ed'le baes,
In dien het spreeck-woort vast gaet / dat een oudt Waghenaer gaeren het klappen van de sweep hoordt / soo ben ick ter rechter tijdt / by mijn rechte Man gheraeckt. Ick heb door opmerkingh bevonden / wanneer de dert'le Heyngsten van Apollo2 langhs de middel-wegh een stage ren ghedaen hadden / die sich streckte thien daghen reysens voorby de tweede Camp (al waer de gladde Stier / door danckbaerheyt vande sorghe die hy ghehadt heeft over de Dochter van Agenor,4 in een vette Weyd' te grasen gaet)3 datmen van de merckelijcxte veranderinghen in de Werelt / of ten minsten in onsen Kaspel5 siet; dan kalft de Koe / de Beesten gaen in 't Veldt / dat stracks6 veranderingh aen de Botter7 gheeft (doch daer het Landt wat hoogher leydt als tot onsent / gheschiedt het eerder (8dan Bot de Wijngaerd' / de Boomen groenen / de Vruchten setten / de Weghen droghen / 't Ghevogelt
bloeyt: in t kort de veranderingh heeft de overhandt in alles / tot onse Kat incluys / die 't dan mee opbreeckt datse in de Meert ghegheten heeft. Als by gheval op dese tijdt de hennep-koecken op waren / en de Peerden op stal de reuck van't gras kreghen / dat haer het oude Hoy teghen maeckte / hoe wel het noch heel goedt was; soo spande ick mijn Lecker becken9 in / die sonder sweep met een harde draf van de Vincke-buyrt / langhs de Amstel-dijck tot in de Stee joeghen; doch sy wisten wel / dat de reys om versche Koecken te halen / nae Jacob Claesz. op 't Rockin lagh; ick betaelden 't oud'10 / en borghden 't nieu / maer de goede man wel wetende dat ick een van de beste klanten was / sette mijn een Beecker op de handt / daer een van mijn Ruynen wel een Been in gebroken souden hebben; ick stuyrde 't inghewant na mijn herte toe / en het Vel11 nae de Kelder / datter schuymende weder van daen quam / maer 't was niet van sweet / want het worde ghedraghen: Dus saten wy by den aer / en kouten van dit / en dat / doch van niemandt quaedt: Ondertusschen het Bier begon te klimmen / en de Son te dalen / so meenden ick mijn afscheyt te nemen / maer de beenen wilden niet mee; ick die qualijck sonder beenen 't Huys kon gaen / most om harent wil daer blijven: Ende siende dat het soo wesen most / soo bracht ick mijn Beesten op stal / en raeckte met struyckelen en vallen neffens haer in 't Hoy / daer ick een uyr twee of drie bleef ligghen slapen; maer mijn Peerden die ick / door mijn drincken vergheten had drincken te gheven / maeckten van dorst sulcken gheraes / dat ick wacker worde;12 wacker zijnde stelde ick haer te vreden / maer mijn meeste ghedachten waren / hoe ic mijn wijf soude te vreden stellen als ick t'huys quam: dan de kracht van 't Mout / dat door 't slapen noch niet heel krachteloos geworden was / maeckte my wat lichthartich / soo dat ick d'aen-
staende tijd13 inde wind sloegh / en niet en dacht als op de tegenwoordigheyt: Onderwijlen dachtme dat de Voerman die mijn savondts te voren verby sloegh14 / wederom aen sach komen / maer uyt mijn oogen siende was het sijn suster die haer soo moy opghepronckt hadt / met noch een deel Speel noodjens / die vry wat minder waren als sy / dat haer zilver-werck door de gantsche stadt blonck / en meerder glans had / als op onse Kermis al de zilver-kramen hebben; dese wase15 waren vry wat veer van mijn / maer wat dichter by krielden 't mee van menschen / maer van een and're aerdt; dese ginghen hand aen hand in de schaduw / onder het jonge groen van de Ypen / ende Linde-boomen haer vermaken met verscheyde kuuren / die nou te langh zijn om te verhalen: maer het stond my geweldich aen / en daer was stof genoech om Lietjes af te maken / had ick maer Reden-Rijckers by my ghehadt: Dus wandelende schoot my in / dat ick op so menigen In-tre16 geweest ben in verscheyde Dorpen / en dat ick op de Kamer t'Ouwer-schie / en te Pijn-acker / door 't beantwoorden van al heel diepe Vragen / schier de prijs ghewonnen had / soo teegh icker selfs aen / en ick songh na mijn Boere verstandt / als een Stee-man die der vuyr en licht hout17 / dese Deuntjens / die ick mee een naem gheef / want ick noemse de Amsterdamsche Mane-schijn, om dat de Maen op die tijdt helder scheen. Maer naer dien de daghe-raed de tijdingh bracht dat de dagh volghde / so wast oock tijdt voor mijn om nae huys te gaen / maer mijn papiere kinderen liet ick hier blijven / en also18 licht geen beschermer gehadt souden hebben / als haer Vaer vertrocken was / want de vremdelingen te Herbergen is uyt de Werelt / soo heb ick mijn verstout haer de wegh te wijsen nae jouwent toe; aensiet haer onnoselheydt / en doetse doch wat goedt: als ick weer in stee kom / sal ick het met een leck're Soete-melcks Kaes / of een Dosijn versche Hennen Eyeren / nae onse vermo-
gen eenichsins vergelden: sy beginnen eerst te praten; sy en zijn niet snottich / ofse maken haer niet vuyl / kustse / streeltse19 / stroocktse / moghelijck of haer halve woorden jou niet in plaats van gheheugenis soo veel vermaeck aenbrengen Elen-baes / als eertijts de daedt deedt / doe uwen Jaques de Kliever20 menighen Pruym-pot21 so rond sette als onse gans haer oogen staen / vaert wel / ende hebt medelijden met de kinderen van uwen Vriendt
Melis.
Ovid I. Fastor.
Conscia mens, ut cuique sua est, ita concipit intra
Pectora pro facto, spemque metumque suo.22
Horat. I. Epist. I.
Hic murus aeneus esto:
Nil Conscire sibi nulla pallescere culpa.23