terug  begin  verder
[p. 81]

Tweede hoofdstuk.
De slaven in de kolonie Suriname.

[p. 83]

I.
Algemeen overzigt.

Nagenoeg zes zevende gedeelte van de bevolking der kolonie Suriname zijn slaven, zoodat er van de 7 personen 6 tot den slavenstand behooren.

De hoofdverdeeling der slaven bestaat in Negers en Kleurlingen.

De Negers verdeelt men weder in twee soorten, als: Zoutwater-Negers (die van buiten over zee aangevoerd worden) en Creolen-Negers (die in de kolonie geboren zijn).

Ook verdeelt men dezelve in plantaadje- en fort-slaven, tusschen welke altijd eenige partijschap bestaat; de eersten loopen naakt, zijn minder beschaafd en ontwikkeld, doch doen veel nuttiger werk; de laatsten zijn slimmer en geslepener, en schikken zich, vooral de jonge Negerinnen, die zeer behaagziek zijn, veel meer op.

Men vindt op de plantaadjen 38316
Te Paramaribo 7435
  _____
  45751 Neger-slaven.

[p. 84]

Op de plantaadjen zijn 1888
Te Paramaribo 1145
  ____
  3033 Kleurling-slaven.
Te zamen 48784 slaven.  

Hiervan bevinden zich op de plantaadjen 40204
Te Paramaribo 8580
  _____
  48784 Slaven.
De vrije bevolking telt 7679
  _____
Totaal 56463

Er zijn dus 15 Neger- tegen éénen Kleurling-slaaf, terwijl men meer dan het een vijfde gedeelte der geheele slavenmagt in de stad houdt.

De eerstgenoemde Zoutwater-Negers zijn in Afrika geboren; dan, daar de toevoer van slaven ophoudt, zullen er over weinige jaren geen Zoutwater-Negers meer zijn. Van deze Negers had men in Suriname 14 verschillende casten of stammen(*).

De Creolen-Negers, van een' Neger en eene Negerin, in de kolonie Suriname geboren, zijn gitzwart en zeer glanzig; doch, ziekelijk wordende, hebben zij eene kleur als oud lood, zijn stroef en vaal van huid en haar, en verliezen de glimmende zwarte kleur.

[p. 85]

Het is slechts in het binnenste der handen en onder de voetzoolen, dat men iets van eene vleeschkleur bespeuren kan.

Dat de Negers kroes, wollig haar, platten neus en dikke blaauwe lippen hebben, is te algemeen bekend, om hierbij te blijven stilstaan; ook is het eene opmerkelijke waarheid, dat de zwartste Negers het meeste rood in het wit hunner oogen hebben.

Het karakter der Negers wijzigt zich veelal naar hunne opleiding.

De Kleurling-slaven zijn kinderen, door de Blanken bij de zwarte slavinnen verwekt. Zulk een kind is een Mulat of eene Mulattin. Wanneer een Mulat een kind bij eene Negerin verwekt, wordt de kleur weder donkerder, en zulk een kind noemt men Karboeger.

Een Blanke, kinderen bij eene Mulattin verwekkende, worden die kinderen Mistiesch genoemd; blank en Mistiesch geeft Kastiesch; blank en Kastiesch, Poestiesch; en de kinderen, die een Blanke bij eene Poestische verwekt, worden blanke Creolen genoemd. Doch ook uit deze kinderen is het verduivelde Negerbloed (taal der oude Kolonisten) nog niet geheel verdwenen.

Van alle slaven zijn de Kleurling-slaven het ongelukkigste; deze, door Blanken en Zwarten als een tusschenras beschouwde wezens, worden van beide kanten veracht en verstooten. In voeding en kleeding heeft een' Kleurling het niets beter dan een' Neger-slaaf; hij is zwakker en ziekelijker, en toch vordert men even veel en even zwaar werk van hem, terwijl de snerpende

[p. 86]

zweep hem op de dunne huid gevoeliger treft, dan een' Neger, en ofschoon onder de Negers werkende, zal hij hun vertrouwen nimmer deelachtig worden.

(*)Zie het door mij geschrevene werk: de Landbouw in de kolonie Suriname, D. II, bladz. 179.
terug  begin  verder