terug  begin  verder

[p. 30]

4

De volgende dag werd het nog erger.

Zo vroeg hij kon zat Michiel op de fiets. Nu bereikte hij het boerderijtje van Bertus Hardhorend zonder moeilijkheden. Op het erf was niemand te zien, behalve de kettinghond, die te keer ging alsof zijn staart in brand stond. Michiel ging naar binnen. Niemand op de deel. Niemand in de heerd. Waar zaten Bertus en zijn vrouw Jannechien? Alles was open - er moest iemand thuis zijn.

‘Volk,’ schreeuwde hij uit alle macht. Bertus zou het wel niet horen, maar Jannechien misschien?

Hij liep weer naar buiten. Wacht eens, rinkelden daar emmers in de schuur? Warempel, in de bouwvallige schuur torste Jannechien een paar emmers, die kennelijk te zwaar voor haar waren. Ze was de varkens aan het voeren.

‘Hei, Jannechien.’

‘Michiel van de burgemeester? Heb je nieuws van Bertus?’

‘Nieuws van Bertus?’

Neerslachtig zette het vrouwtje de emmers op de grond.

‘Ik dacht, misschien weet de burgemeester wat ze met Bertus gedaan hebben.’

‘Met Bertus gedaan hebben?’

‘Weet je dan geeneens dat ze Bertus gisteren weggehaald hebben?’

‘Wie, de moffen?’

‘Vanzelf de moffen. Wie anders?’

‘Wat had 'ie dan gedaan?’

De kleine Jannechien stampte driftig met haar voet op de grond.

‘Niks het 'ie gedaan. Hij was de varkens aan het voeren, net as ik nou. Ze hebben alles overhoop gehaald. Zelfs van z'n kleren konden ze niet afblijven. Maar ze hebben niks gevonden. Helemaal niks.’

[p. 31]

‘En ze hebben 'm toch meegenomen?’

‘Ja. De rotzakken. Ik heb Kees nog losgemaakt. Die is één van die kerels naar z'n strot gevlogen. Toen hebben de anderen dat stomme beest net zo lang met hun geweerkolven geslagen tot 'ie los moest laten. 't Is nog een wonder dat ze 'm niet doodgeschoten hebben.’

Michiel voelde zich miserabel.

‘Was het gisteravond, zei je, Jannechien?’

‘Om een uur of half vijf.’

Michiel dacht na. 't Moest toeval zijn. Schafter kon onmogelijk iets geraden hebben. Hoe laat was hij hem de tweede keer tegengekomen? Een uur of vier? Het kon er niks mee te maken hebben. ‘Zeg, Jannechien, heb je ook gezien of ze bij andere boerderijen zijn geweest? Of hadden ze het alleen op jullie gemunt?’

‘Allenig op ons, dacht ik. Ze kwamen regelrecht hier op an rijen met die smerige rotwagens van ze. En weet je, Michiel, as Bertus wat gedaan het - ik weet er niks van hoor - maar as 'ie wat gedaan het, is 'ie verraaien.’

‘Hoe weet je dat?’ schrok Michiel.

‘Gisteravond, toen 'ie weg was, toen was ik zo overstuur, hè, toen ben ik naar me zuster gefietst, je weet wel, die met ‘Endik den Otter getrouwd is. Ze wonen op de hoek van de straatweg en het Driekusmanswegje dat hier op an gaat.’

‘Ja, ik ken ze wel.’

‘Nou, ik kom daar, aardig overstuur, zoals ik al zei, en ik vertel dat ze Bertus gehaald hebben, en daar zegt me zuster: “Verrek, meid, was dat om half vijf zo'n bietje? Dan heb ik ze met die twee auto's hier het Driekusmanswegje in zien draaien. As ik geweten had dat die naar jullie toegingen!” “Wat hâ je dan gedaan,” vroeg ik. “Ja, niks eigenlijk,” zee ze.’

‘Je had het over verraad, Jannechien. Wat heeft dat met verraad te maken?’

[p. 32]

‘O ja, me zuster zei dat die auto's eerst stilstonden op de straatweg, en een van die kerels stond te praten met iemand van hier, en toen ze uitgepraat waren rejen ze het Driekusmanswegje in, regelrecht op ons an. En die vent had gewézen, met z'n arm.’

‘Wie was dat, die man van hier met wie ze stonden te praten?’

‘Ja, hoe heet die vent ook weer. Hij het zo'n bleek smoelwerk en hij fietst altied rond.’

‘Bedoel je Schafter?’

‘Krek, Schafter. Ze zeggen toch al dat 'ie niet deugt.’

Michiel zweeg. Hij voelde zich op de een of andere manier schuldig en toch, hoe kon Schafter nou iets geweten hebben? Zelfs als hij gemerkt had dat het bezoek aan wethouder Van Kleiweg een smoesje was, dan nóg kon hij niet weten dat Bertus Hardhorend er iets mee te maken had. Hij moest hier weg, om rustig te kunnen nadenken.

‘Ik moet er vandoor, Jannechien. Ik hoop dat ze Bertus gauw weer laten gaan.’

‘Zul je 't tegen je vader zeggen? Kan die d'r niks an doen?’

‘Ik zal het hem natuurlijk vertellen. Maar of hij iets doen kan? Ik betwijfel het. Dag hoor. Het beste.’

Gelukkig had ze niet gevraagd waarvoor hij was gekomen. Hij fietste haastig weg. Een eindje verder stapte hij af en ging met zijn rug tegen een boom zitten om na te denken. 's Even de dingen op een rijtje zetten. Dirk vertelt hem van de overval en geeft hem een brief voor Bertus Hardhorend. Hij verstopt de brief. Die kón niemand gezien hebben. De overval mislukt. Eén man wordt doodgeschoten, één ontvlucht, Dirk wordt gepakt. Hij, Michiel, probeert de volgende morgen de brief naar Bertus te brengen, maar slaagt er door allerlei omstandigheden niet in. Sufferd dat hij is - hij had desnoods moeten gaan lópen toen zijn fiets stuk was. Schafter merkt misschien dat hij een smoes vertelt aan Van Kleiweg en ziet hem om vier uur voor de tweede maal richting

[p. 33]

Lagezande rijden. Om half vijf wijst Schafter twee Duitse overvalwagens de richting van Bertus' huis. 't Klopt niet. Er zit geen verband in.

Ineens dringt tot hem door wat er gebeurd moet zijn. Dirk moet hebben doorgeslagen. Ze zullen hem zo hebben gemarteld, dat hij de naam van Bertus genoemd heeft. En Schafter wees natuurlijk alleen de weg naar Bertus' huis, toen ze 'm vroegen waar die woonde. Natuurlijk, zo is het gegaan. Het zweet breekt hem uit als hij eraan denkt wat ze Dirk allemaal moeten hebben aangedaan om dit uit hem te krijgen. Dirk is er de man niet naar om bij de eerste vuistslag alles wat hij weet op te lepelen.

En dan schiet een nieuwe gedachte door zijn hoofd, waarvan hij nog meer schrikt. Als Dirk de naam van Bertus heeft genoemd, dan heeft hij misschien ook losgelaten dat hij, Michiel, een brief voor Bertus heeft. Dáár hebben de moffen natuurlijk zo naar gezocht. Naar die brief. Ze dachten natuurlijk dat die brief er om half vijf zo langzamerhand wel eens zou zijn. Ze wisten niet dat hij zo'n kluns was. Maar dat betekent dat ze hem nu vast thuis zitten op te wachten. Dan vangen ze hem en de brief tegelijk.

Maar dat mag niet. Michiel haalt de enveloppe te voorschijn. Er staat niets op. Hij zal hem vernietigen, in duizend kleine snippertjes scheuren en begraven onder het zand. Zou hij die brief eerst lezen? Nee, want dan kan hij ook niks verraden als ze hem te pakken nemen. Weg moet die brief. Met een forse ruk scheurt hij hem in tweeën. En de helften nog eens in tweeën.

Wacht eens even. Als er nu eens iets in staat wat heel belangrijk is? Iets wat onmiddellijk moet gebeuren? Natuurlijk staat er iets in wat belangrijk is. Waarom zou Dirk anders de moeite hebben genomen om hem te schrijven? Bertus kan de opdracht die in de brief staat niet meer uitvoeren. En dus moet hij het doen, dringt ineens helder tot hem door. Het is een angstaanjagende gedachte.

Wel vijf minuten zit hij met de vier stukken papier in zijn han-

[p. 34]

den zonder iets te doen. Als hij de brief leest is hij definitief bij het verzet betrokken. Als hij hem niet leest... ach, het is immers al zo ver. Toen hij die brief van Dirk aanpakte, had hij toch eigenlijk zijn handtekening al gezet.

Hij haalt de vier stukken brief uit wat er over is van de enveloppe, strijkt ze glad en past ze aan elkaar. Dit staat er:

Als je dit leest ben ik in handen van de Duitsers. Er is iemand die hulp moet hebben. Herinner je je het luchtgevecht boven de Vlank, drie weken geleden, waarbij een Engels vliegtuig werd neergeschoten? De piloot is er met zijn parachute uitgesprongen. De Duitsers hebben vergeefs naar hem gezocht. Ik had meer succes. Ik heb hem gevonden. Hij bleek verwondingen aan zijn been en aan zijn schouder te hebben. Ik heb hem meegenomen. De wond is verzorgd en het been is in het gips gezet, door een deskundige. Door wie, dat doet er niet toe. Het probleem was daarna om hem te verbergen. Weet je nog dat ik in '41/'42 in de bosbouw werkte? We hebben toen veel jonge aanplant gepoot in het Dagdaler Bos. Ik heb daar toen een schuilplaats gegraven, ondergronds. Er zijn vier vakken met jonge aanplant, elk ongeveer drie bunder groot. De schuilplaats is in het midden van het noordoostelijk vak. De ingang is omringd door een dichte begroeiing van jonge sparren. Wie niet weet dat daar iets is, kan het onmogelijk vinden. In die schuilplaats zit de piloot. Ik breng hem om de andere dag eten. Hij kan niet lopen, dus als je hem niets brengt, verhongert hij. Wees wel voorzichtig, want hij heeft een revolver en hij is erg wantrouwend. 't Is moeilijk om met hem te praten, want hij kent alleen Engels - ik ben bang dat jouw Engels al niet veel beter is dan het mijne. Niemand weet iets van die schuilplaats. Wees er zuinig op. D.
[p. 35]

Michiel las de brief driemaal. Daarna scheurde hij hem in talloze kleine snippertjes die hij begroef onder een plak mos. Hij voelde zich ineens heel kalm, ook al stond zijn maag raar strak van de spanning. Hij had nu dus een Engelse piloot onder zijn hoede. Daar stond de doodstraf op. De vraag was: hoeveel had Dirk losgelaten? Zo min mogelijk, daar was hij zeker van. Misschien had hij alleen de naam van Bertus Hardhorend genoemd en over hem, Michiel, niets gezegd. Hij moest voorzichtig naar huis gaan, proberen uit te vinden of de Duitsers er om hem waren geweest. Nee, wacht eens, het was nog vroeg. Eerst moest hij naar die piloot. Ten slotte had die man gisteren niets te eten gehad en misschien de dag ervoor ook niet. Goed, dan had hij voedsel nodig. Thuis halen? Onverstandig. Bij Van de Werf dan maar. Daar kon hij een potje breken. Van de Werf woonde hier in de buurt. Hij fietste erheen.

Vrouw Van de Werf was bezig het bakhuis schoon te maken. Daar hadden ze de hele zomer gehuisd, maar sinds het kouder was geworden, aten ze weer in de heerd. Nu moest het bakhuis aan kant voor de winter.

‘Goei'ndag, Michiel,’ zei vrouw Van de Werf.

‘Dag, vrouw Van de Werf. Mooi, vast weer, hè?’

‘Zeg dat wel. Je wordt groot, jong. Je mag wel oppassen dat de moffen je niet pakken. Hoe oud ben je nou?’

‘Bijna zestien.’

‘Kijk maar uit. De zoon van m'n zwager in Oosterwolde hebben ze vorige week opgepakt en naar Duitsland gestuurd. Om in een fabriek te werken, zeeën ze. Die is dan wel zeventien, maar evengoed... Ze nemen ze hoe langer hoe jonger.’

‘Ik zal me een beetje gedekt houden.’

‘En wat is 'r van je dienst. Je wou zeker weer iets te eten meenemen?’

‘Als het kan graag.’

‘En wat moest het wezen?’

[p. 36]

‘Zou een stuk ham te veel gevraagd zijn?’

‘Nou, omdat jij het bent.’

Ze gingen samen naar binnen. Onder de kap van de schoorsteen hingen een aantal hammen, stukken spek en worsten. Vrouw Van de Werf nam een ham van de haak en sneed er een stuk af.

‘Alsjeblieft.’

‘Hartelijk bedankt, vrouw Van de Werf.’

Michiel betaalde en maakte aanstalten om te vertrekken.

‘Moe'j geen snee mik met kaas?’

‘Nou, dat sla ik niet af,’ zei Michiel.

De vrouw sneed, het brood tegen haar borst, een paar dikke boterhammen af, deed er boter en kaas tussen, en overhandigde Michiel deze traktatie, waarvoor iemand in Amsterdam met vreugde een tientje zou hebben neergeteld.

‘Bedankt, ik eet het onderweg op,’ zei Michiel. ‘Ik moet nodig weg.’

‘Goed, hoor. Ajuus.’

Buiten het gezicht van de boerderij vouwde Michiel het papiertje, waarin de ham zat, open en pakte de dubbele boterham erbij in. Doelbewust zette hij koers naar het Dagdaler Bos.

 

Het noordoostelijk vak. 't Was niet moeilijk te vinden. Een grotere zorg was het voor Michiel om niet gezien te worden. Toen hij in de buurt kwam, verstopte hij zijn fiets tussen de struiken en ging te voet verder. Het bos stond roerloos in de herfstzon. Geen blaadje bewoog. Geen slagen van houthakkers drongen door de stilte. Geraas van auto's was niet te horen bij gebrek aan auto's. Alleen een paar vogels lieten merken dat ze er waren.

Michiel keek zorgvuldig om zich heen, terwijl hij de jonge aanplant naderde. Allemachtig, hoe kwam hij daar door? De kleine sparren stonden dicht op elkaar, zó dicht, dat hij eerst niet wist hoe hij aan zijn tocht naar het midden moest beginnen. Wacht

[p. 37]

eens, dicht bij de grond waren er minder zijtakken. Hij moest proberen tussen de stammetjes door te kruipen.

't Werd een moeizame bedoening, die hem heel wat schrammen aan armen en gezicht opleverde. Van tijd tot tijd ging hij voorzichtig staan, keek gespannen om zich heen of er iemand in de buurt was, en corrigeerde dan zijn richting. Hij vorderde, al was het langzaam. Voor zover hij kon nagaan was hij nu vrijwel midden in het vak. Waar was die schuilplaats nou? Behoedzaam sloop hij verder. Maar hoe omzichtig hij ook te werk ging, er kraakten toch heel wat takjes.

‘Don't move!’

Hij schrok zich lam. De stem kwam van vlakbij. Zachtjes fluisterde hij: ‘Goed volk.’

Waarom hij dat nu zei, wist hij zelf niet. Zeker ergens gelezen, in een Indianenboek. O nee, Jannechien zei het altijd tegen haar hond.

‘Who are you?’

Dat betekende: ‘Wie ben je,’ wist hij van school.

‘Dirks friend,’ zei hij.

‘Where is Dirk?’

Waar Dirk was? In de gevangenis.

‘In prison.’

‘Come closer,’ beval de Engelsman, en Michiel gehoorzaamde door in de richting van de stem te kruipen.

Al gauw zag hij nu een schuin naar beneden lopende gang. Tegen de wand leunde een man van even twintig jaar. Hij had een uniformbroek aan, waarvan één pijp was afgeknipt om ruimte te maken voor het gips, waar zijn hele been ingepakt zat. Hij had zijn rechterarm in een doek. Los over zijn schouders hing het jasje van zijn uniform. Hij had een woeste baard en in zijn linkerhand hield hij een pistool. Met dat pistool gebaarde hij Michiel het hol in te gaan. 't Was er donker, maar nadat Michiels ogen aan

[p. 38]

de duisternis waren gewend, bleek er toch voldoende licht door de ingang te komen om te kunnen zien hoe het hol was gebouwd. Kennelijk was er eerst een diep, breed gat gegraven. Tegen de wanden waren balkjes gezet om instorten te voorkomen. Daarop was een groot houten schot gelegd, de zijwand van een schuurtje of iets dergelijks. Daar weer op lag bosgrond, waarin een paar armetierige sparretjes groeiden. Blijkbaar was er toch te weinig aarde voor ze om goed wortel te kunnen schieten.

Het hol was ongeveer twee bij drie meter en een kleine twee meter hoog. Een mooi stuk werk van Dirk, dat wel, maar om er nu dag en nacht in door te brengen, en dat nog wel met zo'n gammel lijf... Langs een van de wanden, aan de meest beschutte kant, lag een hoop dorre bladeren met een paar paardendekens erop. Michiel zag een veldfles, een mok, een versleten wollen sjaal, dat was ongeveer alles. Mijn hemel, huisde die man hier al wéken?

Met enige moeite begonnen ze een gesprek. De piloot begreep dat hij langzaam moest spreken en Michiel pijnigde zijn hersens om zoveel mogelijk van zijn op school geleerde Engels op te diepen. Het lukte. De piloot, die doodgewoon Jack bleek te heten, was de koning te rijk dat hij eindelijk weer een beetje met iemand kon praten. Want met Dirk, die na de lagere school nooit meer een leerboek had gezien, was de conversatie erg moeizaam geweest. Maar toen hij hoorde dat Dirk gepakt was bij een overval en blijkbaar had doorgeslagen, werd hij erg ongerust. Over Dirk, maar ook met het oog op zijn eigen veiligheid. Zou Dirk ook iets over het hol hebben verteld?

Ongerust of niet, hij liet zich de ham goed smaken. Hij bleek geen druppel water meer te hebben en Michiel begreep dat hij iets te drinken mee had moeten brengen. Daar had hij geen seconde aan gedacht.

Of hij morgen terug kon komen, met meer voedsel en iets te drinken? vroeg Jack.

[p. 39]

‘Oké,’ zei Michiel, want dat gevleugelde Amerikaanse woord was allang in Nederland bekend. Als ik morgen niet bij Dirk in een cel zit, dacht hij erbij, maar hij zei niets, al was het maar, omdat het zo ingewikkeld was in het Engels.

De piloot wees hem het ‘pad’, nou ja, het gangetje, waardoor Dirk gewoonlijk kroop en dat maakte het inderdaad iets makkelijker om weer uit het sparrenveld te komen.

Wees voorzichtig als de slangen, had Michiel in de catechisatieles geleerd. Daarom keek hij omstandig om zich heen voor hij zijn fiets uit de struiken viste. Daarom zorgde hij ervoor dat niemand hem het bos uit zag komen. Daarom ook ging hij niet rechtstreeks naar huis, maar bracht eerst een bezoekje aan Knopper. Hij zei hoe erg hij het vond van Dirk. Knopper en zijn vrouw waren nog tamelijk overstuur. Het was gemakkelijk het gesprek op huiszoekingen te brengen - feitelijk praatten ze nergens anders over.

‘Zijn er vandaag nog huiszoekingen gedaan in het dorp?’ vroeg Michiel.

‘Niet dat ik weet,’ zei Knopper.

‘Ik ben altijd bang dat ze m'n vader komen halen,’ zei Michiel.

‘Dat kan ik me voorstellen. Nu ze onze Dirk...’

Hij begon weer over zijn eigen ellende - begrijpelijk trouwens.

Michiel was nu vrij zeker dat de Duitsers die dag niet bij hen thuis waren geweest. Anders hadden de buren het beslist geweten. Toch was hij behoorlijk zenuwachtig toen hij zijn fiets in de schuur zette en door de achterdeur de keuken in kwam. Maar zijn moeder zei heel gewoon: ‘Ha, Michiel, wat heb je de hele dag uitgespookt, jongen?’

Dat was dus voorlopig in orde.

‘Niks bijzonders. Ik heb wat geklooid hier in de buurt,’ zei hij. Zijn moeder nam genoegen met dit nietszeggend antwoord.

De avond ging voorbij. Michiel voelde een haast onweerstaan-

[p. 40]

bare drang om iemand in vertrouwen te nemen, zijn vader, of zijn moeder, of oom Ben, maar hij weerstond die drang. ‘Een goede verzetsstrijder is eenzaam,’ had hij zijn vader eens horen zeggen. ‘Hij is alleen met zijn taak en met wat hij weet.’ Michiel wist heel goed dat hij nu was verwikkeld in grotemensenwerk; er stonden levens op het spel. Welnu, hij had er altijd een hekel aan gehad als kind te worden behandeld - hij zou zich als een man gedragen. En daarom zei hij niets. Ook al verwachtte hij dat zijn moeder de zorgen zo van zijn gezicht kon lezen en ieder ogenblik kon zeggen: ‘Michiel, waar pieker je over’ - ook al meende hij in ieder geluidje een overvalwagen te horen - ook al vroeg hij zich af hoe hij in de komende weken steeds aan eten voor Jack moest komen - hij zweeg.

terug  begin  verder