terug  begin  verderprepost
[p. 35]

K.W. Swart:
Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand
1572-1584

[p. 37]

I De verdediging van Holland en Zeeland (1572-1576)

Oranjes ‘finest hour’

Gedurende de vier benarde jaren dat Holland en Zeeland alleen de vijandelijke strijdkrachten trotseerden, prees Oranje herhaaldelijk zijn troepen voor hun heldhaftig gedrag en verzekerde hij hun dat zij hiervoor eeuwige roem bij het nageslacht zouden verwerven.1

Niemand droeg echter meer bij tot de mislukking van de Spaanse pogingen om de opstand in de twee zeegewesten te onderdrukken dan Oranje zelf. In deze tijd zette hij zich volledig in voor de zogenaamde ‘gemene zaak’ en deed hij voor het eerst zich kennen als een staatsman van buitengewoon formaat.

Een van zijn grootste verdiensten was dat hij onwankelbaar trouw bleef aan zijn doelstellingen. Ondanks de vele tegenslagen die hij in deze jaren moest incasseren, dacht hij er nooit aan de kamp gewonnen te geven. Enkele van zijn meest toegewijde volgelingen betoonden zich niet zo standvastig en rieden hem soms aan op vijandelijke vredesvoorstellen in te gaan. De prins weigerde echter pertinent de wapens neer te leggen zolang de Spaanse soldaten niet uit het land waren vertrokken en de Staten geen grote mate van medezeggenschap in de regering was toegekend. Het grote doorzettingsvermogen dat hij in deze strijd aan den dag legde, valt te vergelijken met de onverzettelijkheid die Winston Churchill na de val van Frankrijk in de zomer van 1940 betoonde als leider van Engelands strijd tegen een eveneens overmachtige en heerszuchtige vijand. De periode waarin Oranje al zijn krachten inspande om Holland en Zeeland te verdedigen was ook zijn ‘finest hour’.

Hiernaast liet hij zich kennen als een bekwaam politicus die zeer pragmatisch en behoedzaam te werk ging. Hij toonde zich een meester in het verkrijgen van de goedkeuring van de Staten voor de vele drastische maatregelen die genomen dienden te worden om de vijand te weerstaan. In het invoeren van nieuwe

[p. 38]

belastingen en het inlegeren van troepen trachtte hij vooral de gevoelens van de gezeten burgerij te ontzien en haar door middel van overreding of het verlenen van speciale gunsten voor zijn standpunt te winnen. Toen Hollandse edellieden er zich in oktober 1574 bij hem over beklaagden dat de steden zich vele adellijke rechten toeëigenden, verzocht hij hen te bedenken dat men in woelige tijden leefde waarin alle tweedracht geschuwd diende te worden en men de stedelijke bewindslieden te vriend moest houden.2 Wegens deze tegemoetkomende houding tegenover de welgestelde middenklasse, wier vaderlandsliefde dikwijls veel te wensen overliet maar wier politieke en financiële steun hij dringend behoefde, werd hij door vele onbesuisde opstandelingen van slaphartigheid beschuldigd. Jr. Gijsbrecht van Duivenvoorde, die medeplichtig was geweest aan het schrikbewind van Lumey, liet zich in maart 1573 zelfs ontvallen dat hij de prins voor niet goed wijs hield.3

 

Maar door tactvol op te treden wist Oranje veelal zijn zin door te drijven en te voorkomen dat de meer behoudensgezinde groepen van de bevolking met de vijand samenspanden. Het opmerkelijke feit dat de opstand in Holland en Zeeland niet, zoals bijna alle revoluties in het verleden, op een grote mislukking is uitgelopen, heeft veel aan zijn gematigd beleid te danken.

In de jaren 1572-1576 fungeerde Oranje weer als stadhouder van Holland en Zeeland. Zijn taak was in deze tijd echter onvergelijkelijk veel zwaarder dan in de periode 1559-1567, toen hij deze positie in opdracht van Filips ii had vervuld. Hij was nu de leider van de regering die allerlei beslissingen moest nemen waarvoor in het verleden de verantwoordelijkheid bij de koning of diens gevolmachtigden in Brussel berustte. Voor het eerst werd veel van zijn aandacht in beslag genomen door allerlei belangrijke politieke kwesties, zoals de financiering van de oorlogsvoering, het verkrijgen van buitenlandse steun en de inrichting van een nieuw regeringsstelsel. Niet minder tijdrovend was zijn functie als opperbevelhebber van alle strijdkrachten. Als zodanig moest hij een legermacht in het leven roepen die in strijdvaardigheid enigszins tegen die van de vijand was opgewassen, deze troepen van het strikt noodzakelijke krijgsmateriaal voorzien en bepalen hoe deze zo doeltreffend mogelijk tegen zijn zo veel machtigere tegenstander dienden te worden ingezet. ‘Dag en nacht,’ zo verzuchtte hij soms, ‘zwoeg ik voor de gemene zaak’.4

Oranje beschikte over slechts een klein aantal medewerkers die in staat waren zijn veelomvattende taak aanzienlijk te verlichten. Een van deze weinigen was Marnix van St. Aldegonde, die in deze bij uitstek kritieke periode van de strijd tegen Spanje de prins vele belangrijke diensten bewees. Hij was bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger op de eerste ‘vrije’ vergadering van de Staten van Holland te Dordrecht in juli 1572 en droeg zorg dat het aldaar bijeengebrachte geld naar

[p. 39]

Oranjes legerkamp bij Roermond vervoerd werd. Ook in de volgende vier jaren werd hij door de prins met een aantal gewichtige opdrachten belast. Zo begaf hij zich in begin 1575 naar Heidelberg om daar voor de prins de hand van Charlotte de Bourbon te vragen en trad hij in 1576 op als leider van het gezantschap dat naar koningin Elizabeth werd gezonden om haar te verzoeken zich over het lot van de Nederlandse opstandelingen te ontfermen. Marnix was een trouw en onzelfzuchtig dienaar van Oranje, maar politieke standvastigheid was niet zijn sterke zijde. Dit bleek duidelijk gedurende zijn Spaanse krijgsgevangenschap van november 1573 tot oktober 1574, toen hij Oranje aanried op de zeer bezwaarlijke vredesvoorstellen van de vijand in te gaan.

Een medestander van grotere politieke bekwaamheid was Paulus Buys, die wellicht op Oranjes voorspraak in het najaar van 1572 tot het belangrijke ambt van landsadvocaat van Holland werd benoemd. In tegenstelling tot Marnix was hij een persoon zonder vaste godsdienstige beginselen, die niet schroomde van zijn politieke invloed gebruik te maken om zijn eigen beurs te spekken. Om deze redenen was hij bij de fervente protestanten gehaat. Een van deze geloofsijveraars, Johan Fruytiers, had vooral Buys op het oog toen hij in 1574 vele prominente Hollands burgers ervan betichtte de huik naar de wind te hangen en aankondigde dat als de Spanjaard buiten gevecht was gesteld, zij aan de beurt zouden komen.5 Maar Oranje waardeerde de diensten die de landsadvocaat hem bewees en hield hem altijd de hand boven het hoofd. Dat hij groot vertrouwen in hem stelde, blijkt wel uit het feit dat hij hem tot voorzitter van de nieuw opgerichte Raad nevens Zijne Excellentie benoemde in tijden dat hijzelf verhinderd was als zodanig te fungeren.6

 

Als landsadvocaat stond Buys niet in dienst van de prins maar in die van de Staten. Zoals later bekleders van dit ambt wist hij echter grote invloed op de besluiten van de Staten uit te oefenen en werd zijn standpunt, in tegenstelling tot dat van de meeste leden van de Staten, niet in de eerste plaats door bezorgdheid voor stedelijke belangen bepaald. In zijn strijd tegen de particularistische neigingen van lokale bewindslieden vond Oranje daarom in Buys een trouw bondgenoot. Het was bijvoorbeeld gedeeltelijk aan Buys te danken dat de Staten hun verzet opgaven tegen verschillende van Oranjes impopulaire voorstellen, zoals het onder water zetten van het platteland van Zuid-Holland en het heffen van gedwongen leningen. Uit erkentelijkheid voor de door Buys bewezen diensten bekleedde Oranje hem met het lucratieve ambt van grootzegelbewaarder van Holland en Zeeland.7

Oranje had echter heel weinig andere medewerkers die voor de hun opgedragen taken berekend waren. Bijna alle edellieden die als legeraanvoerders of als militaire gouverneurs in Hollandse en Zeeuwse steden dienden, waren ruwe klanten die

[p. 40]

niet de kunst verstonden hun troepen in toom te houden en voortdurend in onmin met de burgerbevolking leefden. Sommige van hen waren ook om hun schraapzucht berucht, zoals Jr. Arend van Dorp, de gouverneur van Zierikzee van 1573 tot 1576. Deze had Oranje aan zich verplicht door hem in het voorjaar van 1572 12.000 gulden te lenen voor de financiering van zijn veldtocht en werd als beloning hiervoor met enkele winstgevende ambten en verbeurdverklaarde goederen begiftigd. Hij was een van de meest gesmade van Oranjes raadsheren. In juli 1573 werd er zoveel kwaad over hem gesproken dat de prins gelaste allen gevangen te zetten die zich beledigend over Van Dorp hadden uitgelaten. Maar ook hierna kwam hij in opspraak bij het volk wegens zijn zelfzuchtig en kleinmoedig gedrag.8

 

De vijand was zich van Oranjes essentiële bijdragen aan de verdediging van Holland en Zeeland ten volle bewust. Toen Alva in het begin van 1573 begon in te zien dat de opstand in de twee zeegewesten niet zo gemakkelijk bedwongen kon worden als hij zich aanvankelijk had voorgesteld, ried hij de koning aan de strijd te beslechten door de prins uit de weg te laten ruimen. Filips had geen enkel bezwaar tegen dit voorstel van zijn landvoogd. De koning, zo kreeg Alva te horen, zou buitengewoon verheugd zijn indien zijn Nederlandse onderdanen van de aanstichter van hun rampen zouden worden verlost.9 Zelfs Granvelle, die in het algemeen Alva's meedogenloze handelswijze laakte, was van oordeel dat tegenover verstokte rebellen zoals Oranje op z'n ‘Turks’ opgetreden behoorde te worden.10

Gedurende de landvoogdij van Alva en diens opvolger Louis de Requesens verklaarden een aantal personen van diverse pluimage zich bereid een aanslag op Oranjes leven te plegen, maar geen van hen ging hiertoe over. Enkele van hen werden bijtijds gevat, zoals het individu dat op 12 juni 1575, de dag waarop Oranje met Charlotte de Bourbon in het huwelijk trad, in Den Briel werd gearresteerd. Anderen, waaronder enkele Schotse en Engelse militairen die in Spaanse krijgsgevangenschap waren geraakt, schijnen nooit van zins geweest te zijn hun toezeggingen gestand te doen. Dit was zeker niet het voornemen van de Schotse kapitein Sir Henry Balfour, aan wie Alva na de inname van Haarlem het leven had geschonken op voorwaarde dat hij proberen zou Oranje te vermoorden. Deze stelde de prins onmiddellijk in kennis van wat tussen hem en Alva was overeengekomen en op grond van de door Balfour en anderen verstrekte inlichtingen beschikte Oranje spoedig over een lange lijst van personen die het op zijn leven hadden gemunt. Behoedzaam van nature en beschermd door zijn lijfwacht wist hij nog vele jaren aan de door zijn vijanden gelegde lagen te ontkomen.11

Ook in het opstandige kamp besefte men dat zonder Oranjes leiding de strijd niet lang zou kunnen worden volgehouden. In deze jaren dreigde de prins de Staten vele malen zijn ontslag te zullen nemen indien zij in hun oppositie tegen

[p. 41]

de door hem voorgeschreven maatregelen bleven volharden, maar in bijna al deze gevallen gaven zij hierop onmiddellijk hun tegenstand op. Bij een van deze gelegenheden stelde hij hun voor dat zij zichzelf met de leiding van de regering belastten; dit aanbod sloegen zij echter af, betogende dat zij het hoognodig achtten ‘een hoofd en hoge overheid’ te hebben.12 En dat niemand anders dan de prins als hoofd van de regering kon dienen, werd hun overduidelijk in 1574. Toen het in dat jaar bekend werd dat de vijand hem uit de weg wilde laten ruimen en hij bovendien zo ernstig ziek werd dat aan zijn herstel werd gewanhoopt, begonnen zowel het Hof van Holland als de Statencolleges naar een mogelijke opvolger uit te zien. Niemand bleek echter te vinden te zijn die in staat was in Oranjes voetstappen te treden.13

Al was het voor een aanzienlijk deel aan de prins te danken dat het Spaanse leger er niet in slaagde de opstand in Holland en Zeeland te onderdrukken, toch zou hij dit niet hebben kunnen voorkomen indien verschillende omstandigheden de verdediging van deze gewesten niet buitengewoon begunstigd hadden. Het Spaanse offensief werd in de eerste plaats belemmerd door de geografische gesteldheid van het opstandige gebied. In het zo bij uitstek waterrijke rebellenbolwerk viel het de Spanjaarden moeilijk alle toevoerwegen tot de door hen belegerde steden af te snijden. Verder kon in het drassige, soms geïnundeerde platteland niet altijd zwaar belegeringsgeschut worden opgesteld en werd de voorziening van de Spaanse strijdkrachten bemoeilijkt door hun lange en kwetsbare verbindingslijnen met de zuidelijke Nederlanden.

 

De ligging van Holland en Zeeland aan de mond van de belangrijkste rivieren had nog een ander voordeel voor de zaak van de Opstand; hierdoor konden de rebellen de doorvaart naar de Spaans gebleven handelssteden Antwerpen en Amsterdam versperren en hun eigen zo profijtelijke handel op andere Europese landen ongestoord blijven voeren.

Het kwam Oranje ook ten goede dat ten gevolge van Alva's hardhandig optreden en de steeds grotere moedwil van diens soldaten de vijand in deze tijd meer dan ooit gehaat was. Al was de opofferingsgezindheid die de Hollanders en Zeeuwen aan den dag legden, minder groot dan veelal is aangenomen, toch was een aanzienlijk deel van de bevolking bereid om zich tot het uiterste tegen de Spanjaarden te verdedigen. Na de uitmoording van Zutphen tot Naarden viel Oranjes fel anti-Spaanse propaganda in goede aarde. Met de barbaarse bestraffing van deze twee steden, die bijna geen enkele weerstand aan het Spaanse leger hadden geboden, had Alva hopen te bereiken dat voortaan de burgers in andere opstandige steden onmiddellijk de poorten voor zijn strijdkrachten zouden openen. Zijn terroristische tactiek had echter een averechts effect. Want nu werd vrij algemeen aangenomen dat men alleen door hardnekkig verzet te bieden een

[p. 42]

kans had het er levend af te brengen. Wat de vijand nog duurder zou komen te staan, was dat hij zijn troepen niet op tijd betaalde. Hierdoor sloegen zij herhaaldelijk aan het muiten, soms juist wanneer een volledige overwinning binnen hun bereik scheen te liggen. Deze misstand was gedeeltelijk te wijten aan het feit dat Spanje in deze jaren ook nog in een zware strijd met de Turken was gewikkeld. Alva drong er bij de koning herhaaldelijk op aan deze oorlog te beëindigen zodat meer geldmiddelen en schepen voor de onderdrukking van de opstand in de Nederlanden beschikbaar konden worden gesteld. Deze verzoeken legde Filips echter naast zich neer.

Al deze gunstige omstandigheden zouden de rebellen evenwel weinig gebaat hebben indien zij in de persoon van de prins van Oranje niet zo'n begaafde leider hadden gevonden.

De godsdienstige omwenteling

De godsdienstige ontwikkeling loopt uit de hand

In godsdienstig opzicht vond na het begin van de opstand in Holland en Zeeland een ware omwenteling plaats: de van oudsher enig toegelaten kerk werd van al haar voorrechten en bezittingen beroofd en de voorheen meedogenloos vervolgde leden van de gereformeerde of hervormde kerk verkregen het monopolie van godsdienstoefening. Deze anti-katholieke revolutie ging veel verder dan Oranje voorzien of gewenst had. Vóór het begin van zijn veldtocht van 1572 had hij de katholieken vrijheid van godsdienst toegezegd en zich eerder als beschermer van 's lands privileges dan als pleitbezorger van het protestantisme voorgedaan. Want hij besefte dat de meeste inwoners van de Lage Landen nog het oude geloof waren toegedaan en minder verontwaardigd waren over Alva's scherpe kettervervolging dan over diens veelvuldige schending van de oude voorrechten. Oranjes opvattingen ten aanzien van het te voeren godsdienstige beleid waren geheel in overeenstemming met een opmerkelijk advies dat hem gegeven werd kort voordat hij uit Dillenburg vertrok door een zekere Charles de Meyere. Deze wees hem erop dat hij de bijstand zou behoeven van alle leden van de bevolking, niet alleen van de kleine schare die gereformeerde leerstellingen huldigde, en hij daarom ook de katholieken, lutheranen en doopsgezinden volledige vrijheid van godsdienst diende toe te zeggen.14

Dat Oranje het katholieke deel van de bevolking geen reden wilde geven om zich tegen hem te keren, blijkt heel duidelijk uit zijn instructies aan Lumey en Sonoy die door hem in het voorjaar van 1572 als zijn plaatsvervangers in respectievelijk Zuid- en Noord-Holland werden benoemd. Hierin werd hun verboden

[p. 43]

de katholieken te molesteren of hun eredienst te verstoren.15 In overeenstemming met deze opdracht was in een aantal overeenkomsten die tussen deze geuzenleiders en Hollandse stadsbesturen gesloten werden, bepaald dat de geestelijken hun voorrechten zouden behouden en kerken en kloosters in hun bezit zouden blijven.16

Deze bepaling bleef echter een dode letter. De ongedisciplineerde geuzenbenden ontzagen zich niet kerkelijke gebouwen te plunderen en talrijke monniken en pastoors te vermoorden. Wat vooral ergernis wekte, was dat Lumey zelf het voorbeeld gaf. Toen zijn troepen in begin juli een zeventiental monniken in Gorkum gevangengenomen hadden, gelastte Oranje hem deze vrij te laten. Maar nadat Lumey van dit gebod had kennisgenomen, begon hij te razen, zeggende dat hij het gezag van de prins niet erkende, en gaf hij bevel de geestelijken op de meest gruwelijke wijze ter dood te brengen.17 Even weinig stoorde hij zich aan de protesten van de Staten van Holland tegen de schending van de hun gedane belofte er zorg voor te zullen dragen dat de katholieke geestelijkheid niet werd gemolesteerd.

De terreur van Lumey en zijn trawanten bleek niet meer te stuiten. Toen Oranje eind oktober in Holland aankwam, kon het katholicisme nergens meer in het openbaar worden beleden en hadden talrijke geestelijken een goed heenkomen gezocht. De vele stedelijke gezaghebbers die het oude geloof nog waren toegedaan, hoopten nu dat de prins zijn toezeggingen aan de katholieken gestand zou doen. In principe had hij dit gaarne gewild. Hij deelde waarschijnlijk de mening van Adriaan van der Myle, een van zijn trouwste aanhangers, die in februari 1573 aan de paltsgraaf Frederik iii verklaarde het ten zeerste te betreuren dat men zijn woord aan de katholieken niet was nagekomen, want hierdoor waren vele vooraanstaande burgers van de zaak van de Opstand vervreemd geraakt.18

 

Oranje besefte echter ook hoe moeilijk het hem zou vallen gewelddaden tegen de katholieken te voorkomen. Dit had hij reeds ondervonden bij zijn inname van Roermond in juli 1572, toen hij niet had kunnen verhinderen dat zijn troepen monniken en priesters van hun leven beroofden.19 Een overeenkomstige ervaring deed hij op in begin november tijdens een bezoek aan Haarlem, toen geuzenbenden stedelijke kloosters begonnen te plunderen en hij een der burgemeesters gelastte hieraan een einde te maken; aan deze opdracht werd toen geen gevolg gegeven, wellicht omdat hiervoor de schutterij moest worden ingezet en deze bevolkingsgroep in Haarlem, zoals in de meeste Hollandse steden, de katholieke geestelijkheid ongunstig gezind was.20

Kort hierop vestigde Oranje zich te Delft. Hier verzochten de burgemeesters hem de katholieke eredienst weer toe te laten en op 9 december liet hij bekendmaken dat in de Oude Kerk en de St.-Joriskapel het oude geloof weer beleden

[p. 44]

mocht worden. De kans dat in Delft Oranjes verdraagzame politiek zou slagen, scheen beter te zijn dan elders in Holland, daar dit de enige stad was die van Oranje het voorrecht had weten te verkrijgen van inlegering van de zo plunderzieke soldaten verschoond te zullen blijven. Maar ook vele leden van de Delftse kleine burgerij hadden het op de katholieke kerk voorzien. Toen in februari en maart 1573 anti-katholieke relletjes uitbraken, wist de prins door een hernieuwde afkondiging van zijn vorig besluit het volk nog in toom te houden. Eind april echter, toen een nederlaag van Oranjes troepen voor het belegerde Haarlem door velen werd opgevat als Gods straf voor het toelaten van de katholieke afgodendienst, was dit niet langer het geval. Een ware beeldenstorm vond plaats, waarbij Oranje werkeloos bleef toezien. Weliswaar gelastte hij de volgende dag alle buitgemaakte goederen in te leveren, maar de katholieke kerken bleven afgesloten en honderden Hollandse geestelijken die in Delft hun toevlucht hadden gezocht, werden gedwongen de stad te verlaten.21

Hierna bleef in alle Hollandse en Zeeuwse steden die de partij van de prins hadden gekozen, de openbare uitoefening van het katholieke geloof verboden. De reden hiervoor is niet, zoals veelal is aangenomen, dat de stedelijke regenten in deze tijd overtuigde calvinisten waren geworden. Integendeel, nog tal van jaren droegen vele van hen het oude geloof een warm hart toe en waren slechts enkelen van hen lid van de gereformeerde kerk. Maar bijna zonder uitzondering hechtten zij meer waarde aan het handhaven van de stadsvrede dan aan het herstel van de katholieke eredienst.

Oranjes begunstiging van de ‘ware religie’

Al zou Oranje gaarne gezien hebben dat de katholieken vrijheid van godsdienstoefening werd toegestaan, toch kan de betreurenswaardige toestand waarin hun kerk kwam te verkeren gedeeltelijk aan hem worden geweten. In de eerste plaats was het vooral op zijn aandrang dat de vele bezittingen van de oude kerk in beslag genomen en voor andere doeleinden gebruikt werden. Reeds in 1570 had hij aangekondigd dat allen die hem financiële bijstand zouden verlenen in zijn pogingen Alva's schrikbewind omver te werpen, ruimschoots schadeloos zouden worden gesteld uit de opbrengsten van de verkoop van geestelijke goederen in de steden die in zijn handen zouden vallen. Het was ook op zijn voorstel dat de Staten van Holland in juli 1572 besloten de voor de betaling van zijn troepen zo dringend benodigde gelden voor een groot deel door verkoop van katholieke kleinodiën op te brengen.22 Spoedig na Oranjes aankomst in Holland in oktober 1572 werd ook al op het onroerend bezit van de katholieke kerk beslag gelegd.

 

Enkele kerkgebouwen werden voor de gereformeerde eredienst in gereedheid

[p. 45]

gebracht, maar aan vele werd een wereldlijke bestemming gegeven. Het voormalige St.-Agathaklooster te Delft diende bijvoorbeeld Oranje tot residentie tijdens zijn verblijf in deze stad en werd hem aan het einde van zijn leven, ter gedeeltelijke vergoeding van zijn in 's lands belang gemaakte onkosten, in eigendom toegewezen. Andere katholieke gebouwen werden gebruikt voor e huisvesting van stedelijke regeringscolleges of voor de verpleging van gewonde soldaten. Eind 1575, toen de geldnood bijzonder nijpend was, werd op voorstel van Oranje een aanzienlijk deel van de geestelijke goederen aan de meest biedenden verkocht of aan de steden geschonken ter compensatie van de grote financiële offers die deze zich voor de gemene zaak hadden getroost.23 Door deze geleidelijke vervreemding van katholieke bezittingen werd een steeds groter aantal invloedrijke personen die weinig of geen sympathie voor het calvinisme koesterden, geïnteresseerd in de bestendiging van het verbod van de katholieke godsdienst.

Ook door zijn begunstiging van de nieuwe religie droeg Oranje veel bij tot de ondermijning van de positie van de oude kerk. Het hooghouden van Gods eer en de verspreiding van Zijn woord waren, zoals hij althans aan zijn protestantse volgelingen herhaaldelijk betuigde, een hoofdreden waarom hij de wapens had opgenomen. Aan zijn meer gelovige broer Jan verklaarde hij zelfs dat, voorzover hij kon nagaan, niemand anders zich meer ingespannen had om het welzijn van Gods kerk te behartigen en dientengevolge zoveel geleden en verloren had.24 Al geeft dit een overdreven voorstelling van Oranjes godsdienstijver, het is waar dat hij vanaf 1572, in tegenstelling tot de meeste Hollandse en Zeeuwse regenten, die door fervente calvinisten niet geheel ten onrechte voor libertijnen werden uitgemaakt, op verschillende wijzen de opbouw van de gereformeerde kerk bevorderde. Het feit dat hij in augustus van dit jaar de calvinistische predikant Dathenus de opdracht gaf om op alle godsdienstige en politieke zaken in het opstandige gebied orde te stellen, wijst er al op aan welke zijde zijn sympathieën lagen, in het diepgaande conflict tussen de katholieken en de protestanten.25 In de hierop volgende vier jaren werden door zijn toedoen in verscheidene steden de door geuzenbenden geschonden kerken voor de gereformeerde eredienst in gereedheid gebracht en aan de nieuwe predikanten een passende jaarwedde uitgekeerd. Verder gaf hij zich veel moeite om in het ernstig tekort aan protestantse voorgangers te voorzien. Zo overreedde hij een aantal vooraanstaande predikanten van Nederlandse vluchtelingenkerken in Engeland en Duitsland om aan een beroep vanuit het vaderland gehoor te geven.26

Ook met de oprichting van de Leidse hogeschool in februari 1575 beoogde de prins het aantal van geschoolde protestantse kerkdienaren te vermeerderen.27

Hiermee wilde hij tevens de indruk wekken alsof het ‘ware’ geloof zo vaste voet in het rebellenbolwerk had gekregen dat een in de aanstaande vredesonderhandelingen door de tegenpartij gestelde eis dat de uitoefening van de protestantse

[p. 46]

godsdienst in Holland en Zeeland weer moest worden verboden, als onuitvoerbaar kon worden afgewezen. Een zelfde beweegreden verklaart ook een schromelijke overdrijving waaraan Oranje zich in deze tijd bezondigde: zowel aan Jan van Nassau als aan de koninklijke vredesonderhandelaars te Breda deed hij in het voorjaar van 1575, toen in Holland en Zeeland nog slechts een kleine schare de nieuwe religie had omhelsd, het voorkomen alsof bijna alle inwoners van deze provincies het geloof van hun voorvaderen hadden afgezworen.28

Oranje wordt lidmaat van de gereformeerde kerk

Gedurende de jaren van zijn ballingschap in Duitsland had Oranje zich als een lutheraan gedragen, hoewel de door de meeste lutherse kerkleraren gehuldigde opvatting dat het ongeoorloofd is in opstand tegen de wettige overheid te komen, hem tegenstond. Een tirannieke of goddeloze regering was volgens deze predikanten een straffe Gods voor de zonden van de bevolking en diende daarom met berusting gedragen te worden. Dit was bijvoorbeeld de mening van de superintendant van de lutherse kerk in het graafschap Nassau, Bernhard Bernhardi, die Oranjes veldtocht van 1572 openlijk bekritiseerde als ‘een wederrechtelijke, calvinistische zaak’.29

Men kan zich afvragen waarom de prins niet reeds in deze tijd in navolging van zijn broer Lodewijk een lidmaat werd van de calvinistische kerk, die weerstand tegen een tirannieke regering onder zekere omstandigheden geheel gerechtvaardigd oordeelde. De voornaamste reden waarom hij weigerde dit te doen, wordt vermeld door Marnix, die eind 1570 in dienst van de prins trad en zich daarop veel moeite gaf hem tot zijn geloof te bekeren. Het was volgens Marnix vooral ‘onze eigenzinnigheid’, waartegen Oranje grote bezwaren maakte: net zoals de meeste hoge edellieden en stedelijke regenten was hij van mening dat de calvinisten ernaar streefden ‘een nieuwe monnikerij’ in te voeren, die even onverdraagzaam zou zijn als die van de katholieke kerk. ‘Dit was het prinselijke schild,’ zo verklaarde Marnix in latere jaren, ‘waarop lange tijd alle door mij op hem afgeschoten pijlen afketsen.’30

Ook na zijn aankomst in Holland ging de prins er nog niet direct toe over zich bij de calvinisten of gereformeerden aan te sluiten. Gedurende het hierop volgende jaar bleef hij wat tijdgenoten ‘een liefhebber van de ware religie’ noemden, dat wil zeggen iemand die wel vrij geregeld ter kerke ging, maar niet bereid was een geloofsbelijdenis af te leggen en daarom ook niet tot het avondmaal werd toegelaten. Het was pas in het najaar van 1573 dat de prins ertoe besloot een lid van de gereformeerde kerk te worden. Volgens Jan van Nassau was het naast God vooral aan Lodewijk van Nassau te danken dat Oranje zich tot de ‘christelijke gereformeerde religie’ bekeerde.31 Van een echte godsdienstige bekering was

[p. 47]

echter geen sprake. De prins is nooit een fervent calvinist geworden. Hoewel hij de verbreiding van ‘de ware religie’ in de hand werkte, liet hij zich tot het einde van zijn leven soms zeer kritisch uit over vele calvinistische opvattingen. Hij laakte vooral hun onverdraagzame houding tegenover andersdenkenden, niet alleen tegenover katholieken, maar ook tegenover protestanten die de calvinistische leerstellingen niet onderschreven. Hij kwam bijvoorbeeld op voor de Middelburgse doopsgezinden, die hun winkels zouden moeten sluiten en uit de stad moeten vertrekken omdat zij een verklaring van trouw aan het stadsbestuur niet met een door hun geloof verboden eed, maar alleen met een ja-woord wilden bevestigen. Tot grote teleurstelling van Marnix liet de prins in dit geval de Middelburgse bewindhebbers weten dat hun beleid geheel in strijd was met het beginsel van vrijheid van geweten waarvoor de wapens tegen de koning van Spanje waren opgenomen; het ja-woord van een doopsgezinde, zo vermaande hij de leden van de magistraat, betekende niet minder dan een eed van een lid van een ander kerkgenootschap.32 Hij was ook sterk gekant tegen de strenge tucht waaraan leden van de gereformeerde kerk waren onderworpen, en deelde niet de afschuw die de meeste calvinisten hadden van zulke wereldse vermaken als dans en toneelspel. Verder wenste hij, in tegenstelling tot bijna alle gereformeerde predikanten, hun kerk onder toezicht van de wereldlijke overheid te plaatsen, zodat een nieuwe drukkende inquisitie kon worden voorkomen.

 

Weliswaar ging hij in dit opzicht niet zo ver als de libertijns gezinde Staten van Holland, die, toen zij in 1575 Oranje de Hoge Overheid opdroegen, hem ertoe wilden verplichten geen vergaderingen van kerkeraden toe te laten tenzij hiervoor toestemming van de burgerlijke autoriteiten verkregen was. Maar al stond Oranje er bij deze gelegenheid op dat deze bepaling uit zijn instructie werd geschrapt, hij gaf toe dat de vrees van de Staten voor een nieuwe kerkelijke tirannie niet van alle grond ontbloot was.33

De verschillende pogingen die zijn eind 1573 benoemde hofprediker Jean Taffin in het werk stelde om de prins tot de kerkelijke opvattingen over deze vraagstuk-ren te bekeren, bleven vruchteloos en het feit dat Taffin in 1583, toen Oranje zich weer in het Noorden vestigde, in Antwerpen achterbleef, schijnt aan te duiden dat hun verhouding op den duur niet de beste was.

Oranjes persoonlijke geloofsovertuigingen waren eerder oecumenisch dan calvinistisch. Zoals Robert Fruin het eens uitdrukte: ‘de afstand die de prins heeft doorlopen toen hij zich van rooms tot protestant, van luthers tot calvinist bekeerde, was niet groot.’34 De enige predikant over wie hij zich ooit zeer lovend uitliet, was Hubert Duifhuis, die een ondogmatisch christendom beleed dat nog dicht bij het katholicisme stond. Deze was lange tijd zeer ingenomen geweest met de esoterische denkbeelden van Hendrik Niclaes, de stichter van de door Marnix

[p. 48]

en andere orthodoxe protestanten zo verfoeide sekte het Huis der Liefde. Nadat de prins een van Duifhuis' kerkdiensten had bijgewoond, verklaarde hij nooit zo gesticht geweest te zijn en toonde hij zich zeer verbaasd van calvinistische predikanten te vernemen dat diens opvattingen verre van leerstellig waren.35

Wel bleef Oranje in de tijd dat Holland en Zeeland door een zoveel machtigere vijand dreigden te worden overweldigd, het sterke godsvertrouwen betonen dat hij zich in de voor hem zo bij uitstek rampspoedige jaren van zijn ballingschap in Duitsland had eigen gemaakt. Al wist hij dat Gods wegen onnaspeurlijk zijn, toch vertrouwde hij erop dat de volgens hem godgevallige en gerechte strijd tegen de Spaanse tirannie op de lange duur op de zegen des Heren zou kunnen rekenen. Van dit geloof getuigen tal van Oranjes brieven aan zijn volgelingen. Het komt vooral goed tot uiting in zijn bekend schrijven aan Sonoy en andere bevelhebbers in her Noorderkwartier die na de val van Haarlem alle moed hadden verloren. Deze hadden de prins gevraagd of hij niet een verbond met een buitenlandse vorst had gesloten waardoor aan de onafgebroken reeks van tegenslagen een einde zou kunnen komen. Hierop liet Oranje hun weten dat, voordat hij had besloten de christenen en andere onderdrukten in den lande te hulp te komen, hij zo'n vast verbond had gesloten ‘met de alleropperste Potentaet der potentaten’ dat hij er niet aan twijfelde dat ‘wij... door Zijn geweldige en machtige hand ten langen leste zullen worden ontzet’.36

Of zulk een oudtestamentisch vertrouwen in de Heer der heirscharen in overeenstemming is met de leer van het evangelie moge hier in het midden gelaten worden. Het is stellig niet een specifiek calvinistisch geloof. Vele van Oranjes katholieke tegenstanders waren er niet minder vast van overtuigd dat zij Gods zaak dienden en Hij hun de overwinning zou bezorgen. Bovendien valt op te merken dat tal van calvinisten Oranje verweten nog te veel vertrouwen in mensenwerk te stellen. Sommige van hen, zoals Marnix, betwijfelden zelfs of God ooit zijn zegen schenkt aan hen die tot wapengeweld hun toevlucht nemen, terwijl andere, zoals Jan van Nassau, geloofden dat de tegenslagen die zijn broer in latere jaren te verduren had, een goddelijke straf betekenden voor het feit dat deze de katholieke hertog van Anjou tot heer der Nederlanden had laten benoemen.37

Zeker is het dat Oranje steeds van oordeel was dat op Gods hulp niet te rekenen valt indien men niet alle middelen gebruikt die Hij beschikbaar stelt, en dat hij in de keuze van zijn middelen zich vaak weinig scrupuleus betoonde en ter rechtvaardiging hiervan naar het oude gezegde verwees ‘nood breekt wet’.38

Het godsdienstige vraagstuk raakt op de achtergrond

Oranjes persoonlijke voorkeur voor een vorm van godsdienst waarin zowel vele katholieken als vele protestanten zich thuis zouden voelen, strookte met zijn

[p. 49]

politieke instelling. Hij zag in dat confessionele kwesties ernstige verdeeldheid onder de tegenstanders van de Spaanse overheersing zaaiden, en streefde er daarom naar het godsdienstige vraagstuk op de achtergrond te schuiven. En met deze politiek boekte hij in Holland en Zeeland in de jaren 1572-1576 opmerkelijk succes. Nadat in begin 1573 de katholieke godsdienst overal verboden was, bleven ernstige conflicten over godsdienstige geschilpunten achterwege. Dit was niet alleen aan Oranjes principiële verdraagzaamheid te danken, maar ook aan het feit dat het katholicisme zich in het rebellenbolwerk weinig strijdvaardig betoonde. De meeste vooraanstaande katholieken waren naar de koningsgetrouwe gebieden uitgeweken en de vele katholieken die achterbleven, gedroegen zich gedurende deze benarde jaren eerder anti-Spaans dan anti-protestant. Zij schikten zich in de vernedering van hun geloof en van een krachtige katholieke oppositie tegen Oranjes bewind, zoals die zich naderhand in de zuidelijke gewesten manifesteerde, was in Holland en Zeeland nimmer sprake. Vele katholieken zullen ook wel ingezien hebben dat Oranje niet hun grootste vijand was. Dit liet hij weer blijken toen hem in 1575 door de Staten van Holland de Hoge Overheid werd aangeboden. In hun opdracht wilden de Staten, die in deze tijd meer anti-katholiek, zij het niet meer pro-protestant, dan Oranje waren geworden, hem ertoe verplichten geen vrije uitoefening van de katholieke godsdienst toe te laten. Maar de prins verklaarde dit onaanvaardbaar en op zijn aandrang moesten de Staten genoegen nemen met een voor de katholieken minder aanstotelijke bepaling, namelijk geen toelating van enige godsdienst die in strijd was met het evangelie.39

Ook de katholieken in de nog koningsgezinde gewesten wenste Oranje niet nodeloos van zich te vervreemden. In een in 1574 te Delft verschenen pamflet dat aan de Staten van de zuidelijke gewesten was gericht, werd hun verzekerd dat de katholieke godsdienst nooit in Holland en Zeeland verboden zou zijn indien vele papisten niet met de Spanjaarden hadden samengespannen; tevens werd hierin betoogd dat indien, zoals door bijna alle Nederlanders werd verlangd, de Spaanse soldaten uit het land verdwenen, er geen enkele reden meer zou bestaan waarom de verschillende provincies van de Lage Landen met elkaar omtrent godsdienstige problemen in onmin zouden leven.40 De door Oranje gepropageerde voorstelling dat het godsdienstige vraagstuk gemakkelijk kon worden opgelost en dat hijzelf geen vijand van het katholicisme was, werd door een groot deel van de bevolking in het Zuiden geaccepteerd. Vrij algemeen werd hier de opvatting gehuldigd dat hij niet verantwoordelijk moest worden gehouden voor het jammerlijke lot dat hun geloofsgenoten in Holland en Zeeland te beurt was gevallen. Gedurende de vredesonderhandelingen te Breda in 1575 hielden enkele zuidelijke afgevaardigden het zelfs geenszins voor onmogelijk dat de prins weer tot het oude geloof zou terugkeren.

[p. 50]

En twee jaren later verklaarden katholieke Brusselse burgers, die Oranje tot gouverneur-generaal wilden laten benoemen, er niet voor bevreesd te zijn dat onder diens bewind hun godsdienst enig gevaar zou lopen; de vervolging waaraan de katholieken in Holland en Zeeland hadden blootgestaan, zo betoogden zij, was niet aan Oranje te wijten, maar aan Lumey en diens consorten, die Oranje spoedig na zijn aankomst in deze provincies van hun macht had beroofd.41

De nieuwe politieke orde

De vergadering van de Staten van Holland in juli 1572

De bijeenkomst van de Staten van Holland te Dordrecht in juli 1572 was een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse staatsinrichting. Hier legden de afgevaardigden van twaalf Hollandse steden en één lid van de Hollandse ridderschap de grondslag voor een regeringsvorm waarin voor het eerst de welgestelde burgerij grote macht uitoefende. Deze vergadering was niet, zoals in het verleden gebruikelijk was geweest, door de landsheer of diens gemachtigden uitgeschreven. Weliswaar waren al tijdens de landvoogdij van Margaretha van Parma de Staten van Holland herhaaldelijk eigenmachtig bijeengekomen. Maar zulke vergaderingen waren in die tijd zowel door Oranje, de stadhouder van het gewest, als door de Brusselse regering als ongeoorloofd beschouwd. Wat echter de Dordtse bijeenkomst vooral een revolutionair karakter verleent, is dat, terwijl in vroegere eigenmachtig belegde vergaderingen uitsluitend zaken van ondergeschikt belang werden behandeld, de Staten ditmaal een aantal besluiten namen die de bestaande regeringsvorm ingrijpend veranderden.42

De leden van deze Statenvergadering waren zich van de draagwijdte van hun beslissingen niet bewust. Voor het merendeel behoorden zij tot het stedelijk partriciaat dat in principe behoudend gezind was. Al verfoeiden zij Alva's tirannieke regime, ze dachten er niet aan met de koning te breken en koesterden evenmin de ambitie zelf een leidende rol in de regering te spelen. Maar zij maakten zich ernstig ongerust over de chaotische toestanden in hun gewest en besloten Oranje als regeringshoofd te erkennen omdat niemand anders voldoende prestige had om rust en orde te herstellen.

Oranje was er evenmin op uit de bestaande regeringsvorm radicaal te veranderen. Hij was in wezen een pragmatist met traditionele politieke opvattingen. De bijeenkomst van de Staten van Holland in juli 1572 kwam hem zeer te pas omdat deze zijn optreden een zekere legitimiteit kon verlenen en hem van de voor zijn inval in de zuidelijke Nederlanden zo dringend benodigde geldmiddelen kon voorzien. Al werd de vergadering formeel belegd door de secretaris van Dordrecht,

[p. 51]

het valt aan te nemen dat dit op aandrang van de prins geschiedde. Hierop duidt dat de Staten bijna uitsluitend die punten behandelden die door Marnix in opdracht van Oranje aan de orde waren gesteld. Zeker is het dat de eerste ‘vrije’ vergadering van de Staten van Zeeland, die pas in maart 1574 plaatsvond, op de uitdrukkelijke wens van Oranje bijeenkwam.43

Op de Dordtse vergadering werd in feite een verbond gesloten tussen Oranje en de Staten van Holland, die voorlopig gezamenlijk een groot deel van de macht zouden uitoefenen die voorheen bij de koning of de Brusselse regeringsautoriteiten had berust. De Staten erkenden de prins als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, ondanks het feit dat hij in 1567 deze functie had neergelegd en in het volgende jaar door de Raad van Beroerten op doodstraf tot eeuwige verbanning uit de Nederlanden was veroordeeld. Zij hechtten verder hun goedkeuring aan Oranjes voorstel zowel de aanhangers van de nieuwe, ‘gereformeerde’ religie als de katholieken vrijheid van godsdienst toe te staan. Nog verder gingen zij hun traditionele bevoegdheden te buiten door te verklaren dat Oranje als ‘een voornaamste lid van de Staten-Generaal’ de taak had om bij afwezigheid van de koning als beschermheer van alle Nederlandse gewesten op te treden, terwijl zij zich ontegenzeglijk aan majesteitsschennis schuldig maakten door er zich toe te te verbinden met niemand, zelfs niet met de koning, in enig vergelijk te treden zonder de instemming van de prins. Van zijn kant keerde Oranje de Staten rechten toe die zij vroeger nooit hadden bezeten. Door hem werd nu als vanzelfsprekend aangenomen dat de Staten eigenmachtig mochten bijeenkomen en tot medezeggenschap gerechtigd waren in zulke belangrijke beslissingen als een eventueel akkoord met de koning en het bepalen van een nieuw godsdienstpolitiek.44

Het viel nog te bezien of de op Oranjes voorstel aangenomen veranderingen in de godsdienstige en politiek orde levensvatbaar zouden zijn. Hiernaar zag het zeker niet uit in de zomer en de herfst van 1572, toen chaotische toestanden in Holland heersten en de dienst niet voor Oranje of de Staten maar door Lumey, Sonoy en hun geuzenbenden werd uitgemaakt. In deze tijd verloren vele burgers die in het voorjaar de zaak van de prins een goed hart hadden toegedragen, al hun geestdrift voor de opstandige beweging. Net zoals in vele andere revoluties dreigde er een burgeroorlog tussen de meer gematigde en meer radicale groepen van de bevolking uit te breken. Het was voor een groot deel aan het wijs beleid van Oranje te danken dat in Holland en Zeeland dit gevaar werd bezworen.

Het ontslag van Lumey

Reeds voor zijn aankomst in Holland had Oranje getracht aan het schrikbewind van Lumey een einde te maken. Aanvankelijk had hij niet de held van Den Briel, maar Charles de Boisot, een van zijn bekwaamste volgelingen onder de Neder-

[p. 52]

landse adel, tot zijn plaatsvervanger in Holland willen benoemen. Maar deze laatste liet de prins op 27 mei weten dat hij zich niet in staat voelde de ongezeglijke Luikse graaf van zijn macht te beroven.45 Pas op 20 juni, ruim tweeëneenhalve maand na de inname van Den Briel, ging Oranje er node toe over Lumey tot waarnemend stadhouder in Zuid-Holland aan te stellen. In diens instructie werd zijn gezag sterk aan banden gelegd. Onder andere werd hierin bepaald dat hij zijn beleid in nauw overleg met de Staten van Holland diende te voeren.46 Maar de pogingen van de prins om Lumey ertoe te bewegen de Staten een beslissende stem in de regering te geven, bleven vruchteloos. Hun verhouding werd integendeel steeds meer gespannen. Lumey verklaarde dat de meeste leden van de Staten papisten, libertijnen en aanhangers van Alva waren, die weigerden voldoende gelden voor de strijd tegen de vijand te laten opbrengen.47 De Staten van hun kant namen steeds meer aanstoot aan het baldadige gedrag van de geuzenbenden. Tot hun ergernis gaf Lumey geen gevolg aan Oranjes opdracht een nieuw Hof van Holland op te richten en bleef Oranjes plakkaar van 27 augustus, waarin de soldaten die zich aan plundering en doodslag schuldig maakten, met zware straffen bedreigd werden, een dode letter. Hierop besloten de Staten van Holland in begin oktober 1572 een onderzoek te laten instellen naar alle wandaden die door Lumey en zijn volgelingen waren bedreven. Zij gelastten Dirck Volkertsz. Coornhert, de befaamde voorvechter van godsdienstige verdraagzaamheid, die in de jaren van zijn ballingschap in Duitsland in nauw contact met Oranje had gestaan en wellicht op diens voorspraak tot secretaris van de Staten was benoemd, dit onderzoek in Kennemerland uit te voeren. Toen Lumey vernam dat Coornhert tot de conclusie was gekomen dat Holland meer van de geuzenbenden dan van het Spaanse leger had geleden, was hij buiten zichzelf van woede en beval hij Coornhert uit de weg te ruimen. Hierop besloot deze wijselijk wederom naar Duitsland uit te wijken.48

Kort hierop kwam de prins in Holland aan. Hij was ongetwijfeld voornemens Lumey zo spoedig mogelijk aan de kant te zetten. Hij besefte echter zeer omzichtig te werk te moeten gaan, daar de geuzenleider over een aanzienlijke aanhang beschikte.

In de eerste plaats kon deze rekenen op de steun van vele legerofficieren, die vreesden dat indien hun leider ter verantwoording werd geroepen, ook zij voor hun wandaden rekenschap zouden moeten afleggen. Verder werd zijn hardhandig optreden tegen de katholieke afgodendienst ten zeerste gewaardeerd door de meeste overtuigde protestanten, terwijl ook een deel van de kleine burgerij het met Lumey eens was dat alle leden van de Staten kleinhartige opportunisten waren. Wat de prins tot elke prijs wilde voorkomen, was dat Lumey met behulp van het hem gunstig gezinde deel van de bevolking het hoofd werd van een anti-orangistische beweging, want hierdoor zou de zo hoogst noodzakelijke

[p. 53]

eendracht in de strijd tegen de vijand ten enenmale verloren gaan. In het begin van december maakte deze het echter al te bont. In deze tijd had Oranje zijn intrek genomen in het Delftse Agathaklooster, waar de tweeënzeventigjarige Cornelius Musius, een hooggeacht humanist, het bewind had gevoerd. Musius was niet ten onrechte voor anti-katholieke relletjes beducht en wenste zich daarom in het nog koningsgetrouwe Amsterdam terug te trekken. Hiervoor verkreeg hij een vrijgeleide van Oranje, maar op weg naar deze stad werd hij door geuzenbenden aangehöuden en op last van Lumey op barbaarse wijze ter dood gebracht.49

Oranje was begrijpelijkerwijs zeer verstoord over deze flagrante miskenning van zijn gezag en in begin januari 1573 ontbood hij Lumey samen met diens adjudant Barthold Entens naar Delft, zogenaamd om te overleggen hoe het door de vijand belegerde Haarlem het beste zou kunnen worden ontzet. Het moet wel Oranje geweest zijn die, tot grote verbazing van Lumey en Entens, ook enkele leden van de Staten voor deze bespreking had uitgenodigd en het zal ook wel niet buiten zijn voorkennis geweest zijn dat deze leden Entens ten laste legden de Staten voor vuile en ellendige verraders te hebben uitgemaakt. Hierop besloot de prins Entens huisarrest op te leggen en hem voor zijn belasterende opmerkingen gerechtelijk te laten vervolgen. Oranje wenste klaarblijkelijk Lumey nog te ontzien, maar wel diens gezag te ondermijnen door een van diens trouwe volgelingen in staat van beschuldiging te laten stellen. Maar toen Lumey de volgende dag Entens met geweld uit zijn verzekerde bewaring trachtte te verlossen om samen met hem uit de stad te vertrekken, wisten de burgermeesters van Delft dit te beletten en werd ook Lumey gearresteerd. Oranje deed het voorkomen alsof niet hij, maar de Staten en Delftse burgers voor dit gebeuren verantwoordelijk waren. Toch is het wel duidelijk aan wiens kant hij in dit conflict stond, want kort hierop onthief hij Lumey uit al zijn functies en gaf hij aan een van zijn vertrouwden te kennen dat het van het grootste gewicht was de Staten genoegdoening te verschaffen.50

Wél wilde de prins van de held van Den Briel geen martelaar maken. Het liefst had hij gezien dat deze zo spoedig mogelijk naar elders uitweek. Hiervoor waren de Staten echter niet te vinden. Eerst werd Lumey het slot bij Gouda als verblijfplaats toegewezen, maar de regering van deze stad, die in het voorafgaande jaar zo veel van Lumeys schrikbewind had geleden, maakte de grootste bezwaren tegen diens aanwezigheid. Daarop werd deze onwelkome gast verlof gegeven zich in Leiden te vestigen, waar hij onder de hoede stond van de hem zeer toegenegen gouverneur, de Waalse kolonel de heer van Noyelles. Maar toen het eind mei 1573 Oranje ter ore kwam dat Lumey een coup d'état voorbereidde, werd hij naar het kasteel Honingen dicht bij Rotterdam overgebracht. Twee maanden later verlosten Rotterdamse schutters, die zeer op Lumeys hand waren, hem uit zijn hechtenis en voerden zij hem triomfantelijk naar hun stad, waar hij volledige vrijheid van beweging genoot. Oranje was zeer verontrust over dit voorval. Dit geschiedde

[p. 54]

juist in de tijd dat hij ten gevolge van de val van Haarlem veel van zijn prestige verloren had.

 

Het scheen niet uitgesloten dat de Rotterdamse bewindhebbers Lumey als militair gouverneur van hun stad zouden erkennen in plaats van Marnix, die door Oranje tot deze positie benoemd was.51 Maar zover kwam het niet. Wel verleende het stadsbestuur Lumey een ruime toelage en werd hem alle gelegenheid gegeven een scheepsmacht uit te rusten, waarop hij zich in begin oktober 1573 inscheepte. Hij was klaarblijkelijk van zins zijn loopbaan als zeeschuimer te hervatten en ditmaal Oranjes schepen niet te ontzien. Na enkele dagen werd hij echter op last van de prins in Zeeuwse wateren gevat en daarop in het fort Rammekens op Walcheren gedetineerd.52

In maart 1574 lieten de Staten van Holland op aandrang van de prins hun verzet tegen Lumeys vrijlating eindelijk varen. Zonder zijn schulden betaald te hebben vertrok hij naar Duitsland, vanwaar deze Luikse edelman een jaar later naar zijn geboorteland terugkeerde. Hier verzoende de wrede vervolger van vele katholieke geestelijken zich met de moederkerk en beschuldigde hij Oranje ervan hem door vergiftiging uit de weg te willen laten ruimen. Maar Oranje zal wel opgelucht geweest zijn dat hij de persoon die zijn positie als leider van de Opstand enige tijd ernstig bedreigd had, zonder grotere ongelukken was kwijtgeraakt.53

Dualistisch regeringsstelsel

Tegelijkertijd dat Oranje Lumey van zijn functies onthief, begon hij een einde te maken aan de chaotische toestanden die in het leger, de financiële administratie en de rechtspraak heersten. De soldaten werden aan een striktere discipline onderworpen en enkele geuzenkapiteins moesten voor hun wandaden met de dood boeten. De provinciale colleges van de Rekenkamer en het Hof van Holland, waarvan bijna alle leden naar de vijand waren uitgeweken, werden heropgericht. Het nieuwe Hof verkreeg echter uitsluitend rechterlijke bevoegdheden. Zijn vroegere rol als bestuursorgaan van de provincie werd gedeeltelijk overgenomen door de nieuw opgerichte Raad nevens Zijne Excellentie, ook wel Raad van State genoemd, die zoals het gelijknamige college in Brussel advies over het door de regering te voeren beleid diende te geven.54 Een belangrijk verschil was echter dat in Oranjes nieuwe raad geen hoge edellieden zitting hadden maar voornamelijk vooraanstaande burgers die hun politieke ervaring in de stedelijke vroedschappen hadden opgedaan en door de prins werden verkozen uit een voordracht die door de Staten werd ingediend. In de loop van de volgende jaren begon de Raad nevens Zijne Excellentie een rol in de regering te spelen die enige gelijkenis vertoonde met die van de Gecommitteerde Raden van de tijd van de Republiek.

[p. 55]

Ten onrechte wordt soms de opvatting gehuldigd dat al vanaf 1572 het soevereine gezag in Holland en Zeeland bij de Statenvergaderingen berustte.55 In feite fungeerde Oranje, althans tot hij in 1577 naar het Zuiden vertrok, als staatshoofd van de twee opstandige gewesten. De Staten van deze provincies beschouwden hem zeker als zodanig. Zij verklaarden herhaaldelijk dat een eenhoofdige regeringsvorm vereist was, en spraken van Oranjes ‘gelukzalige regering’. De prins was in deze jaren nog gerechtigd allerlei beslissingen te nemen waartoe de stadhouders in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden niet meer gemachtigd waren. Vooral het buitenlandse beleid lag voor een groot deel in zijn handen. De onderhandelingen met de vorsten van het Duitse rijk, Engeland en Frankrijk werden voornamelijk door zijn vertrouwelingen gevoerd, van wie de meeste, zoals Marnix, de broeders Boisot, de heer de Lumbres en Johan Junius, niet in Holland en Zeeland geboren edellieden waren. Verder namen zowel afgevaardigen van Oranje als die van de Staten van Holland en Zeeland deel aan de vredesbesprekingen die eerst te Breda en later in Gent werden gehouden, en werd in deze onderhandelingen het door de delegatie van het opstandige bewind ingenomen standpunt grotendeels door Oranjes vertegenwoordigers bepaald. Dit hield ook in dat de door de rebellen gesloten verdragen zoals de Pacificatie van Gent niet alleen door de Staten van Holland en Zeeland werden getekend maar ook, en in de eerste plaats, door de prins van Oranje of diens gevolmachtigden.56

De macht die de prins in de jaren 1572-1577 als stadhouder van Holland en Zeeland uitoefende, was hem toegekend door de Staten, wier steun hij niet kon ontberen en wier invloed op het te voeren regeringsbeleid niet minder sterk toenam. Voor een groot aantal beslissingen waarin de Staten in het verleden niet werden gekend, was nu hun goedkeuring vereist. Verder konden ook vele besluiten die aan Oranje waren voorbehouden, moeilijk ten uitvoer worden gelegd indien de Staten deze bezwaarlijk achtten. Om zich van de steun van de Staten voor zijn dikwijls zeer impopulaire politiek te verzekeren, placht hij vijf of zes van de meest gezaghebbende gedeputeerden aan zijn welvoorziene dis uit te nodigen en hen door middel van toekenning van winstgevende baantjes of andere douceurs voor zijn standpunt in te nemen.

 

Door deze heren werd hij ook op de hoogte gebracht van alle bezwaren die tegen zijn voorstellen konden worden ingebracht zodat hij bij een bespreking hiervan in de Statenvergadering de tegenstanders van het door hem voorgestane beleid altijd goed van repliek kon dienen.57 Zonodig bediende de prins zich ook wel van minder zachtzinnige middelen om zijn zin door te drijven. Zo werden bijvoorbeeld Statenleden die zich tegen het door hem voorgestelde beleid bleven verzetten soms dusdanig door hem onder handen genomen dat zij hem lange tijd niet meer onder ogen durfden te komen.58

[p. 56]

Het in het opstandige deel van Holland en Zeeland vigerende regeringsstelsel, waarin de macht door Oranje en de Staten werd gedeeld, draagt een uitgesproken dualistisch karakter. Zolang de prins nog in deze provincies verbleef, oefende deze echter het opperste gezag uit en vermaten de Staten zich nog niet, zoals dat wél gebeurde toen de prins in het Zuiden resideerde, belangrijke beslissingen te nemen zonder hiervoor zijn goedkeuring te hebben verkregen. Voorlopig vertoonde de grotere macht van de Staten zich vooral in het feit dat deze, veel meer dan in de tijd dat het politieke beleid door de koning en diens gevolmachtigden in Brussel werd bepaald, zowel bereid als in staat waren het nemen en uitvoeren van allerlei besluiten te verhinderen. De Staten wensten de verantwoordelijkheid voor de regering nog geheel aan de prins over te laten, maar maakten het hem dikwijls wel heel moeilijk die politiek te voeren die hij in 's lands belang noodzakelijk achtte.59 Hun opvattingen betreffende de inlegering van troepen, het invoeren van nieuwe belastingen en de te voeren buitenlandse politiek weken bijvoorbeeld soms sterk van die van Oranje af. Al behandelde deze, in tegenstelling tot Lumey, de Staten met grote voorkomendheid, toch was hij zoals zo vele van zijn adellijke volgelingen van mening dat de meeste leden van de Staten zich maar bitter weinig aan de strijd tegen de vijand gelegen lieten liggen. Ernstige geschillen tussen de prins en de Staten bleven daarom niet achterwege.

Impopulaire belastingen

Net zoals vroegere landsheren ondervond Oranje veel tegenstand van de Staten in zijn pogingen hogere belastingen in te voeren. Maar hij boekte in dit opzicht veel meer succes dan de Bourgondische of Habsburgse vorsten, zodat de fiscale druk in de opstandige gewesten veel zwaarder werd dan ooit tevoren.60 Ook werden in deze jaren de belastingen in Holland en Zeeland veel hoger dan in de nog koningsgezinde provincies. Het is verbijsterend, zo berichtte Alva op 11 februari 1573 aan Filips ii, dat Uwe Majesteit zo veel moeite heeft financiële hulp van uw onderdanen te verkrijgen, terwijl de Hollanders en Zeeuwen wel lijf en goed willen offeren voor een rebel als Oranje.61

Deze financiële offers werden echter niet, zoals Alva deed voorkomen, zonder veel tegenkanting gebracht. De prins moest dikwijls zware pressie op de Staten uitoefenen voordat zij bereid waren hun verzet tegen zijn fiscale voorstellen op te geven. Toen hij in juli 1574, tijdens het tweede beleg van Leiden, er bij de Staten van Holland op aandrong een extra 45.000 gulden te laten heffen voor de betaling van de garnizoenssoldaten, maakten de afgevaardigen van verscheidene steden hiertegen onoverkomelijke bezwaren. Hierop waarschuwde hij de bewindslieden van deze steden dat indien zij in hun oppositie bleven volharden, hun niets anders zou overblijven dan een van de volgende beslissingen te nemen: (1) zich aan de

[p. 57]

vijand overgeven; (2) uit het verbond met de andere Hollandse steden treden en zich geheel op eigen krachten tegen het Spaanse leger trachten te verweren; (3) samen met de bevolking uit hun stad wegtrekken en deze door de garnizoenssoldaten laten verdedigen.62

Geconfronteerd met deze onaantrekkelijke alternatieven gaven de afgevaardigden van de weerspannige steden zich gewonnen. Maar vier maanden later, na het ontzet van Leiden, kwamen zij op hun beslissing terug en moest Oranje nog grover geschut gebruiken om zijn zin door te drijven. In plaats van de gevraagde 45.000 gulden wilden ze nog slechts 30.000 laten opbrengen, hetgeen volgens de prins onvermijdelijk tot een algemene muiterij onder het krijgsvolk zou leiden. Daar hij hiervoor geen verantwoordelijkheid wilde dragen, kondigde hij aan dat indien de Staten niet aan zijn wensen voldeden, hij al zijn functies zou neerleggen en tezamen met allen die hem wilden volgen, uit het land zou vertrekken. Of Oranjes dreigement ernstig gemeend was, valt te betwijfelen, maar het had het gewenste effect: in afwijking van hun gewoonte geen beslissing over het invoeren van nieuwe belastingen te nemen zonder eerst hun opdrachtgevers geraadpleegd te hebben, besloten de Staten terstond het door Oranje voorgestane hogere bedrag te laten heffen.63

Ook nadat de Staten hun goedkeuring aan Oranjes belastingsvoorstellen hadden gehecht, waren zijn problemen nog niet over. Steden, wier afgevaardigden tegen de genomen beslissing hadden gestemd, voelden zich vaak hieraan niet gebonden. Verder kwam het veel voor dat de voor de bestrijding van de oorlogskosten bestemde gelden voor andere, minder urgente doeleinden werden gebruikt. Ten slotte bleek het dikwijls moeilijk de belastingen te innen. Want vele inwoners waren ervan overtuigd dat de door hen opgebrachte bedragen alleen Oranje of de belastingambtenaren ten goede kwamen. Een van de ambtenaren die door de bevolking ervan beschuldigd werd de door hem geïnde penningen in eigen zak te steken, repliceerde dat hij slechts deed wat hem opgedragen was, maar dat wat hem betrof zowel Oranje als Alva opgehangen mochten worden.64 Tegen de weigerachtige belastingplichtigen moest soms hard worden opgetreden.

In december 1572 gelastte de prins bijvoorbeeld alle personen te arresteren die in gebreke gebleven waren de zoveelste vermogensheffing te betalen; indien deze onvindbaar bleken te zijn, dan moesten hun echtgenotes worden gevangengezet.65

Op allerlei wijze werd de belastingdruk verzwaard. De bestaande accijnzen op bier en wijn werden aanzienlijk verhoogd en van de verkoopsprijs van vele voorheen onbelaste artikelen moest nu een deel aan de overheid worden afgedragen. De heffingen op vermogen en inkomen werden veelvuldiger ingevorderd dan ooit tevoren. Toch was de opbrengst van deze traditionele belastingen nog geheel onvoldoende om de hoge oorlogskosten te dekken. Daarom trachtte Oranje op velerlei andere wijzen zich van de zo dringend benodigde geldmiddelen te

[p. 58]

voorzien. Zo werden aanzienlijke bedragen van de meer vermogende klasse van de bevolking geleend, waarvoor soms drie of vier maal zoveel rente werd toegezegd als vóór de Opstand gebruikelijk was. In januari 1574, toen de geldnood in Zeeland bijzonder nijpend was, verbond de prins zich zelfs het dubbele van het geleende bedrag terug te betalen zodra Middelburg in zijn handen viel (hetgeen een maand later gebeurde).66 Desalniettemin schreef bijna niemand vrijwillig op zulke leningen in, omdat men wist dat op rentebetaling, laat staan op terugbetaling van de hoofdsom, niet te rekenen viel. Gedwongen leningen, die door de steden moesten worden opgebracht, waren daarom aan de orde van de dag.67

Om in de heersende geldnood te voorzien moesten ook een aantal geheel nieuwe bronnen van inkomsten worden aangeboord. In afwijking van de monetaire politiek die door Karel v en Filips ii was gevoerd, werden munten in omloop gebracht tegen een koers die hun metaalwaarde verre te boven ging, en waardoor een extra bedrag van ongeveer een miljoen gulden voor de financiering van de oorlogsvoering beschikbaar kwam.68 Nog groter was de opbrengst van de in 1573 ingevoerde belastingen op de handel met de vijand. Uit deze zogenaamde konvooien en licenten en de prijsgelden van buitgemaakte schepen die zonder vergunning van de opstandelingen koers naar vijandelijke havens hadden trachten te zetten, was het mogelijk bijna alle onkosten van Oranjes oorlogsvloot te bestrijden.69

Aanzienlijke bedragen werden verder verkregen door het in beslag nemen van de goederen van de katholieke kerk. Hiermee was op aandrang van Oranje reeds in het voorjaar van 1572 een begin gemaakt, maar het was pas na zijn aankomst in Holland dat de oude kerk van bijna al haar bezittingen werd beroofd. In de volgende vier jaren werden de inkomsten van katholieke onroerende goederen voor een groot deel voor de bestrijding van de oorlogskosten gebruikt.70 Dit gebeurde eveneens met de in beslag genomen bezittingen van welgestelde burgers die naar de vijand waren uitgeweken. Ook minder rijke bronnen van inkomsten werden niet over het hoofd gezien. Dat Oranje hieraan waarde hechtte, blijkt wel uit de inspanningen die hij zich getroostte om de protestantse Nederlanders die naar het buitenland waren uitgeweken, ertoe te bewegen zich voor de strijd in het vaderland geldelijke opofferingen te getroosten. Vooral de leden van de welgestelde vluchtelingenkerken in Engeland werden herhaaldelijk door hem aangespoord hun beurzen voor dit doel te openen. Maar hun financiële bijdragen beantwoordden niet aan zijn verwachtingen. In talrijke brandbrieven berispte hij hun gierigheid en maande hij hun aan meer aan de stem van hun geweten gehoor te geven. Hun zieleheil, zo waarschuwde hij hen, zou ernstig gevaar lopen indien zij zich in allerlei wereldse genoegens bleven verlustigen in plaats van een deel van de door hen vergaarde rijkdommen voor de verdediging van het ware geloof in hun vaderland beschikbaar te stellen.71

[p. 59]

Hoewel de totale inkomsten in de loop der jaren sterk stegen, beschikte Oranje nooit over voldoende middelen om alle oorlogskosten te bestrijden. Het bedenkelijke was dat het tekort steeds toenam. De toestand werd uiterst kritiek toen de vijand in de zomer van 1575 op verschillende fronten tot het offensief overging en de opstandelingen een groot aantal nieuwe troepen in dienst moesten nemen. Op allerlei wijze werd getracht in de acute geldnood te voorzien. Besloten werd om aan de financiële verplichtingen die niet direct de oorlogvoering betroffen, voorlopig niet te voldoen: de terugbetaling van de geleende sommen werden voor drie maanden opgeschort, ambtenaren zouden nog langer dan gewoonlijk op de uitbetaling van hun salaris moeten wachten en de bruidsgift die de Staten in juni 1575 aan Charlotte de Bourbon hadden toegezegd, was vijf jaren later nog niet uitgekeerd.72 Als zijn eigen bijdrage tot de leniging van de financiële nood trachtte Oranje zijn prinsdom Oranje, nota bene, aan de paus te verkopen.73 Met dit al kwam er echter nog niet voldoende geld binnen om de troepen te betalen. Daarom werd besloten wederom zijn toevlucht te nemen tot het opleggen van gedwongen leningen. Maar toen de prins in het voorjaar van 1576 de Staten van Holland en Zeeland voorsloeg 100.000 gulden door de welgestelde burgerij te laten opbrengen, werden hiertegen door een aantal steden de grootste bezwaren gemaakt. Het door de vijand bedreigde Gouda gaf zijn tegenkanting pas op nadat het driemaal door Oranjes afgezanten onder zware druk was gezet en het de toezegging had verkregen dat de door de stad op te brengen geldsom uitsluitend voor het inkopen van voedsel voor Gouda's bevolking zou worden gebruikt. Ook Leiden maakte grote bezwaren en een stad als Rotterdam die in de voorafgaande jaren geen enkel protest tegen het opleggen van gedwongen leningen had gemaakt, verklaarde nu uitdrukkelijk dat in het vervolg de burgerij pertinent weigeren zou haar kapitaal voor de bevordering van de gemene zaak aan te spreken.74 Algemeen was men van oordeel dat de strijd niet veel langer zou kunnen worden volgehouden tenzij aanzienlijke financiële of militaire steun vanuit het buitenland werd verleend. Geen enkele buitenlandse vorst bleek echter bereid te zijn zich over het beklagenswaardige lot van de opstandige gewesten te ontfermen. Toch zou tegen bijna iedereens verwachting de kamp niet gewonnen behoeven te worden gegeven. Het geldgebrek van de vijand bleek nog groter te zijn dan dat van de opstandelingen.

De moedwil van het rebelse krijgsvolk

Naast de zware belastingen die Oranje vereist achtte om het land tegen de vijand te verdedigen, vormde vooral het moedwillige optreden van zijn krijgsvolk een steen des aanstoots voor de burgerij. Ook in dit opzicht was ze van de wal in de sloot geraakt. Gedurende Alva's gehate regime waren slechts enkele Hollandse steden en dan nog maar voor korte tijd met garnizoen belast en op het tijdstip

[p. 60]

dat de watergeuzen Den Briel innamen, was er in geen enkele Hollandse stad een Spaans soldaat te vinden. Gedurende de volgende vier jaren werden echter alle steden die Oranjes zijde gekozen hadden, gedwongen garnizoen in te nemen. En het gedrag van deze ongedisciplineerde, slecht betaalde troepen, die voor een groot deel uit Waalse, Duitse, Schotse of Franse huurlingen bestonden, was niet veel beter dan dat van Alva's leger. In 1577 beroemde Oranje er zich op binnen enkele weken na zijn aankomst in Holland in oktober 1572 aan de losbandigheid van het krijgsvolk een einde gemaakt te hebben.75 Maar deze verklaring wordt gelogenstraft door de scherpe kritiek die hijzelf in de tijd dat Holland zich tegen de Spanjaarden moest verdedigen op het gedrag van zijn soldaten uitoefende. In augustus 1573, toen de steden van het Noorderkwartier hem verzocht hadden hun voortaan alleen maar ‘nuchtere kapiteins’ toe te zenden, antwoordde hij hun bijvoorbeeld dat hieraan het grootste gebrek bestond en dat niets hem zo grote zorgen baarde als het wangedrag van zijn krijgsvolk.76 Dit nam in deze tijd zo alarmerende vormen aan dat hij soms vreesde dat de bevolking tegen hem in opstand zou komen.77

Hoeveel het gedrag van de garnizoenssoldaten te wensen overliet, blijkt nog duidelijker uit de veelvuldige klachten die de stadsbesturen hierover bij Oranje indienden. Zo berichtten de burgemeesters van Leiden hem op 23 augustus 1573 dat een jonge maagd van goede huize door zes Franse soldaten was aangerand en door ‘de een na de andere’ verkracht. Tien dagen later maakten ze de prins op een nog ernstiger incident opmerkzaam: de soldaten kwamen in groten getale op het stadhuis, waar zij de vergaderingen verstoorden; om dit te beletten had het stadsbestuur de schutterij opgedragen het stadhuis te bewaken, maar de soldaten hadden alle toegangswegen bezet en de stad met plundering bedreigd. De Leidse magistraat waarschuwde Oranje dat het volk de uitspattingen van zijn krijgsvolk niet veel langer zou willen verdragen en op het punt stond zelf naar de wapens te grijpen of de stad te verlaten.78

In vele andere steden was men niet minder verbitterd over het aanmatigend gedrag van de garnizoenssoldaten. In Den Briel, de eerste stad die van losbandige geuzenbenden te lijden had, verzocht de bevolking al in november 1572 om vergunning zich elders te mogen vestigen.79 En in de volgende jaren lieten ook de burgemeesters van Gorkum, Woerden en Zaltbommel aan Oranje weten dat indien hij nog meer troepen in hun stad legerde, de bevolking een goed heenkomen zou zoeken.80 Al mogen dit sterk gekleurde berichtgevingen geweest zijn, die ten doel hadden van verdere inlegering verschoond te blijven, toch kan het niet betwijfeld worden dat er soms een ondraaglijke spanning bestond tussen de burgerbevolking en de garnizoenssoldaten. Ook gebeurde het dat de gebouwen van de stadsregering in brand werden gestoken, terwijl moord en doodslag geen hoge uitzondering waren. Zo berichtte een burgemeester van Zaltbommel in

[p. 61]

maart 1576 aan de prins dat in een oproer van het krijgsvolk een aantal burgers gedood was, waaronder een van de schepenen en een gerechtsbode, en dat de ingezetenen meer beducht waren voor de soldaten die zich binnen de stad bevonden dan voor de vijandelijke troepen daarbuiten.81

 

Voor de stadsbesturen betekende de garnizoenen bovendien dikwijls een zware financiële last, want de soldij van de troepen moest veelal door hen worden voorgeschoten en de terugbetaling uit de steeds onvoldoende gevulde provinciale kas liet dan lang op zich wachten.

Het is begrijpelijk dat alle steden de inlegering van soldaten als een plaag beschouwden die zo enigszins mogelijk moest worden vermeden. Toen in de zomer van 1573 Alkmaar door de vijand dreigde overvallen te worden, weigerde het stadsbestuur Oranjes soldaten binnen te laten, en toen in mei 1574 de Spanjaarden voor de tweede maal het beleg voor Leiden sloegen, sloot de magistraat tot Oranjes verontwaardiging, de poorten voor het krijgsvolk dat de stad tegen de vijand kon helpen verdedigen.82 Op den duur wist echter geen enkele stad aan inlegering te ontkomen. In 1572 had Delft zich gelukkig geprezen omdat het van Oranje het privilege had verkregen geen garnizoen hoeven in te nemen. Maar na de val van Haarlem, toen Delft gevaar liep door de Spanjaarden belegerd te worden, moest de stad van dit voorrecht afstand doen.83 Toch had Delft nooit zoveel van Oranjes krijgsvolk te verduren als Leiden, Gouda of Zierikzee. Het ergste te lijden hadden de kleine grensstadjes, zoals Gorkum, Woerden, Buren en Zaltbommel, die met een in een verhouding tot hun aantal inwoners heel groot garnizoen werden belast.

Oranje betoonde zich niet geheel ongevoelig voor de vele klachten die hem over de verregaande moedwil van zijn troepen bereikten. Vooral de grotere steden, op wier financiële steun hij was aangewezen, trachtte hij soms ter wille te zijn. Op hun verzoek werden vele vendels, vooral die van buitenlandse soldaten, die het meeste aanstoot gaven, op het platteland gelegerd. Ook drong hij er bij hun commandanten voortdurend op aan een betere discipline te bewaren en in goede verstandhouding met de burgerlijke autoriteiten te leven.84 Maar aan de andere kant bracht hij de stedelijke bewindhebbers ook onder ogen dat men in deze strijd op leven en dood niet veel ophef van de door zijn troepen bezorgde overlast diende te maken. Ook wees hij hen erop dat het wangedrag van de soldaten grotendeels aan henzelf te wijten was, daar zij niet voldoende gelden voor de betaling van het leger wilden laten opbrengen. Verder bleef hij erop staan dat de meeste vendels niet op het platteland, maar in de steden werden gelegerd.

Op dit punt was hij onvermurwbaar. Want hij achtte de aanwezigheid van een troepenmacht binnen de steden noodzakelijk, niet alleen om deze te helpen verdedigen maar ook om te voorkomen dat de burgerij een goed verdedigbare stad zonder dringende noodzaak aan de vijand zou overgeven.85

[p. 62]

Dat alleen het ingrijpen van garnizoenscommandanten kon beletten dat een stad geen verzet aan de vijand bood, bleek voor het eerst in december 1572, toen het aan de militaire gouverneur van Haarlem, Wigbolt Ripperda, te danken was dat de stad zich tegen het Spaanse leger in verweer stelde. Een overeenkomstig optreden van de militaire autoriteiten in Zierikzee verhinderde dat de magistraat van deze stad in oktober 1575 de poorten voor de vijand opende. Het is daarom begrijpelijk dat Oranje ernstig verstoord was wanneer steden weigerden garnizoen in te nemen en dat hij in oktober 1574 verklaarde zijn functies te zullen neerleggen indien hem niet het recht werd verleend garnizoenen te leggen waar hij dit wenselijk oordeelde.86

Voor een stadsbestuur had het innemen van garnizoen nog het bijkomstig bezwaar dat dit bijna altijd gepaard ging met de aanstelling van een militair gouverneur, aan wie Oranje in vele gevallen ook politieke bevoegdheden verleende, zodat de stad onder een militaire dictatuur dreigde te vallen.87 Vele van deze militaire gouverneurs waren in Holland of Zeeland geboortige edellieden waarvoor men weinig begrip kon opbrengen. Zij waren met weinige uitzonderingen uiterst impopulair.

Voortdurend kreeg Oranje te horen dat zij de stedelijke privileges schonden, hun soldaten onvoldoende in toom hielden of zich aan verduistering schuldig maakten. De prins besefte echter dat aan deze gouverneurs een heel moeilijke taak was opgedragen. Indien zij streng tegen hun troepen optraden, liepen zij gevaar, zoals het lot was van een van de gouverneurs van Geertruidenberg, Jérôme Tseraerts, door oproerige soldaten te worden vermoord. Ook konden zij er de prins dikwijls terecht op wijzen dat de stedelijke bewindslieden onbetrouwbare heren waren. Enkele van hen maakten het echter al te bont en werden door Oranje uit hun functies ontheven. Dit gebeurde bijvoorbeeld met een van de gouverneurs van Leiden, de heer van Noyelles, die zich bij Oranje had beklaagd over de slaphartigheid en verraderlijke gezindheid van het stadsbestuur en hem aangeraden had drie van de burgemeesters te laten ophangen.88

De bekwaamste militaire gouverneur was wellicht Dirck Sonoy, een in het Kleefse geboren edelman die zijn functie niet in één stad maar in het gehele Noorderkwartier vervulde. Hij was een overtuigd protestant en een loyaal dienaar van de prins maar bezorgde hem toch grote problemen. Hij regeerde zijn kwartier met ijzeren hand en miste de tact en de innemende manieren waarmee Oranje zo dikwijls de stedelijke bewindslieden voor zijn standpunt wist te winnen.89

Oranje drukte Sonoy meermalen op het hart zich minder autoritair te gedragen. Bijvoorbeeld in de zomer van 1576, toen de Noordhollandse steden er zich bij de prins over beklaagd hadden dat hun gouverneur hun het recht had ontzegd een Statenvergadering te leggen, liet Oranjes woordvoerder Marnix aan Sonoy weten dat hij diende te beseffen dat ‘onze regering op de gemeente berust en het daarom

[p. 63]

geraden is met haar wensen rekening te houden’.90 Maar deze en vele andere pogingen van de prins om de geschillen tussen Sonoy en de stedelijke autoriteiten van diens kwartier bij te leggen, hadden geen duurzaam resultaat. Deze laatsten hadden het liefst gezien dat Sonoy net zoals Lumey van de hem in het voorjaar van 1572 door Oranje opgedragen functie werd ontheven en dat zij dan geen hoger gezag meer behoefden te erkennen dan dat van de prins. Maar volgens Oranje kon het Noorderkwartier, dat nadat de Spanjaarden zich in december 1572 rondom Haarlem gevestigd hadden, van de rest van Holland was afgesneden, het niet zonder een eigen gouverneur stellen. Wel liet hij tot tweemaal toe aan de Noordhollandse steden weten bereid te zijn een andere edelman als zodanig aan te stellen. Maar de enige persoon die hij voor deze belangrijke positie wist te bedenken, was zijn zwager Willem van den Bergh, die in deze tijd al zo'n slechte reputatie genoot dat de Staten ertoe besloten van verdere aandrang op het ontslag van Sonoy af te zien.91 Het was pas na Oranjes dood, in 1588, dat de Noordhollandse steden van hun zo impopulaire gouverneur zouden worden verlost.

Een tegenhanger van de bittere klachten van de stedelijke regenten over Oranjes zware belastingen en de baldadigheid van zijn soldaten was de ergernis van de prins over de geringe ijver die de meeste lokale bewindslieden betoonden om het land tegen de vijand te verdedigen. In zijn brieven aan zijn broers oefende hij soms scherpe kritiek uit op hun flauwhartig gedrag. ‘Men walgt hier van de oorlog,’ zo berichtte hij in maart 1573, ‘en doet op slappe wijze zijn plicht.’92 Nog geringschattender uitte hij zich in januari 1573, toen het Spaanse leger het beleg voor Leiden had geslagen en de Staten weigerden hun toestemming te geven tot het onder water zetten van het Zuidhollandse platteland: ‘De burgers vereren hun koeien als halfgoden en zullen in opstand komen indien zij deze in de komende lente niet in de wei kunnen sturen.’93 En toen vier maanden later hij het slechte nieuws vernam dat de schans bij de Goudse sluis wegens gebrek aan ammunitie en artillerie door de vijand was ingenomen, verzuchtte hij: ‘Als degene wien het bestuur is bevolen de zaken niet beter ter harte nemen, zal het niet bij dit verlies blijven.’94 Zelfs de Raad nevens Zijne Excellentie, wiens taak het was de prins in de regering bij te staan, handelde soms in strijd met zijn instructies. In juli 1574 bleef deze raad bijvoorbeeld in gebreke een hoeveelheid koren naar het door het Spaanse leger bedreigde Zaltbommel te sturen niettegenstaande dat Oranje hiertoe opdracht had gegeven. Hierop vaardigde de prins een verklaring uit waarin hij scherpe kritiek op zijn eigen raadsheren leverde en alle verantwoordelijkheid van zich afwierp voor het geval Zaltbommel in vijandelijke handen viel.95

In tegenstelling tot Oranje bekommerden de meeste burgers zich meer om de belangen van hun stad en streek dan om die van ‘het gemene vaderland’. Het stedelijke particularisme, dat door de Bourgondische en Habsburgse vorsten beteugeld was, manifesteerde zich na het uitbreken van de Opstand, met her-

[p. 64]

nieuwde kracht.96 Veel van de macht die voorheen door de landsheer was uitgeoefend, kwam niet in de handen van de Staten te liggen maar in die van de stedelijke bewindslieden. De afgevaardigden naar de Staten van Holland en Zeeland waren maar zelden van absolute volmachten voorzien, hoewel de prins hier herhaaldelijk op aandrong.97 Over alle zaken van enig gewicht konden de Staten daarom in de regel pas een beslissing nemen nadat de afgevaardigden hun stedelijke lastgevers hadden geraadpleegd. Deze gewoonte van ruggespraak veroorzaakte dat vele urgente besluiten niet bijtijds konden getroffen.

Het sterk toegenomen particularisme uitte zich verder in hooglopende ruzies tussen de verschillende steden, die elkaars rechten betwistten in kwesties van belastingheffing, rechtspraak en bestuur. In Holland waren er bijvoorbeeld ernstige conflicten tussen Gouda en Delft, en in Zeeland tussen Zierikzee en Brouwershaven. Deze vetes, die soms tot gebruik van geweld van de ene stad tegen de andere leidden, deden ernstig afbreuk aan de door Oranje zo noodzakelijk geachte eendracht en daarom getroostte hij zich veel moeite een bevredigende oplossing voor deze geschillen te vinden.98

Hij was nog meer verontrust over de geringe samenwerking tussen de drie delen waarin na de belegering van Haarlem het rebellenbolwerk verdeeld was, namelijk het Noorderkwartier, Zuid-Holland en Zeeland. Zelfs in tijden dat een van deze gebieden in handen van de vijand dreigde te vallen, kostte het hem de grootste moeite de lokale autoriteiten elders in Holland of Zeeland ertoe te bewegen het bedreigde gebied te hulp te komen. De Noordhollandse steden beweerden herhaaldelijk dat zij hiertoe te armoedig waren en zelfs niet over voldoende geld en troepen beschikten om hun eigen kwartier tegen de vijand te verdedigen.99 Ook de steden in Zeeland waren van oordeel dat zij in vergelijking met het zoveel rijkere Zuid-Holland te grote lasten moesten torsen en hielden daarom in het bepalen van de militaire strategie en het opleggen van belastingen vooral rekening met hun eigen belangen.100 Ter bevordering van het saamhorigheidsbesef van alle inwoners van het opstandige gebied belegde Oranje in maart 1574 voor het eerst een gezamenlijke vergadering van de Staten van Holland en Zeeland, waarin werd besloten uniforme belastingen te laten heffen.101 De uitvoering van dit besluit liet echter veel te wensen over en tegen de door de prins voorgestelde unie tussen Holland en Zeeland maakten de Zeeuwen in deze tijd nog onoverkomelijke bezwaren. Menig Zeeuws regent deelde waarschijnlijk de mening van de Zierikzeese burgemeester Cornelis Claes, die, toen in 1574 de hoge, tevoren alleen in Holland geheven belastingen ook in Zeeland werden ingevoerd, in zijn dagboek noteerde: ‘In naam van de vrijheid dreigt de vrijheid ten onder te gaan.’102

 

Oranjes veelvuldige verzekering dat de strijd tegen de vijand gevoerd werd ter wille van de vrijheid, dienen niet alleen als propaganda beschouwd te worden.

[p. 65]

Want het was de prins ongetwijfeld volkomen ernst met de aankondiging dat hij een einde begon te maken aan Alva's despotieke regime dat zo wederrechtelijk was opgetreden tegen hemzelf en vele anderen die zich vermeten hadden oppositie tegen de koninklijke politiek te voeren. Vrijheid is echter een vage term en over de kwestie wat hieronder verstaan diende te worden, bestond er een groot verschil van mening tussen hem en de verschillende bevoorrechte groepen van de bevolking. Voor de laatsten werd de strijd vooral gevoerd om de oude vrijheden en privileges in ere te herstellen, terwijl de prins een tegenstander van zulke voorrechten was in zoverre zij de tweedracht bevorderden of anderszins een krachtdadige oorlogsvoering in de weg stonden. In zijn manifesten van 1572 had hij de bevolking van Holland weliswaar toegezegd alle oude privileges te zullen eerbiedigen en nieuwe te zullen verlenen: maar in zijn geheime in dit jaar aan Lumey en Sonoy verleende instructies had hij hun de opdracht gegeven zich niet te bekommeren om de velerlei voorrechten waarmee de gemene zaak niet was gediend.103 Het valt daarom niet te verwonderen dat velen hem verweten de door hem gedane beloftes niet te zijn nagekomen.104 Hollandse edellieden beklaagden zich er bijvoorbeeld bij hem over dat hij in strijd met de gewestelijke privileges vele niet in Holland geboren personen tot eervolle posities had benoemd.105 Ook het Hof van Holland voelde zich achteruitgezet omdat het beroofd was van de belangrijke rol die het voor het uitbreken van de Opstand in het bestuur van de provincie had vervuld. Het was er ook over verstoord dat men alom het recht in eigen handen nam: ‘wegens de langdurige oorlog’, zo liet het Hof in juli 1573 aan de prins weten, ‘staat de justitie, God beter het, stil’.106 De nog zo talrijke katholieken waren er uiteraard over verbitterd dat hun voorheen zo bevoorrechte kerk nu werd vervolgd maar schijnen hun lot in stilte te hebben gedragen.

De stedelijke gezaghebbers hadden ogenschijnlijk minder reden om zich in hun rechten tekort gedaan te voelen. In een aantal gevallen hield de prins inderdaad zijn belofte hun nieuwe privileges toe te kennen. Zo verleende hij Enkhuizen het recht van paalgeld, de vóór de Opstand door Amsterdam geheven belasting op schepen die de Zuiderzee in- en uitvoeren. Ook schonk hij Vlissingen, Veere en Arnemuiden rechten die voorheen in het bezit van Middelburg waren geweest. Bovendien kregen de meeste steden aanzienlijk meer medezeggenschap in het beslissen over zaken van staat. Maar voor vrijwel alle regenten wogen deze winsten niet op tegen de vele inbreuken die op hun traditionele voorrechten werden gemaakt. Hoorn beklaagde er zich bijvoorbeeld in 1575 bij Oranje over dat een van zijn burgers in strijd met de stedelijke privileges door Sonoys gevolmachtigden was gefolterd en Goudse bewindslieden waren in deze tijd zeer ontstemd over de schending van het aloude privilege volgens welke de binnenvaart tussen Noorden Zuid-Holland slechts via de watertol bij hun stad mocht plaatsvinden.107 Een veel voorkomende grief was ook dat Oranje in het vernieuwen van de magistraat

[p. 66]

de stedelijke voorrechten niet in acht nam. Toen hij in november 1572 een aantal onbetrouwbare leden van Delftse vroedschap wilde afzetten, tekende het stadsbestuur hiertegen protest aan, opmerkende dat hij in plaats van de privileges te schenden, hij zijn woord deze te vermeerderen gestand diende te doen.108 Zelfs Pieter Adriaensz. van der Werff, de enige prinsgezinde Leidse burgemeester tijdens het beleg van deze stad, sprak er schande van dat Oranje na Leidens ontzet zelf de nieuwe burgemeesters en schepenen koos en het aantal vroedschappen van 40 tot 28 terugbracht.109

 

De prins rechtvaardigde zijn niet inachtneming van vele privileges door op de uitzonderlijke oorlogsomstandigheden te wijzen en beloofde dat na het sluiten van vrede het recht zijn beloop weer zou krijgen. Zijn beslissingen, zo verzekerde hij, waren genomen ‘zonder prejudice van bestaande voorrechten’. Het is echter niet verwonderlijk dat toen Middelburg in deze jaren van een aantal van zijn privileges werd beroofd, het stadsbestuur hem verweet dat hij zich voordeed als een voorvechter van de vrijheid maar in feite de vrijheid sterk beperkte door evenals de vroegere landsheren veelvuldig gebruik te maken van ‘de ijdele clausule van non-prejudice’.110 Ter verdediging van Oranjes handelswijze betoogde in deze tijd een van zijn volgelingen dat men alle voorrechten verbeurt indien men zich aan landverraad (crimen laesae patriae) schuldig maakte, maar velen zullen wel weinig verschil hebben gezien tussen deze opvatting en de mening van de Spaanse regering dat dezelfde consequenties verbonden waren aan het plegen van majesteitsschennis (crimen laesae majestatis).111

De eerste vuurproef doorstaan

De Spanjaarden ontmoeten onverwacht taaie tegenstand

Zoals zo vele staatslieden overschatte Oranje dikwijls zijn kansen op succes. In de herfst van 1572, toen hij na zijn onfortuinlijke veldtocht in de zuidelijke Nederlanden zich in Holland terugtrok, zag hij de toekomst echter te somber in, menende dat hij zich aldaar zonder steun van buitenlandse vorsten te ontvangen hoogstens twee jaren zou kunnen handhaven.112 Maar hoewel hij in de hierop volgende twee jaren geen noemenswaardige hulp uit het buitenland ontving, was in het najaar van 1574 de opstand in Holland en Zeeland nog geenszins bedwongen. Wél was het uiteindelijke resultaat van alle krijgsverrichtingen in deze periode dat de opstandelingen ernstig in het nauw waren gedreven. Alleen in Zeeland, waar hun zeemacht het overwicht verwierf en Middelburg in hun handen viel, wisten zij enig terrein te winnen. Te land was het Spaanse lager echter oppermachtig en drong het diep in het rebellenbolwerk door.

[p. 67]

Toen Oranje in oktober 1572 in Holland aankwam, had hij nog gehoopt dat hij de enkele Overijsselse, Gelderse en Utrechtse steden die zijn zijde hadden gekozen, tegen de vijand zou kunnen helpen verdedigen.113

Tegen zijn verwachting in was Alva's leger echter al in het late najaar van 1572 zijn offensief ten noorden van de grote rivieren begonnen en had het zonder veel tegenstand te ontmoeten elk verzet in de oostelijke provincies weten te breken. Hierop vleide Oranje er zich nog mee het binnendringen van de Spanjaarden in Holland te kunnen verhinderen,114 maar na Naarden te hebben uitgemoord, sloegen de Spaanse strijdkrachten reeds in het begin van december het beleg voor Haarlem. Hier stuitte de vijand voor het eerst op taaie tegenstand en het was pas na een zeven maanden durende belegering en ten koste van zware verliezen dat deze stad in hun handen viel. Op dit langdurig en heldhaftig verweer was Alva niet voorbereid. ‘Nooit,’ zo schreef hij aan de koning, ‘is een stad met zoveel bekwaamheid verdedigd.’115

Toch was de val van Haarlem een zware slag voor de opstandelingen. Hierdoor boette Oranje ook veel aan prestige in, want hij had de burgers van deze stad herhaaldelijk toegezegd dat ontzet zou komen opdagen. Het rebellenbolwerk was nu in tweeën gesneden, en vooral in Noord-Holland, dat in de zomer van 1573 de Spanjaarden op de hals kreeg, zonk velen de moed in de schoenen. De inwoners van dit gebied vernamen met ontsteltenis dat Oranje zich gedwongen had gezien zijn veldleger te ontbinden. Zij vreesden dat de vijand nu in staat zou zijn de ene stad na de andere tot overgave te dwingen en bijna iedereen door honger of wapengeweld om het leven zou komen. Daarom achtte menigeen het geraden met vrouw en kinderen per schip naar elders uit te wijken. Dit defaitisme werd gedeeld door de gouverneur Sonoy en diens naaste medewerkers, die op 26 juli de prins van de mistroostige toestand van het Noorderkwartier op de hoogte brachten en hem vroegen of hij hun kon verzekeren dat de komst van diens broer Lodewijk met de door deze in Duitsland geworden legermacht spoedig te wachten stond.116

De herfst van 1573 bracht enige verademing. Het leger van Lodewijk van Nassau kwam weliswaar niet opdagen maar de Spanjaarden delfden het onderspit in een zeeslag op de Zuiderzee. Ze faalden ook in hun beleg van Alkmaar. Toch begon met het ontzet van deze stad nog niet de victorie. De toestand werd eerder onrustbarender dan ooit tevoren toen het Spaanse leger zich in november 1573 van een groot deel van het platteland van Zuid-Holland meester maakte en het beleg van Leiden sloeg.

 

Om de inname van deze stad te verhinderen stelde Oranje voor de dijken langs de Maas en de Hollandse IJssel door te graven en de sluizen in deze rivieren open te zetten. Maar hiertegen rees hevig verzet van de Staten van Holland, die de door Oranje bepleite maatregel kenschetsten als een wanhoopsdaad die het land tot

[p. 68]

eeuwige, onherstelbare ondergang zou doemen. Deze pessimistische prognose was gebaseerd op het oordeel van waterbouwkundigen, die verzekerd hadden dat het verdronken land nimmer weer zou kunnen worden drooggelegd. Het voornemen tot dit strijdmiddel zijn toevlucht te nemen getuigt zeker van een vermetele, zo niet van een niets ontziende mentaliteit.117 In deze kwestie betoonde de om zijn wreedheid berucht staande koning van Spanje zich merkwaardigerwijs meedogender. Toen hem in 1574 werd voorgeslagen een aantal dijken in Holland te laten doorsteken, waardoor volgens zijn raadslieden de Opstand ten einde gebracht kon worden, gaf hij hiertoe geen vergunning omdat hij zijn onderdanen niet in onbeschrijflijke ellende wilde storten.118 Oranje was daarentegen, zoals Marnix het in deze tijd uitdrukte, vastbesloten alles op het spel te zetten.

Op 30 juli 1574, tijdens het tweede beleg van Leiden, wist hij te bereiken dat de Staten van Holland hun oppositie tegen het onder water zetten van het Zuidhollandse platteland opgaven, en vier dagen later begaf hij zich samen met Paulus Buys naar Capelle aan den IJssel om daar het doorgraven van twee dijken bij te wonen.119

Zoals bekend, won Oranje ditmaal zijn ‘spel’. Nadat de Zeeuwse watergeuzenvloot op 3 oktober Leiden ontzet had, was het grootste gevaar voorlopig geweken. Maar ook nu was de krijgskans nog niet definitief ten gunste van de opstandelingen gekeerd. Wel was duidelijk gebleken dat het de Spaanse strijdkrachten verre van gemakkelijk zou vallen de hun opgedragen taak te voltooien. In deze tijd begon zelfs Filips ii eraan te twijfelen of hij over voldoende middelen beschikte om Holland en Zeeland weer geheel onder zijn macht te brengen.120

De inferioriteit van de rebelse landmacht

Als legeraanvoerder legde Oranje nooit grote begaafdheid aan den dag en was hij, zoals tijdens zijn veldtochten van 1568 en 1572 duidelijk was gebleken, verre de mindere van Alva. De laatste maal dat de prins voornemens was zich aan het hoofd van zijn troepen te stellen, was in juni 1573, toen een poging werd gewaagd de verbindingslijnen tussen de voor Haarlem gelegerde Spaanse strijdkrachten en de oostelijk gelegen provincies af te snijden. Maar hij volgde wijselijk het advies van zijn krijgsraad, die op het grote levensgevaar wees dat hij hierbij zou lopen, en betoogde dat hij als regeringshoofd veel belangrijkere diensten aan de oorlogvoering kon bewijzen dan als aanvoerder van de krijgsmacht.121

Al fungeerde de prins in deze jaren niet meer als legerbevelhebber, toch was het voor een groot deel aan hem te danken dat de opstandelingen de vijandelijke krijgsmacht met aanzienlijk succes wisten te weerstaan. Hij trad wel op als minister van oorlog en chef van de generale staf. Als zodanig droeg hij de zorg voor het mobiliseren van alle verdedigingsmiddelen waarover het kleine rebellen-

[p. 69]

bolwerk beschikte, en was hij verantwoordelijk voor het doorgaans effectieve strategische beleid dat in deze tijd werd gevoerd. Het was bijvoorbeeld op zijn aandrang dat de meeste steden garnizoen innamen, hun verdedigingswerken versterkten en gebouwen buiten hun stadswallen afbraken. Bovendien droeg hij er zorg voor dat nieuwe huurtroepen werden aangeworven en legereenheden werden ingezet op plaatsen die het meest door de vijand werden bedreigd.

Hij ging ook geregeld op inspectie om zich ervan te verzekeren dat zijn voorschriften waren opgevolgd. Hij slaagde er niet in alle bij zijn aankomst in Holland in het leger heersende wantoestanden uit te roeien. Maar zonder de vele hervormingen die hij in het leger doorvoerde, zou de Opstand tot een vroegtijdig einde gekomen zijn. Door zijn toedoen werd de krijgstucht beter gehandhaafd en paal en perk gesteld aan het woeste en eigenmachtig optreden van de geuzenkapiteins. Een begin werd ook gemaakt met het opbouwen van een legeradministratie die de troepen van artillerie, kruit, vervoersmiddelen en voedselvoorraden voorzag en beter orde stelde op het monsteren en betalen van de soldaten.

Met dit al slaagde Oranje er echter niet in een legermacht in het leven te roepen die de vijandelijke strijdkrachten in gevechtswaarde evenaarde. In de eerste plaats beschikte de prins wegens gebrek aan geldmiddelen steeds over veel minder troepen dan zijn tegenstanders. Hoeveel manschappen zijn leger telde, valt niet met enige precisie te bepalen. Zelfs Oranje schijnen hierover geen betrouwbare gegevens ter beschikking gestaan te hebben. Zijn opgaven betreffende de sterkte van zijn strijdmacht liepen tenminste sterk uiteen. Zo gaf hij in mei 1573, toen hij koningin Elizabeth ertoe trachtte te bewegen hem steun te verlenen, hoog op van het aantal troepen dat in zijn dienst stond: niet minder dan 34.000 man122 Maar zeven jaar later, toen hij zich beklaagde over de geringe ijver die de Staten-Generaal aan den dag legden voor de gemene zaak en hun ten voorbeeld stelde wat Holland en Zeeland in de jaren 1572-1576 hadden weten te presteren, beweerde hij dat deze twee gewesten met slechts 4000 of 5000 soldaten een vijandelijke legermacht hadden weten te trotseren die meer dan 60.000 man telde.123 In dit laatste geval gaf Oranje het aantal van zijn troepen ongetwijfeld veel te laag en dat van de vijand veel te hoog op; want de prins zal meestal wel over een 15.000 soldaten plus een enkele duizend man scheepsvolk hebben beschikt, terwijl het Spaanse leger dat tegen Holland en Zeeland werd ingezet nooit meer dan tweeof driemaal zo groot geweest kan zijn.124 Dit neemt echter niet weg dat Oranjes leger steeds veel kleiner was dan dat van zijn tegenstander. Hierbij kwam nog dat in krijgservaring en de kwaliteit van het officierencorps Oranjes troepenmacht verre inferieur was aan die van de vijand. Zulke opmerkelijke Spaanse prestaties als het bij laag getij doorwaden van de wateren tussen het Brabantse vasteland en de Zeeuwse eilanden, waarbij de hoogste eisen werden gesteld aan de discipline van de soldaten en het vernuft van hun officieren, gingen het vermogen van

[p. 70]

Oranjes troepen geheel te boven. Ook in het Spaanse leger heersten de nodige misstanden, desalniettemin was het de best georganiseerde strijdmacht die in deze tijd in Europa bestond en die, behalve in tijd van muiterij, als onoverwinnelijk kon gelden.

De kwaliteit van Oranjes troepeneenheden varieerde, maar geen enkele was in gevechtswaarde aan de Spaanse keurtroepen gelijk te stellen. De Hollandse soldaten die in zijn dienst stonden, moesten de krijgskunde nog grotendeels leren. Ook de meeste Engelsen die in 1572 en 1573 aan de strijd deelnamen, hadden heel weinig krijgservaring. Daar deze bovendien nog op een hoog soldij aanspraak maakten, gaf Oranje op den duur de voorkeur aan Schotten, Walen en Duitsers, die met minder geld genoegen namen. Oranjes beste troepeneenheden bestonden waarschijnlijk uit hugenoten. Aan het in dienst nemen van Franse soldaten was echter het bezwaar verbonden dat zij nog ongezeglijker waren dan de andere huursoldaten. In september 1573 trachtte Oranje een aantal Franse officieren die geweigerd hadden zijn bevelen op te volgen, terecht te wijzen maar hierop sloegen zij zulk een godslasterlijke taal uit dat hij zich gedwongen zag hen en hun troepen naar hun vaderland terug te zenden.125

 

Vooral aan kundige hoofdofficieren heerste in Oranjes leger ernstig gebrek, terwijl de vijand over vele bekwame aanvoerders beschikte. Geen van Oranjes pogingen om een ervaren opperbevelhebber voor zijn landstrijdkrachten te vinden, werd met succes bekroond. Lumey was slechts een onverschrokken, woest guerrillaleider die spoedig ontslagen moest worden. Zijn opvolger, de heer Van Batenburg bleek evenmin tegen zijn taak opgewassen, en nadat deze in juli 1573 in een laatste poging Haarlem te ontzetten de dood had gevonden, benoemde Oranje zijn broer Lodewijk tot legercommandant. Deze sneuvelde echter voordat hij als zodanig kon optreden. Ervaren Franse legeraanvoerders, zoals De La Noue en de prins van Condé, die vervolgens door Oranje werden aangezocht het opperbevel op zich te nemen, stelden zich niet beschikbaar, en hierop bleef de hoogste positie in het leger geruime tijd vacant.126 Pas in november 1575 vond de aanstelling plaats van de vijfentwintigjarige graaf Filips van Hohenlohe, een jongere broer van een van Oranjes zwagers, die gedurende vele jaren het opperbevel over de rebelse strijdkrachten in de noordelijke Nederlanden zou voeren. Hij bleek een trouwe en moedige vechtersbaas te zijn, maar ook een losbandige dronkaard die niets van de hogere krijgskunst afwist. Zoals een tijdgenoot over hem opmerkte: ‘We kunnen niet op Gods zegen rekenen zolang we onder een opperbevelhebber strijden wiens levenswijze meer gemeen heeft met die van een varkenshoeder dan met die van een aanvoerder van vrome en eenzame lieden.’127

In de jaren dat Holland en Zeeland zich alleen tegen de Spaanse overmacht moesten verdedigen, werden slechts enkele veldslagen van enige betekenis gele-

[p. 71]

verd. Deze trachtte Oranje zo veel mogelijk te vermijden, daar hij inzag dat in een treffen in het open veld zijn in elk opzicht zo inferieure strijdkrachten het tegen de vijand zouden afleggen. Toen in begin juli 1573 de verdedigers van Haarlem te kennen hadden gegeven zich niet veel langer meer tegen de Spaanse belegeringsmacht te kunnen verzetten, werd nog een laatste poging in het werk gesteld om met een grotendeels uit Hollandse burgers bestaand leger de stad te ontzetten, hoewel Oranje dit had afgeraden. De rampzalige afloop van deze expeditie versterkte hem in zijn overtuiging dat het geraden was zich in de landstrijd zo veel mogelijk tot de verdediging te beperken. Toen in december van dit jaar de Spaanse troepen aanstalten maakten uit het door hen bezette Middelburg weg te trekken, gelastte de prins zijn Walcherse legercommandanten de vijand niet tegemoet te treden, maar zich achter de wallen van de andere steden van het eiland te verschansen.128 De enige in deze jaren geleverde veldslag die een onmiskenbare invloed op het verloop van de strijd uitoefende, werd de opstandelingen opgedrongen. Dit was de slag op de Mookerhei in april 1574, die zo noodlottige gevolgen had voor Lodewijk en Hendrik van Nassau en het leger waarmee deze hun broer hadden trachten te hulp te komen. Na deze zo verpletterende nederlaag werd het Oranje duidelijker dan ooit dat van een offensieve oorlogsvoering geen sprake kon zijn.

Het is begrijpelijk dat Oranje zijn kracht in de verdediging zocht. Want in de zestiende eeuw konden versterkte steden die met een klein aantal troepen voorzien waren, lange tijd een veel machtiger vijand weerstaan. Zelfs indien de vijand op den duur zijn doel wist te bereiken, waren zijn verliezen vaak veel groter dan die van de belegerden. De steden waren, zoals de admiraal de Coligny het eens uitdrukte, de kerkhoven van de belegeraars.129 Oranjes defensieve strategie was echter verre van populair, want deze bracht met zich mee dat een groot deel van het krijgsvolk binnen de steden gelegerd diende te worden. Om deze onwelkome gasten kwijt te raken stelden de stedelijke magistraten Oranje herhaaldelijk voor een aanvallende oorlog te voeren.

Maar de prins besefte dat dit de krachten van zijn leger te boven ging. Om deze reden dacht hij er ook nooit aan om door vijandelijke troepen bezette steden zoals Amsterdam en Haarlem te belegeren. Wel beraamde hij een aantal aanslagen op steden zoals Tiel, Nijmegen, 's-Hertogenbosch en Nieuwpoort, die door kleine troepeneenheden met bijstand van Oranje gunstig gezinde ingezetenen moesten worden overrompeld. Maar aan geen van deze plannen kon een begin van uitvoering gegeven worden, omdat het geheim ervan uitlekte en de vijand tijdig voorzorgsmaatregelen wist te nemen.130

Het meeste verwachtte de prins van de pogingen die voor het eerst in maart 1574 en wederom in december van dit jaar werden aangewend om Antwerpen bij verrassing in te nemen. Hierbij werd ook aan de rebelse zeemacht een belangrijke

[p. 72]

rol toebedacht. Met het doel persoonlijk de voorbereiding van deze aanslagen in handen te nemen, begaf Oranje zich in deze tijden naar Zeeland. Maar ook deze plannen mislukten wegens gebrek aan geheimhouding.131

Overwicht van de rebelse zeemacht

Oranje behoefde zich veel minder zorgen te maken over de staat van zijn oorlogsvloot, die zich bijna steeds de meerdere van de vijandelijke zeestrijdkrachten betoonde. In tegenstelling tot Alva en Requesens beschikte hij vrijwel altijd over voldoende schepen en matrozen en in de uitzonderlijke gevallen dat hieraan gebrek dreigde te ontstaan, kon hij hierin gemakkelijk voorzien door tijdelijk de uitvaart van koopvaardijschepen te verbieden.132 Ook staken Oranjes vlootvoogden, zoals de Zeeuwen Ewout Pietersz. Worst en Bouwen Ewoutz en de Brabantse edelman Louis de Boisot, in bekwaamheid verre boven hun Spaanse tegenhangers uit.

Al had Oranje zich niet te beklagen over de krijgsvaardigheid van zijn zeevolk, toch was de vorming van de zo geduchte zeemacht voor een aanzienlijk deel aan hem te danken. Net zoals in het leger stelde hij op de vloot meer orde op zaken.133 Door zijn bemoeienissen kwam er een betere samenwerking tot stand tussen de veelal zo eigengereide zeeofficieren. Hij zorgde er ook voor dat de vloot van de benodigde bewapening en voedselvoorraden voorzien werd. In 1573, toen de Zeeuwen het vooral hard te verduren hadden, ontvingen zij door Oranjes toedoen aanzienlijke steun vanuit Holland in de vorm van schepen, ammunitie en geldmiddelen.134

Na de grote overwinning in de zeeslag bij Reimerswaal in januari 1574, die tot de overgave van Middelburg leidde, was het niet meer in Zeeland maar in Zuid-Holland dat de vijand de overhand dreigde te krijgen, en ditmaal wist de prins het Zeeuwse zeevolk ertoe te bewegen het door Spanjaarden belegerde Leiden uit zijn nood te verlossen.135

Oranje was zich ten volle bewust van de grote voordelen die hij in zijn strijd tegen Spanje kon trekken van de macht van zijn vloot en het bezit van zo vele belangrijke havensteden. Vooral het bezit van Vlissingen dat de toegang tot de Schelde beheerste, gaf de prins een machtig wapen in de hand dat hij niet aarzelde te gebruiken. Zijn oorspronkelijke denkbeeld een aantal schepen in de Schelde tot zinken te brengen en hierdoor de doorvaart naar Antwerpen onmogelijk te maken, bleek weliswaar niet te verwezenlijken136 maar het in augustus 1573 ingevoerde stelsel, dat handel op de vijand tegen de betaling van de zogenaamde licenten toeliet, leverde niet minder grote voordelen op. Deze nieuwe belasting verschafte de rebellen niet alleen een rijke bron van inkomsten, maar had ook ten gevolge dat in de niet opstandige gewesten de prijzen sterk stegen en handel en industrie achteruitgingen.

[p. 73]

Filips ii besloot in het begin van 1574 een grote vloot naar het Norden te zenden. Voor dit doel werd in Spanje een scheepsmacht uitgerust die onder admiraal Pedro de Menendez zich van een aantal havensteden aan de Noordzee meester zou moeten maken. Oranje was nauwkeurig over het Spaanse voornemen ingelicht, daar de rapporten waarin de Spaanse autoriteiten te Brussel advies gaven over de te volgen strategie in zijn handen waren gevallen. Op zijn last werden direct de nodige voorzorgsmaatregelen genomen; zeebakens werden weggenomen, maar schepen werden uitgerust en nieuwe kustversterkingen werden aangelegd. Tot zijn grote opluchting vernam hij echter in de herfst dat de Spaanse armada was afgelast omdat de pest de admiraal en duizenden van de bemanning ten grave had gesleept.137

Onzeker vooruitzicht na twee jaren strijd

Eind 1574 zag het er nog niet naar uit dat de strijd in het voordeel van de opstandelingen zou worden beslist. De overmacht van de rebelse strijdkrachten ter zee woog niet op tegen het overwicht dat het Spaanse leger in de landoorlog bezat. Oranjes vloot kon de vijand niet ernstig in het nauw drijven en het viel te verwachten dat de strijd te land en