In den stillen, duisteren avond werd de zachte regen tot een aarzelend gemurmel tusschen de hardere geluiden uit de pondok.
Voor zijn kamertje, dicht gebogen naar den lichtkring van zijn lampje, zat Roeki zijn tapmes te slijpen. Naast hem was de overloop donker, maar hij wist, dat Sentono op de leege, omgekeerde kist zat te rooken. Uit den onduidelijken schaduwklomp in die donkerte lichtte telkens een kleine vuurstip: Sentono's sigaret, als hij haar aanzoog....
‘Slijp jij je mes niet, Sentono?’
‘Ik slijp het niet meer, kang.... Mijn contract is afgeloopen. Ik wil naar huis. Ik ben nu al meer dan twintig jaren hier en ik ben oud. Ik ga terug naar Java....’
‘Wat zoek je op Java, Sentono....? Het is misschien beter om hier te blijven. Je hebt hier je kamertje, je rijst.... Misschien is het op Java moeilijker om je eten te vinden....’
Sentono rookte verder. In het stamelend gedrop van den regen hingen zijn trage gedachten. De sigaret in zijn hand bleef rusten, de vuurstip naar zijn palm gekeerd. Een kleine kom werd zijn hand zóó, lichtend van binnen uit met vagen schijn, die langzaam, langzaam verflauwde, doofde.
‘Ik moet telkens denken aan mijn dessah,’ zei Sentono en zijn stem klonk droomerig alsof zij meeging met zijn herinnering. Hij wierp het sigaretten-restje weg.
‘Ik moet telkens denken aan mijn ouders, aan mijn broers en zuster.... Ik liet daar een sawah achter, een huis.... En dat herinner ik me nu steeds. Ik zie het in mijn droomen. Ik kan niet meer werken. Mijn hand is onzeker als ik de boomen aansnijd. En soms vergeet ik er een paar. Mijn hart is verdwaald. Ik moet naar huis.’
Roeki voelde voorzichtig met zijn duim langs zijn mes. Dan, boven het lampje, stak hij een sigaret aan. Hij leunde tegen den wand.
‘Kom je weer terug naar hier?’
‘Misschien....’ overwoog Sentono.... ‘Je kunt nooit weten hoe het loopt. Als het mijn noodlot is, dat ik terug moet komen, dan kom ik terug.’
Roeki zweeg. Hij dacht ook aan Java. Hij stelde zich Sentono voor op Java. En hij zag hem op het grasland, onder den zonnigen hemel, aan den voet van den vulkaan. Hij zag hem het nauwe trechterpad afgaan, het kampongplein oversteken. Hij zag hem in nenneh's huis. Een andere voorstelling van Sentono's thuiskomst kon hij zich niet maken.
Hij dacht aan de rivier, aan het baden....
‘En je vrouw?’ vroeg hij plotseling.... ‘Wirio.... haar contract is toch nog niet afgeloopen....? Wij zijn tegelijkertijd gekomen en ik heb nog een half jaar.’
‘Zij ook.... Zij blijft hier....’
Een lange stilte volgde. Toen vroeg Roeki:
‘Kan ik je vrouw dan zoolang krijgen? Als je terug komt, geef ik je haar weer. En als je niet terug komt, houd ik haar....’
‘Goed,’ zei Sentono.... ‘als mijnheer haar aan je geven wil....’
Het kon hem niet schelen, wie zijn vrouw nam. Zijn hart hoorde niet meer hier. Zijn gedachten waren alleen nog maar herinnering. Hij sleep zijn mes niet meer, want morgen zou een ander in zijn taak staan. Morgen zou hij zijn nieuwe kain omdoen, zijn nieuwen hoofddoek vouwen. Wirio had twee honderd gulden en drie gouden munten voor hem bijeen gespaard. Dat nam hij mee met zijn tikar en zijn kussen. Het andere.... wat kookgerei, een kloek met zeven kuikens, zijn lampje, zijn vrouw.... dat liet hij achter. En daarmee brak hij zijn bestaan van contractant af. Wie die vrouw ná hem nam kon hem niet schelen.
Den volgenden dag hurkte Roeki voor het assistenten-huis.
‘Wat wil je, Roeki....?’
Roeki kuchte, begon een lange inleiding:
‘Tabeh toewan. Ik vraag vergiffenis aan mijnheer, maar ik ben al veel jaren in contract en ik heb nog altijd geen vrouw. Ik word al oud, maar ik heb nog geen vrouw. Er is niemand, die voor me kookt, niemand, die voor me wascht. Ik groet mijnheer en ik vraag vergiffenis, maar Sentono gaat nu al terug naar Java en zijn vrouw Wirio blijft hier. Nu vraag ik van mijnheer, als het met mijnheers welbehagen is, of ik de vrouw van Sentono kan krijgen....’
Deemoedig wachtte hij het antwoord.
‘Heb je er al met den hoofdmandoer over gesproken?’
‘Ik heb er al over gesproken met mijn mandoer en de mandoer heeft het al met den hoofd-mandoer besproken en de hoofd-mandoer vindt het goed, als mijnheer er in toestemt....’
‘Als dat zoo is, dan vind ik het goed, Roeki. Je bent
al lang hier, het komt je toe. Je kunt dan in het kamertje van Sentono verhuizen.’
‘Saja toewan.... Dank u, toewan.... Tabeh toewan....’
‘Tabeh....’
Half gebogen, zoolang hij voor het huis was, sloop Roeki weg. Eerst op den weg ging hij recht loopen. Zoo schreef het de adat voor....
Hij ging direct naar de pondok, rolde zijn tikar op en legde die op de baleh-baleh van Sentono. Wirio was bezig met koken, toen hij dat deed. Ze keek even op.
‘Woon jij nu hier, in deze kamer?’
‘Ja,’ zei Roeki, ‘Toewan heeft gezegd, dat ik hier mag wonen.’
Daarmee was de zaak afgedaan.
Wirio gaf hem zijn avondmaal, zooals zij het den vorigen avond aan Sentono had gegeven. Met gekruiste beenen, zittend op den baleh-baleh, at hij. Naast hem stond het lampje. Langs de wanden verschoven de schaduwbeelden van Wirio, die de pannen en de borden op een plank zette, de kloek en haar kuikens met een oude mand toedekte en toen heur haar begon te kammen. Ze deed haar baadje uit, knoopte haar sarong tot okselhoogte.
Tevreden boerde Roeki. Voor het eerst was hij verzadigd. Hij keek rond in het kamertje. Dat was nu van hem. Ook het kookgerei, de drie witte bordjes, de blauw emaillen kroes. Ook de kloek en de vrouw. Ze had zich uitgestrekt op de baleh-baleh, naast hem achter tegen den muur aan. Ze was niet mooi meer, ze was oud. Païdi, haar zoon was al een man, een contractkoelie.... Haar borsten waren slap en gerimpeld. Haar hals was droog en mager. Ze had maar weinig haar meer en miste voorin haar mond een tand. Ze was leelijk en onbegeerlijk. Maar in Roeki was de begeerte al gedoofd. In
zijn verstilde wenschen zweeg het bloed. Hij vroeg voornamelijk de verzadiging van het lijf: rust en voedsel.
Hij werd oud.
Niet voor niets noemden ze hem: pâ Roeki....