terug  begin  verder
[p. 203]

III.
B. Poging tot blussching en beperking van den brand, voorbehoedmiddelen, enz.

Niet alleen betuigde Zijne Excellentie de Heer Gouverneur-Generaal, den 5den September, deszelfs groote tevredenheid in de koloniale nieuwspapieren, over de welwillendheid en hulpvaardigheid bij dezen noodlottigen brand aan den dag gelegd, aan die ambtenaren, welke zich ter plaatse des gevaars door hunnen moed en beleid hadden onderscheiden; zoo mede aan de officieren en manschappen van Zijner Majesteits Marine, van de Landmagt, de Schutterij, de equipagien der koopvaardijschepen; maar ook door de courantiers werd hiervan in het bijzonder gewag gemaakt. Dus las men in de Surinaamsche Courant van den 8sten September, no. 72, uitgegeven bij de Gezusters Serres:

‘Wij achten ons nog verpligt, om, door middel van ons blad, de tolken te zijn van de opregte gevoelens van dankbaarheid, die de inwoners dezer stad en allen, die daarbij belang hebben, bezielen, voor de vereenigde en onvermoeide pogingen, zoo door Zijne Excellentie den Heer Gouverneur-Generaal en verdere hooge Autoriteiten, als door den Heer Kolonel ter Zee, de Quartel, den Heer Luitenant-Kolonel en Plaatselijke Kommandant, Balfour van Burleigh, den Heer Majoor-Kommandant der Schutterij, Mr. P. Fiers Smeding, den Heer Inspecteur van Bruggen, Straten, Wegen en Waterwerken, M.D. Teenstra,
[p. 204]
de officieren en manschappen der Marine, de matrozen der koopvaardijschepen, de leden der Schutterij en vele particuliere ingezetenen, ter blussching van het vuur in het werk gesteld, terwijl wij geene mindere hulde toebrengen aan de bijzondere zorg van den Heer Baljuw en Kommissaris van Policie, J.C. Muller(*), die, ter voorkoming van wanorde, waartoe bij dergelijke rampspoedige gebeurtenissen maar al te dikwijls aanleiding gevonden wordt, al die maatregelen heeft doen nemen, welke de omstandigheden met mogelijkheid aan de hand konden geven.’

Dan: de gewilligheid, ijver en volharding, door alle geëmploijeerden bij het brandwezen betoond, hebben de snelle voortgangen van den brand niet kunnen voorkomen, en het is ook bijna onmogelijk den brand, welke eenige voortgangen gemaakt heeft in eene stad, waar niet dan houten huizen zijn, te blusschen. Intusschen beweerde de Opperbrandmeester, dat de voortgangen van den brand toe te schrijven waren aan den slechten staat der toen bestaande brandbluschmiddelen, daar van hunne zijde de beste pogingen in het werk gesteld zijn, om den brand te blusschen, weshalve hij dan ook deze advertentie in de Surinaamsche Couranten deed plaatsen:

‘De ondergeteekende acht zich verpligt, om door deze openlijk zijne tevredenheid te betuigen over den ijver en de gewilligheid, welke door bijna al de aanwezig geweest zijnde geëmploijeerden bij het brandwezen, zoo wel blanken als vrijlieden, en ook de
[p. 205]
slaven der ingezetenen, is betoond gedurende de twee nachten en twee dagen, dat de spuiten, ten gevolge van de noodlottige ramp, die deze stad weder heeft getroffen, in dienst zijn geweest; terwijl hij zich overtuigd houdt, dat ieder onbevooroordeeld ooggetuige, die den staat der brandbluschmiddelen in aanmerking neemt, aan de onvermoeide pogingen der spuitgasten regt zal doen wedervaren.
Paramaribo, den 7den September 1832.
H.G. Roux,
Opperbrandmeester.’

Later is het brandwezen van het Gemeentebestuur aan den Heer Kommandant der Schutterij overgegaan en onder deszelfs bevel gesteld(*).

Den 6den September publiceerde het toen bestaande Gemeentebestuur, dat er door de wijkmeesters in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en armbus zou worden rondgegaan, ter inzameling van bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand; welke collecte, volgens openlijke bekendmaking door den Secretaris van gezegd Bestuur (zie de Surinaamsche Courant van den 31sten October, no. 87), de som van ƒ3843.10 opgebragt heeft.

Onder de voorbehoedmiddelen, of wel de genomene voorzorgen, om bij een later te ontstanen brand deszelfs

[p. 206]

spoedige verspreiding te voorkomen, of denzelven des te zekerder te kunnen beperken, deel ik hier de twee volgende besluiten mede:

Publicatie.

Het Gemeentebestuur der kolonie Suriname,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo het bij den jongstleden brand, in den nacht van den 3den op den 4den September, op nieuw en ten duidelijkste gebleken is, hoe uiterst nadeelig het is de daken der huizen, binnen de stad, met singels of andere ontvlambare stoffen te dekken, heeft het Gemeentebestuur de noodige representatien daarover gedaan aan Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal der Nederlandsche Westindische Bezittingen, welke, na den Hoogen Raad daarop gehoord te hebben, het Gemeentebestuur geautoriseerd en geinviteerd heeft de vereischte bepalingen daaromtrent zoo spoedig doenlijk daar te stellen, en heeft het Bestuur, dienovereenkomstig, goedgevonden en verstaan het navolgende te bepalen en vast te stellen:

Art. 1.

Alle huizen en woningen, daaronder begrepen alle pakhuizen, negerhuizen en andere gebouwen, zonder onderscheid, welke na de uitvaardiging der tegenwoordige publicatie te Paramaribo nieuw zullen worden opgebouwd, zullen met niets anders mogen worden gedekt dan met pannen, tigchels, leijen of andere on-

[p. 207]

brandbare stoffen, met uitzondering alleen van hetgeen hierna onder art. 3 en 4 is vermeld.

Art. 2.

Evenmin zal bij zoodanige huizen, pakhuizen, negerhuizen of andere gebouwen, zonder onderscheid, welke na de afkondiging dezer publicatie worden verdekt, de verdekking mogen geschieden met singels, hetzij nieuwe of door omkeering der oude singels, en nog veel minder met andere brandbare stoffen; zullende die verdekking eveneens moeten plaats hebben met pannen, tigchels, leijen of andere onbrandbare stoffen.

Art. 3.

Van sub art. 1 en 2 vermelde bepalingen zullen echter uitgezonderd zijn:

a.
De voorstad Zeelandia of Combé.
b.
De overzijde van de Steenbakkersgracht en al de daar achter liggende wegen en straten, behalve de Saramaccastraat, als welke aan beide zijden, met al de daarin uitkomende erven, tot aan de Pontewerfbrug toe, onder het verbod in art. 1 en 2 vervat, zal zijn begrepen.

Art. 4.

Niettegenstaande het hierboven sub art. 1 en 2 bepaalde, wordt bij deze, uit aanmerking, dat zich welligt geen genoegzame voorraad van pannen, tigchels, leijen of andere onbrandbare stoffen, tot het verdekken van huizen geschikt, op dit oogenblik in de Kolonie mogt bevinden, en dezelve alzoo uit het moederland

[p. 208]

moeten worden ontboden, aan al degenen, die na de uitvaardiging dezer publicatie een nieuw gebouw mogten oprigten of een reeds bestaand gebouw mogten verdekken, voor den tijd van twaalf maanden vergund, om, provisioneel en tot behulp, dezelve nieuw op te bouwen of te verdekken huizen met singels te mogen dekken; onder stelligen last en verpligting echter, om dezelve singels binnen den tijd van twaalf maanden na de uitvaardiging dezer publicatie te moeten wegnemen en door pannen, tigchels, leijen of andere onbrandbare dekstoffen te doen vervangen.

Art. 5.

Bij overtreding van het bovenstaande sub art. 1 en 2, in verband met art. 4 en als straffe daarvan, zullen alle zoodanige daken van huizen, pakhuizen, negerwoningen en verdere gebouwen, welke, strijdig met de daarin voorkomende bepalingen, met singels of andere brandbare stoffen mogten worden gedekt, door de daartoe bevoegde autoriteiten, zonder eenigen vorm van proces, worden afgebroken en de kosten daarvan op de eigenaren worden verhaald bij parate executie, even als zulks in materie van belastingen gebruikelijk is.

Art. 6.

Alle eigenaren van huizen, pakhuizen, negerhuizen en verdere gebouwen, gelegen aan Paramaribo (onder dezelfde uitzondering evenwel als hiervoren onder art. 3 is gemaakt en waarop deze bepaling niet toepasselijk zijn zal), welke binnen den tijd van tien jaren na de uitvaardiging dezer publicatie derzelver huizen niet zullen

[p. 209]

hebben vernieuwd of verdekt, en welke alzoo binnen voorschreven tijdvak niet zullen zijn gevallen onder het hiervoren sub art. 2 bepaalde, zal desniettemin gehouden en verpligt zijn, om in het elfde jaar, na het uitvaardigen derzelve publicatie, de daken van alle hun toebehoorende of na den datum dier publicatie hun aangekomen gebouwen met pannen, tigchels, leijen of andere onbrandbare stoffen te beleggen, en zulks op dezelfde straffe, als hiervoren sub art. 5 is bepaald.

Art. 7.

En wordt tot aanmoediging der ingezetenen, van de afgebrande erven zoo spoedig doenlijk weder op te bouwen, bij deze bepaald, dat voor alle door den brand van den 3den op den 4den September afgebrande erven en de daarop op te rigten gebouwen wordt verleend vrijdom van belasting voor den tijd van zes jaren, te rekenen van den 1sten Januarij 1832; terwijl voor alle zoodanige huizen en erven, waarvan al de gebouwen, zoo wel pakhuizen als zijgebouwen, geheel van steen of klei worden opgetrokken, gelijke vrijstelling wordt verleend voor den tijd van vijf en twintig jaren.

Aldus gedaan in de Vergadering van het Gemeentebestuur, gehouden alhier aan Paramaribo, den 27sten September 1832.

 

L.B. Slengarde.
Ter ordonnantie van het Gemeentebestuur,
De Secretaris van het Bestuur voorn.,
Bij deszelfs afwezigheid,
De Eerste Commies,
R. Gollenstede.

[p. 210]

Gepubliceerd den 28sten September 1832.

 

De Secretaris van het Gemeentebestuur,
Bij deszelfs afwezigheid,
De Eerste Commies,
R. Gollenstede.

Publicatie.

Het Gemeentebestuur der kolonie Suriname,

In aanmerking genomen hebbende het nut, hetwelk daarin voor het vervolg gelegen is, dat de stad Paramaribo, zoo veel mogelijk, van opene plaatsen of pleinen worde voorzien, om, bij onverhoopten brand, den zoo spoedigen voortgang daarvan ten minste eenigermate tegen te gaan en, zoo mogelijk, te beletten;

Heeft, zoo ten gevolge daarvan, als van eene daarop betrekking hebbende resolutie van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal der gezamenlijke Nederlandsche Westindische bezittingen, van den 17den dezer, no. 1011/908, goedgevonden en verstaan het navolgende vast te stellen en te bepalen:

Art. 1.

Het zal aan niemand geoorloofd zijn, eenige huizen, pakhuizen of andere gebouwen of getimmerten, van welken aard ook, te plaatsen of op te rigten op de erven, bekend onder lett. D, no. 328a, 328b, 325, 327 en 326(*), als zullende niet weder mogen wor-

[p. 211]

den opgebouwd, maar integendeel tot een plein worden geformeerd en met boomen beplant.

Art. 2.

De eigenaren der hiervoren in art. 1 omschrevene erven zullen de bevoegdheid hebben, om binnen zes weken, na de bekendmaking dezer, al de zich nog op voorschrevene erven bevindende steenen voeten, fundamenten of andere gemetselte weg te breken of uit te graven en weg te voeren; zullende, na verloop van dien tijd, zulks op last van dit Bestuur worden verrigt, de gevondene materialen weggevoerd en den grond geslegt en gelijk gemaakt, en verder deze erven worden gebruikt en aangewend tot zoodanig einde, als reeds in art. 1 is bepaald.

Art. 3.

Alle eigenaren der hierboven omschrevene erven, welke mogten beweren dezelve in vrij en allodiaal eigendom te bezitten of anderzins in hun wettig en deugdelijk regt door deze bepaling te zijn benadeeld, zullen de bevoegdheid hebben, mede binnen zes weken

[p. 212]

na de bekendmaking dezer, zich aan het Gemeentebestuur, tot bekoming van billijke schadevergoeding, te adresseren, met overlegging der bewijzen van eigendom en uitgiftbrieven of warranden; mitsgaders van zoodanige bescheiden, als zij zullen te rade worden, ten einde daarop door gezegd Bestuur te worden gedisponeerd, zoodanig als zal bevonden worden te behooren.

Art. 4.

Wanneer het Gemeentebestuur, op een in voege voorschreven gedaan adres, mogt bevinden, dat in de daad iemand door de bij deze gemaakte bepaling in zijn wettig en deugdelijk regt zoude zijn benadeeld, zullen er benoemd worden deskundige taxateurs en priseurs; te weten: één door den eigenaar van het erf, welke beide zich eenen derden zullen toevoegen.

Ingeval van verschil echter tusschen beide eerstgenoemden over de keuze van dien derden, zal dezelve door den President van het Gemeentebestuur worden benoemd en aangesteld.

Deze drie, in voege voorschreven, benoemde taxateurs en priseurs zullen de geleden schade in gemoede begrooten, waarvoor alsdan de eigenaar van het erf uit de gemeentekas zal worden schadeloos gesteld.

En opdat een ieder hiervan kennis drage, zal deze in de Nieuwspapieren dezer Kolonie worden geinsereerd, en alomme aangeplakt en afgekondigd, waar men zulks gewoon is te doen.

Aldus gearresteerd in de buitengewone Vergadering

[p. 213]

van het Gemeentebestuur, gehouden alhier aan Paramaribo, den 29sten October 1832.

 

L.B. Slengarde.
Ter ordonnantie van het Gemeentebestuur,
De Secretaris,
Wentholt.

 

Spoedig was men vrij algemeen bezig met het in puin liggende gedeelte der stad te herbouwen, alsmede met de hertimmering van de Luthersche kerk; zijnde dit laatste door den stads Architect C.A. Roman voor de som van ƒ28500 aangenomen geworden, terwijl de Kerkenraad reeds vroeger in het moederland een orgel voor de toen afgebrande kerk besteld had, welke in December 1832 met het schip Henriette, Kapitein Schneebeeke, aankwam.

Ook de Gereformeerde gemeente, zoo wel als die der Luthersche, door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften gesterkt, deed de bouwing eener kerk op den Ouden Oranjetuin, alwaar de koepelkerk vóór 1821 gestaan had, beginnen; zijnde die opbouwing aan denzelfden Heer Roman voor ƒ55000 aanbesteed geworden; het gebouw moest achtzijdig worden, en 90 voeten lang en 60 voeten breed zijn.

Reeds Dingsdag morgen, den 5den Februarij 1833, lag Zijne Excellentie de Generaal-Majoor, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche Westindische Bezittingen, Mr. E.L. Baron van Heeckeren, den eersten steen dezer kerk.

Dan dit voor het tegenwoordige niet tot ons bestek behoorende, gaan wij tot onze vierde afdeeling over.

(*)Den 22sten November 1832 aldaar overleden.
(*)Zie besluit van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal, van den 21sten September 1832, no. 834. Te Paramaribo was toen, eveneens als thans in vele gemeenten hier te lande, een nietsdoend laauw en onverschillig Gemeentebestuur.

(*)Het eerstgemelde erf behoorde aan de Wed. Kasper Harms, gelegen op den hoek van de Steenbakkerijstraat en den Waterkant, zijnde bewoond door den Heer J.B. de Vries; het tweede, van dezelfde eigenaresse, was bewoond door H. Loth, geb. Robles.
Het vierde, no. 327, was bewoond door den eigenaar F.L. im Thurn; het derde, no. 325, van den boedel Maria van der Swier, door Betsy Liverinck, en het laatstgenoemde, no. 326, op den hoek van de Steenbakkerijstraat en de Steenbakkersgracht, behoorende den boedel Mad. van Montenor, zijnde bewoond door N. Somveen c.s.

terug  begin  verder