terug  begin  verderprepost
[p. 207]

Aen Jakob Feytama1

Keurelijke knecht,2

 

waer ik loop, waer ik ben, wien ik vraeg, wien ik ken, dit boekje koomt u toe. 't Is niet onbekent, dat de Gerechtigheid ons raed oprechtigheid boven voordeel te stellen; 'twelk Klaudiaen bevestigt, als hy zeit:

Justitia utilibus rectum praeponere suadet.3

Om nu te betoonen, dat ik deezen degelijken raed my zelven geenzins ondegelijk afrade, koom ik met het gevonden, en opgenomen goed tot den eigenaer: daer is 't. Noch zoude ik mogelijk getwijfelt hebben, of het onder uw' boekery al hoorde, ten zy de onberispelijke inhoud met uw onberispelijke leven (dat in eenzinnige, evenwel godvruchtige naerstigheid, die de waere ledigheid, ja de rust des gemoeds is, versleten word) in veel deelen juist over een quaem. 'k Heb't verscheide maelen doorlezen; en, buiten roem gesproken3a, zoo wel als iemand verstaen. 'k Vind' er niet in, dat tedre ooren schaeft; niet dat den onnozelen verargert: maer dat, zonder argernis, zich zelven, mogelijk anderen mêe, met geoorlofde vreugd maetig kittelt. 'k Oordeel van de stof. Wat belangt den stijl, het çiersel van dien, den manier van spreken, het duitsch, den maet, het rijm, en 't geen 'er meer zou mogen wezen beveel ik het sprekende oordeel mijner leeraeren, en leerlingen spraekelooze bedenking, wien bet3b tijdig hooren, dan ontijdig spreken past. Het opend zich droevig, en het sluit zich bly; doch beide niet zonder stand van redenen, dien de lezer merkelijk vinden zal. Behalven

[p. 208]

deeze twee hartstogten, vertoogen zich verscheide deugden, als ootmoedigheid, zachtzinnigheid, kuisheid, oprechtigheid, dankbaerheid, en andre meer; doch doorgaens nedrigheid, vermits het nooit naer eer, en staeg naer redelijke bestraffinge haekt. Of u noch ergens iets ontmoete, dat verwekte tot ophaling uwer schouderen, haelze op, maer als gy wederom bevindt, dat het zelvige niet tot een voorbeeld, om na te bootsen, maer om elk daer van afkeerig te maken, gestelt is, laetze dan ook schielijk vallen; onschuldig my; en lees voort. Het toortslicht licht nooit lichter, dan in donker: zoo is ook de deugd, die nimmer heerlijker vertooning van schoonheid, oft rijkelijker uitdeeling van belooning doet, als in 't aenzien van haer tegendeel. Hier beneffens streelt het liefelijk, met geen ydel stoffen, maer zonder geveinstheid, uw', en mijn geboorte-plaets; die is deeze wonderlijke stad; daer Pallas4, (als wel eer Epikurus, die binnen Athenen, in een zeer vermaekelijken, ja by nae volmaekten hof, zijn lessen deê) in al't gewoel van Merkurius5, haer smaekelijke stem laet klinken in een doorluchtige school; die zich wijd, en zijd (ô verquikkende doorzicht!) omçingelt, en bezet vint met veel duizend blygeestige linden, onder wiens aenlokkende groente zoo zoetigheiden wemelen, als't getal der bladen is, die den schaduw schenken aen hen, die de zoetigheid plegen. Deeze wemeling troont met zich ernst, en boert: daer heeft de waerheid, hier meest de poëzy (soo 'k anders haer naem, onder eerbiedigheid, noemen mag) 't gebied over. Maer hoe! Daer dringt my in den zin, dat ik dit aen u, als aen de eigenaer, breng. Dwael ik niet? 'K zorg6 ja; vermits ik my zelven voorstel, dat het u nooit toegekomen heeft, door dien ik in't lezen bevonden heb, dat de min, boven al't geen 'er verhaelt is, haer liefkozende personagie, niet te min eerlijk, hier mêe in speelt: voor wien gy (ik weet het toch.) zoo schuw, mogelijk schuwer zijt, als wel eertijds was de Filozoof Appollonius Tyaneus, van wien Caelius7 in het zeste hooftstuk van het achste boek getuigt, dat hy, van der jeugd aen, de prikkelingen der liefde

[p. 209]

(op dat de kuisheid, dien hy met zich ten grave gevoert heeft, in hem t' uitter maeten blinken zoude) niet alleen tegens gestaen, maer vyandlijk tenemael overwonnen, en gedemt heeft. Wat raed nu in deeze twijfeling? 'K ben bekommert: en aen deeze bekommering te blijven hangen vind ik onraedzaem: derhalven zal ik, voor 't beste kiezende, my verkloeken, en komen evenwel, keurelijke knecht, tot u; doch onder bescherminge van dien ongelukkigen Nazo8, die in zijn ballingschap noch t' mijnen voordeel aldus zeit:

Nec tamen est facinus versus evolvere molles,
Multa licet castae non facienda legant.9

Dat is.

De kuisheid leest wel wat, daer zy nochtans voor vreest;
En daerom is hy 't niet, die dartle deuntjes leest.

Dit oirlooft u vrymoedig te lezen: te meer om dat de dartelheid, daer hy af spreekt, hier nergens plaets heeft. Maer eer gy begint! Verwondert u mijn stoutigheid niet, die, zonder om te zien, zoo edelen stof bestont op te raepen? 'k Meen voorzeeker ja. Wat zal ik zeggen? De hoop, om den zelven zonder iemands nadeel schappelijk te verhandelen, heeft mij daer toe gebragt. 'k Was 'er ten halven in: wilde ik 'er weer uit, 'k moest keeren, oft voort gaen. Wat dacht ik? Keeren is te schandelijk, en voortgaen te zorgelijk. Hier stond ik twijfelachtig tusschen beide, en zou niet geweten hebben wat; ten zy ik uitziende ten einde van mijn weg gesien hadde Lukaen10, die met held'ren stem vast zong:

Quòd si digna tuâ minùs est mea pagina laude,
At voluisse sat est: animum, non carmina jacto.11
[p. 210]

Dat is.

Mijn werk verdient geen lof, maer 't willen is te prijzen:
Ik stof ook op 't gemoed, niet op mijn schaem'le wijzen.

Dit baerde moed. 'k Maekte gang. 'k Struikelde wel. 'k Raekte neer. 'k Stond weer op. 'k Liep voort, en quaem 'er door. Hoe 't nu afgelopen is (och armen!) kan ik zellef niet zeggen: gy sult het zien. Vaer wel, en zijt gegroet van uwen vriend

 

Mattheus Ganzneb Tengnagel.

 

In Aemsterdam, den 23 van

Oogstmaend12, 1640.

1Jakob Feytama: een Amsterdamse dichter, waarvan echter niets bekend is. Zie ook de op p 580 vlgg. afgedrukte Toe-eygeningh van J.J. Schipper, waar van Feytama eveneens vermeld wordt dat hij een vrouwenhater is.
2Keurelijke knecht: voortreffelijk man.
3betekenis lat. citaat: De gerechtigheid raadt ons aan, het goede boven het nuttige te stellen. Claudianus is een latijns dichter uit het begin van de 5de eeuw, afkomstig uit Alexandrië.
3abuiten roem gesproken: in alle bescheidenheid.
3bbet: beter, eerder.
4Pallas: godin van de wijsheid.
5Merkurius: god van de handel.
6zorg: vrees.
7Caelius: L. Caelius Aurelianus, van wiens werken een aantal verhandelingen over de menselijke hartstochten bewaard gebleven zijn.
8Nazo: Ovidius.
9betekenis van het lat. citaat: ‘Het is toch geen misdaad, zoetgevooisde verzen te lezen, al lezen kuise meisjes veel dat niet gemaakt had moeten worden.
10Lukaen: M. Annaeus Lucanus, eerst gunsteling van Nero, later door deze ter dood veroordeeld. Van zijn werken zijn de Pharsalia bewaard gebleven.
11Lat. citaat: Al is wat ik geschreven heb, Uw lof niet al te waardig,/Het is voldoende dat ik gewild heb: ik beroep mij op mijn geest, niet op mijn verzen.
12Oogstmaend: augustus.
prepostterug  begin  verder