De oude vertrouwde bundels herlezend, ‘Soleares’, ‘Een Eerlijk Zeemansgraf’, en getroffen, ontroerd door het mij nu pas bekende ‘Al Dwalend’; weer in het bezit van zijn brieven - gedurende jaren ontoegankelijk - tracht ik mijn herinneringen te schikken, mijn onrust te bedaren over een weer tergend geworden verleden.
Wat hebben de jaren uitgewischt, wat hebben zij dieper ingegrift, ontdaan van alle bijkomstigheid? En welke is de waarde van deze ‘tweede werkelijkheid’, die nu onverhoeds voor mij staat op een stillen avond, samengedrongen uit wat soms ver uiteenlag; geïntensifieerd? verwrongen? of slechts duidelijker geworden en waarachtiger? Wat toen toekomst nog was, ongekende, is nu verleden, met weemoed overpeinsd, maar niet meer terug te brengen, niet meer beter te doen of dieper te ondergaan.
Wat weten wij van den ander? Een handvol herinneringen en anekdoten, beperkt en toevallig; een schamel bezit, het product van eigen verstrooidheid en traagheid des harten. Wij meenen zijn werk te kennen en door dit werk den mensch. Maar heeft hij zelf niet, nog in het laatste jaar van zijn leven, gewaarschuwd: ‘Men moet verzen niet te letterlijk nemen’?
Ons blijft als onaantastbaar document slechts de schrij-
nende kroniek van zijn brieven, over jaren verspreid, vaak ver van elkaar verwijderde bakens: het logboek van een eenzame op zoek naar de kust der Verlossing.
W...., den 31.XII.'47