Die maeckt de gecken groot, of acht de wijsheyt kleyn.
+Al bij vluchtige kennismaking is het duidelijk dat dit gedicht vol zit met toespelingen op bestaande personen en toestanden. Behalve Unger, in zijn reeds herhaaldelijk genoemde studie, heeft Worp zich diepgaand met D'onbekende voerman bezig gehouden (Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, deel 34, Leiden 1915-16, p 83 vlgg.). Unger zegt weinig over de algemene interpretatie, en wat hij zegt is aantoonbaar onjuist. Worp probeert de bedoelingen tot in details na te speuren. Ik meen echter dat hij al in een vroeg stadium op een dwaalspoor is geraakt. Daardoor wordt zijn interpretatie grotendeels onhoudbaar. Tegenover de meningen van Worp stel ik in dit boek de mijne. Daar echter op enkele punten het feitenmateriaal niet geheel voldoende is om tot een volledig bewijs te komen, heb ik er de voorkeur aan gegeven, mijn interpretatie in een afzonderlijke analyse vast te leggen, die in de bijlagen opgenomen is (p 596 vlgg). De annotatie bij de tekst zelf is hoofdzakelijk niet-interpreterend, al is het een enkele maal onvermijdelijk geweest dat een conjectuur omtrent de gehele samenhang doorwerkt in de weergave van de betekenis van een detail. In die gevallen heb ik aan het eind van mijn notitie het teken [?] geplaatst.
39het bediet: de uitleg (hele zin: een evidentie hoeft men niet nader uit te leggen).
41Kameristen: leden van de Oude Kamer, die in 1632 met de Academie verenigd werd. Dit gaf in 1634 Jan Harmensz Krul aanleiding tot het stichten van een nieuwe organisatie, de zgn. Musyk-kamer. Een van zijn bentgenoten was Mr. Jacob Dielefsz Block.
42sint Jacob: ongetwijfeld Mr. Jacob Dsz Block, zie vorige noot.
43hy had niet eene Schulp: St. Jacob Major wordt steeds afgebeeld met een mantelschelp. Op het attribuut van deze heilige kon des te gemakkelijker gezinspeeld worden waar ook in ons land zijn populariteit steeds zeer groot geweest is. St. Jacob Major is de heilige die in Santiago de Compostela zijn heiligdom had, een plaats waar de beroemdste middeleeuwse pelgrimsroute heen leidde.
45Jantje met sijn Krullen: Jan Hsz Krul (zie noot bij regel 41).
50Moetje van de oude wagen: wil je de oude kamer verlaten.
57Yser-werrick heb ick mede (nl. voor ‘de wagen’): slaat op de smidswinkel, die Krul in deze jaren dreef, naar men algemeen aanneemt. Zie ook Frik, p 351, noot 158.
60Dichjes by de Lombert: dit slaat ws. op de localisering van de Musyk-kamer, de ‘eigen wagen’ van Krul en Block. De bank van Lening bevond zich aan de Oude Zijds Voorburgwal, waar nu nog de Stads-kredietbank voor roerende zaken staat.
65bouwen: ws. aan de ‘wagen’, het gebouw van de nieuwe kamer. Of moet men er eerder iets in lezen van ‘tekeer gaan’, waardoor ook de betekenis van ‘hacken’ en ‘houwen’ anders wordt?
68Al het yser raeckten quijt: inderdaad heeft Krul zich in 1637 als makelaar laten inschrijven; zijn smidswinkel was aan het experiment ten offer gevallen. Ook in Frik wordt hierop gezinspeeld.
75mijn wagen: de in 1637 opgerichte Schouwburg, die op 3 januari 1638 officieel geopend werd met Vondel's Gijsbrecht van Aemstel. De rest van het gedicht gaat over deze nieuwe Schouwburg en zijn hoofden.
79hy is van Camper-hout: dit kan zowel betrekking hebben op Nicolaas als op Jacob van Campen. De eerste had namelijk het opzicht over de bouw van de Schouwburg, en wordt vaak de bouwmeester genoemd, de ordonnantie is echter van de tweede.
84Die staen opwaerts in de gront: Die rollen (= palen) staan rechtop in de grond, namelijk als heipalen.
155En de Pachters etc.: deze regel en de twee volgende zijn niet duidelijk. Zach'rias, d.i. Zacharias Jansz. (de Veau) was acteur en tevens knecht van de Schouwburg. Hebben de pachters de hoofden zonder betaling te drinken gegeven? Of betekent ‘Cijns’ accijns?
161Doe Vrou Mari met haer Papen/Alleman joegh in de Wapen: zinspeling op de Gijsbrecht? Blijkbaar is er dan flink gedronken ter gelegenheid van de opening van de Schouwburg. Minder waarschijnlijk maar niet geheel onmogelijk is het dat hier gedoeld wordt op het bezoek van Maria de Medicis aan Amsterdam (1638). De festiviteiten waren niet gering, en de schouwburghoofden zullen er op hun eigen manier wel aan deel genomen hebben, - voorzover hier niet louter roddelpraat verkondigd wordt.
172't Mannen-huys: het Oudemannenhuis, een van de twee instellingen die van de inkomsten van de Schouwburg profiteerden. De voerman spreekt blijkens deze en andere regels namens de oude mannen (hij wil graag zijn eigen plaats in hun inrichting).
174jou Meesters bonte bende: de wezen, met hun rood-zwarte kleding (het Weeshuis was de andere instelling waar het geld van de opvoeringen heenging).
177holle Iaepse basten: bevat zeker een toespeling op de naam van schouwburghoofd Jacob Bas Cornelisz.
190Hoofsche: ongetwijfeld toespeling op de naam van Willem Dirksz Hooft, regent vanaf 1637, al gaat dit fragment in de eerste plaats over Soop.
191de swarte Leeu sijn vat: mogelijk een zinspeling op de herberg Het Luipaard, aan de Oude Zijds Achterburgwal, waar een groot vat met een inhoud van 112 okshoofden in stond, dat als kamer was ingericht.
192Hopmans Seun: Soops vader was bij de schutterij, zij het volgens Worp niet als Hopman.
200soopje: wat je gedronken hebt (bovendien zinspeling op de naam van Soop).
213de Meester die moet letten / Op het kind zijn arme wetten: deze passage slaat op Willem van Campen [?], en in de geciteerde regels mag men ws. een zinspeling lezen op het feit dat Van Campen regent van het weeshuis was.
215Schipper sonder schuyt: de gissing van Unger dat dit slaat op J.J. Schipper snijdt geen hout: Schipper had niets met de Schouwburg te maken. De veronderstelling van Worp in zijn analyse van D'onbekende voerman dat bedoeld wordt: ongetrouwd man, lijkt mij echter heel goed te verdedigen. Vooral omdat in het volgende Van Campen te horen krijgt dat hij iets met een weesmeisje gehad heeft! Hij vaart wel maar heeft geen ‘schuit’ (deze beeldspraak is alles behalve ongewoon). Overigens betrekt Worp deze passage zeker op de verkeerde persoon (zie Bijlagen p 597).
217gieter: geslachtsorgaan; het is niet duidelijk of hier op een geslachtsziekte gezinspeeld wordt of op het feit dat Van Campen zijn ‘gieter’ teveel gebruikt.
224zijn opgeboude Burgh: kan zowel het Weeshuis zijn, als, waarschijnlijker, de Schouwburg. Nicolaas was regent van het eerste, en had het opzicht bij de verbouwing ervan in 1634, maar ook bij de bouw van de Schouwburg.
228te gronde werpt: te gronde richt; Willem (het ‘maexsel’ van Nicolaas) maakt ongedaan wat zijn vader opbouwde, en wel ‘ongescherpt’ (zonder werktuigen te gebruiken).
236doeck: vrouw(volk), dus h. ws. meisjesafdeling. Na 1634 lag deze aan de buitenzijde (St. Luciënsteeg), zodat de jongens-afdeling ‘binne-werck’ genoemd kon worden. Nicolaas scheidde de twee afdelingen blijkbaar door een hoge muur, omdat zij ‘malkander soo genaeckte(n)’ dat er kleine ‘kapjes’ kwamen (pars pro toto voor weeskindertjes?). ‘Kap’ is ook het punt waar twee gewelven elkaar raken. De bouwkundige beeldspraak wordt dus volgehouden. De maatregel hield zoon Willem blijkbaar toch niet van de weesmeisjes af, maar die woonde dan ook elders; zie regel 241 vlgg.
241doe: toen; kater: zoon Willem, die h. tenslotte aangevallen wordt.
246't Puysjen: eig. het poesje, dus: het meisje (vooral als sexuele partner). Het woord staat hier tegenover ‘kater’.
254't Haerlems kind: Jacob Bas [?], wiens vader kort na zijn geboorte naar Haarlem verhuisde.
256Vaêr van 't broot-huys: Bas was regent van het aalmoezeniersweeshuis, en had in die functie ws. zeggenschap over de broodloodjes, waarmee tegen een gereduceerd bedrag graan gekocht kon worden. In het volgende zou dan geïnsinueerd worden dat de andere hoofden van zijn positie zouden profiteren.
257schier of margen: vroeg of laat, als het zo te pas komt.
258vergen: vragen (met het oog op het rijm is het beter om ‘vargen’ te lezen, wat hetzelfde betekent).
262het blinde beest: Willem Dirksz Hooft [?]; tevoren werd al van ‘glazen ogen’ gesproken. Mooi schijnt deze halfblinde brildrager niet geweest te zijn want hij wordt hier beschreven als een bietebauw, waar men de kinderen mee dreigt.
274Daer de Wesen haer aen belgen: de wezen (en de oude mannen in de volgende regel) lijden schade van al dit geld verkwisten.
277die daer komt: Tobias van Domselaer. In Maneschyn regel 265 vlgg. (p 54) wordt ongetwijfeld op dezelfde persoon gedoeld als er gesproken wordt van ‘de volle Maen’. Ook daar wordt iets gezegd over een broer die ‘gezeten’ heeft, zoals hier in regel 289 vlgg. Met Worp neem ik aan dat Loevestein in regel 292 niet slaat op de staats-gevangenis, maar een uitdrukking is voor een van de Amsterdamse gevangenissen, mogelijk het Rasphuis, want de straf wordt volgens de Mane-schyn gegeven voor dronkenschap. In de lijst van Amsterdamse dichters in de Lindebladen wordt gesproken van ‘de Domselaeren’; dit slaat ws. op Tobias en zijn broer Eduard, die in het bovenstaande ook wel bedoeld zal zijn. Tobias werd ws. in 1612 geboren, Eduard in 1616. Over een jongere broer die er wel geweest moet zijn, is verder niets bekend (zie Worp, Voerman, p 103). Tobias was de bekende geschiedschrijver van Amsterdam.
302't Bataviersche vrijen: Rodenburg's Batavierse Vrijagiespel. Deze passage slaat op een bekend schandaal: In 1638 zou een stuk van Vondel, Messalina, in de schouwburg opgevoerd worden, maar toen bleek dat de spelers er toespelingen op Frederik Hendrik in zagen (en dat duidelijk lieten uitkomen ook!), verklaarden de hoofden zich tegen opvoering. Vondel zelf is trouwens van die interpretatie blijkbaar ook geschrokken, want hij heeft het stuk vernietigd. Wat wij er over weten, stamt van Vondel's levensbeschrijver Geeraerdt Brandt. Toen Messalina teruggetrokken werd, is in plaats daarvan Rodenburg's stuk opgevoerd (16 september 1638), in 1616 al in druk verschenen. Het belangwekkende van deze passage uit D'onbekende voerman is, dat men er uit zou kunnen opmaken dat de zaak niet zo met algemeen goedvinden is geschikt, als doorgaans aangenomen wordt. Ces zou zelfs de stad uitgegaan zijn om het verwijt te ontlopen dat hij er medeverantwoordelijk voor was dat Vondels stuk niet opgevoerd werd.