terug  begin  verder
[p. 187]

Inleiding.

Trof Paramaribo op Zondag en Maandag, den 21sten en 22sten Januarij 1821, eene ramp, waardoor de stad door een' noodlottigen brand voor een groot gedeelte in den asch gelegd werd en de opbouwing daarvan langzaam voortging, zoo dat zelfs de kerk der Hervormde ge meente tot nog toe niet herbouwd was; men vond echter vóór den jongsten brand weder een groot gedeelte van het vroeger verbrande terrein met fraaije woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen prijkende, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Jodenbreestraat, bij welke laatste de brand in 1821 gestuit was; dan helaas! in den nacht van den 3den op den 4den September 1832 verbrandde niet alleen dat schoone en rijke gedeelte der stad, tusschen de Knuffelsgracht en de Jodenbreestraat, maar met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voeten breede Jodenbreestraat in de huizen aan gene zijde, en lag ook dat gedeelte in asch of werd door het neêrhalen als afbraak verwoest. De gebouwen, welke zich tusschen de Jodenbreestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, waren allen, uitgezonderd een eenig oud huis aan de Maagdenstraat, bekend onder lett. D, no. 359, toebehoorende aan Maria Kans c.s., óf verbrand, óf zwaar beschadigd; zoo dat toen ook de kerk der Luthersche gemeente, benevens vele rijke koopmans magazijnen, pak- en woonhuizen, eene prooi der vlammen zijn geworden, waardoor dan nu de Protestanten geheel zonder kerkgebouw

[p. 188]

waren; houdende de Gereformeerden en Lutherschen vervolgens hunne godsdienstoefeningen in de zaal van de loge Concordia, in de Saramaccastraat.

 

Dan, ten einde dit geschiedkundig verslag, of bijzonderheden betrekkelijk den brand enz., geregeld te vervolgen, zullen wij hetzelve aldus verdeelen:

 

A.
Oorzaken van den brand en de verwoesting door denzelven aangerigt.
B.
Pogingen tot blussching en beperking van dezelven; voorbehoedmiddelen, enz.
C.
Aanleiding tot het doen van eene patrouille, waarbij de Negerjongen Frederik wordt opgevangen; arrestatie zijner makkers wegens gepleegde diefstallen; inventaris van processale stukken, door het Publiek Ministerie overgelegd met extracten van derzelver substantieven inhoud, waaruit blijkt, dat Frederik degene is geweest, welke het eerste in judicio de hoofdmisdaad van brandstichting openbaarde; eisch en conchusie van den Procureur-Generaal.
D.
Authentiek afschrift van het vonnis en sententie tegen de gedetineerden en aangeklaagden als brandstichters, gewezen bij het Geregtshof te Suriname, met en benevens eenige daarop gemaakte anotatien.
E.
Verslag der executie, zoo van de hoofdmisdadigers als van de medepligtigen.
[p. 189]

II.
A. Oorzaken van den brand en de verwoestingen door denzelven aangerigt.

De brand van den 3den September des jaars 1832 werd door kwaadwillige Negerslaven (zoo als straks nader uit het vonnis blijken zal) moedwillig aangestoken, welk gruwzaam misdrijf vrij zeker de boosaardigste bedoelingen ten grondslag had. Gedurende de maand September was men nog algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of ouvoorzigtigheid ontstaan was; bijna niemand vermoedde, dat zulk eene God- en menschonteerende daad in een menschelijk wezen opkomen konde, veel minder uitvoerbaar was, en het strekt het karakter der Surinamers tot eer, dat men vrij algemeen de oorzaak aan een bloot ongeluk en geenszins aan een helsch opzet toeschreef. Uit het vonnis blijkt echter, dat de misdadigers, na het volbrengen van deze eerste misdaad van brandstichting niet te vreden, hunne pogingen op onderscheidene tijden en plaatsen hebben herhaald, doch welke pogingen door Gods goedheid niet hebben mogen slagen of door aangebragte hulp spoedig zijn tegengegaan. Deze omstandigheden konden niet missen, of moesten bij een aantal menschen, die onbevooroordeeld waren, de verdenking doen ontstaan, dat ook de eerste brand opzettelijk was aangestoken(*), en bij de ontdekking, dat de

[p. 190]

brand opzettelijk aangestoken was, hoorde men van velen de gedachte uiten, dat deze daad alleen gepleegd zou zijn, om daardoor in eene algemeene confusie gemakkelijk te kunnen stelen; doch, het feit dezer afschuwelijke boosdoeners nader leerende kennen, hield men de grootheid en de volharding in deze misdaad bij de geringheid van het gestolene in geene genoegzame verhouding, om hierin geene uitgebreider plans te vooronderstellen, en later heeft men gezien zich hierin niet vergist te hebben, en dat zij de uitvoerders waren der ontwerpen van complotten van wegloopers, welke zich in de bosschen schuilhielden.

Maandag avond, den 3den September, ruim 10 uren, sloeg de vlam uit het huis, bekend onder lett. C, no. 4, staande en gelegen op den Heiligenweg, nabij den waterkant; zijnde een winkelhuis, toebehoorende en bewoond door den Heer Mozes Nunes Monsanto, welke op dat tijdstip afwezig was; dan, wij zullen de verdere bijzonderheden, zoo van dezen brand als de poging tot brandstichting bij de Wed. Levi Abrahams enz., straks uit de processale stukken en het vonnis zelve nader leeren kennen.

Nadat de brandstichters achtereenvolgelijk wegens gepleegde diefstallen opgevangen waren, hielden de herhaalde pogingen tot brandstichtingen geheel en al op.

Ook schijnt de ondervolgende Notificatie van een goed gevolg te zijn geweest.

[p. 191]

Notificatie.

De Gouverneur-Generaal in Rade,

Gelet, dat sedert den ongelukkigen brand, in den nacht van den 3den op den 4den September 11., in onderscheidene gedeelten der stad en herhaalde malen een begin van brand is ontdekt geworden, die, wel is waar, tot nog toe telkens in tijds is gebluscht, maar die, wanneer dezelve niet tijdig genoeg ware ontdekt geweest, wederom een aanzienlijk gedeelte der stad welligt aan de vlammen ter prooi zou hebben kunnen geven;

Gelet, dat het uit het deswege plaats gehad hebbend onderzoek waarschijnlijk geworden is, dat in meer dan een geval boosaardig opzet en kwaadwilligheid tot het gebeurde hebben aanleiding gegeven;

Heeft goedgevonden en verstaan, eene premie uit te loven van vijf duizend gulden (ƒ5000) voor en ten behoeve van elken vrijen persoon, en voorts den vrijdom, mitsgaders bovendien nog eene premie van twee duizend gulden (ƒ2000) voor en ten behoeve van elken slaaf, die den schuldige of de schuldigen, of zijne of hunne medepligtigen bij de reeds sedert den 4den September 11. plaats gehad hebbende voorvallen zal aangeven, in dier voege, dat dezelve in handen der Justitie geraken en naar verdiensten voor zijne of hunne euveldaad kunnen gestraft worden.

Eene gelijke premie van vijf duizend gulden (ƒ5000) voor elken vrijen persoon, en den vrijdom met eene

[p. 192]

premie daarenboven van twee duizend gulden (ƒ2000) voor elken slaaf wordt mede toegezegd op en voor de aangifte der schuldigen of derzelver medepligtigen, die in het vervolg zich aan dusdanig booze handeling schuldig maken, in dier voege, dat de schuldige of schuldigen in handen der Justitie geraken en van hunne euveldaad overtuigd kunnen worden.

Bijaldien de ontdekking of aangifte geschiedt door eenen medeschuldige of medepligtige, wordt aan denzelven bij deze beloofd en toegezegd geheele kwijtschelding van straffen; terwijl bovendien nog door den Hoogen Raad, naar bevind van zaken, geoordeeld worden zal, of aan zoodanigen aanbrenger al dan niet eene geldelijke premie of eenig ander gunstbewijs zal worden toegekend.

En zal, des verkiezende, de naam van den aanbrenger worden geheim gehouden.

 

Lasten en bevelen dat deze zal worden afgekondigd, alomme waar zulks te doen gebruikelijk is, mitsgaders in de nieuwspapieren geinsereerd.

 

Aldus gedaan in de Raadsvergadering, gehouden alhier aan Paramaribo, den 16den October 1832.

 

E.L. van Heeckeren.

 

Ter ordonnantie van den Gouverneur-Generaal in Rade,

 

De Algemeene Secretaris,

 

G.A. van der Mee.

[p. 193]

Het spreekt van zelve, dat bij zoodanige omstandigheden de geruchten altoos de daadzaken overtreffen; zoo werd er onder anderen ook verhaald, dat er pogingen tot brandstichtingen gedaan waren op Vrijdag avond, den 14den September, aan de schutting bij de kosters woning, lett. B, no. 94, van de Portugeesche Israëlitische gemeente, in de Heerestraat, alsmede bij den Heer C.G. Eybo, op Dingsdag avond, den 16den October, aan de bedgordijnen, in het huis lett. A, no. 39, over den Heer van Bommel, in de Keizerstraat, toebehoorende aan den Heer J.P. Tafares; op Vrijdag avond, den 19den October, tusschen de huizen lett. A, no. 125, van J.D. Flu, Kleêrmaker, en dat van den boedel S.C. Lobato, lett. A, no. 126, in de Watermolenstraat.

Meer waarschijnlijk was het echter, dat de bij tijds gebluschte brand bij de Wed. J. de Vries, lett. D, no. 356, in de Maagdenstraat, op Dingsdag, den 2den October, 's nachts tegen half twaalf uren, boven in het dak der keuken opzettelijk aangestoken is(*).

[p. 194]

Zoo ook die bij den Heer J.J. Duncan, lett. A, no. 52, aan den Waterkant, onder de vloering eener paardenstal, op Dingsdag, den 9den October.

En eindelijk die bij Dina M. Breet, in de Heerestraat, lett. C, no. 66, op Maandag, den 15den October, tegen 12 uren des nachts, onder de vloering en op zolder van het regter achterzijgebouw.

Ook hoorde men van brandstichting buiten Paramaribo; zoo ontstond er op Maandag, den 30sten Julij 1832, brand op de suikerplantaadje Accaribo, aan de rivier Suriname, in een der negerhuizen van de slavenmagt, terwijl dezelve in den grond (te velde) met rietkappen bezig was: door welken brand eene geheele rij negerhuizen in den asch gelegd werd.

Later, en wel op Maandag, den 10den September, ontstond er brand in het dorp de Joden-Savanah, mede aan de rivier Suriname, zijnde ontstaan in een

[p. 195]

onbewoond huis, toebehoorende den boedel M. De la Parra, staande regt over de Synagoge; van dit huis sloeg de brand over in het groote hieraan belendende huis van den Oud - Burgerkapitein der divisie boven Suriname, den Heer Jacob de Meza; vervolgens verbrandde het huis van nu wijlen den Heer Josua de la Parra (in December 1832 overleden), waarna er nog twee andere huizen in den asch gelegd werden, zoo dat er vijf huizen en bijgebouwen totaal verbrand zijn.

Dan, laten wij tot de hoofdzaak van den brand te Paramaribo terugkeeren.

Wij zullen dan eene korte opgave doen van hetgeen er door deze verschrikkelijke vuurramp in weinig uren tijds aan gebouwen verbrand is, terwijl zich de waarde van verbrande koopmansgoederen, meubilair enz. slechts bij raming gissen laat.

Voor en aleer het huis van den Heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de aanbelendende huizen, terwijl de vlam alsnu met eene ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg, waartoe het drooge saizoen, bij den grooten voorraad van hevigbrandende handelsvoorwerpen, in de hier staande pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als olie, pik, teer, aangemaakt witlood, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruid, de voornaamste oorzaken waren; dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene verbazende hoogte stegen, onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en

[p. 196]

het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen, ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik- en angstaanjagend geknap, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen dezer stad, die dezelve niet alleen allen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegene plaatsen sommige daken der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp gered zijn(*). Eene verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een' te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken van de onder wind staande huizen en achtergebouwen; daarbij verspreidde zich het vuur als een watervloed bij eenen doorbraak.

Niet voor het aanbreken van den dageraad, op Dingsdag morgen, werd men den brand meester, zoo wel bij de Saramaccabrug als in de Maagdenstraat, door het vaardig daarstellen van een brandpad bij het gewezene Luthersche diaconiehuis; zijnde alle brandbare stoffen, vooral hout van afbraak, met de meeste vlijt en volharding van daar weggedragen en de grond zelfs van

[p. 197]

de kleinste stukjes hout gezuiverd, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, hetwelk dan ook eindelijk met een gelukkig gevolg bekroond werd.

In dezen treurigen nacht zijn de ondervolgende huizen verbrand of door bijl en brandhaken vernield geworden:

Waterkant.

Eigenaren. Bewoners.
Gebr. Stuger J.C. Stuger; winkelhuis.
Frommetje Machielse Frommetje Machielse; id.
M.A. Wittering M. en S.A. Wittering; Amerikaansch pakhuis.
Erven C.J. Fuchs Van West en de Hart; id.
Erven Jos. de la Parra (Achtergebouwen.)
Mr. E.L. Baron van Heeckeren Mr. P. Fiers Smeding(*).
Col. Campbell Dent en Comp. Col. Campbell Jr.; pakhuis.
Boedel M.H. Alberga M.C. Nassij; winkelhuis.
  De Wed. Sanches; idem.
R. O'Ferrall Jr. Gebr. Soesman; Amerik. pakhuis.
A.H. Jacobs A.H. Jacobs en de Friderici.

[p. 198]

J.A. Meinahlers H.A. Buhk; Amer. pakh. van J.A. Meinahlers.
D. del Prado D. del Prado.
Boedel D. Buttner D.C. van Beulingen; lees-bibliotheek.
Pastorij van de Luthersche gemeente Dom. D.J. Eijken Sluijters.
Het Luthersche Kerkgebouw.  
Huis van de Luthersche gemeente Van Gelder en Silas; winkelhuis.
De Wed. Kasper Harms H. Loth, geb. Robles.
Idem J.B. de Vries; winkelhuis.

Heiligenweg.

Eigenaren. Bewoners.
Gebr. Stuger Pakhuis van Gebr. Stuger.
J. Scheen (Onbewoond.)
J.C.F. Walther J.C.F. Walther.
M.N. Monsanto M.N. Monsanto; winkelh.
J.C. Stuger (Onbewoond, met koopmans-goederen van Gebroeders Stuger.)
Boedel Js. de la Parra (Achtergebouwen, gedeeltelijk omvergehaald.)

Jodenbreestraat, van den waterkant, regts.

Eigenaren. Bewoners.
Boedel J. Stuger Schoenmakerswinkel.
Idem Loots van M.M. Smith, met houtwaren.

[p. 199]

De Wed. G.N. Linck De Wed. Hardegen Groenemeij.
Dd Bo de Mesquita D.B. de Mesquita en J.J.B. de Mesquita.

Links.

Eigenaren. Bewoners.
J.P.L. Weimann J.P.L. Weimann; winkelhuis.
M.M. Smith Logement.
J.J.F. de Friderici Dom. A. Roelofsz.
A.H. Jacobs A.J. Heidweiller.
P. van Chatillon P. van Chatillon.
C.H. Levij C.H. Levij.
Dd. del Prado Bessie van Castilho.
D.B. de Mesquita L. van Levij Coenraads.
C.F. Capedoce C.F. Capadoce en S.Z. Soesman.

Maagdenstraat, van de Jodenbreestraat, links.

Eigenaren. Bewoners.
James Robertson James Robertson.
Boedel Antje Brandon M. Brandon.
Boedel W.P. Prins Antoinetta van Hartsink.
A.C. en J.C. Negreb A.C. en J.C. Negreb.
Joh. en M.M. Negreb Joh. en M.M. Negreb.
Luth. Diaconiehuis M. Naar; slavenhospitaal; omvergehaald.
Cato van Stolting Cato van Stolting; idem.
Maintenon van Weijne Paulina van der Meer.

[p. 200]

Steenbakkerijstraat, naar den waterkant, links.

Eigenaren. Bewoners.
Boedel J.G. van Suijlen Johanna van Harms.
Minderjarige Noizeux J. Elisabeth Vels.
Boedel J.L. Gardé J.B. de Mesquita.
Bl. Herm. van Buttner De Wed. de Vries.
Idem J.S. Gomperts.
Bt. Maria v.d. Swier Betsij Liverinck.
F.L. Imthurn F.L. Imthurn.

Regts.

Eigenaren. Bewoners.
Boedel P. Schmeltz Kwasiba van Schmeltz; omvergehaald.
Dina van Weijne Dina van Weijne; beschadigd.
Anna Linck Anna Linck; winkelhuis van C. van Voorst; gedeeltelijk afgebroken.
Wed. P. Wijnbergen M.L. Finsij; idem.
Rosa M. de Meza Rosa M. de Meza; geheel beschadigd.
Bl. Mad. van Montenor. Marg. Christ. Henke en N. Somveen; omvergehaald.

Al deze huizen waren, in een grooter of kleiner getal, van zij- en achtergebouwen en de meesten ook van pakhuizen en magazijnen voorzien.

[p. 201]

Wij kunnen overigens met genoegen melden, dat wij tot nog toe (September 1833) niet vernomen hebben, dat er wezenlijk menschen zijn verongelukt, ofschoon vele (en dit is wel bij zulk een geval onvermijdelijk) meer of min gekwetst zijn; ook zijn er weinig goederen ontvreemd, indien men in aanmerking neemt de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid(*).

Te zamen 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken en beschadigd, zijnde het getal van de zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest; en, ofschoon bij dezen brand geen menschelijk wezen het leven heeft verloren, kan men de schade, aan roerende en onroerende goederen geleden, gerustelijk op 800,000 guldens stellen.

Thans (1833) heeft Paramaribo geene andere Protestantsche kerk, dan die der in 1828 gebouwde en op den 22sten Julij van dat jaar ingewijde kerk van de Moravische Broedergemeente, welke mede in groot gevaar is geweest van in den jongsten brand eene prooi der vlammen te worden.

Sedert den brand van 1821 hebben de Gereformeerden hunne godsdienstoefening met de Lutherschen in het kerkgebouw der laatsten gehouden, welke dan ook nu in puin verkeerd is; terwijl al de daarin zijnde monumenten en inscriptien, met het orgel en den fraaijen predikstoel, vernietigd zijn.

Dit nu verbrande kerkgebouw (hebbende geene toren

[p. 202]

gehad) werd in het jaar 1744 geheel van steen opgetrokken(*), wordende in dat zelfde jaar door den Heer Johann Frederick Knöffel met een orgel begiftigd.

De eerste leeraar dezer gemeente was Phaffius.

Regt tegen over het orgel vond men, aan het oostergeveleinde, boven den predikstoel, op eenen steen in den muur, de woorden: Gloria in excelsis Deo, 1768. Aan den achter- of noordmuur was een marmeren gedenkteeken geplaatst, nu geheel tot poeder verbrand, ter gedachtenis van den Engelschen koopman William Leckie, Esq., welke den 8sten April 1824, na 24 jaren in deze Kolonie geweest te zijn, in den ouderdom van 45 jaren overleed.

Verder las men op dit monument: ‘In the midst of life we are in death,’ alsmede, in die zelfde taal, de woorden, te vinden in het Evang. Joh., XI, 25 en 26.

Ook de naast deze kerk staande pastorij en het achterbelendende diaconiehuis, mede van deze gemeente, zijn eene prooi der vlammen geworden.

(*)In de Surinaamsche Courant, bij Engelbrecht, van den 6den September, no. 72, leest men: ‘Zoo men zegt, door onvoorzigtigheid der huisslaven in een slaapvertrek brand was ontstaan.’
(*)Bij gelegenheid van dezen brand werd door zekeren Spencer Webster, een vrije Kleurling van Suriname, zijnde een jongeling van ongeveer 16 jaren, afkomstig van een' Blanken vader en eene Indiaansche moeder, diefstal gepleegd, bestaande in weinig beduidende kleedingstukken; echter lag dezelfde S. Webster tevens onder zwaar vermoeden dezen brand te hebben gesticht; altans wordt in zijn vonnis gezegd, dat hij onder verdenking ligt van ‘medepligtig te zijn aan het veroorzaken van den brand, ten huize van de Wed. J.M. de Vries, in den nacht tusschen den 2den en 3den October enz.’ Bij dit vonnis, gewezen bij het Geregtshof te Suriname, den 9den Mei 1833, gepronuntieerd den 15den en geëxecuteerd den 18den dier zelfde maand, werd hij verklaard schuldig te zijn aan de misdaad van gequalificeerden diefstal, opgevolgd en verzwaard door conspiratie en medepligtigheid met andere beklaagden en gearresteerden tot braak en ontvlugting uit zijne gevangenis, in het binnenfort der fortresse Zeelandia, de plaats zijner geregtelijke custodie.
Waarop hij veroordeeld is, om gebragt te worden, alwaar men in de kolonie Suriname gewoon is aan vrije personen criminele vonnissen ten uitvoer te leggen, en aldaar op een schavot, met den strop om den hals, aan de galg vastgemaakt en aan eenen paal gebonden, strengelijk te worden gegeesseld, en wijders op den regterschouder te worden gebrandmerkt; voorts veroordeeld tot straf van dwangarbeid voor den tijd van twintig achtereenvolgende jaren, met levenslang bannissement, bij expiratie van gemelden straftijd, uit de kolonie Suriname.
(*)Niet alleen de wanden van de huizen te Paramaribo bestaan uit posten en planken, maar ook de daken zijn met singels (houten plankjes), in plaats van pannen, tigchels of leijen, gedekt. Het woord singels of schindelen is misschien afkomstig van het Oud-Noordsche skinn, huid, bekleedsel, bast, en hetzelfde met het Latijnsche scindula en het middeneeuwsche scandula; ook de fraaije kerk te Holwerd, in Vriesland, is met singels of schindelen gedekt. Deze dekborden worden hier, gelijk in Duitschland, van blokken hout gekloofd. (Zie het belangrijke werk van Dr. R. Westerhoff, Redevoering ten betooge, dat de beoefening der landhuishoudkunde eene alleraangenaamste en allerbelangrijkste bezigheid is, te Groningen, bij Barghoorn, noot, bl. 320.

(*)Door beiden, eigenaar en bewoner, het doodvonnis geteekend.

(*)Overgenomen uit de Surinaamsche Courant van September, no. 73, uitgegeven bij J.J. Engelbrecht.
(*)Hartsinck, D. II, bladz. 891. Evenwel schijnt hier vroeger reeds een godshuis dezer gemeente te hebben bestaan, want men vindt elders aangeteekend, dat de Heer Phaffius, de eerste Luthersche predikant dezer Kolonie, hunne kerk in het laatst van de maand October 1742 ingewijd heeft.
terug  begin  verder