Jean, wil ik naar beneden komen?
Wel ja, verdomd. Doe dan toch ook iets, flauwe pisser.
Wacht.
Sakkerdjie, hoe glad is het hier. 't Is weer scherp aan 't vriezen. Of hoe komt dat?
Span de koorden wat vaster. Maar niet meer schokken, Firmin.
Houd vooral hunne koppen boven water.
Ja. Ze wegen zoo zwaar. Trek nu een beetje. Halt!
Laat zakken. Ik heb ze bij hunne armen vast. Ze zijn aaneengebonden. Wel, wel, wel.
Jean, leven ze nog?
Ik weet niet. De man kijkt vreeselijk, dunkt me. Neen, ze schijnen te slapen.
Ze zijn gekwetst. Sakkerdoeme, we zullen ze nooit kunnen ophalen. Ze wegen als molensteenen. Polydoor, stevig bijhouden.
Nu moogt ge optrekken, maar langzaam. Ik weet niet of ik ze goed omgeknoopt heb.
Ho-la-la! Is me dat een gewicht! Allee!
Steek toch een handje toe, Maria.
Ja maar, als ze dood zijn......
Trek aan de koord, zeeveres.
Ja, Jeanske...
Sapristi!
Langs hier!
Daar is water in mijne schoenen geloopen.
Och-Gottekens, ik geloof dat ze dood zijn.
Dat moet ge met een spiegelke zien. Ge moet een spiegelken over hun mond houden. Dan ziet ge of er damp op komt.
Hier heb ik een spiegelken.
We zouden moeten kunnen lucht in hunne longen pompen. Dat kunt ge als ge een heelen tijd de armen over en weer balanceert.
Ik heb dat indertijd geleerd. Hoe gaat het weer?
't Zal niet noodig zijn. Ze zijn zoo dood als een pier.
Ziet ge 't wel. Ik wist dat ze dood waren. Och, Jean, ik krijg er kiekenvleesch van.
Daar is niets aan te doen. Ze zijn kalle. Of 't zou moeten zijn...? Men kan nooit weten.
Voorzichtig zijn, Polydoor. Let op de reglementen.
Neen, die zal ik van u moeten leeren?
Een doctor moeten wij gaan halen voor de constatatie.
Dat zult gij doen, Firmin. En ik roep den commissaris.
Wilt gij zoolang bij de lijken blijven? We keeren weer met een karretje.
Mijn broek is nat. Mijn beenen zijn koud. Wilt ge gelooven dat het vieze karweitjes zijn?
Ik heb er ook van langs. Mijne kousen zijpen. Zie dat ge gauw terug zijt.
Op een loopken, kom, Firmin.
Mijn ziele Gods, Polydoor, ze beginnen al te rieken.
Jean... Jean... Kijk 'ne keer.
Wat is er?
Wat hebben ze daar aan hun gezicht?
Begin nu niet weer te lullen.
't Is bloed. Jean, ze bloeden nog.
Waar? 't Is misschien een krabbe van den haak.
Neen. Ik heb schrik van het te bezien. 't Zijn beten, Jean, Jean, beten van tanden.
Dat kan van alles zijn, weet men wat daar onder 't water gebeurt? Er zijn ratten ook. Van die dikke.
Op dien korten tijd?
Waarom niet? En dan, - het kan ons niet schelen. Ik heb gedaan wat ik kan om ze er levend uit te halen. Ze waren gauw dood. 't Zijn geen sterke naturen.
En als ze nu eens zelf malkander toegebeten hadden?
Wel, zijn dat geen lief en lievinne? Zij zijn vrijwillig in de vaart gesprongen. Bijten? Wat komt gij mij vertellen?
Van angst. Wat doet een mensch al niet, wanneer hij opeens den Dood van dichte ziet? Mijn vader is, na een lange ziekte, gestorven al vechtend tegen iets dat verschrikkelijk moest zijn. Wij zagen het niet.
C'est ça, kom nu met spokerijen voor de pinnen. Wel, gij labbekak.
Zijt gij zoo een struische? Ik zeg dat ze malkander gebeten hebben. Ik zal er van droomen, het is zeker. En gij, gij hebt me nooit gaarne gezien.
Zwijg. Ik denk op iets.
Wat doet ge? Ge zult hem toch niet bestelen?
Zwijg, stomme prij.
Daarvoor moet ge 'ne smeerlap zijn.
Kijk maar gauw wat de andere op zak heeft.
Neen. Ik walg van u.
Ik zal het u nog éénen keer zeggen, want ge hebt mij niet goed verstaan. Nog éénen keer. Kijk wat de vrouw aan haar lijf heeft.
Jeanske......
Hee wel?......
Wacht. Die kleeren zijn zoo vreemd. Zou dat van 't water zijn?
Haast u. Hee, hier is geld. En eene horlogie.
Er is niets. Er is niets.
Wat? En blinkt daar niets aan hare hand?
Jean, 't is een trouwring! Moet ik?......
Mijn schoon hartegerief, ik zal u straks een paar ooren aanzetten.
Jean! Ze leeft. Ik heb hare hand voelen leven.
Kalf! Hebt ge den ring?
Zij trok hare hand terug
Jean, Jean, blijf bij mij.
Ze slapen alle twee. Ik zal drie keeren tot drie tellen en dan zal ik hen aanspreken.
Goeden dag, madam en mijnheer. Ik ben blij dat gij uit het water zijt, want daar kunt ge niet gerust slapen. Hier op de sneeuw is het beter. Ik zal wachten tot ge wakker wordt, en het Wilokswijf zal terugkomen. Wie heeft u zeer gedaan? Gij zijt leelijk, weet ge wel? Mag ik u een beetje wasschen?
Uw gezicht is vol wonden. Wat is er met u gebeurd?
En gij ook? Dat is aardig. Ik wil u wel schoon wasschen, maar het gaat niet goed. Het Wilokswijf weet wel beter.
Gij zucht. Ik heb gedacht dat ge ziek waart. Waarom maakt ge me bang?
Ga weg!
Ik ben de zoon van Napoleon!
O! Mijn hoofd, mijn hoofd en mijne lenden.
Wie is hier allemaal?
Wie zijt gij?
Ik ben de zoon......
Hemel, wat ben ik moe. Hoe komen wij hier? En die koude?
Ja. Mijne armen zijn gebroken. Laat mij even los. Ik wil recht staan.
Trek niet aan mijne hand.
Ik raak u niet eens aan. Wat wilt ge? God, ik kan niet overeind geraken, geloof ik.
Kom, help me. Wees zoo goed.
Laat mij los, ik bid u. Ik kan u immers niet helpen, als ge mij niet loslaat.
Ach, ach, men heeft ons aaneengebonden.
Wie? Neen dat is gek.
Wacht, laat mij even denken.
Wat helpt uw denken? Die koord moet weg.
Ge doet mij een beetje pijn.
Het spijt me zeer. Maar wij kunnen in geen geval het dwaas spektakel blijven, dat we zijn. Laat ik u vriendelijk verzoeken, licht uwe hand op, want ik kan ons anders onmogelijk bevrijden.
Och ja! Mijn hand is geheel lam. Het is alsof ze mij niet meer behoorde.
Ik ben uitgeput. Nu moeten wij eens goed den toestand overkijken.
Ja. Maar ik kan waarlijk niet recht. Wilt ge niet zoo goed zijn en mij helpen?
Zeker.
Het is een zeer zonderlinge geschiedenis.
Ho, mijn rug, mijn rug, en mijne hersens!
Pardon
We moeten de zaak aanpakken van in den beginne. Het is volstrekt noodig dat we alles bijeenbrengen, wat we hebben.
We hebben niet veel. Ik kijk u aan.
Het is een kwestie van methode. We moeten ons geval behandelen als iets dat buiten ons staat. Objectief. Wij kunnen geen wetenschappelijke richting vinden, als we niet vooreerst al de factoren van het proces hebben getoetst. Laat eens zien. Gij hoeft u niet vreemd te laten aan dat onderzoek, het spreekt van zelf.
Ik laat mij vreemd aan u. Zonder dat ik het wensch. Mij dunkt, ik ken u niet. Man, man, weet gij wat ge gedaan hebt?
Ja. Wij hebben een dwazen sprong gedaan in 't water.
Dat ook. Maar wij hebben meer gedaan.
Loop niet zoo vlug. Ik heb een stelsel, weet ge wel. Men moet het ééne ding na het andere zeggen. Elk ding op zijne beurt
Mijn God, hoe houd ik dat alles bij?
Wij hebben ons kindje in het water gelaten.
Ja. Dat hadden we moeten voorzien. Zoo'n heel lief kindje.
Het was toch niet van u.
Toch wel. Vertel geen malligheid. Ik heb het klaar besef van mijne verantwoordelijkheid.
Het was zoo heel en gansch van mij.
Natuurlijk! Onbetwistbaar! Maar hoe schieten we op met uw getraan? Laten wij ons houden aan de feiten. Het kind is dood. Dat is een feit.
Het sterft een tweeden keer van koude, in uwen mond.
Ach, kom. Wat hebben wij aan woorden, aan woorden?
Niets. Het is een bedrieglijke eigendom. Ik heb mij aan uwe woorden rijk gewaand. Zij waren schoon en vol. Wat zegt gij?
Ik weet niet wat mijne woorden zijn geweest voor u. Ik heb u nooit gelogen. Mijn hart lag steeds onder mijne tong.
Ik verwijt u niets. Hoe komt ge daartoe? Maar ik zeg: thans voel ik mij leeg en ellendig.
Inderdaad. Ik voel mij leeg en ellendig.
Hier zijn mijne oogen. Hier ben ik geheel. Herkent gij mij?
Ik moet denken. Laat mij opsommen.
Voor mij is de som gemaakt. Ik ken u niet.
Niet overhaastig.
Ik heb een droom gehad. Mijne zinnen zijn schoon daarin ontloken. Ik was nog lauw van jeugd en wachtte op den rozenmond die prinselijk de lente van mijn leven zou doen springen. Gij waart de prins die kwam. Men kan zich waarlijk niets gekkers inbeelden.
Heb ik daar schuld aan? Ik heb het niet zoo mooi bedoeld.
Gij waart de meester van mijn wezen. God stond in uwe schaduw. Mijne uren lagen als een rozenkrans rond u. En in uwe armen ging ik open als eene bloem. Ik dacht dat ge de zon waart. Gij waart mijnheer zoo-en-zoo.
Ik zou wenschen dat gij u klaarder uitspreekt. Eigenlijk ben ik dankbaar voor het verleden dat mij bij u in een zoo gunstig licht heeft gesteld. Ondertusschen ben ik me wel bewust, dat ik bij dees avontuur vele offers heb gebracht. Mijne moeder. Mijne familie. Het aanzien der menschen. De fabriek die ik op de allerstupiedste wijze verwaarloosd heb. Kortom, mijne gansche maatschappelijke positie. Ik zou liegen als ik nu ging beweren, dat ik zulke offers
voor gerechtvaardigd ging houden. Ik wensch u niet te krenken. Maar gij vraagt mij of ik u herken. Neen, gij die daar staat, gij zijt niet degene, voor wie ik heb willen sterven.
Gij moogt veel harder zijn. Het is immers niet mijn heilige man die spreekt. De vader is doodgegaan met het kindje.
Mijn hemel, waarom maakt gij het debat zoo zwaar? Ik bid u, laat ons kalmpjes redeneeren.
Wil ik u eens wat zeggen? Net als ik, peutert gij in het verleden. Laat dat zoo. Lees op mijn gelaat
Hier bloedt het woord dat gij niet durft uit te spreken.
Gij daagt mij uit. Meent gij dat ik niet weet wat er op mijn aangezicht te lezen staat?
Ja. Ik heb u ook gebeten.
Dat hebben wij beiden gedaan. Ik schaam mij. Wij hebben ons binnenste wezen uitgespeeld.
Wij hebben de uiterste vezels gewekt. Tot op den bodem van den beker is onze ziel omgespoeld. Ach, ach, ik heb geen lusten meer.
Gij verbiedt elk argument. Hoe kan men redelijk twisten? Hoe kan ik tot klaarheid komen met u?
Ik geef het op. Ik heb genoeg gestreden. Ik ben een weduwe, en kinderloos.
Nooit raadt gij de woestijn, die gij achterlaat in mij. Waarom ben ik weer levend geworden?
Gij hebt gelijk. Er rest ons niets. Kom, moedige men, wij wagen opnieuw den sprong.
Ja. Er moet toch iets overgebleven zijn daarbinnen! Het is mijn moed.
Ik dank u. Kom.
Neemt me niet kwalijk. Kan ik u van dienst zijn?
Mij docht, men heeft mij hier gewenkt. Of was het aan den overkant?
Hebt ge hem herkend?
Ja.
Ik zal hem nooit vergeten.
Ja. Ja.
En nu ziet ge 't zelf, dat wij er niet buiten kunnen. Wij moeten leven.
Ja. Ja.
Wij zijn gelijk de pijl die uit den boog geschoten werd. Wij kunnen niet vallen waar wij willen.
Ja. Gelijk de pijl.
Ik vind het vreeslijk treurig. Maar beken dat ik geen schuld heb aan 't gebeurde. Feitelijk heb ik mijn eigen bedrogen. Ik had mij de toekomst namelijk geheel anders voorgesteld. Want, weet ge wel, ik heb altijd gedroomd van een proper huisje in een stille straat, een blinkenden knop op de deur en blanke gordijntjes aan de ramen. Ik zou daar wonen met een vrouwtje dat mijn gezag erkent. Ik zou haar behoorlijk liefhebben en deftig mijne zaken doen. En we zouden kinderen kweeken. God, God, wat is er daarvan al geworden?
Ik heb gedroomd... Ik heb ook gedroomd... hoe was het weer?
En zoo waren wij, op slot van rekening, alle twee de dupe.
Ja. Alle twee.
Dat is het lot der menschen. En ondoordringbaar zijn de inzichten van God.
Ondoordringbaar. Gij zegt het goed.
Ja. En zoo dringt zich de oplossing van ons geval van zelf op, vindt ge niet?
Ja. Hoe meent ge?
Wel, aan mij kunt ge niets meer hebben. Ik betreur het hartelijk.
En wat hebt gij nog aan mij?
Kom. We begrijpen malkander best.
Ja.
Hier... hier is de trouwring, dien ge mij gegeven hebt.
Laat zoo.
Kijk, ik vind den ring niet meer, ik heb hem verloren.
Ik geef er niets om. Laat zoo.
Gij geeft er niets om?
Reik mij uwe hand. Ik hoop dat het u wel gaat.
Ja.
Mocht ik u ooit kunnen van dienst zijn... Alles is mogelijk. Vaarwel.
Ja. Ja.
Vaarwel.
Vaarwel!
Tiens, ik ben mijn horloge ook kwijt. Dat is vreeslijk vervelend.
Firmin, is de commissaris er al?
Nondeku, 'k ben te lang in de herberg gebleven.
Hee wel, Polydoor?
Voor den doctor heb ik getelefonneerd. En mijn broek moest ik toch ook een beetje laten drogen.
De commissaris komt niet. Hij ligt met de beestjes.
Wel, potverdekke, wat gebeurt er nu? Wat hebt ge met de lijken gedaan?
Met de lijken?...
Heb ik van mijn leven!
Hier toch hebben ze gelegen. De sneeuw is gesmolten. Dat zijn geen vodden.
Zouden zij er misschien weer ingesprongen zijn?
Neen, pat, dat riskeert een mensch geen twee keeren.
In Gods name!
Firmin!
Polydoor, uw neus krult. Ge hebt weer een geniaal gedacht.
Ja. We gaan er een op pakken.
Mannen, hier is nu mijne laatste lanteren. Let nu op, want straks heeft uw sterre geen licht meer.
Wij hebben geen klaarte van doen. Wie kijkt er om naar ons?
Wij zijn van een anderen tijd. De wereld wordt horendul.
Zeg eens, die Driekoningenster, dat is alzoo een licht dat alle jaren wat meer uitsterft, niet?
Ja. Ze schaffen ons stillekens aan af. We zijn een soort van Karnaval geworden. En met sterren is er op de wereld niets meer te verdienen.
Ja. Ik ook, ik geraak aan 't einde van mijn pitje. Ze spreken nu al van automatiekers, waarmee de straatlantarens van zelf zullen in brand schieten.
Het sneeuwt.
Ja. Maar weet gij het verschil?
Het verschil?
Ja. Het verschil tusschen het licht van een lucifertje, dat een sekonde duurt om de pijp van den zwarten koning aan te steken en het licht als het mijne dat een nacht duurt om de stad te laten klaar zien, en het licht dat gijlie draagt en dat eeuwen duurt om een beschaving gaande te houden?
Dat zijn vragen! Goeien avond!
't Is maar om te lachen. - Alla - vooruit, Koningen van mijne botten, zijt ge gereed? Ik draai den lanteren uit.
's Is goed. We hebben malkander vast.
Zoudt ge niet eerst uw Driekoningenlied voor 't lieve publiek ophalen?
We hebben het hier al gezongen.
We zullen het verder zingen op de Varkensmarkt.
Daar gaat hij! Fiat lux!
Let op voor de brug. Er is een klein trottoirtrapje. Zijt ge klaar?