terug  begin  verder

III.
Suriname, een schoon land, moet door Europeanen bevolkt worden.

Welk een onbegrijpelijk groot aantal vrije inwoners zoude het vruchtbare, thans zoo schaars bevolkte Nederlandsche Guiana niet kunnen voeden? Hoe gelukkig zouden nu in zorg en kommer levende huisgezinnen zich hier niet in het zoo mild van God gezegende land, aan de oevers der schoone bevaarbare rivier van de nu geheel onbewoonde Coppename, Marätakke, enz., enz. bevinden en hunne vroegere armoede en gebrek vergeten! Met hoe weinig arbeid en industrie brengt de grond hier niet allerhande aard-, plant- en boomvruchten in overvloed voort; alles, alles wat de mensch tot voeding, kleeding, huisvesting en levensgenot noodig heeft, biedt de natuur hier, als het ware, met eene verkwistende hand uit zich zelven aan, en toch pia vota! alles ligt er stil en eenzaam, zonder eenige menschelijke hulp of bearbeiding; de overheerlijkste gewassen uit het plantenrijk groeijen er in eene onbegrijpelijke kracht en weelde; men staart op boomen van 200 voeten hoog, men vindt er reusachtige waterplanten, ranken en heesters; de wateren zijn vol van overheerlijke visch; in de schaduw van het hoogopgaande geboomte kruipt en sluipt

[p. 90]

over eenen onuitputbaren grond allerhande wild, terwijl de boomkruinen, met prachtig groen getooid, even als de oppervlakte der rivier, eene groote verscheidenheid van vogels oplevert. De teelt van hoenders en ander pluimgedierte is er ongemeen gemakkelijk, zoo ook van varkens, runderen en schapen; men behoeft tegen geen' winter voor hooi, haver en stroo te zorgen, het vee loopt altoos in het gras; men poot en delft het geheele jaar aardappelen en wortelvruchten; men heeft ze altoos nieuw en frisch uit den grond. Eene hut of keet van palisaden, met pina (palmbladen) gedekt, verstrekt den mensch tot eene voldoende woning, in welke men hier vreedzaam en onbezorgd leven kan; kent hij het genot der groote wereld niet, hij kent er ook geene lasten en onaangenaamheden van, maar leeft hier als eigen heer en meester op een hoogen, droogen zandheuvel, onder het lommer van palmietpalmen, aan een helder, stroomend beekje, van jagt en visscherij; en wil hij grootere woning, nergens vindt men beter en overvloediger timmer- en brandhout dan hier: het is de overvloed bij een warm klimaat, die de mensch hier onder een' helderblaauwen hemel lui en onverschillig maakt. - Maar ach! waartoe dat alles zoo schoon en naar waarheid geschilderd? De mensch toch wil niet alleen zijn, om als eene spin zijn prooi te bemagtigen. - Wel nu! dat men dan in eene kleine maatschappij derwaarts verhuize en zich aan eene der gezegde rivieren nederzette; op een papaja of mattje, op drooge bladeren uitgespreid, is, onder het geruisch der bladeren, de heerlijkste slaapplaats; vreedzamer land

[p. 91]

en volk, als Guiana en de teruggetrokkene Caraiben, zal men nergens op de geheele aarde aantreffen; dit volk wij vrede en vrijheid, waarom zij de blanken ontweken zijn en zich meer boven aan de rivieren en kreken neêrgezet hebben. De natuur is hier in eenen eeuwigdurenden lente- en zomerstaat, altoos rustig en kalm; aardbevingen en orkanen, zelfs stormen en zware onweders zijn hier genoegzaam onbekend, en gevolgelijk ook overstroomingen; nimmer rijst het water op eene buitengewone wijze boven het dagelijksche getij, zelden gaat het rivierwater het gewone peil aanmerkelijk te boven. Oorlog, epidemische ziekten of andere onheilen van dien aard zijn hier hoogst ongewoon en verdienen geene opmerking; het eerste bepaalt zich tot eenige patrouilles van gewapende Christenen, die op ongewapende Heidenen, weerlooze slaven, welke slechts hunne vrijheid zoeken, jagt maken, en, hunne kampen of schuilplaatsen vindende, de kostgronden vernielen, de vruchtboomen omhakken en de hutten verbranden; van onheilen door besmettelijke ziekten ken ik geene of liever geene noemenswaardige voorbeelden; men heeft er landziekten, zoo als elk land de zijne heeft, doch vele ziekten zijn het gevolg der leefwijze, ofschoon men het gemeenlijk aan het klimaat toeschrijft.

terug  begin  verder