Het aertrijck en de zee / visschen in de stroomen /1
Het ongetemde vee / dat door de bosschen swiert /
En 't tedere ghediert
Betreurt mijn droeve staet / waer in ick ben gekomen.
5
2 Geen Satyr op het velt in sijne lust-prieelen
Ons eenigh deuntjen schenkt // en Pan dor mijn verdriet /6
Beweeght / vergeet sijn Liedt /
Mijn Laura sit alleen om mijn verdriet te queelen.
3 De schichten die mijn borst verstoppen / en versmoren /
10
Die loos is sonder hulp / in haer bewuste stoep /10
Dies of ick smeeckend' roep /
Sy stiert mijn klachten wegh / en stopt haer wreede ooren.
[p. 574]
4 Haer overstaelde hart / met wreetheijdt gantsch bevangen
Aenschout mijn drofheyt wel / en siet het lijden aen14
15
Maer sonder acht te slaen /
Keert hare preutsche tret / en volght haar oude ganghen.
5 Ach Laura onbevleckt / soo'k ongetroost moet blyven /
Doorsteeckt mijn teder hart / dan is mijn smart gedaen /
En als ghy 't hebt bestaen /
20
Laet op mijn nare Graft dees droeve veersen schrijven.
6 Hier leydt de Minnaers proef / die 't jonghgejaerde leven
Op offerde de Goon / dat vrye wil gheboodt
En liever sagh de doodt.
Als dat het ene hart het ander sou begeven.
Tengnagel.
+Voor keuze van afgedrukte versie zie p 606-607, Tekstverantwoording. In de gebruikte uitgave is de tekst gothisch gedrukt. De Stemme heeft ongetwijfeld betrekking op een Sang van Hooft (Leendertz-Stoett, I, p 100).
1In Aemstels Vreugde-beeckje staat een versie van dit gedicht, waarvan de eerste regel ‘de visschen in de stroomen’ heeft, hetgeen ongetwijfeld juist is.