De brief zeurde de hele nacht door Michiels hoofd. Soms droomde hij, soms waakte hij, maar de brief was voortdurend in zijn gedachten. Het leek alsof dat stukje papier Dirk zou kunnen redden. Wie zou nu graag in Dirks schoenen staan? Gevangene zijn van de Duitsers was een ramp - vooral als ze dachten dat je iets wist en dat uit je wilden krijgen. Ik moet me morgenochtend zo normaal mogelijk gedragen, dacht Michiel. Niemand mag vermoeden dat ik ergens speciaal heen moet. Niemand mag zien dat ik naar Bertus Hardhorend ga. Ik moet buitengewoon voorzichtig zijn. Hij meende dat hij geen oog dichtdeed, maar toch nog onverwacht was het ochtend. Hij deed de gebruikelijke werkjes en pas om een uur of tien haalde hij onopvallend de brief uit het leghokje. Helemáál onopvallend was het niet, want hij moest er een leggende kip voor verjagen en die maakte een misbaar alsof hij, pardon zij, aan het spit moest. Maar goed, uit het gekakel van een kip zou toch niemand iets kunnen afleiden. Hij verborg de brief onder zijn trui en fietste weg. Hij had een flinke trap voor de boeg, want Bertus woonde minstens acht kilometer het land in.
Hij zou Bertus die dag niet bereiken. Allerlei tegenslagen troffen hem. Het begon met de massieve band, die van de velg liep. Er zat een fikse breuk in, zodat hij hem er niet zelf weer om kon leggen. Fietsenmaker. Niet thuis. Andere fietsenmaker. Geen andere band voorradig. Reparatie oude band. Eerst ander klusje afmaken. Anderhalf uur. Hè hè. Hij fietste weer.
Hij was nog op de straatweg, toen er een auto aankwam. Nu waren ze er in de Vlank aan gewend geraakt om erg goed op te letten als er een gemotoriseerd voertuig in de buurt was en niet ten onrechte, zoals we zullen merken. Alsof de piloot de auto rook, kwam hij met zijn vliegtuig uit de lucht schieten. Michiel reageer-
de onmiddellijk. Hij sprong van zijn fiets en dook met een snoeksprong in een eenmansgat. Eenmansgaten waren gaten in de grond, waar net een man in paste. Je kon ze overal langs de wegen vinden, precies voor het doel, waarvoor Michiel er nu een gebruikte. De auto stopte en twee Duitse soldaten renden voor hun leven in de richting van een paar dikke bomen. Net op tijd. De jager dook en gaf een salvo met zijn mitrailleurs. Michiel trok zijn hoofd tussen zijn schouders en maakte zich zo klein mogelijk. Zijn hart stond even stil van angst toen hij de kogels naast zich op het wegdek hoorde tikken. Toen was het al weer voorbij. Het geluid stierf weg. Hij keek over de rand en zag dat de auto in brand stond. De twee soldaten waren ongedeerd, maar een van de koeien in het weiland, dat aan de weg grensde, was geraakt. Het arme dier kon niet meer lopen en loeide klaaglijk. De soldaten kwamen van achter hun boom te voorschijn en keken gelaten naar de brandende auto. Ze haalden hun schouders op, lieten de zaak zoals hij was en wandelden weg, in de richting van het dorp.
Michiel voelde de brief onder zijn trui. Hij leek wel tien kilo te wegen. Maar de koe loeide. Hij meende te weten dat dit weiland van Puttestein was. Je kon dat beest toch niet zomaar aan zijn lot overlaten. Alla, naar Puttestein. En daar was al het manvolk van huis. Alleen vrouw Puttestein was er en die was slecht ter been. Michiel overlegde met haar en stapte toen met een pikzwart humeur op zijn fiets om de slachter te gaan waarschuwen. Want er was natuurlijk geen beginnen aan om de koe op te lappen.
En zo verstreken de uren. Het was drie uur tien toen Michiel ten derden male op weg ging naar het huis van Bertus Hardhorend. Hij was amper halverwege, toen hij iemand passeerde. Tot zijn schrik zag hij, dat het Schafter was.
‘Asdat Michiel van de burgemeester niet is.’
‘Goeiemiddag, Schafter.’
‘Waar moet jij zo hard naar toe? Is er brand?’
Schafter was niet te vertrouwen, dat wist iedereen. Hij hing rond bij de kazerne, hij zat soms bij de Duitse soldaten in de kantine, hij knapte karweitjes voor ze op, en hij werd ervan verdacht de joden te hebben aangegeven, die vorig jaar gepakt waren bij Van Hunen. Ze waren weggevoerd, naar Duitsland. Van Hunen ook. Nooit meer iets van gehoord. En daarom antwoordde Michiel haastig: ‘Ik moet naar wethouder Van Kleiweg in Lagezande.’
‘Dat treft, zeg. Daar moet ik ook naar toe. Kunnen we mooi samen opfietsen.’
In zijn binnenste mompelde Michiel alle lelijke woorden die hij kende. Daar zat 'ie nou met z'n goeie gedrag. Nou moest 'ie naar Lagezande in plaats van naar Bertus. En wat kon hij in vredesnaam tegen wethouder Van Kleiweg zeggen? Hij was er niet zeker van of die Van Kleiweg goed of fout was. Terwijl Schafter maar doorzeurde over ditjes en datjes, beulde Michiel zijn hersens af om een goeie smoes te verzinnen dat 'ie ineens toch weer niet naar Lagezande hoefde. Hij wist niets te bedenken.
‘Hè je gehoord van die overval op het distributiekantoor in Lagezande, gisteravond?’ vroeg Schafter.
‘Ze hadden het erover vanmorgen,’ zei Michiel argwanend.
‘Wie ze?’
‘Weet ik veel. Bezoekers, of mensen waar ik even was.’
‘Je moet zeker voor je vader naar wethouder Van Kleiweg, hè?’
‘Gut, nee man, ik moet hem een schone luier gaan omdoen,’ zei Michiel, hevig geïrriteerd.
‘Nou ja, 't kon toch,’ zei Schafter, helemaal niet uit het veld geslagen door Michiels nijdige toon.
Een kwartiertje later kwamen ze aan bij het huis van de wethouder, die zelf opendeed.
‘Kom binnen, mensen,’ zei hij hartelijk.
‘Nee, dank u,’ antwoordde Michiel. ‘Ik kom alleen even namens
mijn vader zeggen dat de vergadering van het waterleidingbedrijf volgende week dinsdag is, op de gewone tijd.’
‘O, dank je. Dinsdag om vier uur dus. Zeg maar aan je vader dat ik er zal zijn. Dag hoor.’
‘Goedemiddag, heren.’
‘Ik heb maar vijf minuten werk hier,’ zei Schafter. ‘Als je even wacht, rijd ik met je terug.’
Maar Michiel had geen zin meer in het geteem en het brutale uithoren van Schafter.
‘Ik heb erg veel haast,’ zei hij. ‘Neem me niet kwalijk. Een andere keer graag.’
Met een flink vaartje reed hij terug naar de Vlank. Nog altijd kraakte de brief onder zijn trui. Maar nu direct naar Bertus gaan durfde hij niet. Eerst moest hij zijn verzinsel over de vergadering van het waterleidingbedrijf rechtzetten. Helemaal uit zijn duim gezogen was het niet, want hij had zijn vader de vorige dag horen zeggen dat er volgende week een vergadering zou worden gehouden. Hij overwoog ernstig zijn vader alles te vertellen. ‘Nee,’ besloot hij, ‘zo lang het niet nodig is, doe ik dat niet. Dan maar wat meer werk.’ Gelukkig was zijn vader thuis.
‘Vader,’ loog Michiel zonder blikken of blozen, ‘ik ga zo dadelijk even naar Lagezande. Ik hoorde u vanmorgen iets zeggen over een vergadering van het bestuur van de waterleiding. Moet ik soms een boodschap afgeven bij Van Kleiweg?’
‘Ja,’ antwoordde de burgemeester verrast. ‘Goed dat je eraan denkt. Wil je hem zeggen dat de vergadering volgende week woensdag is, gewone tijd?’
‘Woensdag, vier uur?’
‘Ja. Bedankt hoor.’
‘Dag.’
‘Waar ga je eigenlijk naar toe?’
Michiel mompelde wat van ‘kijken of ik een kip kan kopen
voor een vrouw uit Amsterdam die bij dinges zit’ en glipte de kamer van zijn vader uit. Dat zat wel goed, zijn vader zou niet verder vragen. Vervelender was dat hij nu weer naar Lagezande moest. Even had hij gehoopt dat hij goed gegokt had. Vergaderingen van de waterleiding waren nogal eens op dinsdag, meende hij te weten. Nou ja, 't was ook maar één dag mis. Hupsakee, op de fiets. Natuurlijk kwam hij onderweg Schafter tegen. De man keek kennelijk verbaasd, maar Michiel stak zijn hand op en reed hard door. ‘Nou gaat die gluiperd zich suf zitten piekeren wat al dat heen en weer gefiets betekent,’ dacht hij. Enfin, de vent was niet helderziend, mocht hij aannemen. Maar bijziend was hij ook niet, en daar moest iedereen goed rekening mee houden.
Tegen Van Kleiweg zei Michiel dat hij zich vergist had en dat de vergadering woensdag was. Haastig fietste hij terug naar huis. Hij kon nog net voor donker binnen zijn. Bertus moest in vredesnaam maar wachten tot de volgende dag. Voor de veiligheid stopte hij de brief weer in het leghokje. Hopelijk stond er niets in wat die dag had moeten gebeuren. Hij voelde zich echt ongelukkig. Dirk gevangen en hij was niet eens in staat geweest zo'n eenvoudige opdracht uit te voeren. Bovendien was hij moe van al dat gefiets. Er kwamen als gewoonlijk allerhande vreemde mensen binnendruppelen en oom Ben was vertrokken en Erica nam een half uur de knijpkat in beslag om haar stomme haren te kammen en Jochem haalde om de twee minuten zijn neus op en...
Jasses, wat een rotdag.