terug  begin  verderprepost
[p. 83]

Aen de Amsterdamsche moye vryers

Maats-alle-maats.4

 

Akrementen! wat ik je segghen sel? daer het nou lestend sulcken ty egaen tusschen my / en mijn wijf / toen ick 's morghens t' huys quam / om dat ik de hiele nacht uyt ebleven had / datter het gantsche durp van weegde5; en haddet onse domine Pastoor niet estuyt / 't had noch gien effe water eweest: mijn moer / mijn vaer / mijn broer / mijn snaer6 / ja de ronde buurt quammer / uyt medogentheydt tusschen / maer 't hulp soo veel als bol mijn hond7. Heer! sy ging soo verbrangst aen / aers / noch aers8 / ofse beseten had geweest: doch 't is nou over / god loont dien goeden Heer Jan! die / in een kamer allien / mit sijn heyligen kruysnagel soo veel te wege brogt / dat de boose giest van 'er weeck: 't geeft my gien wonder / dat de nonnetjens / bagijntjens / en klopjens9 so gerust en wel te vreden zijn / nou ik sie / dat de paters / die haer daegelijx versoecken10 / sulcken kracht hebben. onse trijn was quaed / en goed in een ommesien; sy ging als een grimmende duyvel met hem in de kamer / en sy quamer als een lachende engel weer uyt. Maer als ick by my selfjens overdenck / zoo moet ik / om de waerheid te seggen / bekennen / datse al vry wat gelijk had: want het wasser al van den een / of den aere fiel schelmachtig over gedraegen / hoe dat ik 's nachts in de Maneschijn / met noch een duyts hart11 / over straet soo geweldig had loopen singhen / dat de raetelwacht / die op de wijnschuyt geweest had / in de stoepen niet slaepen kon: en alsse wakker zijn / komense een mensch somtijds op 't werk steuren / daer jy vryers altemael soo euvelijke quaed om word / en nou bent / dat

[p. 84]

je mit den aer eswooren hebt / my te afgrondieren12 / zoo drae als ickje oock tegen koom. Heer! daer is mijn wijf / die niet langer quaed op my is soo bang voor / datze my haer leven niet weer durf in stee senden. Neen! vrienden / sy heeft my lief / al beuktze my zomtijts wat / het blijckt wel aen de zorg / diese voor me draeght: al touwtser13 self by wijlen een schoft14 op / sy wil daerom niet hebben dattet ien aer oock doet: neen / neen / alle ding behalven dat. lestend was ick iens mit een veenpuyt15 of twee / tot onsent / in een kroeg eraekt / daer de kaert glad ging, en gelijkker altijt / en overal / korsele bloeds16 zijn / zoo raekte ick om een onnoosel zeghwoord / dat ik in een anders spul17 sprack / mit een hongsklink18 aen 't kijven / van 't kijven aen 't slaen, ik viel op ien nae boven19 / maer mijn wijf / die my gewent is te soeken / quam op 't slag, elemelementen! soo 't hem bequam / dat geef ikje iens te raden; hy worde al eveneens zoo geklout / gelijk de balck in de uytersche20 dom / daer heintepik21 zijn klaeuwen in sloeg dieder noch in staen. zoo zou 't jou luy oock vergaen / datje my quaed dee; daerom koom ik stilswygens iens over / daer onse trijn niet af en weet (je moet het haer ook niet seggen / want se heeft my op den hals verboden niet weer na stee te gaen) om jou altemael uit goedheyd te waerschouwen / datje my in 't minst gien leet en doet / of ik noch iens verlof kreeg / en datse self mee ging. zy isme waerachtig in die dingen geweldig getrou; maer watze in de rest is / ik denk al mee / als ien aer: wat roert het my: als ikker maer gien bruyen22 af heb: zy moet het self uytvoeren: zou ik / en al die geen / die dat overkoomt / ons daer aen steuren / zoo zou de helft van de stad / en van

[p. 85]

onse dorp een hielen dag te paerd sitten23: elck voor 't zijn / sy voor 't haer / en ik voor 't mijn. Maer terwijl ik hier nou ben / zoo moet ikme weer wat / op mijn benier24 / vermaecken: niet quaed te worden / dat beding25 van te vooren: 'k salter ook wat nae aenleggen: 'k heb nou tot den olieslaegers niet eweest / die my dronken maekte; en heb ik toen ien vry woortjen esprooken / dat meughje my van self vergeven / want ik heb niet in 't sin om vergiffenis te bidden. 't was toen nacht / nou isset dagh; en als het donker is zoo stootmen sich eer / dan als het licht is. 'k heb vast de zon in mijn dienst. dat gaetter op aen: maer word niet quaet; lacht vry om my / datje blind word / zoo hebje gien nood / dat mijn wijf jou de oogen uyt krabt; verstaeje dat wel / moye Vryers? dat zeitje

 

Melis

[p. 86]
horat. Art.
Omne tulit punctum qui miscuit utile dulci,
Lectorem delectando, pariterq; monendo.+
plaut. Rudente.
Semper cavere, hoc dictum sapientissimum est,
Ne conscii sint ipsi malificii sui.+
senec. Hipp. Art. 3
Alium silere quod voles, primum sile.+
4Dit hele stuk is gothisch gezet in de gebruikte druk; het leesteken voor alle soorten pauzes dat daarbij gebruikelijk is, de /, is hier gehandhaafd.
5weegde: in rep en roer was; andere mogelijkheid, minder ws.: gewaagde. Zie Tuinman, 1, p 363.
6snaer: h. schoonzuster.
7als bol mijn hond: ? (betekenis: niets).
8aers noch aers: precies alsof.
9klopjens: kwezeltjes.
10versoecken: dubbelzinnig, nl. bezoeken en verleiden.
11met noch een duyts hart: met een andere vrolijke knaap.
12afgrondieren: moedwillig verbasterde vorm van affronteren.
13al touwtser: al slaat ze er.
14een schoft: een flinke tijd.
15veenpuyt: kinkel
16korsele bloeds: driftige kerels.
17spul: spel (Melis bemoeit zich dus met andermans kaarten).
18hongsklink: verachtelijk persoon (klink eig.: geslachtsorgaan van vrouwelijk dier).
19ik viel op ien nae boven: ik lag onder (bij vechtpartij).
20uytersche: utrechtse.
21heintepik: de duivel (latere drukken hebben ‘heintjepik’, een meer gebruikelijke vorm).
22bruyen: gezanik (maar oorspronkelijke betekenis van ‘bruiden’, d.i. beslapen of zelfs verkrachten van een vrouw, werd nog wel begrepen, en speelt hier zeker mee).
23te paerd sitten: zich ergens druk over maken (cf. ‘hem rijden’ in hedendaagse spreektaal).
24benier: manier.
25beding: andere drukken hebben: beding ik.
+Betekenis van de latijnse citaten:
1 (Horatius, Ars Poetica)
Alle bijval heeft hij verdiend, die het nuttige met het aangename wist te verenigen, door de lezer te vermaken en tegelijkertijd te vermanen.
+2 (Plautus, Rudens)
Pas er altijd voor op - dit is een zeer wijs gezegde - dat zij zich niet zelf van hun wandaden bewust zijn.
+3 (Seneca, Hippolytus of Phaedra)
Wat gij wilt dat een ander verzwijgt, spreek daar om te beginnen zelf niet over.
prepostterug  begin  verder