Zoo'n Koningen van blikwerk en klaterpapier! En die kartonnen sterre!... Als ik nu de bruglanteren niet laat branden en de vaart niet verlicht, weet ik wel dat ze alle drie in volle heiligheid het water binnenloopen.
Zie, dat is mijn eerste. Ik heb er honderd zeven en twintig te onderhouden. Dees is mijn eerste om aan te steken en mijn laatste om uit te doen. Als ik haar vurig oogsken aan 't pinken zet, zegt ze: Koeragie! - en als ik het met mijn doover sluit, zegt ze: Wel te ruste! Ik zeg niets. Ik weet dat ik mijne handen omvat de twee uitersten van een lanteren: de duisternis en het licht. Zoo slacht ik Onze-Lieve-Heere.
Pardon!
't Is beter te danken dan te vloeken.
God zegene en beware u.
Ik dank u. Goeden avond. 'k Zal maar 'nen keer niezen
De Heere zij met u.
Ja. Vansgelijken.
Zullen we de ster eens laten draaien?
Ge komt te laat. Ik heb er daar net tien duizend in éenen slag gezien.
Dan gaan we voort, langs den Vlaamschen steenweg. Het is daar ergens bal, naar ik hoor.
Doet dat niet. Het is juist de gevaarlijke richting. Luistert;...
Ze hebben mij gesteenigd met sneeuw, ze hebben mij beschimpt met liedjes, - ze hebben het altijd gedaan, te spotten met hem die het licht aanbrengt.
Wij dragen het levende licht van God.
Zeg dat nog 'nen keer? Maar, sukkel van een koning, ge moet nog heel schoon in den glans van mijn lanteren komen staan, wilt ge uw eigen ster in dezen nacht herkennen.
Het is een nacht als eene hel. Het zal nog sneeuwen.
Hola! daar zijn de wilde beesten alweer. Me dunkt, zij hebben een ander slachtoffer gevonden. Komt mee langs dezen kant.
Gij trekt al dieper de duisternis binnen.
Gelooft me, dat is, ook voor uwe majesteiten, het
best. Maar 'k zal u onderwege met honderd zes en twintig kaarsen vereeren.
Gaspar, doe toch eerst de sterre voor 't lieve gezelschap 'nen keer draaien, jongen.
He! Komt ge? Volgt maar mijnen lichtstok.
Wiloksen! Warme vette wiloksen!... Oei, oei-oei 't zal hier dezen nacht maar slapjes gaan.
Halt! Allemaal koes! Attention!
Zot Lowietje, ga naar huis, jongen. 't Is al zoo laat.
Aux armes! Boë-boë, Boë-boë, Boë-boë......
Zot Lowietje, ge zult een valling opdoen, 't is hier een gevaarlijke windhoek. Kom, ik zal u een paar schoone wiloksen geven.
Boë-boë, Boë-boë, Boë-boë......
Hebt ge geen oesters? Oesters met eiersaus? Of met tomaten? Ge pakt mij toch zeker niet voor 'nen korporaal?
Wat zou ik? Ik weet immers dat ge allange minister gepasseerd zijt. Ga nu slapen in uw pluimbed, ge weet wel?... en waar al die lieve gouden belletjes aan hangen.
Al die gouden belletjes?... Ha! ja.
Boë-boë, Boë-boë, Boë-boë......
Nom de tonnere!
Mon Dieu, mijnheer Firmin!...
Salutatwa!
Is dat nu niet jammer? Een lieve jongen, goed als koekedeeg. En dan, die losse vijs. Die twee, drie losse vijzen, zal ik maar zeggen.
Er is geen vaste vijs aan hem.
Ze hebben mij verteld, dat zijn moeder, - Cordule uit het Moriaantje, ge weet wel, die lange zwarte, die nog met den apotheker van de Zespenningenstraat gevreeën heeft...
Van de Zespenningenstraat?...
Wel ja, rechts als als ge van het Pleintje uitkomt, even voorbij den Bloemenhof, het tweede of derde huis, een schoon commerciehuis, mijnheer Firmin, en een flinke kerel ook, de apotheker, hij is nu kaal geworden en de mot zit in zijnen baard en ge zoudt het hem misschien niet aangeven, gij die hem in zijnen schoonen fleur niet hebt gekend, dat hij zoovele lieven aan zijn garen had hangen? Ja. We zagen hem allemaal geerne. Men noemde hem de Suikerbeet.
Ik heb er al meer van gehoord. Er loopen niet weinig Suikerbeetjes onder de kinderen van de vaartwijk. Wat zegt gij, Katrien?
Zal ik iets zeggen, Polydoor? Maar mijn dochter, helaas, die is van de Suikerbeet niet. Wel Zot Lowietje, zooals ge weet.
Zooals ge weet? Dat zegt ge zoo.
Omdat een ieder 't weet. 't Is een groot schandaal genoeg geweest. Cordule is onder hare dracht zoo flauw geworden dat ze er vizioenen van kreeg. Ja. De apotheker heeft haar natuurlijk laten zitten. Zooals al de andere. Maar Cordule had hem in haar lijf zitten. En ze kreeg vizioenen. En nu zult ge lachen, maar daar is niet mee te lachen, ik verzeker u. In haar grootste vizioenen zag ze de Suikerbeet als Napoleon verschijnen. Ze viel aan zijn voeten en was gereed om te sterven - want ik moet u ook zeggen, dat ze zoo dwaas verliefd was, dat ze van niets anders meer spreken wilde als van te sterven. Ja. Maar Napoleon nam haar op en trok met haar naar Sint-Helena, waar ze een allerliefst zoontje kregen. En zoo is Cordule uit het kinderbed gekomen, met Zot Lowietje in haren arm.
We kunnen aannemen, dat de apotheker een ploert is, maar Cordule...
Waarom is de apotheker een ploert? De apotheker heeft zijn droom door het leven gedragen. Cordule
heeft haar droom door het leven gedragen. Hunne droomen hebben zich een oogenblik bij elkaar aangepast. Zulk oogenblik is zwaar genoeg aan vreugd om een geheel menschenbestaan met rijken troost te vullen. Wat nu meer? Maar het zotte kind. Is hij hieraan schuldig?
Misschien.
Gij zegt: misschien. Ik zeg dan liever: heel zeker. Maar zoo draagt Cordule mede de schuld. Heeft zij niet ook al de rest medegedaan? Maar twee menschen kunnen malkander op hetzelfde moment aanvangen lief te hebben, zonder dat het nu vanzelfsprekend wordt, dat ze op een ander zelfde moment zullen ophouden. En waarom is degene die het eerste ophoudt, schuldig aan het leed dat hij den andere daardoor aandoet?
Er was een kind op handen. Zijn plicht was te trouwen met de vrouw die dat kind droeg.
Het huwelijk zou toch niets aan het fatale feit veranderd hebben: de apotheker hield van Cordule niet meer, en Cordule, laat ze nu getrouwd zijn of ongetrouwd, zou zich in elk geval met hare vizioenen moeten behelpen. Lowietje, in den schoot van zijne moeder, kon niet anders dan zot worden. Het was bestemd.
Goede vette wiloksen, madammeke? Dat zal u verwarmen. Kom.
Ik dank u.
Hebt ge hare oogen gezien?
Er zijn menschen die heel gewoon vreemd kijken. Mijn schoonmama kijkt altijd stuur, en niet alleen op mij. Ook als zij heel vriendelijk wil doen, en dat doet ze meer, want zij is geen onaardig mensch. Zij heeft groene bollen in haren kop, alsof ze uit vergrootglazen staarde. Zij kan het niet helpen.
Ik heb een ouden oom, van mijn moeder's kant. Die is blind. Maar zijne oogen staan gedurig wijdopen en ge zoudt zweren dat er aanhoudend manestralen uitvloeien. Als hij u uit de duisternis aanziet, meent ge fosfoor te rieken - ge weet, die stinkende fosfoorstekjes? Mijne kinderen worden er telkens akelig van.
Maar deze vrouw was droevig - een droefheid van heel ver...
Men kan nooit weten. Ze was misschien geverfd. Droef is naar de mode.
Wil ik u eens wat vertellen? Voor vrouwen kan men zich niet genoeg hoeden, zelfs wanneer ze er heel goedig uitzien, gelijk Katrien. Het begin van de vrouw is uitstekend, maar het einde! Dat is de schuld van Onze-Lieve-Heer.
Ja, die heeft al de deugden in den man gestoken.
Gebreken alleen bleven er over voor ons. Toe, vertel maar.
Onze-Lieve-Heer, toen hij de vrouw aan het scheppen ging, was bezield met de beste inzichten. Eigenlijk had Hij moeten erkennen, dat Adam op verre na het meesterstuk niet was, dat hij zich had voorgesteld. Hij wilde bij de tweede proef zijn werk in ruime maat verbeteren. En geestdriftig zette Hij zich vóór de boetseerplank. En Hij beeldde en beeldde. De doode klei steeg rijk aan vormen op. Toen beging Onze-Lieve-Heer een grove dwaasheid.
Hij vergat de rib van Adam te bezigen?
Neen, maar Hij besloot bij zichzelf, dat Hij Eva's hoofd vóór al de rest voltooien zou. En Hij deed dus naar zijn goddelijken wil. In zijn handen groeide het hoofd van Eva tot een absolute volmaaktheid. Hij legde het diepe kristal der blauwe wateren in hare oogen. Hij tooverde den blos van den morgenstond op hare wangen. Hij brak een geurige granaat fijn rood om hare lippen. Hij wekte een maagdelijken glans van leeljen langs hare slapen. En met zijne tien vingeren vlocht hij tien levende zonnestralen in heur satijnen haar.
Oei-oei-oei! mijnheer Firmin, in welken bijbel hebt ge dat gevonden?
Het staat geschreven. Onze-Lieve-Heer begon nu aan de romp te werken. Met volle handen kneedde hij de malsche kleiaarde. Hij rondde de schouders. Hij rondde de borsten. Hij rondde de heupen. Hij rondde den schoonen buik.
Ja maar, ja maar...
Bezweet en voldaan zag hij even op. Eva staarde hem aan met een glimlach en knipoogde.
Hewel, merci!
Ze knipoogde. Onze-Lieve-Heer boog het hoofd en bloosde in zijnen baard. Maar weer ging hij aan den arbeid. Hij ontsloot uit de lompe modder het rijke armenpaar. Hij keek naar Eva; ze knipoogde leuk.
Ge liegt.
Ge ziet wel, dat het waar is, Katrien: gij herinnert het u nog. Onze-Lieve-Heer bukte zich dieper neer en wrocht nu aan de beenen, aan de braaien, aan de voeten en de teenen. Vol schaamte blikte Hij op naar heur. Monkelend knipoogde Eva weer. Toen begonnen de handen van den Schepper te beven. Verontwaardigd wilde Hij nu heel gauw een einde maken aan zijn werk. En Hij lapte het maar af.
't Is een schande.
Dat zeg ik ook. Maar met zulke half-afgeflanste Eva's moeten wij ons nu in alle eeuwigheid behelpen. De duivel zat er oppermachtig in, eer Onze-Lieve-Heer er aan dacht hem er uit te blazen. Beklaag de mannen.
Kontrool-tijd, Polydoor!
Jawel, Firmin.
Hoe krom wij ook uit uwe schoone rib zijn geboren, wij dragen beter het zware leven dan gij. Een vrouw die moeder wordt heeft haren tol betaald. Wat praat gij over onze knipoogjes? Wat halen wij ermede thuis? Ons droeve leed.
Als 't u belieft, mamaatje
Wiloksen, vette fijne wiloksen!
En als ge 'ne keer goed wilt rondkijken en ziet hoe heel de wereld maar draait om uwen grooten smeerbuik te vullen, zoo wel van eten en drinken als van zien en hooren, en rieken en tasten, - dan zult ge gewaar worden, dat onze knipoogjes beven gelijk de angstige handen van den bedelaar, die naar de almoes van uwe kruimels snakt, gij pronkappels, gij sloekers, gij zatgemeste egoïsten!... Hebt ge dat oude moederken daar gezien? Ze was viermaal getrouwd. Ze heeft veertien kinderen groot gebracht. Ze leeft nog, en helaas! ze leeft gaarne. God slaapt van tijd tot tijd. Maar gij, mans van de tafel en 't bedde, ge moest u schamen.
Warme dikke wiloksen! Wiloksen! Wiloksen!
Het water blinkt zwart. 's Is net siroop. Oei-oei-oei, 't wordt weer een treurige avond.
Gij duivelsche smots!
Wel, heb ik van mijn leven! Daar haalt de voyou zijn brutaliteiten uit onder mijn eigen oogen. Maria, sta op.
Laat hem doen, mama.
Reken daar op. Watte? Ik zal het moeten afzien, dat die bleeke rekel mijn dochter afranselt? En op straat dan nog? Dat hij er weer aan kome. Ik plant mijn tien nagels in zijn groen schavotgezicht. Sta op, zeg ik u.
Ik heb haar verwittigd. En die fliefluiters moeten van haar lijf afblijven.
Haar lijf, dat is van u zeker?
Ja, mama.
Maar vraag dan toch, dat hij u doodstampe, flauwe zeemeltrut.
Ik weet er een, waar ze niet van af te stampen is.
Ge liegt!
Zwijg! Maar ik zal dat zaakje met hem zelf regelen.
Jean, ge zijt onrechtvaardig. Waarom wilt ge altijd blind zijn, Jean?
C'est ça. Vraag vergiffenis. Maar in die pap heb ik ook nog iets te brokken, heb ik nog iets te brokken. Alla - vooruit, gij, mee naar huis!
Zijt ge 't van zin? Of moet ik het u met oorvijgen wijs maken? Stoot aan de kar, Maria.
Jean, Jeanske, laat me meegaan.
Teef, ik zal u vaneen bijten.
Ja, ja!
Potvermille!
Allemaal van 't zelfde ras. Ze kussen geen mond of hij moet gebieden, ze streelen geen hand of hij moet slaan, ze hebben geen deugd of het moet zeer doen. Wie begrijpt dat?... En ben ik ook zoo geweest?
Wiloksen, wiloksen, wiloksen!
Koud - koud. Mijn God, zal ik durven? Jongen, jongen, waar blijft ge toch?
Wat wilt ge?
Pardon. Hadt ge mij niet geroepen?
Ik ben bang voor u.
Omdat ge mijn aangezicht niet ziet? Wil ik dat masker maar afnemen?
Neen, neen, neen.
Ik ben niet ongevraagd gekomen. Ik kom anders altijd ongevraagd. Ik ga. Neem me niet kwalijk.
Jongen, lieve jongen, hebt ge mij verlaten? Ik sterf.
Lieve, wat overkomt u? Sprak u daar iemand aan? Uw voorhoofd is wit en koud.
Ik dank u. Ge zijt zoo goed. Ge kust me niet?
Gij vielt haast om. Ik zag een donkere schaduw nevens u.
Ja. Ik geloof, er ging iemand voorbij. Ik weet het niet. Ik ben zoo angstig. En ge komt zoo laat. Bestaat wel alles wat ik zie? Zijt gij daar wel, mijn lieveling, en sluit gij mij in uwe armen?
Ik heb u lief.
En vraagt ge niet naar ons kindje?
Mijn goede man, gij hebt ons beiden lief.
Het slaapt.
Ja. Ik hoor altijd muziek.
Er is een dancing aan den overkant.
De menschen hebben het goed. Ze hebben licht en geluiden. Zij gaan vol vertrouwen naar een zeer groote leegheid. Wij hebben dat ook gedaan. Mijn zoete lief, wat ziet gij in mijne oogen?
Licht en geluiden zijn in uwe oogen. O Hart van mijn hart, nog nooit heb ik u zoo innig liefgehad.
Dat geloof ik. Ge zijt edel en groot. Nu ben ik niet meer bang.
Ik ben niet groot. Van avond weet ik wat ik ben. Ik heb overdag mijne zaken geregeld. Ik heb alles overzien wat de wereld aan mij heeft gehad. Het was niet veel. Het lag alles in enkele papieren op mijne schrijftafel. En wat lag er? Ik vrees, dat het wel licht zal bevonden worden. Wanneer het uur van de afreis daar is en men zijn koffers moet bereiden, schrikt men bij de nietigheid van wat men er zoo al in pakken kan.
Alles wat ik gedaan heb, is belangrijk geweest.
Maar vrouwen hebben zich niet door de samenleving heen te schouderen als mannen. Zij verspillen zich niet in den strijd. Zij hebben eene zending waarin zij opgaan, geheel en al. Wat wij kunnen bezitten moeten wij met zeer veel moed veroveren. Ik ben niet moedig geweest. En mijn koffers zijn ledig.
Ik heb een vader en een moeder gehad. Ik heb een man en een kind gehad. Och God! wat ben ik rijk
Ik heb een vader en een moeder gehad. Ik heb een vrouw en een kind gehad. Wat gij rijkdom noemt, is mijne armoede. Ik heb 't geluk niet kunnen winnen. Ik had geen moed.
Mijn zoete lief, is het te laat en kan ik u niet helpen moedig zijn?
Het is te laat. Ge weet het goed. Ik heb naar alle kanten uitgekeken. Er is geen weg voor mij.
Hebt gij aan uwe moeder geschreven?
Ja. Zij antwoordde niet.
Een moeder antwoordt toch. Heeft zij den brief ontvangen?
Waar moet dat heen? Ik zei toch dat ik schreef?
Heb ik mijn lieven man gestoord? Wie van ons beiden weet het best wat eene moeder is?
Vergeef mij.
Ik zal bij uwe moeder gaan.
Neen.
Wij zullen samen gaan. Wij zullen samen aanbellen en samen zullen wij den zetel naderen, waar zij zit te denken aan haren zoon. Ik zal u houden bij de hand en tusschen ons zal ons kindje te voorschijn komen. Zij is niet langer de moeder van mijn jongen, als zij onze tranen niet aanvaardt.
Dat kan niet. Dat mag niet.
Alles mag. En alles kan. Er is geen kwaad in ons.
Onder al de strijders van het leven zijn er twee die of voorhand verloren zijn: de arme die tegen het geld, en de geschandvlekte die tegen 't vooroordeel opstaan zal.
Er is geen schande aan ons.
Wij hebben de wetten geschonden. Gij voelt dat niet. Gij weet niet wat men Eer noemt. Gij zoogt uw kind.
Ik krenk u niet, melieve. Gij staat in de heiligheid van uwe moederschap. Maar ik heb de Eer van de wereld geschonden. Noch uwe liefde, noch moeder's genade zullen mij redden uit dezen pas. Ik kan niet meer trouwen met u. Ik ben te laf geweest. Wat rest er nu te doen? Gij waart het gisteren eens met me.
Zoete man, gij moogt mij niet verlaten.
Ik kan u niet verlaten
En vereenigen mag ons alleen de Dood.
O God. Hoe is dat gekomen? Ik ben de oorzaak van uw ongeluk.
Laat mij dragen wat ik mij aangetrokken heb. Mijn hart bloedt, bij de misdaad, die ik waagde. Maar gij, mijn poover lam, wat wilt gij u verwijten? Verongelijk het reinste en schoonste niet wat ik op aarde bezeten heb.
Gij hebt geen schuld. Gij zijt te goed geweest.
Ik was te zwak voor mijn drift en te gulzig om mijn lust te koelen. Wat heeft de duivel mij al niet op de tong gelegd? Heb ik u niet van bloemen gesproken en van sterren? Heb ik u niet doen opkijken naar den hemel en ginder hoog 't geluk van onze toekomst getooverd gelijk een fijngeweven maneschijn? Heb ik daar niet een wijden krans van rozen gevlochten? alsof voortaan uw leven door een dans van engelen zou gaan begeleid?
Vertel. Vertel.
En heb ik uwe vingeren niet in mijne hand gelegd? En heb ik ze niet tot aan mijne lippen geheven? En heb ik uw hoofd niet aan mijne borst gevoeld, en ging mijn adem niet gejaagd door uwe geurige haren?
Houd niet op. Vertel.
En heb ik u niet het woord toegefluisterd, dat als een vlam door heel uw bevend lijf is gegaan?
Van goud en edelgesteenten is de tijd geweest, dien ge mij gaaft.
Zoo is 't begonnen. Met leugens vol muziek. Ik wilde u hebben. Mijn heele wezen hunkerde naar u. Ik beheerschte het beest niet meer, dat zich op u ging werpen. 't Is alles mijne fout.
Laat mij alleen dan boeten.
Het is niet waar. Gij laadt uzelven alles op. Gij waart onnoozel. Ik ben tot u in valsche schuchterheid gekomen. Ik ben gaan fleeren langs u, en 'k wist hoe frisch mijn linten geurden. Ik heb het toeval beraamd, waarbij mijne handen onverwachts de uwe
zouden raken. Ik heb de aandoening berekend, die mijnen mond aan uwe lippen bracht. Ik heb gejubeld, toen uwe tong het zoete woord liet vallen en met koude hersens heb ik het net, waarin ge zaat, wat vaster toegesnoerd.
't Bedrog is aan mijn kant.
Wat zegt ge, mijn arme lieve jongen? Gij wist niet wat ik wilde. Ik heb een schoonen rijken man ontmoet. Ik heb hem verleid en gevangen
Wie schuldig is kan best verdwijnen - alleen.
Gij zegt, dat gij mij lief hebt en gij vermindert mij.
Ik heb u lief! Ik heb u lief!
Als ik weg ben -
Gij gaat niet zonder mij.
Maar denk eens na. Zooveel verwacht de wereld nog van u. Mijn zoete lief, laat mij uit uwen weg gaan.
Wanneer ge heen zijt, al de doode dagen en die doode nachten, dood van uwe afwezigheid. Ik leef niet buiten u. Gij zijt mijn eeuwig vrouwtje.
Gij denkt dat ik mijn lot betreur. Voelt gij de zaligheid niet van dezen stond? Ik ben nog nooit zoo absoluut gelukkig geweest. Mijn man, ge moogt niet boos zijn op me: ik heb getwijfeld, getwijfeld, zoo lange avonden getwijfeld! Maar nu is er vrede over ons. Mij dunkt: de eeuwigheid begint, met ons beiden in het midden.
Gebenedijd is het hart dat ge mij gegeven hebt. Op den drempel van den dood, groeien wij hoog boven de menschen. De wereld is een kleine zeepbel, die door de wijde ruimte danst. De strijd vloeit weg in 't peerlemoer van haar glazuur. Wij raken nauwelijks hare lenden met de tippen van onze teenen. Straks zijn we vrij. Maar de tijd zal spreken van eene liefde die grooter was dan de zeden en de regels, van eene liefde die de orde van de samenleving omver heeft geworpen en uit het leven is gesprongen om niet langer door menschengepeuter bezoedeld te zijn.
Ik kus uwen ring!
Mijn man! Mijn man! Mijn schoone man!
Zegt ge iets? Hebt ge iets van het kind gezegd?
Ons kindje ligt aan mijne borst.
We zullen het hier laten. We zullen het in uwen mantel leggen, onder het licht van den lanteren. Wij hebben recht op het leven van het kind.
Mijn jongen, wilt ge dat ik tweemaal sterve? Is het mogelijk, dat het eens moeder zeggen zal aan eene vreemde vrouw?
Wij kunnen het ook aan mijne moeder zenden. Zij is goed. Zij zal mij gedenken.
Het kind zal de levende oorzaak van haar ongeluk zijn. Het zal in hare gramschap groeien. Gij hebt een wreed gedacht. Waarom wilt gij altijd denken, denken!
Kijk eens hoe rustig het slaapt. Het is van ons.
Ja. Gij maakt mij week.
Het zal met ons meegaan. Zijt ge bang?
Ik word koud.
Ik ben gereed. Ik en mijn kindje, wij zijn niets meer, dan iets van u. Geef mij uwe hand.
Hebben wij niets vergeten? Het is mij, alsof we iets zeer gewichtigs vergeten hebben.
Ik word moe en ijl van uw denken. Maar gij beeft. Kijk eens in het water.
Wat moet ik in het water kijken? Ik doe het niet.
Het water is niet akelig. Het is een gewoon water. Het glanst.
Is het een gewoon water?... Ik-ik-ik durf niet...
Bezie mij. Ik heb u alles gegeven.
Wat hebt ge daar?
Bind mij met deze koord aan u. Het is de laatste band.
Ik weet niet, of de Hemel het mij zal kunnen vergeven.
Gij hebt gedaan wat in uwe macht was, mijn jongen. Hebt ge mij lief?
O mijn God! mijn God!
Kus ons kindje. Neem nu goed mijne hand in de uwe.
Hoe donker!
Neen. Er is veel licht. Houdt ge mij stevig vast?
Moeder!
Hulp! Hulp! Menschen in 't water! Hulp!
Wat schreeuwt ge? Wat is er? Houd u stil.
Daar! Twee menschen in de vaart. Ik heb ze zien springen.
Oei-oei-oei!
Ik zie niets.
Ik heb ze gezien. Ze stonden onder den lanteren. Ze zijn in 't water gesprongen.
Polies! Polies! Zijt ge daar zeker van, Lowietje?
Ik heb ze gezien. De vrouw heeft heel hard geroepen.
Me dunkt, dat ik het gehoord heb. Oei-oei-oei, dat zakt in mijne beenen.
Hewel, wat maakt ge zoo'n lawaai?
Twee menschen in de vaart gesprongen.
Watte?
Een man en eene vrouw.
Ik zie iets drijven. Sapristi, ik zie ze. Ze spartelen op het water. Polydoor, de touwen!
Waar? Waar?
Wacht, ik ga langs het trapje. Geef mij den korten haak.
Nu zie ik ze ook. Jean, let op voor de koppen. Firmin, ge haakt te diep. Ge zult ze kwetsen.
Maria, Maria, ik kan het niet meer afzien. 'k Word heelemaal flauw. Oei-oei-oei, denkt ge dat men ze nog levend boven haalt? Maar hoe kunt ge daar toch staan te kijken?
Ze gaan onder, Jean, Jean. Daar, links, ik zie een been.
't Is alsof ze aaneengebonden zijn. Hebt ge daar geen licht?
Wacht!
Lowietje, loop al gauw bij den drogist. Haal een liter azijn. Zeg dat het voor de politie is.
Lieve Hemel! Dat zijn toeren. Maar ik kan niet blijven. Ik draai hier puur weg. Oei-oei-oei!
Hewel, Jean?
Jean, hebt ge ze?
Ik zie niets meer, Jean? Jean?