terug  begin  verder
[p. 143]

[11]

De assistent van afdeeling Drie hield rol.

Het was nog niet heelemaal dag. Wel streepten door het donker wat vegen valer licht en de vochtige, kille ochtendwind streek door den tuin, waar in lange rijen de koelies gehurkt zaten. In den schemer en den nevel bleven zij donkere, vage schimmen. Alleen de assistent stond in een lichtkring van de lamp, die de boy voor hem ophield. Uit dien lichtkring tuurden zijn oogen over de koelies, die twee aan twee naast elkaar hurkten. Vlug telde hij hen, groep na groep, zooals ze ook voor het werk ingedeeld waren. De groep, die compleet was, kon dan direct weggaan met hun mandoer.

‘Ajo! Djalan!’ Kort viel telkens dit bevel in de grauwe stilte. De zieken bleven, wachtend op het hospitaalbriefje....

Het was het eerste begin van een langen werkdag, een brommerig begin, waarbij iedereen slaperig en uit zijn humeur was. Vooral de koelies, die rillerig en kouwelijk in elkaar gedoken zaten te wachten tot zij mochten opstaan en naar hun taak gaan.

Bij mandoer Amat ontbrak een man....

‘Nog altijd Roeki, mandoer?’

‘Saja toewan....’

Amat vouwde zijn vingers tezamen onder den helmhoed, dien hij in zijn eene hand hield.

[p. 144]

‘Hij kan toch niet in een van de andere pondoks verdwaald zijn?’ vroeg de assistent... ‘Hij is nog dom... nog niet zoo lang hier....’

‘Misschien is hij verdwaald in een van de andere pondoks,’ zei de mandoer met Oostersche hoffelijkheid, niet direct tegensprekend:

‘Maar ik denk, dat hij is weggeloopen. Misschien is hij in het bosch.’

‘Het is mogelijk.’ De assistent boog zich over zijn opschrijfboekje, maakte daarin een aanteekening. Dan zich tot den mandoer wendend:

‘Jouw menschen kunnen ook gaan, Amat.’

De koelies hieven hun hoofd, wachtend op de herhaling van toewans bevel. Maar Amat herhaalde het niet. Hij trad een stap op den assistent toe, begon fluisterend te spreken.

‘Toewan moet niet boos zijn, als ik wat te zeggen heb.... Die zaak met Roeki.... Misschien heeft iemand Roeki opgestookt om weg te loopen....’

Bescheiden bleef Amat staan, zijn hoofd iets gebogen, onder zijn hoed, zijn gevouwen handen. Argwanend keek de assistent op deze bedeesd gebogen figuur neer. Wat voor spel speelde Amat....?

‘Wie zou Roeki opgestookt hebben om weg te loopen?’

Amat hief weer iets zijn hoofd, zei zacht:

‘Als mijnheer het toestaat, zou ik graag drie koelies willen aanhouden. Noer, Sentono en Saïma.... Dan kunnen de anderen vast gaan.’

‘Goed.’

Nu keerde zich Amat naar zijn groep koelies.

‘Sentono en Noer blijven hier. De anderen kunnen gaan.’

Alleen Noer keek even op. De anderen bleven zonder

[p. 145]

verwondering, zonder belangstelling of nieuwsgierigheid ook.

‘Mandoer Minah....’

‘Saja toewan....’

‘Houd Saïma aan. De anderen kunnen gaan.’

‘Saja toewan....’

‘Ga bij de anderen zitten, Saïma.’

Saïma stond op, hurkte op een kleinen afstand van Noer en Sentono. Er bleef even een stilte. Uit den tuin slopen de andere koelies en koelievrouwen weg... Door den schemer brak nu het eerste roode morgenlicht. De boy bracht de lamp weg en blies haar uit. Fronsend wachtte de assistent op de mededeeling van den mandoer. Zijn blikken bleven een moment op de drie hurkende gestalten. Zij zaten daar met strak gesloten gezichten.

‘Nou Amat.... dus je denkt, dat iemand Roeki heeft opgestookt om weg te loopen. Wie zou dat gedaan hebben?’

Amat keek even achterom. Vlak naast hem zat Noer. Zijn vinger teekende figuren in het zand, maar achter de stilte van zijn gezicht was zijn aandacht gespannen. Amat wist dit. Omzichtig zei hij:

‘Misschien iemand, die bang is, dat Roeki tegen hem zou getuigen.’

Noer keek snel op, maar boog direct zijn hoofd weer naar den grond.

‘Getuigen....? Wát getuigen?’

Amat kuchte. Zijn neerhangende schouders en gebogen hoofd drukten onderworpenheid uit.

‘Er is immers in onze pondok een Chinees vermoord?’ zei hij zacht.

‘O dié perkara!’

De assistent bleef even peinzen. Een snelle blik werd gewisseld tusschen Amat en Noer. Wraak en haat gloor-

[p. 146]

den in dien blik. In het aangroeiende licht van den nieuwen dag hing de stilte zwaar en strak. Daaronder ziedde de geheime strijd van de twee mannen: een heete, broeiende bodem, waaruit deze sluipmoord onmeedoogend omhoog schoot als een fanatieke parasiet.

‘En wéét Roeki dan wie de hoofddader is?’

‘Misschien weet Roeki het....’

‘En de anderen weten het niet?’

‘Misschien weten de anderen het ook....’

‘Waarom is dan juist Roeki weggeloopen?’

Even weifelde Amat, deze vraag overwegend. Dan, flauw glimlachend, zei hij:

‘Misschien is hij bang.... hij is nog een nieuwe koelie.’

De gedachten van den assistent gleden terug naar het politie-onderzoek op de estate. Alle koelies op een rij. Allen antwoordend met hetzelfde stereotiepe antwoord: ‘Tida tahoe....! ik weet 't niet....!’

‘Maar voor de politie heeft iedereen geloochend iets te weten.’

‘Takoet!’

‘Voor wien waren zij bang?’

‘Voor den dader misschien.... Waarschijnlijk is hij een djahatte koelie....’

Noer ging even verzitten.

‘Nu geen lange verhalen, mandoer! Wie heeft het gedaan?’

Amat veegde over zijn mond, keek achterom naar de drie gehurkte menschen.

‘De getuigen....’ begon Amat langzaam en hield zijn blik scherp op Sentono en Saïma.... ‘de getuigen zeggen, dat Noer het gedaan heeft.’

‘Tida!!’ zei Noer hartstochtelijk... ‘Ik was het niet.’

‘Diam!’ beval de assistent. Toen, zich wendend tot den mandoer:

[p. 147]

‘Dus Noer....?! Wie kan dat getuigen?’

‘Roeki kon dat getuigen. En Saïma en Sentono. Zij waren alle drie er bij, toen Noer den Chinees doodsloeg.’

‘Sentono.’

‘Saja toewan.’

‘Heeft Noer den Chinees doodgeslagen?’

Sentono weifelde. Onder zijn neergeslagen leden gluurden zijn oogen schichtig naar Noer.

‘Antwoord!’ snauwde Amat.

‘Misschien heeft Noer hem doodgeslagen,’ zei Sentono zacht.

De assistent werd ongeduldig.

‘Misschien.... misschien.... Dat is geen antwoord.’

‘Saja toewan.’

‘Tida!!’ schreeuwde weer Noer.... ‘Niet ik! Hijzelf heeft het gedaan. Saïma kan het getuigen! En Roeki ook!’

‘Diam jij!’ zei kort de assistent.

Sentono staarde op den grond.

‘Heb jij het niet zélf gedaan, Sentono?’

‘Tida toewan. Ik niet.’ Nauw hoorbaar lispte hij de ontkenning. De assistent keek streng de drie koelies aan.

‘Jij, Sentono.... heb je zélf gezien, dat Noer hem doodsloeg?’

Sentono wist nu al, dat het ging tusschen hem of Noer. Hij wist ook, dat Amat wilde, dat Noer de dader zou zijn. Hij was wel bang voor Noer, maar hij was nog banger voor den mandoer. En nu was daar ook ineens de beschuldiging.... óf Noer, óf hij.... Achter deze beschuldiging rezen de figuren van den toewan, den toewan besar.... van den rechter.... Hij was eenmaal veroordeeld geweest wegens wegloopen.... Een zenuwachtige angst ontwaakte in hem. In dien angst werd alles onduidelijk. Maar één zekerheid had hij: Noer den schuld

[p. 148]

geven! Aan die veiligheid klampte hij zich vast, blind, doof en redeloos.

‘Ik heb het gezien,’ zei hij duidelijk en halsstarrig.

Nu zou geen marteldood hem meer een andere verklaring in den mond geven.

‘Waarom heb je dat dan niet gezegd, toen de politie je ondervroeg?’

‘Takoet,’ zei Sentono met het woord van den mandoer: ‘Bang’.

Een tevreden lachje glipte éven langs Amat's lippen. Hij wist, dat hij gewonnen had. Hij keek niet meer naar Noer, die daar zat als een gekooide, morrende tijger.

‘Saïma!’

‘Saja toewan!’

‘Heb jij gezien wie den Chinees doodsloeg?’

‘Saja toewan.’

‘Zeg dan wie het gedaan heeft, maar denk goed na want de moordenaar wordt misschien er om opgehangen....!’

Di gantoeng....!

Zwaar lag dat woord in de stilte. Een woord van de Blanda's. Maar ze beseften toch niet geheel wát het inhield. Sommigen wisten, het hield verband met den dood. Maar de dood, dat is niet zooiets schrikwekkends. Ze waren banger voor den toewan besar, banger voor het kantoorgebouw, waaruit soms zoo'n verpletterende stortvloed van onbegrepen vervloekingen over hen uitgestort werd.

‘Nu, Saïma....?’

Ze oogde tersluiks naar Amat. Zijn strakke blik viel dreigend en dwingend op haar neer.

‘Noer....’ lispte ze haast onhoorbaar.

‘Waarom zeg je dat nú pas?! Voor de politie heb je verklaard, dat je niets wist.’

‘Takoet,’ zei ze stil.

[p. 149]

‘Voor wie was je bang?’ De assistent vroeg het scherp. Ze zweeg. Wist geen antwoord. Voor wien moest ze bang zijn? Als ze een verkeerd antwoord gaf, zou mandoer Amat haar geducht ranselen. Dat had ze niet vergeten.

‘Natuurlijk was ze bang voor Noer,’ zei Amat. ‘Noer heeft haar al eens geslagen.’

‘Tida!’ verdedigde zich Noer.... ‘Niet ik! Mandor Minah heeft haar geslagen omdat....’

‘Diam!’ beval de assistent streng. ‘Altijd heb jij een groote mond! En nu wéér! Nu beschuldig je maar iedereen, zelfs de mandoeres!’

‘Ik was het niet....’ Norsch bromde hij deze woorden.

‘Diam! Straks voor den rechter kun je je verdedigen!’

De assistent wendde zich weer tot Saïma.

‘Dus je was bang voor Noer?’

‘Saja toewan.’

‘Waarom was je bang?’

‘Omdat hij me geslagen heeft,’ herhaalde ze gehoorzaam.

‘En mandoeres Minah?’

‘Die heeft me ook wel eens geslagen. Maar zij is mijn mandoeres. Maar Noer heeft me geslagen....’ Nu was er in haar stem dezelfde hartstochtelijke vasthoudendheid als in die van Sentono. Ze had een leugen gezegd. Liever zou ze sterven, dan zich belachelijk te maken door die leugen te bekennen.

‘Noer heeft gedreigd me te vermoorden, net als den Tjina. Hij was boos, dat ik met den Tjina ging en niet met hem wou. Maar hij betaalt nooit....’ Ze verwarde nu de zaak met Roeki. Maar uit die verwarring bleef één scherp omlijnde herinnering: een man had haar bedrogen. En nu wreekte ze dit aan een man.

[p. 150]

De assistent dacht even na.

‘Dus een vrouwenperkara in optima forma,’ dacht hij.... ‘Saïma gaat met den Chinees. Noer en Amat zijn beiden jaloersch, zoowel op den Chinees als op elkaar. Noer wreekt zich op den Chinees, Amat op Noer. En Saïma wreekt weer den Chinees....’

Toch vroeg hij nog door.

‘Heeft niet Sentono hem doodgeslagen?’

‘Nee. Noer heeft hem doodgeslagen. Met een parang heeft hij hem doodgeslagen.’

Noer hief zijn hoofd. Iets leefde op in zijn somber gezicht.

‘Ik had toch niet eens een parang bij me!’ zei hij, ‘ik had een tjankol. Met den tjankolsteel heb ik geslagen. Sentono had een parang.’

‘Hij liegt,’ zei Amat snel. ‘Hij had geen tjankol. Roeki had een tjankol. Op de steel is nog een bloedvlek. Op Noer's tjankol zijn geen vlekken. Noer heeft het gedaan met de parang van Sentono. Sentono had een stuk speelgoed gemaakt voor zijn kind. Zijn parang lag buiten op een kist, naast het kamertje van Roeki en Noer. Toen de Chinees bij den put was, zat Noer al buiten.... Toen heeft hij de parang van Sentono gegrepen en daarmee heeft hij hem doodgeslagen. Roeki's tjankol was binnen.... En Noer was ook het eerste bij den Chinees....’

Noer antwoordde niets meer. Hij wist, dat hij verloren was. De mandoer had het ditmaal gewonnen....

‘Waar is de tjankol van Roeki?’

‘In mijn kamer,’ zei Amat.... ‘toen Roeki weggeloopen was, heb ik zijn tjankol in beslag genomen. En toen heb ik gezien, dat er bloedvlekken op waren. Ik heb toen nagevraagd en zoo ben ik achter de waarheid gekomen. Het zal goed zijn als de politie Noer opsluit. Hij maakt al de andere koelies slecht.’

[p. 151]

De assistent wist, dat dit niet geheel onwaar was.... De huisjongen werd naar de pondok gezonden om den tjankol te halen.

Het was geheel dag nu. Snel klom de zon, de hitte groeide.... Zwijgend zaten de drie koelies. Sentono en Saïma gluurden af en toe naar den mandoer, die hen gevangen hield in den ban van zijn donkeren blik. Vreesachtig ontweken zij dien blik, wegduikend voor zijn sluwheid, die deze zaak zoo gekeerd had, als hij het wou. Ze waren voor niets banger dan voor ‘pienterheid’. Dat was een macht, waartegen ze niet waren opgewassen.... Een onzichtbare macht, waartegen je je niet weren kon....

De huisjongen kwam terug, reikte beleefd den tjankol aan den assistent. Amat trad nader, wees met hoffelijk, maar triomfantelijk gebaar naar de donkere vlek op den steel. De assistent knikte. De zaak was duidelijk.

‘Wat heb je nog te zeggen?’

‘Ik was het niet!’ bromde Noer, ‘Sentono deed het.’

‘Hier zijn toch de getuigen en de bewijzen!’

‘Ik was het niet,’ herhaalde Noer koppig. ‘De mandoer wil mij zwart maken.’

Daarom werd de assistent dan boos.

‘Liegen, dat kun je, hè? En een groote mond hebben! Altijd maak jij de soesah! Eerst in afdeeling Een, nu weer hier. En op Java.... had je dáár al niet wat op je boekje....?? We zullen je wel klein krijgen, mannetje....!’

Toen, zich tot den mandoer richtend:

‘Breng die twee menschen naar het werk. Ik neem Noer mee naar het kantoor.’

‘Saja toewan....’

Nog even keek Amat op Noer neer. Toen, zwijgend keerde hij zich af. Saïma en Sentono namen hun tjankol over den schouder en gingen naar hun taak.

terug  begin  verder