Wat was het toch allemachtig donker.
Voetje voor voetje, met één hand tastend voor zich uit, zocht Michiel zijn weg over het verharde fietspad, dat naast het karrenpad liep. In zijn andere hand droeg hij een katoenen tas, met twee flessen melk erin. ‘Nieuwe maan én zwaar bewolkt,’ mompelde hij. ‘Hier moet de boerderij van Van Ommen zijn.’ Hij tuurde naar rechts, maar hoe hij zich ook inspande, hij zag niets. De volgende keer gá ik niet meer als ik de knijpkat niet mee krijg, dacht hij. Dan zorgt Erica maar, dat ze om halfacht thuis is. 't Is geen doen zo.
De gebeurtenissen gaven hem gelijk. Hoewel hij niet sneller liep dan een halve kilometer per uur, stootte hij met de tas tegen een van de paaltjes die hier en daar stonden, zodat de boerenwagens niet over het fietspad konden rijden. Verdorie! Voorzichtig voelde hij met zijn hand. Nat! Een van de flessen was gebroken. Wat zonde van die kostelijke melk. Danig uit zijn humeur, maar nog behoedzamer dan eerst, ging hij verder. Mensenlief, wat zie je weinig als het zo donker is. Vijfhonderd meter van huis was hij en hij kende bij wijze van spreken iedere steen. En toch zou hij de grootste moeite hebben om voor achten binnen te zijn.
Wacht eens even, daar zag hij een uiterst flauw lichtschijnsel. Juist, het huis van Bogaard. Die namen het niet zo nauw met de verduistering. Jammer genoeg hadden ze niet veel meer om te verduisteren dan het licht van een kaars. Enfin, er waren nu geen paaltjes meer tot de straatweg, wist hij, en als hij eenmaal daar was, ging het gemakkelijker. Daar waren meer huizen en op de een of andere manier kwam er toch meestal wel wat licht uit. Jasses, er droop melk in zijn klomp. Liep daar iemand? Onwaarschijn-
lijk, 't was op slag van achten. En om acht uur mocht er niemand meer op straat zijn. Hij voelde dat hij ander wegdek onder zijn voeten kreeg. De straatweg. Nu rechtsaf en oppassen dat hij niet in de sloot terechtkwam. Zoals hij al gedacht had, ging het nu beter. Heel, heel vaag zag hij de omtrekken van de huizen. De Ruiter, juffrouw Doeven, Zomer, de smederij, het gebouwtje van het Groene Kruis, hij was er bijna.
Ineens flitste vlak voor zijn neus een felle elektrische zaklamp aan en scheen recht in zijn ogen. Hij schrok zich lam.
‘Es ist over achten,’ zei een stem in gebroken Nederlands. ‘Iek neem je gefangen. Was draagt du da in je hand? Handgranaten?’
‘Doe die rotlamp uit, Dirk,’ zei Michiel. ‘En je hoeft me niet zo te laten schrikken.’
Ondanks de verdraaiing had hij de stem herkend van de zoon van hun buurman. Dirk Knopper hield op zijn manier van een geintje. Hij was eenentwintig jaar en voor de duivel nog niet bang.
‘Door een beetje schrik word je gehard,’ zei hij. ‘Trouwens, 't is inderdaad na achten. De eerste de beste Duitser kan je doodschieten als een gevaar voor het Grote Duitse Rijk, heil Hitler.’
‘St! Schreeuw die naam niet zo over straat.’
‘Ach wat,’ zei Dirk luchtig, ‘onze bezetters horen hem graag.’
Ze liepen samen op. Dirk hield zijn hand voor de lantaarn, zodat er maar een klein straaltje licht doorkwam. Maar voor Michiel leek het helder dag. Hij zag nu de kant van de weg en dat was een ongekende weelde.
‘Hoe kom jij eigenlijk aan een elektrische lamp en vooral: hoe kom je aan de batterij?’
‘Gejat van de moffen.’
‘Ga weg,’ zei Michiel ongelovig.
‘Serieus. We hebben twee officieren bij ons ingekwartierd, dat weet je toch? Van de week had er een, die dikke, weet je wel, een kartonnen doos met wel tien van dit soort lampen op zijn kamer
staan. Nou ja, zijn kamer, onze kamer bedoel ik. Toen heb ik er een achterovergedrukt.’
‘Ga je dan in hun kamer?’
‘Ja, wiedes. Iedere dag ga ik even poolshoogte nemen, als ze weg zijn. Geen centje pijn. De enige voor wie ik moet oppassen is mijn vader. Die is zo bang als een wezel. Als hij wist dat ik deze lamp had, deed hij vannacht geen oog dicht. Nou ja, dat doet hij toch al niet vanwege Rinus de Raat. Ajuus hoor, kun je 't zien?’
‘Ja, ik vind het wel. De groeten!’
Met zijn klompen knerpend over het grint liep Michiel de voortuin door. Hij was blij dat Dirk niet had gezien dat er een fles was gebroken. Hij zou er zeker het nodige commentaar op hebben gekregen.
Binnen was de carbidlamp nog in de kracht van zijn leven. Dat was altijd zo aan het begin van de avond, als vader hem nog maar kort geleden had gevuld. Dat vullen was een vervelend werkje, want carbid stinkt vreselijk. Maar als het ijzeren potje eenmaal gesloten was en de vlam aan de spitse tuit aangestoken, rook je het niet meer. Dan gaf hij licht dat niet eens zoveel slechter was dan dat van een kleine elektrische lamp. Helaas, na een paar uur werd het licht zwakker en na half tien was er nog maar een klein blauw vlammetje over, net genoeg om niet over de meubels te vallen.
Michiel wilde 's avonds ontzettend graag lezen. De hele dag was er volop licht, maar dan had hij geen tijd. 's Avonds hád hij tijd en dan was er geen licht. Hij had achttien vergeelde boeken van Jules Verne in zijn vaders boekenkast ontdekt en die moesten met alle geweld gelezen worden. In het begin van de avond ging het nog wel op een paar meter afstand van de lamp, maar later kon je de letters alleen onderscheiden als je het boek vlak bij het blauwe vlammetje hield. En dat kon hij de anderen niet aandoen, zeker niet als er gasten waren. En die waren er bijna altijd.
Ook nu zat de kamer vol. Behalve vader, moeder, Erica en Jochem onderscheidde Michiel ten minste tien mensen. Geen van hen kende hij, zo op het eerste gezicht, behalve oom Ben. Moeder leidde hem de kring rond. Er waren een meneer en mevrouw Van der Heiden, bij wie hij vroeger nog op schoot had gezeten, naar ze zeiden. Ze kwamen uit Vlaardingen, dus het kón, want in Vlaardingen was hij geboren. Dan was er een heel oude dame met rimpeltjes, die zei dat ze zijn tante Gerdien was en die waarachtig een kus wilde hebben. Hij wist niet dat hij een tante Gerdien rijk was. Moeder legde uit dat ze een achterachternicht van vader was en dat vader het goeie mens twintig jaar geleden voor het laatst had gezien. Dat ‘goeie mens’ zei ze natuurlijk een beetje anders. Er waren twee onduidelijke dames die riepen, dat hij zo groot was geworden, er was een zelfverzekerd meneertje, die het bestond om ‘broer’ tegen hem te zeggen, ondanks zijn bijna zestien jaar, en zo nog een paar. Op het ‘broer-meneertje’ na schenen ze allemaal precies te weten wie hij was.
‘Ze hebben hun huiswerk goed gedaan,’ mompelde Michiel. Deze mensen kwamen allemaal uit het westen van het land. Door de honger werden ze naar het oosten en noorden gedreven. Want het was het begin van de winter 1944-'45 en dus oorlog. Er was in de grote steden bijna niets meer te eten. Vervoer was er ook niet, dus liepen ze. Soms tientallen, vaak honderden kilometers. Met karretjes, kinderwagens, fietsen zonder banden, met de gekste toestellen trokken ze over de wegen. En om acht uur moest de straat leeg zijn. Wat was het dan belangrijk om kennissen te hebben die ergens langs de route woonden. Michiels ouders hadden er geen idee van gehad dat ze zoveel mensen kenden, of liever, dat zoveel mensen hén kenden.
Avond aan avond, om een uur of zeven, werd er vele malen gebeld. Dan stond er bijvoorbeeld een onbekend persoon op de stoep die stralend riep: ‘Hallo zeg, hoe is het met jullie. Herken je
me niet? Miep, uit Den Haag. Ik heb zó dikwijls aan jullie gedacht.’ Je zou erom lachen als het niet zo doodzielig was. Want Miep bleek dan een dame te zijn die vader en moeder één keer als mevrouw Van Druten hadden ontmoet bij een wederzijdse kennis. Maar als je dan zag dat Miep ondervoed was, dat ze aan het eind van haar krachten was, dat ze helemaal uit Den Haag was komen lopen op versleten gymnastiekschoenen, en dat allemaal om een paar kilo aardappels uit Overijssel te halen voor de kinderen van haar dochter, dan zei je: ‘Natuurlijk, tante Miep, zal ik maar zeggen, kom toch binnen, hoe is het ermee,’ en dan gaf je haar een kop erwtensoep en een plaatsje bij de carbidlamp en een bed, of ten minste een matras op de grond, voor de nacht.
Toen Michiel de hele kring had gegroet, wenkte hij zijn moeder mee naar de keuken. Voor dat soort uitstapjes was de knijpkat beschikbaar. De knijpkat was een soort fietsdynamo, die je met de hand kon aandrijven door een hendel op en neer te bewegen. Er kwam een redelijk straaltje licht uit, maar je kreeg er wel een lamme duim van. ‘Het spijt me, moeder, ik heb een fles gebroken.’
‘Hè jakkes, jongen, wat onvoorzichtig nou.’
Michiel liet de knijpkat rusten en lichtte het verduisteringsgordijn op. Een inktzwart gat.
‘Er is geen maan en ik had de knijpkat niet,’ zei hij verontschuldigend. Hij liet het gordijn weer zakken en begon plichtmatig zijn duim op en neer te bewegen, zodat ze weer iets konden zien. Moeder wilde dat ze zich dat zinnetje niet had laten ontvallen. Ze streek even over zijn haar. Hij doet het werk van een man, dacht ze. Hij gaat moederziel alleen door het pikkeduister melk halen, iets wat ik misschien niet zou durven, in ieder geval niet zou kunnen. En ik maak hem verwijten.
‘Neem me niet kwalijk, Michiel,’ zei ze. ‘Het viel me uit de mond. Je kunt er niets aan doen. Ik dacht aan al die mensen binnen, die koffie moeten hebben.’
Koffie was natuurlijk sterk overdreven. Wat er gedronken werd, was surrogaat met een bruin kleurtje, waar de warme melk iets van moest maken.
‘Ik kan niet nog eens gaan,’ zei Michiel. ‘'t Is over achten. Als u even bijlicht, zal ik de scherven uit de tas halen.’
‘Laat maar zitten tot morgen. Wil je de andere fles er even uithalen? Dank je. Hoe is het eigenlijk gebeurd?’
‘Tegen een paaltje, in de buurt van Van Ommen. In het steelpannetje?’
‘Ja, laat mij het maar doen.’
Michiel nam de knijpkat weer over en even later gingen ze terug naar de huiskamer, waar de melk werd gewarmd op de plattebuiskachel. Die kachel werd gestookt met houtblokken. Kolen waren er allang niet meer.
Toen de koffie was gedronken, begonnen de gasten te vertellen over het leven in de grote steden. Honger, kou en angst voor arrestaties, daar ging het vooral over. Alles was schaars. Alles was onzeker. Iedereen had wel een verhaal over een familielid dat had moeten onderduiken of een vriend die naar een concentratiekamp was gesleept of over een huis dat door een bom was verwoest. Daarna kwamen de geruchten over de stand van de oorlog, over de Amerikaanse generaal Patton, die zo goed opschoot aan het westelijk front en over verliezen die de Duitsers leden aan het Russische front, naar men zei.
En dan moppen over de oorlog. Anton Mussert, leider van de pro-Duitse NSB, was met zijn tante getrouwd, beweerde men. Meneer Van der Heiden wist te vertellen dat er een film was vertoond waarop Mussert voorkwam. Iemand voor in de zaal had geroepen: ‘Anton!’, en toen had iemand achter in de zaal met een hoog stemmetje geantwoord: ‘Ja, tante.’ Van zo'n verhaal genoten alle aanwezigen. En oom Ben zei: ‘Hebben jullie gehoord van de weddenschap tussen Goering, Goebbels en Hitler wie het langst
bij een bunzing in één ruimte kon blijven. Eerst probeert Goering het. Na een kwartier komt hij kokhalzend naar buiten. Dan Goebbels. Hij houdt het een half uur uit. Ten slotte gaat Hitler het hok in. Vijf minuten later komt de bunzing naar buiten!’ Door alle spanning en narigheid waren zulke eenvoudige grapjes voldoende om het hele zenuwachtige gezelschap in de lach te doen schieten.
De carbidlamp was bijna dood. Met brandende stompjes kaars schuifelde iedereen naar zijn bed of zijn matras op de grond. Michiel controleerde even of er aanmaakhoutjes voor de kachel waren voor de volgende dag. Een stukje kaars was niet meer te vinden en zijn moeder had de knijpkat. Op de tast klom hij naar zijn zolderkamertje, kleedde zich uit en dook zijn bed in. Heel in de verte bromde een vliegtuig.
‘Rinus de Raat,’ mompelde Michiel. ‘Ik hoop dat 'ie uit de buurt blijft.’
Daarna viel hij in slaap en wist van niets meer, die hele zestienhonderdelfde nacht van de Duitse bezetting.