terug  begin  verder

[p. 12]

2

Toen het Duitse leger, op bevel van de grote Führer Adolf Hitler, op 10 mei 1940 Nederland en België binnenviel, was Michiel van Beusekom elf jaar. Hij wist nog hoe de radio spannende berichten uitzond over parachutetroepen, die werden uitgeworpen boven Ypenburg, herhaal boven Ypenburg, en boven Waalhaven, herhaal boven Waalhaven. De hele dag door trokken Nederlandse soldaten te paard door het dorp, die grappen maakten tegen de meisjes en die er allesbehalve heldhaftig uitzagen. Michiel had toen bij zichzelf besloten, dat oorlog een heerlijke, opwindende gebeurtenis was en hij hoopte dat het lang zou duren.

Nou, dat heeft hij geweten. De eerste twijfel kwam al na vijf dagen. Toen gaf het Nederlandse leger de ongelijke strijd op. Vader trok wit weg toen hij het bericht via de radio hoorde en moeder huilde. Daarna kwam de zorg over de jongens van het dorp die in het leger waren. In totaal waren dat er veertien. Van acht van hen kwam al gauw bericht dat ze ongedeerd waren. Van drie anderen kwam dat bericht enkele dagen later ook. Maar van de drie overigen hoorden ze niets. Dat waren Gerrit, de zoon van de bakker, Hendrik Bosser, een boerenzoon, en de zoon van hun tuinman, die witte Maas werd genoemd, omdat hij zo'n witte kuif had. Michiel weet nog als de dag van gisteren, dat hij een hele tijd op de kruiwagen naar de vader van witte Maas heeft zitten kijken, hoe die aan het werk was in de tuin. Hij zei niets - hij werkte gestaag door. Een week later werkte hij ook nog gestaag door, nadat bekend was geworden dat Gerrit en Hendrik terecht waren.

Gerrit had gevangen gezeten. Zijn dikke hoofd glom van pret toen hij vertelde hoe een Duitse officier vol verbazing op de sproeten had gewezen, die zijn gezicht van onder tot boven bedekten.

‘Dat zijn de roestige uiteinden van mijn stalen zenuwen,’ had

[p. 13]

hij geantwoord, en door dat antwoord leek het alsof we de oorlog toch niet helemaal hadden verloren. Hendrik Bosser had gewoon vergeten een berichtje naar huis te sturen. Maar witte Maas was begraven bij de Grebbeberg. Zijn vader wiedde de tuin van burgemeester Van Beusekom en zei niets.

Ja, toen al, zo kort na die 10e mei 1940, had de jonge Michiel begrepen dat zijn wens een domme wens was en dat de oorlog beter vandaag kon aflopen dan morgen. Maar dat kon je net denken. Vier jaar en vijf maanden duurde het nu al en 't was steeds erger geworden. Weliswaar waren afgelopen juni in Frankrijk de Amerikanen en de Engelsen geland en waren ze bezig de Duitsers terug te drijven - ze waren al gevorderd tot het zuidelijk deel van Nederland - maar over de rivieren waren ze niet gekomen. Ze hadden het geprobeerd, bij Arnhem. Helaas, de slag om Arnhem was door de Duitsers gewonnen. En nu lag er een winter voor de deur. Een pikzwarte winter. De Duitse bezetter, die heel goed wist dat hij aan het verliezen was, hield huis als nooit tevoren. Bijna alles wat eetbaar was werd in beslag genomen en naar Duitsland vervoerd. In de grote steden brak hongersnood uit. In de lucht hadden de Duitsers niets meer te vertellen. Amerikaanse en Engelse jagers vlogen rond en schoten op ieder vervoermiddel dat ze zagen. Zo dwongen ze de Duitsers om alle transport 's nachts te doen, in het pikkedonker, en dat was niet bepaald gemakkelijk.

 

Het dorp de Vlank, waarvan Michiels vader burgemeester was, lag aan de noordrand van de Veluwe, dicht bij Zwolle. Maar tussen de Vlank en Zwolle stroomde nog de IJssel, en dat was erg belangrijk. Want over de IJssel lagen twee bruggen, een voor de auto's en een voor de trein. De geallieerden deden hun uiterste best om die bruggen kapot te gooien. Ieder ogenblik werd er gebombardeerd. Een vernielde brug zou het Duitse vervoer ernstig belemmeren.

[p. 14]

Behalve voor verkeer hadden de bruggen nog een functie. Je kon er zo gemakkelijk de mensen aanhouden en hun papieren controleren. Je kon er jonge mannen arresteren en ze naar Duitsland sturen om ze daar te laten werken in een wapenfabriek. Je kon er onderduikers snappen, die geen geldig persoonsbewijs hadden. Een fijne fuik, die IJsselbrug, vonden de Duitsers.

En daarom stopten er nogal eens mensen in de Vlank om te informeren of ze veilig de brug over konden en hoe scherp er gecontroleerd werd. Van de burgemeester was bekend, dat hij geen vriend was van de Duitsers. Zodoende was het meestal een drukte van belang bij de Van Beusekoms.

De ochtend na die avond met de gebroken fles stond Michiel om halfacht op. Veel eerder had geen zin, in verband met de duisternis. Hij dacht dan ook dat hij de eerste zou zijn, maar nee. Oom Ben was al bezig de kachel aan te maken.

Oom Ben was geen echte oom. Erica, Michiel en Jochem noemden hem zo, omdat hij dikwijls kwam. Meestal bleef hij een paar dagen. Van bijna iedereen zou dat vervelend zijn geweest, in verband met het voedsel. Dat gold niet voor oom Ben. Die wist altijd iets op te scharrelen. De vorige keer had hij zelfs een half onsje vooroorlogse thee voor moeder meegebracht en een echte sigaar voor vader.

‘Goeie morgen, oom Ben.’

‘Ha, Michiel. Ik heb je nodig, kerel. Ik moet vandaag een half of liefst een heel mud aardappelen op de kop tikken. Weet jij een adresje?’

‘We zouden bij Van de Bos kunnen proberen. Die woont nogal achteraf, een dik half uur fietsen hier vandaan. Omdat hij zo ver van de grote weg zit, heeft hij niet veel aanloop. Ik ga wel met u mee er naar toe.’

‘Graag.’

Het begon lekker warm te worden in de kamer. De kachel brul-

[p. 15]

de van enthousiasme. Wantrouwig keek Michiel ernaar. Het halfnatte hout, waarmee ze het meestal moesten doen, kon zo goed niet branden. Hij lichtte het deksel van de antieke, eikenhouten kist op. Zie je wel: leeg. Oom Ben had glashard alle wanhoopshoutjes in de kachel gestopt.

‘U hebt de wanhoopshoutjes gebruikt,’ zei Michiel verontwaardigd.

‘De wát?’

‘De wanhoopshoutjes.’

‘Wat zijn dat?’

‘De dunne, droge aanmaakhoutjes uit de kist. Weet u, af en toe wordt moeder wanhopig. Dat is als de kachel dreigt uit te gaan net voordat het eten gaar is. Dan mag ze de houtjes uit deze kist gebruiken. Vader en ik hakken ze om beurten, heel dun, en spreiden ze uit achter de kachel tot ze kurkdroog zijn.’

Oom Ben keek schuldbewust.

‘Ik zal hoogstpersoonlijk zorgen dat de kist weer vol komt.’

Michiel knikte. Daar doe je een uur over, vriend, dacht hij, maar hij zei niets. Hij bood ook niet aan om het voor zijn oom te doen. Wie roekeloos omsprong met de wanhoopshoutjes moest daarvan zelf de wrange vruchten maar plukken.

Van lieverlee kwamen de gasten uit hun bedden. Ze kregen twee kleiige boterhammen en een bordje karnemelkse pap. Daarna bedankten ze mevrouw Van Beusekom hartelijk en vertrokken; sommigen naar het noorden, waar ze een mud rogge of een zak aardappelen zouden kunnen kopen - anderen naar het westen, naar huis, waar hun familieleden met van honger opgeblazen buiken op hen zaten te wachten.

Toen ook de huisgenoten hun ontbijt ophadden, vroeg oom Ben aan Michiel of hij nu meeging naar die Van de Bos. Michiel keek eens veelbetekenend naar de wanhoopshoutjeskist en zei, dat hij eerst even naar Wessels moest met een paar konijnen. Oom Ben

[p. 16]

berustte, zocht een bijl, en begaf zich naar het hakblok achter de schuur. Michiel voerde zijn dertig konijnen, koos er drie uit, woog ze en vertrok naar Wessels, vastbesloten ten minste vijftien gulden voor zijn handeltje te vangen.

Michiel was al maanden niet meer naar school geweest. Officieel was hij overgegaan naar de vierde klas van het lyceum in Zwolle, maar hij kon er niet meer komen. De eerste dag na de zomervakantie had hij het nog geprobeerd met de trein. Dat was een mooie tocht geworden. Bij Vlankenerbroek was een vliegtuig over de trein komen cirkelen. De trein was gestopt en alle passagiers waren uitgestapt en een eind het bouwland ingevlucht, terwijl de Engelse jager laag over hun hoofden raasde. Maar de Engelse en Amerikaanse piloten waren er niet op uit Nederlandse burgers dood te schieten. Ze wilden alleen alle vervoermiddelen van de Duitsers uitschakelen.

Toen de passagiers ver genoeg weg waren, dook de jager een paar maal laag over de locomotief en doorzeefde die met kogels.

En daarmee waren de tochten naar Zwolle afgelopen. Met de fiets ging het ook niet, want er waren geen luchtbanden te krijgen. En om nu iedere dag zo'n eind op houten banden te gaan... Bovendien vonden Michiels ouders het te gevaarlijk.

Niet naar school dus, beslisten ze. Dat was een van de weinige dingen die ze nog voor hun zoon beslisten. Voor het overige was hij vrijwel zelfstandig. Dat kwam door de oorlog. Hij trok erop uit en kwam terug met boter, eieren en spek. Hij werkte bij de boeren. Hij dreef zijn eigen handeltje. Hij repareerde voor de trekkers uit de stad de kaduke kruiwagens, karretjes en rugzakken. Hij wist enkele joodse onderduikers te zitten. Hij wist vrij precies wie een clandestiene radio had. Hij wist dat Dirk bij de geheime ondergrondse strijdkrachten was aangesloten. Het was niet erg, dat hij van deze gevaarlijke dingen op de hoogte was. Hij was van nature gesloten en hij had er geen behoefte aan om over wat hij wist te kwebbelen.

[p. 17]

Toen hij terugkwam van Wessels, zeventien gulden rijker, trof hij bij het hek van hun tuin Dirk, de buurjongen.

‘Môge.’

‘Ik moet je spreken,’ zei Dirk. ‘Onder vier ogen.’

‘Kom even mee naar de schuur. Wat is er aan de hand?’

Maar Dirk zweeg tot ze in de schuur waren.

‘Kan niemand ons hier horen?’ vroeg hij toen.

‘Welnee, joh, er is hier niemand. 't Is hier zo veilig als wat,’ zei Michiel. ‘Trouwens, iedereen bij ons thuis is te vertrouwen. Wat heb je?’

Dirk keek een stuk ernstiger dan zijn gewoonte was.

‘Zweer dat je er niemand iets van zult vertellen.’

‘Ik zweer,’ zei Michiel.

‘Vanavond,’ zei Dirk, ‘overvallen we met drie man het distributiekantoor in Lagezande.’

Lagezande was een dorp op zes kilometer afstand van de Vlank.

Michiel kreeg er een vreemd gevoel van in zijn maag, dat hij op de hoogte werd gesteld van de plannen voor een overval, maar hij deed alsof hij het doodgewoon vond.

‘Waarom overvallen jullie een distributiekantoor?’

‘Kijk eens,’ legde Dirk uit, ‘er zitten hier in de buurt een heleboel onderduikers. Die krijgen natuurlijk geen bonnen toegewezen voor brood, suiker, kleding, tabak, enzovoorts.’

Je moet weten dat je bijna niets kon kopen als je geen bonnen had. Alles was op de bon, zoals dat heette.

‘Ik snap het,’ zei Michiel.

‘Goed,’ zei Dirk. ‘We overvallen het distributiekantoor, nemen alle bonnen mee, en verdelen die onder de mensen die onderduikers in huis hebben.’

‘Hoe kom je in de brandkast?’

‘Ik neem aan, dat meneer Van Willigenburg die keurig voor me openmaakt.’

[p. 18]

‘Wie is meneer Van Willigenburg?’

‘De directeur. Die man is van het goeie soort. Ik weet dat hij vanavond overwerkt. Wij gaan er heen en dwingen hem de brandkast te openen en ons de nieuwe bonkaarten te overhandigen. Ik reken erop dat hij niet erg zal tegenspartelen.’

‘Wie zijn we?’

‘Dat gaat je niet aan.

Michiel grijnsde. Dirk zou daar gek zijn en namen gaan noemen.

‘Waarom vertel je me dit allemaal?’

‘Luister, Michiel. Ik heb hier een brief. Als er iets mis mocht gaan, moet jij die brief aan Bertus van Gelder geven. Wil je dat doen?’

‘Aan Bertus Hardhorend? Zit die ook in het verzet?’

‘Je moet niet zoveel vragen. Jij geeft die brief aan Bertus. Dat is alles. Oké?’

‘Natuurlijk. Je denkt toch niet dat er iets misgaat?’

‘Nee, dat denk ik niet. Maar je kunt nooit weten. Heb je een plek om de brief te verbergen?’

‘Jawel. Geef maar hier.’

Dirk haalde een envelop van onder zijn trui te voorschijn. Hij was dichtgeplakt en er stond niets op geschreven.

‘Waar verstop je hem?’

‘Dat gaat jou niet aan.’

Dirk grijnsde op zijn beurt.

‘Morgen kom ik hem terughalen,’ zei hij.

‘Oké. Laat je niet pakken, Dirk.’

‘Nee, hoor. Zorg goed voor de brief. Ajuus.’

‘Ajuus.’

Fluitend liep hij de schuur uit. Michiel opende de deur die toegang gaf tot het binnenhok van de kippen. Hij haalde het stro uit het vierde leghokje van rechts. Het plankje op de bodem zat los.

[p. 19]

Hij tilde het half op en schoof de brief eronder. Daarna bracht hij alles terug in de oude toestand. ‘Die vinden ze niet,’ dacht hij bij zichzelf. Hij liep naar zijn zolderkamertje en schreef voor de zekerheid met potlood 4 R op het houten beschot van zijn bed. Vierde van Rechts. Niet dat hij het zou vergeten, maar je kon nooit weten. Ziezo, dat was geregeld. Wat nu? O ja, met oom Ben naar Van de Bos. Hij ging naar beneden en kwam oom Ben tegen, die met een arm vol wanhoopshoutjes op weg was naar de kamer. Met een olijk gezicht zei hij: ‘Is de baas tevreden over me?’

‘Eerste klas werk,’ prees Michiel. ‘Zullen we gaan? U mag vast vaders fiets wel lenen.’

‘Heb ik al gevraagd,’ zei oom Ben. ‘Is in orde. Heb jij nog een berijdbaar vehikel?’

‘Eén massieve en één houten band,’ zei Michiel opgewekt. ‘Het hobbelt, maar we rijden.’

‘Goed zo. Afmars dan.’

Onderweg vertelde oom Ben over het ondergrondse verzet in Utrecht, waar hij bij betrokken was.

‘Onze belangrijkste taak is het organiseren van ontsnappingswegen,’ zei hij.

‘Ontsnappingen uit de gevangenis? Is dat mogelijk?’

‘Nee, niet uit de gevangenis, ofschoon daarvan ook mooie staaltjes zijn vertoond. Ik bedoel: het land uit. Bijna dagelijks worden er Engelse en Amerikaanse vliegtuigen neergeschoten. Als de piloten zich kunnen redden, verbergen ze zich en proberen contact te krijgen met de ondergrondse beweging. Wij doen ons best die piloten naar Engeland te krijgen. Hetzij met schepen, die 's nachts de havens uitgesmokkeld worden, hetzij over land, via Spanje.’

Een laag over hun hoofden scherend vliegtuig maakte het even onmogelijk elkaar te verstaan. Daarna vervolgde oom Ben: ‘Er zijn verzetsgroepen die Duitse officieren neerschieten. Dat vind ik bijzonder onverantwoordelijk. Je bereikt ermee, dat de moffen gij-

[p. 20]

zelaars oppakken, willekeurige burgers, en die zonder vorm van proces doodschieten.’ Michiel knikte. Op die manier was een collega van zijn vader uit een gemeente in de buurt vermoord, nog niet zo lang geleden.

‘Lukt het vaak, die ontsnappingen uit het land?’ vroeg hij.

‘Helaas worden ze nogal eens ingerekend onderweg. Ze gaan dan naar een krijgsgevangenkamp. Maar als er een Nederlandse burger bij wordt gesnapt, gaat die onverbiddelijk tegen de muur. Natuurlijk pas nadat ze hem zolang hebben geslagen tot hij alle contactadressen heeft verraden. Je begrijpt dat we daarom proberen het zó te organiseren, dat de verschillende schakels onderweg zo min mogelijk van elkaar weten.’

‘Loopt u zelf veel gevaar?’

‘Nee, hoor, niet zoveel. Mijn afdeling is het vervalsen van papieren. Ik heb daarvoor contact met een paar onderduikers, die er meesters in zijn. Volgens mij moeten ze na de oorlog in de valsmunterij. Dan kunnen ze schatten verdienen,’ grijnsde oom Ben.

Het viel niet mee om een gesprek te voeren boven het geratel van Michiels houten band uit. Bovendien moesten ze rechtsaf slaan, een zandweg op, of beter gezegd, een karrenpad met een verharde strook voor rijwielen ernaast. Daar konden ze niet meer naast elkaar fietsen. Omdat Michiel de weg wist, ging hij voor.

Boer Van de Bos was bereid oom Ben een halve zak rogge te verkopen voor de redelijke prijs van 20 cent per kilo. Veluwse boeren waren in de oorlog geen uitbuiters. Strikt genomen was het een onrechtmatige daad, want de boeren moesten hun hele oogst afdragen aan de boerenbond, die natuurlijk door de Duitsers werd gecontroleerd. Van de Bos keek oom Ben ook wel even argwanend aan, maar omdat de zoon van hun honderd percent betrouwbare burgemeester erbij was, aarzelde hij toch niet.

‘Fijne lui, die boeren hier,’ zei oom Ben, terwijl ze terugfietsten.

[p. 21]

‘Ja, ja,’ zei Michiel. ‘Nu zijn ze goed. Maar voor de oorlog scholden jullie stadsmensen ze voor strontboeren en wat niet al.’

‘Ik niet hoor. Ik heb boeren altijd hoog in de pet gehad.’

De dag verliep verder rustig. Er werd wat geschoten in de verte, bij de IJssel, maar dat was zo gewoon dat niemand er acht op sloeg. Michiel verzorgde de kippen en de konijnen, bracht voor zijn vader een brief naar een van de wethouders (de telefoon deed het niet meer), hielp een voorbijkomende trekker, wiens karretje vol aardappelen instortte. Kortom, hij maakte zich verdienstelijk. Diep in zijn binnenste kankerde een vaag gevoel van ‘ik wou dat het alvast morgen was’. Dat zat 'm in die overval van Dirk. Niet dat het zo gevaarlijk was. Zulke overvalletjes gebeurden geregeld, maar toch... Het werd avond en het huis vulde zich zoals gewoonlijk met halve vreemdelingen. Tussen negen en tien uur was er een aanhoudend gebrom van vliegtuigen in de lucht. Amerikaanse bommenwerpers, op weg naar Duitsland, wisten ze.

‘Dat kost weer duizenden eenvoudige burgers het leven,’ zuchtte mevrouw Van Beusekom, maar haar man en Erica en Michiel konden zich er niet druk om maken.

‘Eigen schuld,’ zei de burgemeester hard. ‘Zij zijn deze afschuwelijke oorlog begonnen. Zij hebben het eerst open steden gebombardeerd, Warschau en Rotterdam. Leer om leer.’

‘Daar heeft het kleine meisje in Bremen, dat misschien op dit moment een bomscherf in haar been krijgt, part noch deel aan,’ zei mevrouw Van Beusekom. ‘Oorlog is vreselijk.’

Het beeld van een meisje met een bomscherf in haar been, daar hadden ze niet zo gauw van terug. Het gebrom stierf weg.

Ook de carbidlamp gaf langzaamaan de geest. Michiel liep naar buiten en tuurde naar het huis van de buren. Hij zag of hoorde niets. ‘Dirk is natuurlijk allang binnen,’ probeerde hij zichzelf gerust te stellen. Hij wilde net weer in huis gaan, toen hij een auto hoorde aankomen. Instinctief drukte hij zich tegen de muur. Snel reed

[p. 22]

de auto niet. Dat kon ook niet met de dunne streepjes licht die uit de verduisterde koplampen kwamen. Tot zijn grote schrik hoorde Michiel, dat de auto stopte voor het huis van Knopper. Een zaklantaarn flitste aan. Nog dichter drukte hij zich tegen de muur. Kennelijk liepen er een paar mannen door de voortuin van Dirks huis. Ja hoor, er werd zo hard aan de bel gerukt, dat hij het duidelijk kon horen. Ook werd er met een laars tegen de deur geschopt.

‘Aufmachen.’

Aan dat bevel tot openmaken van de deur werd blijkbaar voldaan, want Michiel hoorde de onzekere stem van Dirks vader en enig geschreeuw in het Duits dat hij niet kon verstaan. De soldaten gingen naar binnen en het werd stil.

Fout. Foute boel, dacht Michiel onthutst. Dirk is gesnapt, of misschien weten ze dat hij aan de overval heeft deelgenomen. Het hart klopte hem in de keel.

De achterdeur ging voorzichtig open en meneer Van Beusekom riep zachtjes de nacht in: ‘Michiel, ben je nog in de schuur?’

‘Ik ben hier,’ fluisterde Michiel, die nog geen halve meter van zijn vader afstond, zodat de burgemeester zich half doodschrok. Hij maakte een vreemd geluid, zoiets als ‘argt’.

‘Ssst.’

‘Wat doe je hier in vredesnaam?’

‘Er is huiszoeking bij Knopper.’

Michiels vader luisterde. Geen geluid drong door de stilte. Ja toch, heel in de verte blafte een hond,

‘Hoe kom je daarbij?’

‘Ik heb ze net binnen zien gaan. Ze schopten tegen de deur.’

‘Ik kan me niet voorstellen, dat Knopper ooit iets tegen de Duitsers zou durven ondernemen. Trouwens, ze hebben inkwartiering. Of zouden ze huis aan huis doorzoeken?’

‘Nee,’ zei Michiel. ‘Ze reden heel doelbewust naar Knopper toe.’

[p. 23]

De burgemeester dacht na.

‘Zou het om Dirk begonnen zijn? Hij heeft een bewijs van onmisbaarheid voor zijn werk. Hij is vrijgesteld van werken in Duitsland. Zou hij soms in de ondergrondse zitten?’

Michiel moest op het puntje van zijn tong bijten om zijn vader niet te vertellen over het distributiekantoor in Lagezande en over het briefje dat hij had verstopt. Maar hij hield zijn mond. Ook zijn vader zweeg. Beiden waren in gedachten verdiept. Plotseling ging de deur van het huis van Knopper weer open. De mannen kwamen naar buiten en liepen naar de auto. Voor zover Michiel en zijn vader konden nagaan, voerden ze niemand mee. Maar mevrouw Knapper stond in de deuropening, dat konden ze in het vage lichtschijnsel zien, en ze jammerde: ‘Schiet hem niet dood. Hij is mijn enigst kind. Schiet hem niet dood.’ De portieren sloegen dicht en de auto reed weg.

‘Ik ga er even heen,’ zei de burgemeester. ‘Zeg jij het tegen moeder?’

‘Goed.’

Michiel ging naar binnen. De gasten waren naar bed, maar moeder redderde nog wat in de keuken bij het licht van een kaars. Hij vertelde wat ze hadden gezien.

‘Ik wacht tot vader terug is,’ zei hij.

‘Dat begrijp ik,’ zei moeder. ‘Maar ga je dan wel vast uitkleden.’ Op de tast liep Michiel naar boven. Toen hij de trap naar de zolder opliep, zag hij tot zijn verbazing dat er een zwak lichtschijnsel uit zijn kamertje kwam.

‘Schrik niet,’ zei een stem. ‘Ik ben het.’

Het was de stem van oom Ben.

‘Wat bent u in vredesnaam aan het doen?’

‘Ik was op zoek naar een Engels woordenboek,’ fluisterde oom Ben, ‘en ik heb het gevonden ook, op jouw boekenplank. Ik moet een briefje schrijven aan een van mijn relaties, maar mijn Engels

[p. 24]

is wat versleten aan de randjes. 's Kijken, ja, hier heb ik het. Dynamiet. Ach, natuurlijk, gewoon dynamite. Wat dom van me. Nou, bedankt hoor. Welterusten.’

‘U mag het woordenboek wel zolang meenemen. Ik heb het toch niet nodig, nu ik niet naar school kan. En in het dagelijks leven heb ik meer aan mijn Duitse woordenboek, helaas.’

‘Nee hoor, dat is niet nodig. Maar in elk geval bedankt.’

Oom Ben verdween naar het voorkamertje op de eerste verdieping, waar hij gewoonlijk sliep. Michiel stak zich in zijn pyjama en ging toen bij zijn moeder in de keuken zitten wachten. Lang duurde het niet. Vader kwam binnen met een bedrukt gezicht.

‘Dirk zou hebben deelgenomen aan een overval op het distributiekantoor in Lagezande. Ze zeggen dat ze hem gepakt hebben. Een van de andere overvallers schijnt te zijn doodgeschoten. Het huis bij Knopper is doorzocht, niet al te grondig, voor zover ik kon nagaan, maar ze hebben niets gevonden. Knopper en zijn vrouw zijn erg overstuur.’

‘Ik kan het me voorstellen,’ zuchtte mevrouw Van Beusekom. ‘Wat staat Dirk nu te wachten?’

terug  begin  verder