begin  verderprepost
[p. 7]

Ten Geleide

Na het plotselinge overlijden van Koenraad Wolter Swart op 27 juli 1992 vroegen velen die hem gekend hadden zich af in welke staat van voltooiing de grote biografie van Willem van Oranje zich zou bevinden, waaraan Swart de laatste vijfentwintig jaar van zijn leven vrijwel onafgebroken had gewerkt. Al snel bleek dat alleen de tweede helft van het manuscript zo goed als voltooid was, het deel dat de periode van het hernieuwde uitbreken van de Opstand in Holland en Zeeland in 1572 tot de moord op de prins in 1584 behandelt. In maart 1992, ruim vier maanden voor zijn dood, had Swart deze hoofdstukken aan zijn oud-leerlingen Alastair Duke en Jonathan Israel toegezonden met het verzoek om commentaar. In een begeleidende brief noemde Swart deze tekst ‘het min of meer voltooide deel van mijn boek over Willem van Oranje’.

In Swarts schriftelijke nalatenschap bevond zich eveneens een groot aantal mappen met aantekeningen en ontwerpen voor hoofdstukken over het leven van Oranje tot 1572. Deze teksten verkeerden in nogal verschillende staat van afwerking. Sommige waren in het Engels geschreven, andere in het Nederlands; sommige waren in handschrift, andere getypt. Annotatie ontbrak vrijwel overal. Bij deze verzameling had Swart mismoedig geschreven: ‘Biografie van Willem van Oranje. Hierin een eerste poging om zijn leven te schetsen voor dat hij de wapenen opnam tegen de Spaanse overheersing (1533-1572). Hierin zou nog heel wat veranderd moeten worden. Bijna geheel waardeloos voor iemand anders.’

Na bestudering van Swarts nagelaten handschriften kwamen wij al snel tot de conclusie dat publikatie van het eerste deel van de biografie inderdaad onmogelijk was. De uitgave in enigerlei vorm van het ‘min of meer voltooide’ deel leek ons daarentegen van groot belang. In deze hoofdstukken geeft Swart een nieuwe visie op het optreden van Oranje in de cruciale jaren van de Opstand, gebaseerd op de grondige studie van alle gepubliceerde en een groot aantal archivalische bronnen. Swarts inzichten zijn niet alleen van belang voor de kennis van de figuur van

[p. 8]

Willem van Oranje, maar ook voor een beter begrip van de Nederlandse Opstand.

In zekere zin was het gelukkig dat Swart zich geconcentreerd had op het einde van Oranjes leven. De monumentale biografie door Felix Rachfahl, Wilhelm von Oranien und der Niederländische Aufstand (3 delen, Den Haag, 1906-1924) was in het jaar 1569 blijven steken. Jan Romein heeft over deze 2342 bladzijden dikke studie eens opgemerkt dat deze ‘helaas torso gebleven’ was. Als het artikel uit 1897 van Robert Fruin ‘Prins Willem I in het jaar 1570’ (Verspreide geschriften, II, 111-166) als de nek kan worden beschouwd, dan wordt door de uitgave van het manuscript van Swart het beeld van Oranje nu van een hoofd voorzien.

Het stond voor ons dus al snel vast dat Swarts ‘min of meer voltooide’ beschrijving van Oranjes laatste twaalf levensjaren moest worden uitgegeven. De vraag was echter in welke vorm. Twee mogelijkheden stonden ons voor ogen. De eerste was een auteur te vinden die bereid en in staat zou zijn alsnog het leven van de prins tot 1572 te beschrijven, al dan niet steunend op Swarts nagelaten aantekeningen. Op deze manier zou een volledige biografie tot stand komen, hetgeen altijd Swarts bedoeling was geweest. De tweede mogelijkheid was alleen het manuscript over Oranjes leven na 1572 uit te geven, min of meer zoals het er lag. Wel zou het moeten worden voorafgegaan door een korte inleiding over Oranjes leven tot 1572, opdat Swarts eerste hoofdstuk, dat volledig in medias res begint, in een begrijpelijk verband zou worden geplaatst.

Wij verwierpen al snel de eerste optie en kozen voor de laatste. Het schrijven van een biografie over het eerste deel van Oranjes leven zou opnieuw vele jaren kosten. Hierdoor zou de publikatie van Swarts manuscript lang worden uitgesteld en veel van zijn frisheid verliezen. Een eventuele bewerker zou ook tot andere interpretaties dan Swart kunnen komen, waardoor het om compositorische redenen noodzakelijk zou kunnen zijn inhoudelijk in diens tekst in te grijpen. Dat laatste kwam ons onaanvaardbaar voor.

De moeilijkheid was echter dat Swarts manuscript wel (‘min of meer’) klaar was, maar zeker niet persklaar. Voordat het typoscript een boek kon worden, moest er nog heel wat redactioneel werk worden verricht aan de tekst en (vooral) het notenapparaat. Dankzij een subsidie van het Prins Bernhard Fonds kon drs. Raymond Fagel worden belast met de bewerking van het manuscript.

Het grootste deel van Fagels werkzaamheden bestond uit het controleren en waar nodig corrigeren van de verwijzingen naar literatuur en archiefbronnen. Bij zijn werkzaamheden kon Fagel gebruik maken van de omvangrijke en goed geordende verzameling literatuur, fotokopieën en aantekeningen die Swart had nagelaten. Waar dit materiaal tekortschoot, bezocht hij de universiteitsbibliotheken van Leiden en Utrecht en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en de gemeentearchieven van Rotterdam, Delft, Leiden, Utrecht, Gouda en het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. Met uitzondering van het stadsarchief in

[p. 9]

Antwerpen werden buitenlandse archieven en bibliotheken niet bezocht.

Gelukkig bleek al snel dat Swart uiterst secuur was geweest bij het vervaardigen van zijn verwijzingen. Slechts in enkele gevallen was een noot in het geheel niet thuis te brengen. Waar mogelijk zijn onjuiste verwijzingen stilzwijgend gecorrigeerd of aangevuld. De wijze van annoteren is geüniformeerd en in de titelbeschrijvingen van de gebruikte literatuur en bronnenuitgaven zijn correcties aangebracht. Fagel vervaardigde eveneens de bibliografie, de lijsten van geraadpleegde archivalia en geciteerde pamfletten, alsmede de registers op de namen van personen en plaatsen.

Ten slotte heeft een volledige redactie van de tekst plaatsgevonden. Ons uitgangspunt was respect voor Swarts oorspronkelijke tekst. De spelling van plaatsen eigennamen is uniform gemaakt; een enkele spelfout of minder gelukkige formulering is verbeterd.

Wij zijn velen erkentelijk voor hun hulp. Het Prins Bernhard Fonds reageerde prompt en ruimhartig op ons verzoek om subsidie. De erfgenamen van K.W. Swart, alsmede diens broer mr. P.J. Swart waren buitengewoon behulpzaam bij het ter beschikking stellen van Swarts nagelaten manuscripten en aantekeningen. Zij stelden eveneens diens omvangrijke collectie literatuur en fotokopieën van bronnen over Willem van Oranje ter beschikking, waardoor het redactionele werk aanzienlijk eenvoudiger werd gemaakt. Dr. Alastair Duke (University of Southampton) en professor Jonathan I. Israel (University College London) reageerden onmiddellijk enthousiast op ons verzoek een inleiding voor dit boek te schrijven. De Sdu was bereid zijn oorspronkelijke overeenkomst met de auteur te honoreren door ook diens halve Oranje-biografie uit te geven.

Het boek dat thans voor u ligt, is geen gedenkboek. Ofschoon er alle reden is Swart als persoon en als historicus in vriendschap en met respect te gedenken, zien wij dit boek in de eerste plaats zoals Swart het had bedoeld: als een gedegen wetenschappelijke studie over Willem van Oranje, onmisbaar voor de vakman, leesbaar voor een breder, historisch geïnteresseerd publiek. Wij zouden het op prijs stellen indien dit boek niet met piëteit, maar met kritische zin werd ontvangen. Zo wordt de geest van Koen Swart nog het meest in ere gehouden.

 

H.F.K. van Nierop

M.E.H.N. Mout

prepost  begin  verder