agam. Omnes Vulgarium Apum cellulae sive domunculae, & supra, & infra, hexagonae sunt; anguli tamen partis superioris inter se sunt aequales, id est, aeque ampli & alti; verum in parte ima anguli sunt inaequales: tres enim hujus partis anguli profundius demerguntur, quam tres reliqui; quod inde oritur, quia domuncula quaevis, sicubi regulare est aedificium, tribus semper aliis domunculis fundata exstruitur:
klootkens, waar van de eene grooter nog is als de andere: gelyk my dat de naaukeurige Leeuwenhoek tot Delft het eerste onder een vergrootglas, naa de nitvinding van den Heer Burgermeester Hudde tot Amsterdam getoont heeft. Waarom ik dan oordeel, dat de deelen, die schimmelen, niet als uitvloejingen ende Dampen opgeeven, die, door een gistende, ende tot hette beweegde stof uytwaars gedreeven synde, door de koude lugt dan verdikt worden, ende alsoo se rontsom van de selve lugt omvat worden, dan een klootagtige figuure komen aan te neemen; volgende soo het eene klootken het andere, tot se hooger en opwaarts in de lugt gevoert ende gedreeven synde, als oneffen hayrige ende langwerpige deelkens zig dan vertoonen.
Men sou vorder kunnen de natuur van het Wasch nader ondersoeken, om te sien, of 'er ook iets uyt het Lichaam van de Bye sou by gemengt worden, dat vetagtig was, en bequaam om te branden, dat men dan uyt de structuur van het lichaam, ende van syne byleggende deelen vinden moet: want wonderbaarelyke zaaken worden in de lichaamen afgescheiden, als hier vet, daar olie; hier gal, daar soete vogtigheeden; hier een wateragtige substantie, daar een kleevende ende lymagtige; hier weer qualyk riekende zaaken, daar welriekende ende olieagtige vlugtige souten, gelyk het Civet soodanig is; en daar men ook op schryven kan, als het over een papier is gestreeken, dat syn proef is, die seker gaat. Dan dat sou veel tyt ende een groote moeyte met sig geeven, te meer nademaal de natuure in alles niet is na te spooren; alsoo onse onbegrypelyke onmagt op alle treeden haare geheele bepalingen ende uyterste eynden heeft.
Maar ik sal voortgaan tot het Honingraat, dat de Huyskens, de Kamerkens, ofte de Cellekens en pypkens der Bijen syn, met Honing opgevult, ende versegelt met Wasch, daar se ook uyt gemaakt ende getimmert worden, soo dat het woort Honingraat, eygentlyk Wasch met Honing gevult betekent. Eerstelyk sal ik van de Cellekens der gemeene Bijen, dan van die der Mannekens, ende ten laatsten van die der Wyfkens spreeken. Alle de gemeene Bijen haare Cellekens, of Kamerkens, syn seshoekig, soo van boven als van onderen, synde de hoeken van boven gelyk, dat is even wyt en hoog, maar van onderen syn sy ongelyk, want van aldaar daalen drie hoeken lager neer als de andere drie; het welke komt, alsoo ieder Huyske, altyt, wanneer het werk geregelt is, op drie andere Huyskens staande gebouwt word, ende also de sondamenten der Huyskens schuyns ende driehoekig
quandoquidem igitur domuncularum fundamenta oblique, atque in modum trianguli deorsum vergunt; hinc anguli duo unum conficiunt angulum oblique descendentem. Interna ergo domuncularum basis constanter oblique deorsum tendit, atque in tres distincta est partes; quarum quaelibet binis respondet lateribus hexagoni ambitûs domunculae. Tres hi modo memorati anguli, basin domuncularum constituentes, plerumque omnes quadrati sunt: & siquando acu vel acicula eorum quilibet transadigitur, id est, si unusquisque fundamenti angulus perforatur, ut una domuncula tribus factis foraminibus pervia sit; tunc tria isthaec foramina ab altero latere in tres distinctas cellulas penetrant. Unde palpabili isthoc argumento certissime constat, cellulam quamvis seorsim aliis tribus cellulis fundatam esse, communemque ideo parietem cum illis habere: nulla enim domuncularum limitibus aut parietibus circumscripta est sibi soli propriis: quemadmodum & reliqua omnia inter Apes, veluti inter fratres, communia sunt. Sicubi vero aedificium irregulare fuerit; tunc equidem aliquando contingit, ut domunculae angulus quidam quartae insuper cellulae innitatur: attamen haud adeo frequenter id obtinet; quamvis vel nuperrime etiam in opere satis regulariter constructo observaverim.
Fundamentum itaque cellularum medio inter has omnes loco constitutum est, cellulaeque ab utroque latere fundamini huic innituntur. Id ipsum vero plerumque, parietis instar, ab Alvearis superioribus perpendiculariter versus inferiora exporri gitur: & utrinque dein contra hunc parietem collocatae sunt domunculae, oblique lateribus suis incumbentes. Finge tibi vacua quaedam vitrea vascula, quibus cerevisiam haurire solemus, contra utrumque tenuis cujusdam parietis latus, a solo ad tabulatum usque, supra se mutuo aggesta, & intelliges quodammodo cellularum compositionem. Ejusmodi autem parietes, cellulis instructi, quandoque 6, 8, & plures uno in Alveari reperiuntur; qui quidem tanto semper intervallo a se invicem dissiti sunt, ut Apibus facilis inter eos concedatur transcursus. Ne autem Panes hi aut Favi, sicubi Melle pleni sunt, decidant; Cultores Apum in Alvearia, etiamnum vacua, bacillos defigunt, circum quos Apes cereas hasce cellulas fabricantur.
Omnes hae Cellulae aeque, ac ipsum earum fundamentum, ex materie non contigua, sed continua, construuntur; ut adeo omnia inter se
neer gaan; soo maken twee hoeken een hoek die schuyns nedergaat. Het binnenste fondament der Huyskens is dan altyt schuyn neerwaarts gaande, en in drien gedeelt, voegende ieder van deese drie afdeelingen, op twee van de seshoekige syden van het Huysken. Deese geseide drie fondament-hoeken der Huyskens syn gemenelyk alle vierkant, ende als men ieder van deselve met een spelt of naalt doorboort, dat is, als men door ieder fondament hoek een gat steekt, ofte anders drie gaaten in een Huysken maakt, soo komen de selve gaten in drie verscheyde Huyskens aan de andere syde uyt; dat een seker ende tastbaar bewys is, dat ieder Huyske in het byzonder op drie andere Huyskens gegrontvest is, ende daar eenen gemeenen muur alsoo meede heeft. Want daar en staat geen Celleke op syn eyge paalen of muragien; gelyk ook alles vorder onder de Bijen broederlyk ende gemeen is. Maar is het werk ongeregelt, soo gebeurt het wel, dat een Huyske met syn eene hoek, nog op het vierde komt te staan, dan dat gebeurt soo dikmaals niet, hoewel ik het nog onlangs onder een werk, dat redelyk geregeld was, gesien heb.
Het fundament dan der Huyskens is in het midden van al de Huyskens, ende de Huyskens syn aan weerkanten op het fondament staande. Dit fundament der Huyskens gaat gemenelyk van het boven end van de Korf, als een muure pas loot, naa onderen neer, en aan weersyden op en tegens dese muur syn de Huyskens schuyns op haar sy geplaatst. Op de manier of men eenige leege bierglasen, aan weersyden van een dunne muur, van de vloer tot de solder op malkanderen stapelde. En sulke muuragien met kamerkens vint men somtyts 6. 8. en meer in een Korf, die dan soo ver van een geplaatst syn, dat de Bijen daar makkelyk tusschen deur kunnen loopen, en op dat dese Brooden, of dit Honingraat, niet souden vallen, alsse vol Honing syn, soo steken de Bijen houders stoxkens in de Korf, als sy nog leeg is, daar de Bijen dese Wassche kameren dan om werken.
Alle deese Huyskens met haar fondament worden uyt een aaneenhangende ende niet aaneenstotende stof gemaakt, soo dat alles continueel is, ende het eene Huys-
continuata sint, neque ullo alio artificio, nisi fractione tantum aut sectione, cellulaea se mutuo possint separari: quidquid sibi perperam imaginati fuerint nonnulli, existimantes, quod Apiculu queavis suam sibi scorsim exstruat domunculam, qua de re suo deinceps loco prolixius agemus.
Quodsi aedificium hoc regulare est; tunc quinque harum cellularum quam exactissime pollicem aequant, & quinque supra quinquaginta Hollandicum pedem conficiunt. Unde hoc animadvertens Vir quidam in Galliis, reputansque cellulas hasce constanter ad eandem hanc normam fabrefactas esse, censuit, se heic mensuram invenisse sempiternam, quae, ut nunquam interitura, universim apud omnes Gentes introduci posset. Firmaretur profecto maximopere hoc inventum, ejusque adstrueretur dignitas; si cellulae semper adeo examussim forent constructae, Favique in regionibus omnibus eandem constanter obtinerent magnitudinem: at vero apud nos Favi hi non semper tam exacte regulares sunt, ac quidem vulgo creditur; quamvis, si obiter tantum cellulas adspexeris, ne pilum quidem inter se discrepare videantur. Verum tamen siquis accuratius eas inter se contulerit, nonnunquam valde irregulares inveniet; praesertim ubi eum in sinem ab Apibus fabresiunt, ut melli excipiendo inserviant. Tres oblique devergentes fundamenti cellularum partes, uti plerumque quadratae sunt, ita nonnunquam oblonga, nonnunquam rhombo simili figura gaudent: quin observavi alias aliis etiam humiliores aut altiores, tum & angustiores quandoque vel ampliores fuisse. Neque etiam cellula quaelibet tribus constanter cellulis innixa est; sed aliquando duabus & dimidiae, nonnunquam tribus atque parti insuper cuidam cellulae quartae. Praeterea quoque cellulae quandoque duplo vel triplo sunt longiores solito, & nonnunquam etiam incurvae aut sinuatae: prorsus uti in domunculis Crabronum obtinet, quae plerumque nonnihil tortuosae evadunt; quia paullulum ultra fundamentum sive centrum suum exporriguntur. Attamen Apes nunquam hunc in modum aedificant, nisi cum uberrima Mellis copia colligenda venit: tum enim temporis domunculas vidi Melle plenas, obsignatas, instar ingentium pugnorum atque glebarum in Alveari suspensas.
Circa Foemellae, perperam Regis dictae, domunculas, & qua hae aliis cellulis compa-
ken van het andere door geen kunst, als alleen door breeken of snyden kan gescheiden worden. Het geen eenige nogtans zig seer verkeerdelyk ingebeelt hebben, meenende, dat ieder Bye syn particuliere Huyskens bouwde, dan hier van op syn plaats breeder.
Wanneer dit werk regulier is, soo maaken vyf van deese Huyskens seer net een duym, ende uysen-vyftig een Hollantsche voet: het wel een Fransch Heer aangemerkt hebbende, en siende op de regulierheid van deese Huyskens, soo oordeelde hy aldaar een eeuwigduurende maat, die nooit en kon verlooren werden, ende in alle landen ontsankelyk sou syn, te hebben uytgevonden; welke regulierheid dan der Huyskens, soo die geduurig soo net was, ende het Honingraat in alle landen van eene grootte, de geseide uytvinding seer sou styven, ende haare deftigheid bewysen. Dan onder onse Bijen syn deese Honingraaten soo regulier altyt niet, als men wel meent, hoewel uyterlyk aan te sien, de Huyskens in gelykheid malkaer niet een hayr en schynen te wyken: dan soo men se naby besiet soo synse dikmaals in een Kors seer irregulier, voornamelyk als se Huyskens timmeren, om de Honing in te ersamelen. De drie schuyn neergaande fondament deelen der Huyskens, die gemeenelyk vierkant syn, syn somtyts langwerpig, ende somtyts ruits gewys. Nog heb ik gemerkt, dat sommige korter, andere weer hooger als de andere waaren, soo ook sommige wel wat naauwer, ende andere weer wat wyder. Van gelyken soo en staat niet altyt een Huyske op drie andere, maar somtyts op twee alleen, ofte op twee ende een half, of op drie en op een deel van 't vierde. Somtyts syn de Huyskens ook wel twee ende driemaal langer als gewoonlyk, ende ook krom ofte geboogen, even gelyk de Huyskens van de Horsels, die gemeenelyk soo een weynig bogtagtig gemaakt worden, om dat se wat buyten haar fondament of middelpunt wyken. Dan dit doen de Honingbijen niet, soo ik meen, dan als'er overvloedig Honing te vergaderen valt. Op welken tyt ik gesien heb, dat dese versegelde Huyskens met Honing, als groote vuisten en klonten in de Korf hingen.
Omtrent de Huyskens van het Wyfken, verkeerdelyk Koning genoemt, ende ook daar de selve Huys-
ginantur, saepissime notabiles occurrunt anomaliae: quamvis generatim omnia, obiter inspecta, perquam regularia esse videantur.
Ulterius animadvertendum est, quod Apes cellulas suas haud seorsum singulas exstruant; ita nimirum, ut unam plane perficiant prius, quam alteram inchoent: imo vero insignem domuncularum numerum, una cum harum fundamento, simul codem tempore construere adgrediuntur. Principio quidem trigonum illud oblique devergens, acute coiens, concavum fundamentum locant; deinde inferiora atque inaequalia latera hexagona construunt: ut adeo in Alveari unico, codem tempore, & fundamenti initium, & rudimenta parietum hexagonorum cellulae ab uno latere, & eadem cellula ab altero latere, eodem super fundamento, altius educta, & alia rursus quaedam latera modo inchoata atque emergentia, simul videri queant. Praeterea circa hanc cellularum aedificationem mirabilissima quaedam & artificii plenissima Apum directio adhuc memoranda venit: eâ nimirum utuntur ibi locorum, ubi assurgentia cellularum latera, hexagona, quam tenuissima sunt atque tenerrima; & sub id tempus, quo cellulas hasce aliquamdiu imperfectas relinquere volunt: quod quidem obtinet, cum Foemella, semen vel Ovula sua deponendi gratiâ, aliam semet in Alvearis partem confert; quemadmodum infra prolixius explicabo. Hoc ubi contingit; Apes prius omnes hexagonorum & inchoatorum laterum oras muniunt, ne frangantur interea aut curventur; quod quidem frequenti Apum super cas discursu facile fieri posset. Latera igitur cellularum imperfectarum superne adglutinato instruunt margine, de spissiore & solidiore Cera parato, atque super extrema laterum hexagonorum, in ambitu, marginem hunc cereum adplicant; ut ideo figura hexagona cellularum, jamjam elucescens, quodammodo rursus obscuretur. Quin simili nonnunquam ratione vel penitus elaboratas etiam domunculas suas praetexunt; tumque id praeterea boni inde in eas redundat, quod, sicubi cellula ejusinodi deinceps obsignanda est, haud tantum temporis & Cerae requiratur impendendum. Apiculae ergo, ratione inchoatarum suarum cellularum, eandem heic adhibent circumspestionem, ac si quia tenerorum atque defractorum poculi cujusdam vitrei laterum oras extremas liquata Cera vulgari, sive sigillari, obduceret, ut firmentur, & minore cum periculo tractari possint.
kens aan de andere vast gebouwt worden, daar siet men dikmaals ongeregeltheeden, die merkelyk synt hoewel egter in 't gemeen, ende in 't uyterlyk aansien, alles seer geregeld schynt te syn.
Nog soo is aan te merken, dat de Bijen haare Huyskens niet na vervolgens op en houwen, dat is het eene Huysken eerst, ende geheel volmaakt, en dan het andere; neen: maar sy bouwen een seer groot getal Huyskens, te gelyk met haar fondament, ende op een tyt. Eerst bouwen se het driekantig schuyns neergaande, ende spits toelopende kuylagtig fondament, dan de onderste ende de ongelyke seshoekige syden. Soo dat men in een Korf, ende op een tyt kan sien het begintsel van 't fondament, het begintsel van de seshoekige syden van het Huysken aan een syde, ende de hoger opbouwing van het geseide Huysken aan de andere syde, op het selve fondament; ende dan weederom eenige andere essen begonnen opgehaalde syden.
Omtrent dit bouwen der Huyskens is nog aan te merken eene seer wonderlyke konstige voorsigtigheid der Bijen: te weeten, dat ter plaatse, daar de opgaande seshoekige syden der Huyskens op haar alderdunste syn, ende seer teer; ende de Bijen nu deese Huyskens eenigen tyt willen laten ongebouwt staan, het welk geschiet, als het Wyske op een ander oort van de Korf, om aldaar haar saat os Eyeren te setten, zig begeeft, als ik onder nader seggen sal. Als dit gebeurt, soo versorgen de Bijen eerst alle de randen van deese seshoekige en begonnen opgeboude syden, vour breeken of inbuygen, dat ligtelyk van haar door daar over en weer te loopen sou kunnen geschieden. Het selve doen se dan, door boven op de syden der envolmaakte Huyskens een rontagtigen rand, van dikker ende sterker Wasch te kleeven: deesen rand van Wasch klevense over de ses hoekige syden in de rontte, soo dat de sigtbaarheid van de seshoekigheid der Huyskens eenigsins daar door weg genoomen wert. Dit doense ook wel omtrent haare volkomen opgehoude Huyskens, daar se dan dit mit nog van hebben, dat, alsse naderhant dit Huysken willen verseegelen, dat se dan daar soo veel tyt, nog ook Wasch toe hoeven te verbeesigen. Soo dat de Bijen omtrent haar onvolkome Huyskens hier deese voorsigtigheid gebruyken, als of iemant de teere afgebrooke syden van een roemer of glas, op syn kanten met gesmolten Wasch of lak overkleefde, om die sterker en bequaamer tegens het handelen te maaken.
Marium domunculae plus tertia parte majores sunt, quam Apum Vulgarium cellulae; at eundem tamen penitus in modum fabrefactae, atque communiter in parte Favi infima collocatae: post reliquas enim omnes cellulas demum construuntur. Quandoque earum trecentae, quadringentae, & vel plures etiam numerantur; quandoque autem multo pauciores: hoc siccae anni constitutioni acceptum referunt Apum Cultores; illud, numerosiores videlicet Marium cellulas, copiosis pluviis: unde etiam Marium in Alveari multitudine humidam anni constitutionem significari perhibent. At mera haec sunt phantasmata, nonnisi inde prognata, quod opinentur, Apes, cum anni sicciores sunt, Melli duntaxat colligendo inhiare; humidis contra annis generationem curare. Verum, ut vel per quinquaginta nonnunquam annos Apum culturam exercuerint hi homines; necquicquam tamen de Generationis negotio intelligunt, & nequidem norunt, qualenam Animalculum sit Apicula illa incubans, quam Marem vocant. Nolim heic, Lector, ut, quam exhibeo, numeri cellularum determinationem credas absolutam & exactam esse: quandoquidem in genere tantum ex multitudine calculum posui; nec adeo accurate tum temporis omnes dinumeravi.
Foemellarum cellulae unico in Alveari quandoque triginta reperiuntur, pauciores tamen perfectae, imperfectae plurimae. Plerumque minus regularis earum fabrica est: plurimum tamen oblongae, subrotundae, & hinc pyriformes sunt; quandoque nonnihil rectiores & minus ventricosae piro; alias vero paullo iterum magis globosae. Externa earum superficies inaequalis est, aspera, foveolis atque extuberantibus jugis distincta, ad Favi figuram conformata. Intus quidem, uti cellulae priorum atque Vulgarium Apum, laevissima gaudent & penitus expolita superficie: at ab his tamen differunt rursus, quod ampullaceum veluti cavum, eraso vel excavato piro simile, constituant; adeoque capacissimae sint, & amplitudine tam Apum Communium quam Marium, cellulas multum antecellant. Foemellis igitur longe insignius, quam Apibus reliquis, concessum est spatium, quò suis in cellulis semet convertere liberius queant: cujus discriminis rationem suo loco exponam. Foemellarum hae domunculae plerumque, & tantum non constanter, circa crepidines, extantesque margines & angulos Favi sunt collocatae; rariusque in centro, vel medio inter reli-
De Huyskens der Mannekens syn ruym een derde part grooter als die der gemeene Bijen, ende vierhandert ende even op de selve wys van maaksel, ende gemeenelyk heel onder aan het Honingraad geplaatst: want sy worden het laatste van alle de Huyskens gemaakt. Sy syn somtyts wel drie, ende ook meer in 't getal, somtyts synse merkelyk minder, dat de Bijenhouders de drooge jaaren toeschryven, ende de veelheid van de Huyskens der Mannekens de natte jaaren: willende daarom, dat veele Mannekens in de Korf een nat jaar souden betekenen, dan dit syn alles maar inbeeldingen, dewelke niet en steunen, als op dit gevoelen, dat de Bijen in drooge jaaren niet en tragten, als om Honing te vergaaren, en in natte jaaren soo behartigen sy de voortteeling; van de welke saak der voortteling nogtans, hoewel dese Bijenhouders daar somtyts wel vystig jaar meede omgegaan hebben, sy egter niet het geringste weeten te seggen, nog ook wat het Broed-beyke, soo sy het Manneken noemen, voor een dier is. De leeser moet ook deese reekening van haar juyst getal soo net niet neemen, alzoo die in 't gemeen van my genomen wort uyt de veelheid, sonder dat ik het toen ter tyt naaukeurig getelt heb.
De Huyskens der Wyskens, waar van men somtyts wel dertig soo volboude, die weing syn, als begonnene, die het meeste getal maken, in een Korf telt, syn in 't gemeen ongeregeld van maaksel, egter syn se meesten tyt langwerpig, rondagtig, ende alsoo peersgewys. Somtyts synse wat regter, ende soo buykig niet als een peer, en op andere tyden synse weer wat ronder uytwykende. Van buyten synse ongelyk, rompelig, met kuylkens ende uytpuylende rantkens van maaksel, trekkende na de figuur van 't Honingraat. Van binnen synse als de Huyskens der andere en gemeene Bijen gansch glat ende essen van vlakte, maar tot onderscheyt rontagtig hol, als een uytgeschrapte of geholden peer, ende alsoo heel en merkelyk wyt van spatie, overtressende daar in seer verre de Huyskens der gemeene Bijen, als ook die der Mannekens. Soo dat de Wyfkens dan een veel aanmerkelyker ruymte hebben, om zig in haare Huyskens te keeren ende te wenden, als de andere Bijen, daar ik de reedenen van op syn plaats sal geeven. Deese Huyskeus der Wyfkens syn gemeenelyk, ende haast altyt, op de kanten, ende de uytstaande randen of hoeken van het Honingraat geplaatst, ende alsoo selden binnen ende in het midden van de andere Huyskens gebouwt, het welk alles syn reeden heeft, en
quas cellulas loco constitutae observantur: quae quidem omnia certos in fines collineant, adeoque haud absque consilio a Sapienfissimo Conditore Animalculis hisce sunt impressa. Jam ea, quae hactenus enarravi, iconibus aliquo +modo illustrare conabor. Prima igitur figura regularem exhibet Favum Apum Communium; prout is, superna parte inspectus, hexagonas suas & regulares sectiones visui ofsert: neque tamen sectiones hasce depingere potui, nisi juxta ductum quarundam inventarum linearum; quibus datis sectiones deinde sat facile est describere: quamobrem etiam harumce linearum nonnullas heic simul exaratas sisto. +Subsequens figura IIda, sub lit. a, tres exhibet peculiares Apum Communium cellulas, de reliquo Favo effractas, una cum triangulari +sua basi, oblique devergente, depictas. Lit. b unam separatim cellulam repraesentat, penitus de reliquis omnibus effractam; in qua, praeter +oblique descendens fundamentum triangulare c, duo etiam laterum cellulae hexagonorum anguli +inaequales & productiores sub lit. d d +conspiciuntur. Quodsi nunc cellulam isthanc b +cellulis a imponi fingas; siet, ut tres ejus anguli obliqui ad tres harumce cellularum angulos congruant, atque his interpositi suffulciantur +Figura IIItia cellulam monstrat per medium scissam; in qua triangulare fundamentum, aeque ac sex latera, conspici possunt: quidam ex tribus angulis obliquis dissectus est; uti ad +lit. b b patet. Porro Fig. IVta quindecim ostendit Cellulas, utrinque discissas; quas inter pars quaedam trigoni fundaminis, oblique devergentis, in cellula qualibet, manifeste conspicienda offertur: innotescit heic etiam, quomodo +cellulae a, b eidem fundamento d, inaedificatae +sint, cui cellulae alterius lateris c innituntur. +Ulterius lit. d fundamentum trigonum, oblique introrsum devergens, quam exactissime, uti revera se habet, expressum sistit: +quod ipsum sub lit. g inter utriusque lateris cellulas quoque depictum cernitur, at sectione per duos angulos transeunte divisum. +Lit. f f f f deinde duo quaedam longissima cellularum +latera exhibet; e e e e vero duo breviora: quaelibet enim, ut ante dixi, domuncula, parte inferiore, tribus gaudet longioribus, totidemque brevioribus, devergentibus lateribus, quae parte superiore aeque longa sunt.
+Quae postea sequitur, Figura Vta nonnullas repraesentat Marium cellulas, quae tertia parte majores sunt, quam Apum Communium
alsoo niet sonder nadenken deese Dierkens van den Alderoppersten Maaker ingedrukt. 't Geen hier nu gesegt is sal ik eenigsins in figuur tragten te verbeelden. Deese eerste figuur verbeelt dan het gereegeld Honing raat der gemeene Bijen, soo als het sig, van boven besien synde, in sijn seshoekige, gereegelde verdeelingen vertoont, ende dewelke niet van my en hebben kunnen afgebeelt worden, als door middel van eenige uitbedagte lynen, waar op mense dun vaardig genoeg kan teekenen, het welke de reeden is, dat ik eenige deeser linien hier meede afbeelde. De volgende +figuur vertoont by de letter a drie hyzondere Huyskens van de gemeene Bijen, uyt het andere Honingraat uytgebrooken, ende met haar driehoekig +schuyns neergaande fondament afgebeelt. b vertoont een Huysken heel en al van de andere afgebrooken, alwaar behalven het schuyns neergaande driehoekige +fondament c, nog twee ongelyke, en langere hoeken van de seshoekige syden van 't Huysken vertoont +worden, als by d. d. Soo men nu dit Huysken +b. op de Huyskens a quam te plaatsen, soo sou het met syne drie schuyne hoeken drie hoeken van de andere Huyskens beslaan, ende daar op en tusschen in rusten. De derde afbelding vertoont een Huysken midden door gesneeden, alwaar dan syn driehoekig fondament, als meede de ses syden vertoont worden. Synde een +van de drie schuynse hoeken deurgesneeden, als by b b. Vorders vertoont de vierde afbeelding vyftien Huyskens aan weersyden deurgesneeden, tusschen het welken een deelken van het driehoekig schuyns neergaande fondament seer klaar in yder Huysken te sien is; als ook hoe de +Huyskens a, b op het selve fondament d staan, daar de +Huskens van de andere sijde c. opgeplaatst sijn. Vorders +vertoont de letter d seer net naa 't leeven het schuins driehoekig inwaarts neergaande fundament, het welke +de letter g tusschen de Huyskens aan weersijden ook vertoont, dan in twee hoeken deurgesneden. De letters +ffff vertoonen vorder twee van de langste syden +der Huyskens, gelyk e e e e twee der kortste vertoonen; want, als gesegt is, ieder Huyske heeft van onderen drie langer, ende drie korter deurgaande syden, die van boven even lang syn.
De volgende vyfde figuur verbeelt eenige Huyskens der Mannekens, die een derde part grooter, als die van de gemeene Bijen syn; deese heb ik
domunculae. Ut autem discrimen hoc tanto magis conspicuum foret; nonnihil eas delineavi grandiores, quam revera sunt. Intra quamlibet harumce cellularam triangularis illa, oblique devergens, basis cernitur, cujus anguli duobus singuli cereae cellulae lateribus, descendentibus, congruunt. Cellulas autem, ab altero latere huic basi inaedificatas, haud depinxi; quia minus necessarium videbatur. Supernae dein parti harum cellularum adhaerens conspicitur aedificium piriforme cellulae cujusdam, Foemellis destinatae; quod quidem superius irregulare est, foveolisque, hic illic Cerae impressis, quasi exornatum.
Quodsi descriptae hactenus domunculae etiamnum recens elaboratae sunt, & nondum Mel, vel Panem Apum, vel Ovula, vel Vermes, vel Prolem adultiorem continent, nec unquam ante continuerunt; tunc materies earum genuina est Cera virginea, quae nullis penitus inquinata fecibus tota liquari potest. Cera contra, insolando dealbata, quae titulo Cerae virgineae in officinis venditur, praeter nudum ejus nomen habet nihil; quum Talco semper adulterata, Solisque vi candefacta, magnam sic virium suarum jacturam faciat.
Mel etiam, quod purum in puras hasce cellulas congeritur, & sine pressu, sponte, ex iis denuo stillat, verum est Mel virgineum, sive sincerum, quocunque alio Melle praestantius & perfectius.
Raro, juxta ac Apum Cultores perhibent, cernitur; quod domuncula Foemellae Marium cellulis compaginata sit: quamvis contrarium me docuerit experientia; qui vel hodieque specimen ejusmodi adservo, in quo Foemellae aedicula cellulis Marium proxime adstructa est. Verum uti plures alii, ita & hic error a regia dignitate, quam Foemellae perperam adtribuerunt, originem duxit: inde enim factum est, ut crederetur, gratiam adeo prope ad Regem accedendi longe pluris esse faciendam, quam quae Fuco concedatur. Atqui eousque necessarius tamen est Fuci ad Regem accessus; ut hic foecundari nequeat, nisi illius odore sive aura seminali fuerit delibutus: interirent igitur familiae omnes triplicis speciei Apum; quandoquidem Fucus, perperam ita vocatus, verus est Mas Apum, adeoque haud sane inferiorem in Alveari locum, quam Rex ipse, vel Foemella, sibi vendicat. Accedit, quod & Fucus longe sit tractabilior, moribusque & ingenio mitior, quam binae reliquae Apum fpecies: soli
een weinig grooter, en het onderscheit soo veel te meer te vertoonen, als het leeven selve verbeelt. Binnen in ieder van deese Huyskens siet men het driehoekig schuyn neergaande fondament, waar van ieder deeser hoeken op twee voorgaande syden van het wassen kamerken overeenkomt. De Huyskens, die nu van de ander zyde op dit fondament staan, syn, als niet nodig, onafgebeelt gelaaten. Nu boven aan deese Huyskens siet men het peerwyse gebou van een van de Huyskens der Wyfkens, dat boven op irregulier is, ende hier en daar met kuylkens, het Wasch in gedrukt, als verciert.
Als nu de geseide Huyskens effen volmaakt syn, ende daar geen Honing, geen Byenbroot, geen Eyeren, geen Wurmen, ofte ook volmaakter Broet, in is, ofte ooit in geweest is, soo is het opregt Maagdenwasch, dat suyver kan gesmolten worden, ende gansch geen onzuiverheden heeft. In tegendeel, het wit gebleekte Wasch, dat men in de winkels daar voor verkoopt, dat heeft alleen de naam daar van, alsoo het altyt met Talk vermengt wort, en ook door de Son gebleekt wort, waar door het veel van syne kragten verliest.
De Honing, die hier soo suyver in vergaart word, ende aldaar dan sonder perssen uytdrupt, is de regte Maagden ofte den ongepeinden Hooning, ende alsoo beeter ende volkomender als eenige andere.
Selden, soo de Byenhouders seggen, siet men, dat het Huyske van het Wyfken met die der Mannekens aan een gebout word, boewel ik anders ondervinde, ende tegenswoordig nog diergelyk een Huysken bewaare, alwaar het Huyske van het Wyfken aan de Cellekens der Mannekens aan een gebout is. Dan gelyk alle andere doolingen van de Koninklyke waardigheid, soo is ook deese, als of het een te grooten eer sou syn voor den Broeibye soo digt aan den Koning te naderen, dat nogtans moet geschieden, sou hy vrugtbaar worden, dat is syn reuk of Saatlugt ontfangen: of alle de geslagten der drie soorten van Byen souden uytsterven, want de Broeibye, verkeerdelyk soo genoemt, is waarlyk het Manneke der Byen, ende daarom in den Korf alsoo aanmerkelyk als de Konink, ofte het Wyfke selve: synde daar by veel soet aardiger van ommegank, ende minnelyker in syne handelingen en manieren, als de andere twee soorten der Byen, want het is
enim amori atque generationi omnem navat operam, nec formidoloso armatus aculeo, nec indole quovis modo maligna pertimescendus.
Verum quanam denique ratione memoratas istas cellulas fabricantur Apes? Et quonam, quaeso, artificio stupendum adeo in modum, & tam regulariter, eas construunt; ut nonnisi magno labore, & juxta ductum aliquot tandem excogitatarum linearum, imo ne sic quidem sine insignibus erroribus commissis, simpliciter saltem delineari queant? Id profecto solus Ille novit, qui totus Oculeus est, partumque Rupicaprarum promovet, pervidens omnia, quae sub universo coelo eveniunt. Attamen crediderim, hanc rem forte detegi, tandemque in lucem proferri posse, si indefessa quis sedulitate in ea elaboraverit. Quin confido fore, ut vel mihimet ipsi feliciter succedat isthoc scrutinium; modo per semeltre spatium Apes alendi, vitaeque rusticae beatitudine fruendi, opportunitas mihi daretur. Utut denique res haec sese habeat; me, fateor, aeque, ac alios omnes, hactenus latet. Id saltem firmus credo, quod Apes ad hoc opus perficiendum suis praecipue Dentibus utantur: unde & Apibus communibus, quae solae domunculas omnes aedificant, multo majores impertiti sunt Dentes, quam vel Foemellis vel Maribus; imo Maribus adhuc minores, quam Foemellis: neque enim forte alios in usu dati sunt Maribus Dentes; nisi ut cellulas suas morsu aperiri valeant, cum incubando plene maturuerunt; aut Favos resignare, quando cibum appetunt. Anne Apum Pedes, quorum inter unguiculos singularis quaedam mollicula materies extuberat, ad conficiendam atque depsendam Ceram itidem opis quidpiam praestent, mihi pariter hactenus ignotum est. Vix tamen dubito, quin humor ille, qui per Aculeum Apum transmeat, ad praeparationem Cerae, & domuncularum aedificationem quoque aliquid conferat: quae quidem omnia accuratius investigare operae pretium foret. Perquam mirabile est visu, quam expedite Apes, sicubi contrectantur, omne suum virus per Aculeum quasi emingant; quod ipsum deinde in apice Aculei, tanquam guttula quaedam Chrystallina, sese manifestat. Si vero guttula haec, extremo Aculei etiamnum adhaerens, arescere sinitur; tunc pellucida permanens concrescit, atque perinde se habet, ac costa oculi Piscium lens Crystallina, adeoque perquam facile ab aëre ambiente condensatur.
alleen de liefde, ende de voortteeling, die hy behartigt, sonder dat hy met een gevreesden angel gewaapent is, of eenigsins quaad willig van aart.
Maar hoe bouwen nu deese Byen de geseide Huyskens, ende door welk een konst maaken sy deselve soo verwonderlyk en geregelt? ende dat soodanig, dat men niet als met groote moeyte, en door ondervinding, op eenige gereguleerden lynen deselve, ende dat nog niet sonder grove misslagen te begaan, eenvoudig kan afteekenen? Sekerlyk dat weet alleen de geheel Geoogde, dewelke het baren der Steengeiten bevordert, siende onder alle de Hemelen. Evenwel soo geloof ik, soo men syn uyterste neerstigheid daar toe deed, dat men daar megelyk sou kunnen agter raaken, ende dat alsoo metter tyt ontdekken. Het welk ik dan geloof wel te sullen ondervinden, soo ik maar gelegentheid had om een half jaar Byen te houden, ende voor die tyt het gelukkig velt leeven te genieten. Watter dan van sy, het is my tot nog toe met alle andere onbekent. Hier twyffel ik niet aan, of de Byen gebruyken voornamentlyk haare tanden daar toe, welke tanden ook de gemeene Byen, die alle de Huyskens alleen optimmeren, veel grooter hebben als de Wyfkens, ende ook als de Mannekens, en die nog kleender Tanden hebben als de Wyfkens. Ende welke Tanden de Mannekens nergens anders mogelyk toe dienen, als om, alsse uytgebroeit syn, door hunne Huyskens te byten, ofte het Honingraat te ontsegelen, alsse willen eeten. Of de Voeten der Byen, die een bysondere uytpuylende zagtigheid tusschen haare Nagelen hebben, meede iets doen tot het Wasch te maaken, ende dat te kneeden, is my al meede nog onbekent. Nog twyffel ik haast ook niet, of de vogtigheid, die door haar Angel passeert, meede niet iets en doet tot het Wasch te maaken, ende de Huyskens te bouwen, dat alles naau ondersogt sou kunnen worden. 't Is seer aardig, als men de Byen vat, hoe vaardig sy al haar fenyn door den Angel heen als uitwateren; het welk fenyn, als een Cristalle druppel, dan aan den punt des Angels sig vertoont. Als men deese droppel op ende aan den Angel laat droogen, soo stolt hy daar op, doorlugtig klyvende, even als de gekookte Crystallyne vogt uyt de ogen der Visschen, ende stremt alsoo seer ligt van de omsweevende lugt.
Quandoquidem vero heic nunc admiror Animalculi hujus industriam, quae tamen haud est insignior illa, quam quaecunque alia Insecta. pro suo quodlibet ingenio, commonstrant; non possum non, in summi Architecti atque Artificis gloriam, mirabile quoddam, hoc loco, commemorare artificium certi cujusdam Insecti, quod apud Goedartium in prima parte Metamorph. Natur. Exper. X. satis quidem nitide, at extrinsecus saltem descriptum est. Insectum hocce Papilio est nocturnus, qui Ovula sua ramis arborum, circulatim, adeo tenaciter & firmiter adglutinat; ut vel vestigia imprimant cortici, & incremento ramorum quandoque obsint. Maxime tamen extraordinarium, quod heic occurrit, in eo vertitur, quod Animalculi hujusce Ovula similem in modum figurata sint, ac caesi illi lapides, qui fornicibus, & arcubus aedificiorum construendis adaptati, latere altero acutiore, altero latiore gaudent; ut nimirum tanto exactius inter se committi, & ad se mutuo appositi formam arcuatam constituere queant. Lineis hinc circuli, e centro versus peripheriam ductis, quoque adsimilari possunt, quae tanto sibi invicem propiores sunt, quo centro magis accedunt, circumferentiam versus maxime a se mutuo divergentes. En! hunc in modum supremus Architectus, DEUS, haec Ovula comparavit, quae deinde ab Animalculo hocce, saepiuscule ramum circumambulante, artificiose, per curvaturam spiralem, tenellis arborum ramulis adfiguntur, atque tam firmiter inter se conglutinantur; ut nec pluvia, nec alio quocunque, quem adhibui, humore emolliri queant. Ex Ovulis hisce, quae, juxta consuetum Naturae ordinem, (quo Papilionis Ovum nonnisi Eruca est suae testae inclusa), Erucas producere debuissent, aliquando immediate prodeuntes vidi Muscas mirae teneritudinis & parvitatis: quae quidem observatio omnium sane, quae in hac Physices parte habentur, maxime singularis mihi videtur: unde & spero fore, ut tandem aliquando, annuente DEO, peculiarem de ea tractatum mihi conscribere liceat. Ideo etiam hancce de annulo Ovulorum Historiam heic nunc interposui; quia postmodum, circa oculi structuram, loco similis adhibebitur, atque illustrandi gratia in medium proferetur.
Finem haud invenirem, si ingenium, industriam, atque artem minutorum horumce Animalculorum describere, & vel rudiore tantum
Vorder terwyl ik my hier wonder over de vlyt van dit Beesken, het welke nogtans niet meerder is als van eenige andere Insecten, na zynen aard; soo moet ik alhier den grooten Boumeester ende Kunstenaar synen lof toebrengen, ende hier invoegen een verwonderlyke konst van een seker Insect, by Goedaert in syn eerste deel van syn Metam. Natural. in de tiende onderv. eenigsins net, dan maar uyterlyk, beschreeven. Dit Insect synde een Uylke of Nagtkapelleke, kleeft syn Eyeren ringwys om de takken der Boomen, ende dat soo vast en sterk, dat selfs haare tekenen den bast ingedrukt worden, ende het groeyen der takjens somtyts beletten. Maar hier in legt nu de zeldsaamheid, dat de Eyeren van dit Dierken gemaakt syn als de gehouwe Steenen, daar de gewelven, ende de bogen der gebouwen meede gemaakt worden, dewelke aan de eene syde dikker, ende aan de andere syde spitser syn gehouwen, om te beeter in een te sluyten, ende als se na malkanderen gevoegt worden, een ronde bogt te maaken, of anders gelyk de lynen uyt het middelpunt van een cirkel na den omtrek getrokken, dewelke meede naa het midden digt aan een staan, ende van booven wyt van een wyken. Siet aldus syn deese Eyeren van GOD, den Oppersten Boumeester, toebereit, dewelke het Dierken dan kunstig, dikmaals den tak omklimmende, met een rond draajende bogt, rontsom de teere taxkens der Bomen kleeft, ende die soo vast aan een lymt, dade reegen nog eenige andere van my besogte vogtigt heeden die kunnen weeken. Ik heb uyt deese Eyeren, die, na den gewoonen natuurlyken loop, Rupsen moesten voortbrengen, (om dat het Ey van een Kapel een Rups in syn Schaal is,) eens onmiddelyk Vliegen die wonder teer ende kleen waren, gekreegen; het welk ik houde voor een van de alderraarste ondervindingen ter weerelt, en waar van, soo het GODS wil is, ik een byzondere verhandeling t' eeniger tyt hoope te maaken. Myn oogmerk, waarom ik ook deese Historie van de Ring-Eyeren nu bybreng, is om naderhant als een gelykenis omtrent de structuur van 't oog te gebruyken ende te pas te brengen.
Ik sou oneyndig syn, soo ik het vernuft, den yver ende de kunst, van deese kleene Beeskens maar wilde tragten te beschryven, ofte eenigsins af
penicillo depingere adgrederer. Attamen continere me haud valeo, quin heic commemorem solertiam singularem, non quidem Insecti, sed sanguinei cujusdam Animalis, Catelli nimirum domestici, quem alo. Stillante is ulcere, sive fistula, conflictatur, quae ad oculi inferiora, loco tam alto, sita est; ut lingua eousque pertingere eamque lingere haud possit. Propterea Catellus hic remedium sequens, pulchre excogitatum, & veluti ratiocinando inventum, isthuic malo adhibet: pedem videlicet suum prius salivâ humectat, humidumque dein mira quadam dexteritate ulceri affricat, hocce artificio sibimet medelam adferre contendens: quin etiam, sicubi fistulae ostium vi aëris ambientis aliquando concreverit, tamdiu illud pede suo fricat refricatque, ut pes ejus, sanguinis instar, ruberrimus evadat.
Verum redeo ad Apes. Hae quidem sub finem Augusti tanto incenduntur odio erga Mares; ut eos inclementer admodum, & extra omnem culpam interficiant: cum tamen, exeunte Majo, & quandoque etiam maturius, domunculas ipsis construant, eos sollicite nutriant, educent, &, quantum par est, omni modo eorum curam gerant. Rationem hujusce in odium mutati amoris suo deinceps loco, uti spero, exponam; quandoquidem constitui, historiam hanc in solius DEI gloriam, alio quocunque fine penitus excluso, pertexere.
Priusquam tamen ulterius progrediar; Marem, Foemellam, communesque Apes simul unâ describam, & quoad externa inter se conferam, initium facturus ab Apibus vulgaribus, utpote quae & dignotu facillimae, & communissimae, & a nemine non quandoque tractatae atque visae sunt. In vulgaribus igitur, aeque ac aliis omnibus, Apibus duodecim potissimum divisiones sive Annulos notare oportet; quinos nimirum circa Caput, Thoracem, teneramque illam & tenuem particulam, quae Abdomen cum Thorace connectit; septem vero deinceps in Abdomine.
Vulgarium Apum Caput oblongum est, superne subrotundum, infra acuminatum. Masculis ab omni parte subrotundum Caput est: at Foemellis pariter oblongum.
Oculi in capite Apum vulgarium ovatae veluti aut lunatae sunt figurae. In Maribus itidem sic se habent; at, quod probe notari meretur, duabus partibus tertiis sive duplo majores sunt, quam in Apibus vulgaribus: cujusmodi quidpiam & in Ephemero obtinet. Foemellarum Oculi paullo, quam Apum vulga-
te maalen. Even wel kan ik niet nalaten, eene nyverheid hier in te voegen, hoewel niet van een bloedeloos, maar van een bloetryk Dier, een kleen Huys-hontken, dat ik hebbe: het welk een lopende ulceratie of Pypsweer onder syn oog heeft, maar soo hoog, dat de Tong daar niet hy kan om te likken; het welke dan tot deese kwaal deese wel uytgevonden ende als geredeneerde hulpmiddel gebruykt: te weeten, dat het eerst syn poot met speeksel nat ende vogtig maakt, ende deselve dan aardig, ende seer wonderlyk tegens syn Zeer strykt, ende dat selve dan door die uytvindinge soo tragt te genesen. En somtyts als de opening door de lucht toeschroeyt, soo vryft hy die soo lang en dikmaals, dat syn poot bloet root wort.
Dan ik keer weder tot de Byen, dewelke in 't laatst van Augustus soo haatende sijn op de Mannekens, dat se die ongenadig, ende gansch onverdient, om 't leeven brengen, daar se egter haare Huyskens in 't laast van Mey: en ook wel eer komen op te maaken, die sorgvuldig te voeden, ende te queeken, ende alle sorg ende moeite, die mogelyk is daar voor te neemen; waar van ik op syn plaats de reden van deese veranderende liefde in haat, soo ik hoop, sal geven; terwyl ik voor my neem deese beschryving, alleen tot GODS lof, ende sonder eenige andere de minste insigt te vervolgen.
Eer ik hier nu vorder ga, soo sal ik het Manneken, het Wyfken, ende de gemeene Byen onder een beschryven, en die uyterlyk met malkander vergelyken; beginnende van de gemeene Byen, die het kenbaarste, ende het gemeenste syn, ende van yder gehandelt ende gesien syn. In de gemeene Byen dan, als ook in alle de anderen, daar in syn voornamentlyk te merken twaalf afdeelingen. Vyf omtrent het Hooft, de Borst, ende dat teer of dunne deelken, het welke den onderbuik aan de Borst samenvoegt. Seven Afdeelingen of Ringekens synder verder in den Onderbuik.
Het hooft der gemeene Byen is langwerpig, van boven rontagtig, van onderen spits. In de Mannekens is het Hooft geheel rontagtig, in de Wyfkens is het weer langwerpig.
De Oogen in het hooft van de gemeene Byen syn ovaalagtig, ofte halve maans gewys. Soo van gelyken synse in de Mannekens; maar daar wel op te letten is, wel twee derde deelen grooter, of tweemaal so groot, als in de gemeene Byen, dat ook in 't Haft plaats heeft. In de Wyfkens synse een weinig grooter als in de gemeene Byen. In alle drie de soorten van
rium grandiores sunt. Cujuscunque tamen ex tribus hisce Apum speciebus Oculi setaceis Pilis stipati sunt, horumque interventu a se mutuo distinguuntur. Pili hi duplo, quin triplo sunt longiores, quam diametri sphaerularum, in quas Oculi dividuntur. Id ipsum in aliis etiam Insectis animadvertitur. Superne in Capite, loco adhuc altiore, quam quo mox memorati Oculi siti sunt, multos praeterea in Apibus Communibus exiguos Pilos, plumatiles, tresque insuper Ocellos peculiares detegimus. Plumatiles hi Pili in Masculis haud occurrunt; quandoquidem ipsi horum Oculi semet eousque extendunt, & sese mutuo ibidem loci contingunt. atque hinc etiam est, quod tres eorum peculiares Ocelli loco longe humiliore, quam in Apibus Vulgaribus, & proxime supra Antennas, constituti sint. Foemella in hisce cum Operariis Apibus convenit: ut hinc & Oculi ejus a se mutuo disjuncti, & tres itidem peculiares Ocelli in ea simili modo, ac in Apibus vulgaribus, collocati inveniantur.
Quibuscunque Apibus binae sunt Antennae sive Cornua. Operariarum Cornua articulis gaudent quindecim; Marium vero undecim; Foemellarum denique rursus quindecim. Primus, quo Antennae e Capite pullulant, articulus in Apibus Vulgaribus oblongus est; in Masculis nonnihil brevior; iterumque paullo longior in Foemellis. In Apibus Vulgaribus brevis datur, isque rarissimus, subter Cornua Pilus; densus autem, & nonnihil longior Pilus, plumatilis, sub Antennis Masculorum; in Foemellis tandem similis iterum, qualis in Vulgaribus Apibus, cernitur.
In Apibus Vulgaribus, supra Dentes, notabile quoddam Labium conspicitur corneoosseum; quod in Masculis haud adeo insigne est; at in Foemellis rursus perinde, ac in Operariis, sese habet.
Apibus Vulgaribus duo sunt Dentes longi: Masculis perbreves atque minuti: Foemellis vero paullo quidem majores, quam Masculis, at minores tamen, quam Apibus Vulgaribus; ut adeo medium quasi locum teneant.
Proboscis sive Lingua in Apibus Vulgaribus longa est: in Masculis vel dimidia etiam parte brevior: in Foemellis eam examinare negligenter praetermisi.
Thorax in Apibus quibusvis subrotundus est, & superne, a postica parte, prominulo margine instructus. In Vulgaribus autem Apibus Thorax plumosis praeterea Pilis, haud confer-
Byen, syn de Oogen met borstelig haar beset, dat het eene oogsken van het andere onderscheyt; het selve hayr is wel twee ende driemaal langer als de Klootsgewyze verdeelingen der Oogen groot syn. Dit siet men ook in andere Insecten. Boven aan 't Hooft, ende hoger nog als de geseide Oogen, syn in de gemeene Byen veel pluymige haarkens, ende dan nog drie bysondere oogkens. In de Mannekens syn deese pluymhayrkens niet, alsoo haare Oogen selfs soo verre uytstrekken, ende malkander daar ter plaatse raaken: waar door dan haare drie bysondere oogkens, veel lager als in de gemeene Byen, ende effen boven de Hoornkens geplaatst worden. Het Wyfke komt hier in over een met de Werk-Byen, soo dat de Oogen in het selve meede van een staan, gelyk ook de drie bysondere Oogkens op deselve wys in dit Wyfken, als in de gemeene Byen, geplaatst syn.
Twee Hoornen hebben alle de Byen. De Werk-Byen hebben vyftien geledingen in de selve. De Mannekens elf. De Wyfkens wederom hebben daar vyftien. Het eerste lit van de Hoornen, daar se uyt het Hooft spruyten, is langagtig in de gemeene Byen. Wat korter is het selve in de Mannekens. Ende meer wat langer in de Wyfkens. Kort ende haast geen Hayr is onder de Hoornkens in de gemeene Byen; digt ende een weinig langagtig pluymhaar is onder de Hoornen in de Mannekens geplaatst, in de Wyfkens is 't als in de gemeene Byen.
In de gemeene Byen boven de Tanden, is te sien een merkelyke Lip, hoornbeenagtig van weesen. De selve is soo merkelyk niet in de Mannekens. In de Wyfkens is se even als in de Werk-Byen.
Twee lange Tanden heeft de gemeene Bye. Seer korte ende kleene Tanden heeft het Manneke. De Wyfkens hebben Tanden, die wat grooter syn als die van de Mannekens, maar weer wat kleender als die van de Werk By, dewelke tusschen beyden syn.
De Snuit is lang in de gemeene Byen. In de Mannekens is hy wel de helft korter. In de Wyfkens is se van my door onoplettentheid niet opgemerkt.
De Borst is rootagtig in al de Byen, ende agter aan, van bovenen met een uytpuylent rantken voorsien. De Borst is in de gemeene Byen heel pluym hayrig, maar niet digt daar meê bezet. In
tis tamen, obsidetur: in Masculis confertiores observantur hi Pili, at propemodum aeque longi, colore tamen praediti magis griseo, quam quidem in Vulgaribus Apibus & Foemellis: Foemellae itidem minore horumce Pilorum numero gaudent.
Quibusvis Apibus quatuor sunt Alae. In Maribus quidem longiores hae sunt & latiores, quam in Vulgaribus: in Foemellis autem, quamvis aeque longae sint Alae, & forte etiam longiores, quam in Vulgaribus, tamen videntur esse breviores; quia pars ima corporis Foemellarum tanto major est atque longior, ut Ovula ibi collocari queant.
Singulae tres Apum species Alarum suarum motu sonitum edunt; cui excitando multum quoque inservit aër internus, e corpore ipsarum per Fistulas aëriferas propulsus: harumce enim Fistularum nonnullae patulis subter Alas osculis sese aperiunt. Quin & haud parum huc conferunt cavitates quaedam, capiendo vibrandoque aëri idoneae, subter & inter Alas efformatae. Neque etiam Scapulae hinc excludendae sunt; utpote quae supra Alas collocatae, cum Thorace conjunctae, suis in cavis hiantia gerunt Fistularum aëriarum orificia. Sic omnium horumce concursu Alae, vi aëris propulsi, bombum, Apibus proprium, excitant.
Sex Cruribus omnes instructae sunt Apes; quorum quodlibet novem constat articulis: Femori nimirum tres sunt articuli; Tibiae duo; Pedique demum quatuor. In Apibus Vulgaribus Crura posteriora latitudine multum antecellunt anterioribus: at nec in Masculis, nec in Foemellis, adeo notabilis est isthaec differentia. Apes Vulgares in quinto & latissimo Crurum posteriorum articulo, qui Tibiae primus est, utrinque, Ceram, vel alias Panem Apum, portant, atque ad extimum Tibiae latus coacervant: ibi enim loci & Crus haud adeo pilosum est, ac ab interno latere; & insuper parte postica, ibidem, inferiora, versus circa subsequentem primum Pedis articulum, nonnullae collocatae sunt Setae corneo-osseae, quae nec in Maribus reperiuntur, nec & in Foemellis adeo distincte conspicuae sunt. Tertius sive ultimus Femoris articulus binis prioribus longior est: duo autem subsequentes Tibiae articuli plani sunt & nonnihil lati, interna parte Pilis subtilibus, plumosis dense stipati. Quatuor deinceps Pedis articulorum postremus itidem t ribus prioribus paullo grandior est; quandoquidem notabiles quidam intra eum collocantur Musculi, movendis Pedum unguiculis destinati.
de Mannekens is de Borst met digte pluym hayrige Hayrkens beset, die bykans van eene langte syn, ende van couleur mt gryser, als deselve in de gemeene Byen, ende de Wyfkens syn, alwaar soo veel Pluymhaarkens niet te sien en syn.
Vier Vleugelen hebben al de Byen. In de Mannekens syn de Vleugelen langer, ende breeder als in de gemeene Byen: in de Wyfkens, hoewel de Vleugelen daar soo lang, ende ook langer syn als in de gemeene Byen, soo schynen se egter korter, om de langte van het onderdeel des lichaams, dat grooter is, om de Eyeren te plaatsen.
Haar geluyt geeven alle de drie soorten der Byen door middel van haare Vleugelen, waar toe veel helpt de Lucht, binnen uyt haar lichaam door de Luchtpypen gedreeven wordende, ende waar van eenige onder de Vleugelen uytkomen, of haar opening hebben. Nog doen daar veel toe eenige holligheden, om lucht te vangen, ende te zwaajen onder, ende tusschen de Vleugelen gemaakt. Gelyk als ook doen de Schouderbladen, die boven de Vleugelen geplaatst synde, en met de Borst verbonden wesende, in haare holligheden openingen van Luchtpypen hebben. Waar door de Vleugelen, door middel van de voortgedreve lucht, het geluyt der Byen maaken.
Ses Beenen hebben alle de Byen, ieder uyt negen leeden bestaande; het Deybeen heeft drie leeden, de Schenkel twee leeden, ende de Voet vier leeden. In de gemeene Byen syn de agterste Beenen veel breeder als de voorste. In de Mannekens syn deselve soo merkelyk niet, als ook in de Wyfkens niet. Aan het vyfde en breetste lit van de laatste Beenen, ofte anders aan het eerste lit van de Schinkel, daar dragen de gemeene Byen op ider voet het Wasch ofte anders het Byenbroot, dat selve stapelense op de buytenste syde van de Schinckel, alwaar het Been soo hayrigh niet en is, als aan de binnenste syde, en alwaar nog agter aan, na om laag, omtrent het volgende eerste lit van de Voet, eenige hoornbeenagtige streepen geplaatst syn, die in de Mannekens niet en syn, nog ook op die kennelyke wyse soo, in het Wyfken. Het derde of uyterste lit van het Deybeen is langer als de twee eerste, de twee volgende leeden van de Schenkel syn plat ende breetagtig, van binnen digt met pluym hayrkens beset. De vier volgende leeden van de Voet, daar is het laatste lit meede wat grooter van als de drie eerste, alsoo eenige merkelyke Spierkens daar binnen in geplaatst worden, dewelke de nagelen der Voeten beweegen.
Pedes duobus armati sunt Unguibus majoribus, totidemque nonnihil minoribus: minores autem cum majoribus veluti articulantur.
Inter Pedum Unguiculos mollissima quaedam cernitur materies, texturae membranosae, e qua vulnerata limpidus stillat humor. Molliculam hanc partem Pedis, pro lubitu, inter ambulandum quoque extrorsum obvertere valent Apes: unde crediderim, ipsas hunc in modum, retractis videlicet, uti ludentes solent Feles, Pedum unguibus, super Prole recens obtexta, aut & noviter parata super Cera, decurrere, ne quid detrimenti adferant.
Quatuor Crura posteriora ad inferiorem & posticam Thoracis partem, bina autem anteriora ad anticam collocata sunt. Atque haec est ratio, quare Apes, sicubi Caput ipsarum de trunco abstraxeris, id tamen adhuc annexum prae se ferant, & cum eo, ligaminis veluti cujusdam interventu, cohaerescant.
In Apibus porro Vulgaribus septem Abdominis Annulorum extrema ex subnigro fusca sunt: in Maribus autem flavescunt: quod ipsum & in Foemellis obtinet, potissimum tamen circa partem inferiorem: ibi loci enim Annuli abdominales tantum non penitus flavi sunt. Atque hinc est, quod Rex colore aureo superbire perhibeatur.
Aculeus, qui in Ape Vulgari recta protensus exstat, in Masculis plane deficit; in Foemellis autem penitus incurvus est.
Apicula vulgaris propemodum altero tanto minor est, quam Mas: Foemella pariter magnitudine cedit Masculo: at corpore tamen gaudet acutiore multo atque longiore; quo quidem aeque, ac mole, Vulgaribus Apibus antecellit
Apum Vulgarium color obscure aureo accedit: Masculi nonnihil magis grisei sunt. Abdomen Foemellarum magis aureum est.
Hactenus recensitae Apum partes tantum non omnes Pilis hirsutae sunt, quos microscopii interventu, +perquam elegantes esse plumulas observamus: quemadmodum ex fig. VIII. innotescit, alioque deinceps loco prolixius exponetur.
Apes Vulgares pro naturalibus veluti Eunuchis, neutrumque ad genus pertinentibus, haberi possunt: quanquam nihilominus, ratione fabricae & indolis, foemineo propius sexui, quam masculino, accedant. Mares conspicuis admodum & vel palpandis gaudent Organis Genitalibus. Foemellis Ovarium est & infinitus
De nagelen aan de Voeten syn twee groote, ende twee wat kleender, dewelke kleene als met de grootste gearticuleert worden.
Tusschen de nagelen der Voeten in, is te zien eene seer zagte substantie, vliesig van structuur, en als men dat kwest, soo loopt daar een heldere vogtigheid uyt: dit weeke deelken des Voets kunnen de Byen in 't gaan, als se willen, ook uytwaarts beweegen; en hier meede lopen se, soo ik vertrouw, over haar effen toegesponnen Broetsel; ofte ook het nieuw ende eerst gemaakt Was, om dat niet te kwetsen; ende houden alsoo de nagelen der Voeten dan in, op die tyt, als de Katten doen, die met iemant speelen.
De plaats van de vier laatste Beenen is onder ende agter aan de Borst, synde de tweê voorste Beenen voor aan de Borst geplaatst, dat de reeden is, wanneer men de Byen het Hooft aftrekt, datse dan met het selve volgen, ende daar als aan vast blyven, door eenige verknogtheid.
Vorder soo syn de seeven Ringen van den Onderbuik op haare einden van couleur swartagtig bruyn in de gemeene Byen. In de Mannekens trekkense na 't geele. Als ook in de Wyfkens, dan voornamentlyk van onderen, daar de ringen des Buyks haast ganschelyk geel syn. Waar van daan het komt, dat de Konink een goutagtige couleur toegeschreven wort.
Den Angel, die in de gemeene By regt uyt staat, die mankeert geheel in het Manneken; ende in het Wyfken is hy ganschelyk krom.
Het gemeene Byken is haast eens soo kleen als het Manneken: het Wyfken is weer wat kleender als het Manneken, maar veel spitser van lichaam ende langer; daar in het ook als ook in grootte het gemeene Byeken verre overtreft.
De couleur der gemeene Byen, is naa 't donker goutgeel trekkende. De Mannekens syn wat graauwer. De Buik int Wyfken is wat goutgeelder.
Alle de geseide deelen der Byen syn ten naasten by met hayr beset, het welke als men door een vergrootglas besiet, men seer aardige pluymkens bevint te syn. Als in de fig. VIII. wort aangeweesen: en waar van op een andere plaats nog iets meer sal geseght worden.
De gemeene Byen kan men aanmerken als van onzydig geslacht synde, en natuurlyk gelubde, zynde nogtans meer vrouwelyk als mannelyk van maaksel ende aard. De Mannekens hebben merkelyke ende tastelyke Teeldeelen. En de Wyfkens hebben een Eyerstok met duizenden van Eyeren, als te syner tyt sal be-
Ovulorum numerus; uti suo tempore describam. At Apes Vulgares nec masculinis, nec foemininis, sunt instructae partibus Genitalibus.
Quantum ad internas Apum partes; aliae quidem tribus Apum speciebus, in universum omnibus, communes sunt, aliae peculiares singulis. Partes internae, omnibus communes, in Capite sunt Cerebrum; Cerebellum; principium, & globosae dilatationes Medullae Spinalis, quae totum corpus, ab uno ad alterum usque extremum, pervadit; tandemque Nervi aeque ex Medulla ipsa, ac dilatatis ejus nodulis, oriundi: quae omnia in Anatome Masculi descripsi atque delineavi. Ulterius fabrica interna Oculi in genere eadem est in omnibus tribus speciebus: Tunica nempe Uvea; Fibrae Pyramidales inversae; Tunicae Reticulares; Fibrae Corticales, transversales; & Substantia Corticalis, quae Nervi optici munere fungitur. Isthaec itidem in Masculo figuris exhibui. Ratione Musculorum & Nervorum Proboscidis atque Mandibularum nulla quoque datur diversitas. In Pectore quaelibet trium harumce specierum Musculos monstrat Alarum & Crurum, Fistulasque Pulmonales & Pinguedinem; quae quidem in Capite etiam reperitur. In Abdomine itidem Gula cernitur, quae a Faucibus per Thoracem eousque descendit: ibidem etiam Ventriculum, tenuia & crassa Intestina, nonnullasque Valvulas & sex peculiares Glandulas, intra intestina collocatas, videre licet; quemadmodum in Ape Vulgari descripsi, figurisque repraesentavi. Praeterea etiam Pulmones in Abdomine potissimum conspiciuntur, horumque dilatatae Vesiculae, & pullulantes Fistulae Pulmonales: quae omnia itidem in Ape Vulgari depicta exhibui. Cor, una cum dilatationibus suis, Fistulisque Pulmonalibus, per ejus superficiem discurrentibus, pro parte sui maxima quoque in Abdomine collocatum est; quamvis & in Pectore atque Collo queat conspici: prout in Foemella depinxi. Tandem plurima etiam Pinguedo ibi reperitur, Membranaeque & Fibrae Musculosae, sub Annulis Abdominis sitae, hisque movendis destinatae; tum exiguae quaedam Fistulae Pulmonales isthaec loca permeantes: quae quidera omnia uti in Foemella a me demonstrantur; ita omnibus tamen tribus Apum speciebus sunt communia.
Internae partes peculiares sunt primo Organa Genitalia in Masculo: Pudendi nimirum Corneum Ossiculum internum, Penis, Testiculi, Vasa deferentia horumque dilatationes,
schreeven worden Maar de gemeene Byen hebben nog mannelyke nog vrouwelyke teelleeden.
De inwendige deelen der Byen aangaande, daar van siet men eenige, die in alle de drie soorten van Byen gemeen syn, en andere die byzonder syn. De inwendige deelen, die aan alle gemeen syn, die syn in het Hooft, de Hersens, de kleine Hersens, het begin van het Ruggemerg, de bolswyse verwydingen van het Merg, dat het gansche lichaam van het eene tot het andere eynde doorgaat; neffens dan de Senuwen, dewelke soo uyt het Merg selve, als uyt syn verwyde knoopkens spruyten. Het geen ik alles in de ontleding van het Manneken beschreeven en afgebeelt hebbe. Voorts is de inwendige structuur van het Oog, ten aansien van het generaal, in alle de drie soorten gelyk, als het Druive-Vlies, de omgekeerde Pyramidale Vesels, de Netwyse Vliesen, de dwarse Vesels van het Brein, en de breinagtige substantie, die het gebruik der Gezigt-Zenuwen heeft, dat meede in het Manneken aangeweesen is. De Spieren en Senuwen der Snuit en Kaken, daar in verscheelen sy meede niet. In de Borst, ziet men in alle deese drie soorten, de Spieren der Vleugelen en Beenen, als ook de Longpypen en het Vet, 't geen ook in het Hooft te sien is. In de Buyk van gelyken, siet men de Strot, die van de Keel, door de Borst, tot daar toe afdaalt, nog siet men daar de Maag, de dunne en dikke Darmen, en eenige Klapvliezen, en ses particuliere Klierkens, binnen in de Darmen beslooten: 't geen in de gemeene Bye beschreeven, en in figuuren vertoont is. Nog siet men de Longen voornamentlyk in de Buyk, als ook haar verwyde blaaskens en uytspruitende Longpypkens, dat ook in de gemeene Bye aangeweesen is. Het Hert, met syne verwydingen en overlopende Longpypkens, legt voor syn grootste gedeelte, mede in de Buyk, en het is ook in de Borst en den Hals te sien, dat in het Wyfken afgebeelt is. Eyndelyk is het Vet daar in een groten overvloet te sien, als ook de Vliesen en de spieragtige Vesels, die onder de Ringen des Onderbuiks leggen, en die deselve beweegen, neffens ook eenige Longaderkens, die daar doorloopen, dat in het Wyfken meede is aangeweesen, en 't geen in alle de drie soorten van Byen gemeen is.
De particuliere inwendige deelen, syn eerst de Teeldeelen in het Manneken, als het inwendig Hoornbeen der Schamelheid, de Schacht, de Saadballen, de wederkerende Vaten en haare verwydingen
Vesiculae seminales, particula Quinquefida, particula Pyramidalis, binaeque Appendices in acumen convergentes, una cum nonnullis Nervis. In Foemella peculiares itidem cernuntur partes Generationi inservientes: Ovarium nempe, Oviductus horumque divisiones, Ovula, Fistulae Pulmonales hisce partibus propriae, duo Trunci Matricis, per quos Ovula deferuntur, Collum Uteri, & Sacculus gluten continens.
In Ape vulgari, atque in Foemella, isthaec occurrunt peculiaria: Aculeus, hujusque Sacculus venenifer & Tubuli tam ex antica, quam postica, ejus parte prodeuntes, Vagina Aculei, tum Crura ejus & Cartilagines atque Musculi; quarum partium nulla in Masculo reperitur.
Ex hac generatim, aeque ac speciatim, instituta Apum inter se comparatione evidenter innotescit, quod vulgares Apes operariae ingenio atque naturae Foemellarum multo accedant propius, quam Marium: quandoquidem omnes & externae & internae partes, uti deinceps patebit, in utrisque conveniunt. Excipe solum, quod Ovario careant Apes vulgares, adeoque tanquam serviles exsectaeque ancillae, quibus incognita sunt herae suae mysteria, isthac in oeconomia nascantur: unde & alteri cuidam operi exsequendo impares sunt, praeterquam Proli sive juvenculis Apum Vermibus nutriendis, educendis, cellulis eorum aedificandis, simulque hinc victui pro se & sui similibus comparando; ut tempore hyberno, diebusque pluviosis & procellosis, habeant, unde vivant. Foemella contra, Maresque, horumce omnium nihil efficiunt: Foemella enim eum duntaxat in finem Alveari inhabitat, ut Sperma seu Ovula sua ibidem in cellulas deponat; Masculo autem solummodo incumbit, Sperma illud, priusquam exclusum est, etiamnum in Ovario atque intus in corpore Foemellae delitescens, pro integri anni spatio, id est, pro m