terug  begin  verder

[p. 41]

5

Gemakkelijk was het zeker niet. Om de dag ging Michiel naar de piloot Jack. Vele waren de smoesjes die hij moest verzinnen om aan eten te komen. Talloos waren de uitvluchten die hij bedacht om zijn afwezigheid te verklaren. Het was niet zo moeilijk voor hem, als zoon van de burgemeester, om voedsel te kopen bij de boeren. Het was ook niet zo'n ramp dat het een aardige deuk sloeg in zijn spaargeld, verdiend in het afgelopen jaar met allerhande karweitjes. 't Was voor het goeie doel. Bovendien zei iedereen, dat het geld na de oorlog weinig meer waard zou zijn. Het probleem was dat zijn ouders niet te horen mochten krijgen, dat hij her en der etenswaren insloeg, terwijl hij ze niet thuisbracht. Uit voorzorg scharrelde hij af en toe wat extra's op en bracht dat inderdaad thuis. Verder zocht hij het in verafgelegen boerderijen, bij boeren, die niet zoveel contact hadden met het dorp.

Al met al was het een heel werk. Maar Michiel was al zielsblij dat de Duitsers hem niet waren komen halen. Blijkbaar had Dirk zijn naam niet genoemd. Daar was Michiel hem dankbaar voor. Misschien, overwoog hij, heeft Dirk de naam van Bertus Hardhorend genoemd, omdat die niets op zijn geweten had, en er bij hem niets gevonden kon worden. Dan wordt hij op den duur wel losgelaten. En dan rekent Dirk erop dat ik Jack in leven houd, dacht hij trots. O nee, dat klopte toch niet. Want Dirk wist niet beter of hij zou de brief meteen naar Bertus hebben gebracht. Of had Dirk zo snel doorgeslagen, dat hij meende dat ze Bertus al te pakken zouden hebben vóór hij, Michiel, de brief had afgeleverd? Diep in zijn hart vond Michiel dat Dirk het wel erg gauw had opgegeven, maar hij wilde die gedachte niet aan de oppervlakte laten komen. Wat zou hij zelf doen als ze hem de tanden uit zijn mond sloegen, of erger?

[p. 42]

Intussen werd Jack er niet gemakkelijker op. Hij verveelde zich, en hij maakte zich er zorgen over dat de wond aan zijn schouder niet sneller genas. De omstandigheden waren er dan ook niet naar. Het koude, vochtige hol, met een berg bladeren als bed - niet direct een ziekenhuis waar een rijksinspecteur voor de volksgezondheid over in extase zou raken.

Michiel deed wat hij kon. Om te beginnen snaaide hij uit zijn vaders boekenkast een aantal Engelse boeken, die een beetje achteraf stonden en niet zo gauw gemist zouden worden. Waar die boeken over gingen, daar lette hij niet zo op. Jack keek dan ook eerst wel vreemd op toen hij een boek kreeg over de natuurgeneeswijze in de vorige eeuw, met mooie afbeeldingen van het schommelbad, het stoombad en het stortbad, en zelfs een gesloten enveloppe erin voor studenten boven de achttien (daar zaten plaatjes in, medisch verantwoord, van die delen van het lichaam, waaraan je kunt vaststellen of je nieuwe baby een jongetje is of een meisje - tja, een boek uit 1860), en een boek over stoomgemalen, en goddank een detective van Agatha Christie, en een verhandeling over de explosiemotor, en nog zo het een en ander. Jack stelde vast dat burgemeester Van Beusekom een brede belangstelling had, maar hij was erg blij met de boeken en leerde ze praktisch van buiten, uit enthousiasme, dat hij weer eens iets kon lezen in zijn eigen taal.

Verder probeerde Michiel het leven van zijn ‘logé’ wat geriefelijker te maken. Een bed kon hij met geen mogelijkheid ongemerkt naar het hol slepen, maar hij bracht meer oude dekens en hij zag zelfs kans een klapstoeltje mee te brengen. Ook zorgde hij dat er van lieverlee planken, spijkers en een hamer kwamen, en op een dag dat er houthakkers in het bos waren, zodat een paar klappen meer of minder niet opvielen, timmerde hij een deur in elkaar, waarmee de koude ingang van het hol kon worden afgesloten. 't Was jammer dat Jack dit afleidende werkje niet zelf kon doen, maar dat stond zijn gewonde schouder niet toe.

[p. 43]

Ondanks al deze moeite werd Jack langzaamaan erg neerslachtig. Met de wond aan zijn schouder ging het eerder slechter dan beter. Het verband was vuil. Eenmaal had Michiel kans gezien een zwachtel op te scharrelen. Daarmee hadden hij en Jack in eendrachtige onkunde de wond opnieuw verbonden. Michiel was behoorlijk geschrokken van de lelijke plek. En toen het steeds maar niet beter ging, begreep hij dat de schouder deskundiger verzorgd moest worden. Maar hoe? Van de huisartsen in de Vlank en de omtrek was er niet één die hij blindelings vertrouwde. De wijkverpleegster? Hij wist weinig van haar. Verpleegster! Dat 'ie daar niet eerder aan had gedacht. Zijn eigen lieve krengige zusje Erica was vorig jaar leerling-verpleegster geweest in Zwolle. Dat was nu natuurlijk afgelopen, maar ze had er in ieder geval meer verstand van dan hij.

Kon hij Erica vertrouwen?

Natuurlijk kon hij Erica vertrouwen, wat was dat nou. Hij was bezig zo achterdochtig te worden, straks dacht hij nog dat zijn eigen moeder een Duitse spionne was.

Zou Erica het willen?

Zou Jack het willen?

Was het verantwoord om Erica te verklappen, waar de schuilplaats was?

Kon hij Jack tijdelijk buiten de schuilplaats brengen?

Hé, hoe was Jack met zijn gipsen been en kaduke arm eigenlijk in de schuilplaats gekomen? Hij vroeg het de piloot.

‘Vraag dat niet,’ zei die en hij trok zijn gezicht in een pijnlijke plooi. Hij vertelde hoe Dirk hem op zijn zij, trekkend aan z'n goeie been, tussen de stammetjes door had gesleept. Hij ging nog liever bij de Gestapo op de pijnbank dan dat hem dat nog eens overkwam.

Dat laatste was een wrang grapje, maar aangenaam was het tochtje kennelijk niet geweest.

‘De oorlog zal nu wel gauw afgelopen zijn,’ zei Michiel. ‘In

[p. 44]

Nederland heeft hij vandaag precies vier en een half jaar en één dag geduurd.’

‘O,’ zei Jack. ‘Hoeveel minuuts?’

Hij begon al een aardig mondje Nederlands te spreken. Michiel had, behalve het studiemateriaal over explosiemotoren en dergelijke, een boekje gevonden, geschreven door Philip Oppenheimer. Ze hadden daarvan thuis zowel een Engels als een in het Nederlands vertaald exemplaar, en hij had beide meegebracht. In zijn strijd tegen de verveling zat Jack daarin ijverig te studeren. Hij had het opgegeven een bruikbare natuurgeneeswijze uit het boek met het schommelbad op te diepen.

‘We moeten iemand bij je wond halen,’ zei Michiel.

‘Kan niet,’ zei Jack droog.

‘Moet,’ stelde Michiel nog droger vast.

Jack haalde zijn schouders op. Dat bezorgde hem zo'n pijn dat er enkele woorden uit zijn mond rolden die verre van droog waren. ‘Ik bedoel maar,’ zei Michiel.

Jack keek nors naar het groezelige verband.

‘How jij denk dat te doen? Jij iemand haal van Deutsch militair hospitaal?’

‘M'n zuster,’ zei Michiel.

‘Your sister?’ zei Jack, die meende dat hij het wel verkeerd begrepen zou hebben.

‘Ja, m'n zuster. M'n zuster is verpleegster.’

Hij zei er maar niet bij dat Erica's ervaring met de geneeskunde niet veel verder strekte dan het legen van po's en het aanleggen van thermometers.

‘Kun jij haar trusten, I mean betrouwen?’

Michiel keek beledigd.

‘Onze witte muizen zijn zelfs te vertrouwen,’ zei hij.

‘Ik meen,’ verbeterde Jack, ‘kan zij dragen de... well, responsibility?’ Daar moest Michiel even over nadenken. Kon Erica ver-

[p. 45]

antwoordelijkheid dragen? Feitelijk deed ze nooit veel meer dan giechelen met haar vriendinnen, wat soms ontaardde in een uitzichtloze slappe lach, waar Michiel voor op de vlucht sloeg, en verder borstelde ze eindeloos haar haren voor de spiegel. Ze hielp moeder ook wel, overwoog hij. En de vorige dag had ze net aangekondigd dat ze zou worden ingeschakeld bij het een of andere hulpcomité - wat het precies was, wist hij niet. Maar verantwoordelijkheid dragen? Nee, dat zou ze vast niet kunnen.

‘Nou,’ zei Jack, ‘dan het gaat niet door.’

‘Wacht eens even,’ opperde Michiel, ‘als jij nou niet dat uniformjacket draagt, maar een gewoon jasje dat ik voor je zal meebrengen, en je houdt je tetter dicht, dan komt ze er niet achter dat je een Brit bent. Als ik haar dan ook nog blinddoek voordat we hier bij de jonge aanplant zijn, en ook weer bij het weggaan, dan is het veilig genoeg om het erop te wagen.’

‘Wat is mijn tetter?’

‘Je waffel.’

‘Wat is mijn waffel?’

‘Het ding dat je moet dichthouden.’

‘Dus mijn tetter zijn mijn oors,’ stelde Jack vast. ‘Als jij praten ik best dichthouden mijn oors.’

Michiel lachte.

‘Hé,’ zei Jack, ‘jouw sister doen precies wat jij zeggen? Engelse sisters niet doen wat Engels broers zeggen.’

‘Ik denk het wel,’ zei Michiel luchtig.

 

En warempel, ze deed het. Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht misschien, maar ze deed het.

‘Die blinddoek, da's natuurlijk wel avontuurlijk en zo,’ zei ze, ‘maar denk je niet dat het een beetje gek staat als ik met een blinddoek over straat ga?’

‘Die krijg je pas om als we het bos ingaan.’

[p. 46]

‘Maar dat hoeft toch niet. Als we in het bos zijn, hou ik mijn ogen dicht en dan lopen we stijf gearmd, alsof we een vrijend paartje zijn, door de...’

‘Ik vrij niet met m'n zuster,’ zei Michiel.

‘Ik denk dat je met niemand vrijt,’ veronderstelde Erica. ‘Wat doet dat er nou toe, joh. We doen toch net alsof! Wie is die gewonde eigenlijk?’

‘Dat mag je niet weten. Ik bedoel, het heeft geen zin om het te weten. Hoe meer je weet, hoe gevaarlijker het is. Je moet me ook beloven dat je geen woord tegen hem zult zeggen.’

Michiels stem klonk heel ernstig. Volwassen, dacht Erica. Hij lijkt een volwassen man nu.

‘Ik beloof het,’ zei ze.

‘Beloof je ook dat je je ogen dicht zult houden in het bos?’

‘Ik zweer het.’

Ze stak twee vingers omhoog, maar daar raakte Michiel niet van onder de indruk. Hij had Erica zijn hele jeugd zien zweren, met wisselende betrouwbaarheid. Nou ja, hij moest het er maar op wagen.

‘Heb je verbandspullen?’ vroeg hij.

Erica knikte.

‘Hoe kom je daar aan?’

‘O, daar heb ik mijn geheime bronnen voor.’

‘Oké, je hoeft niet alles te vertellen - doe ik ook niet.’

De volgende morgen bracht Michiel een zeer oud jasje, waar al eens een kip twaalf kuikens op had uitgebroed, naar de schuilplaats. 's Middags gingen ze samen op pad. Michiel nam de voorzorgsmaatregelen die hij zich tot een gewoonte had gemaakt. Ze reden een eind om, hij lette goed op wie hen onderweg zag, en hij ging het bos niet in voor hij goed om zich heen had gekeken en zeker wist dat er niemand in de buurt was. Erica vond het overdreven. Wat zou dat nou als iemand hen het bos in zag gaan?

[p. 47]

Enfin, Michiel was altijd al veel meer een Pietje precies geweest dan zij. Ze moest het in vredesnaam maar aan hem overlaten. Hij trok zich trouwens toch niks van haar gesputter aan.

In het bos verstopten ze hun fietsen tussen de struiken en gingen te voet verder. Bepaald houterig gaf Michiel zijn zuster een arm. In één opzicht is hij veertig, in een ander tien, dacht Erica. Van tijd tot tijd keek haar broer opzij om erop te letten of zij haar ogen wel dichthield. Ze deed haar best.

Na een tijdje fluisterde Michiel: ‘Nu bukken. Juist, op je knieën. Je mag je ogen opendoen als je belooft recht vooruit te kijken naar mij. Ik ga je voor.’

In de tijgersluipgang bereikte de colonne van twee personen en twee tassen de schuilplaats. Michiel kondigde hun komst aan door gebrekkig een merel na te doen, wat werd beantwoord door het geluid van een vink dat net echt leek.

Toen Jack Erica zag, zei hij bewonderend: ‘Boy!’ waarmee hij tot uitdrukking wilde brengen dat hij haar niet een boy, maar juist heel erg een meisje vond.

Michiel gaf hem waarschuwend een schop tegen zijn gezonde been, waarna Jack zijn mond stijf dichthield. Met vaardige vingers begon Erica het verband los te maken. Toen Michiel dat een week eerder had gedaan, waren geregeld jammerklachten van Jack te horen geweest, maar nu gaf hij geen kik. Kun je nagaan hoe goed ze is, dacht Michiel met broederlijke trots. Hij had er geen idee van dat een man niet kermt in de aanwezigheid van een mooi meisje, en dat Erica een mooi meisje zou kunnen zijn, was helemáál nog nooit bij hem opgekomen.

Intussen was Erica met een watje, dat ze steeds bevochtigde met een doorzichtige vloeistof uit een flesje, de randen van de wond aan het schoonmaken. Daarna bestrooide ze het rauwe vlees met een desinfecterend poeder en bedekte het geheel met een steriel stuk gaas. Een schoon verband erom en Jack zag er heel wat

[p. 48]

piekfijner uit dan een half uur tevoren. Hij keek echt gelukzalig en had kennelijk moeite om niks te zeggen.

‘Hoe lang zit dat been al in het gips?’ vroeg Erica.

‘Vijf weken,’ zei Michiel. ‘'t Moet nog drie weken blijven zitten.’

Erica knikte deskundig.

‘Ik zal het eraf komen halen,’ zei ze. ‘Trouwens, het verband moet minstens eenmaal per week vernieuwd worden. Volgende week kom ik terug.’

Jack knikte enthousiast.

‘Afmars,’ zei Michiel humeurig. Hij vond dat er veel te veel gepraat werd en de aankondiging van een vast bezoekschema stond hem ook niet aan. Daar zou hij thuis wel een hartig woordje met Erica over praten.

Ze vertrokken en zonder moeilijkheden bereikten ze het ouderlijk huis.

‘Iedere week bezoeken, daar komt niks van in,’ zei Michiel.

‘Wat zei je?’ vroeg Erica afwezig.

‘Je gaat er niet nog eens heen.’

‘Waarom niet? Heb ik het niet goed gedaan?’

‘Jawel. Maar het is al gevaarlijk genoeg dat ik er geregeld naar toe moet.’

‘Goed hoor. Jij bent de baas.’

Michiel keek haar onderzoekend aan. Er lag een ernstige trek op haar anders zo olijk gezicht. Ze voelde dat ze iets had gedaan wat de moeite waard was, iets belangrijks. En ze was er stil van dat haar ‘kleine broertje’, zoals ze hem vaak spottend noemde, dit soort dingen blijkbaar allang deed. Hij was echt een kerel, vond ze. Ze gaf hem een kneepje van verstandhouding in zijn hand en ging naar haar kamer. Soms is het toch niet gek om een zuster te hebben, dacht Michiel.

 

Het bleek dat de verzorging van zijn blessure Jack niet alleen licha-

[p. 49]

melijk, maar ook geestelijk had opgemonterd. Toen Michiel twee dagen later bij hem kwam, was hij ongemeen opgewekt en hij zei dat hij zich kiplekker voelde. Alleen was er één ding dat hem kwelde: zijn moeder. Kijk eens hier, zijn moeder woonde in Nottingham en hij was het enige wat ze nog had. Twee zusjes vóór hem waren bij hun geboorte gestorven, heel verdrietig was dat. Hij had het net gehaald, en of Michiel zich voor kon stellen dat zijn moeder hem als een kasplantje had proberen te beschermen tegen ieder zuchtje wind? Dat was ook de reden, waarom hij zich als vrijwilliger had opgegeven voor de luchtmacht - hij had er genoeg van om zo in de watten te worden gelegd; dát, en nog een andere reden.

‘Welke?’ vroeg Michiel.

Het Nederlands ging Jack nog niet zo goed af. Hij verviel weer in het Engels en vertelde: ‘Mijn vader is gesneuveld in Duinkerken, in het begin van de oorlog, in 1940. Hij is met een bootje overgevaren om soldaten uit Frankrijk terug naar Engeland te brengen, je weet wel, toen de moffen als een trein door Frankrijk gingen en tienduizenden Engelse militaire klem kwamen te zitten.’

Michiel knikte.

‘Bom op het bootje,’ zei Jack. ‘Voltreffer. Nooit meer iets van teruggevonden. Ik vond het erg treurig, maar mijn moeder is er praktisch kapot aan gegaan.’

‘En nu is je moeder ongerust over jou.’

‘Ongerust? Ik denk dat ze geen nacht slaapt, dat ze nog negentig pond weegt, dat ze volkomen grijs is geworden en dat ze de beklagenswaardigste stumper van Engeland is. Ze hebben mij natuurlijk als vermist opgegeven. Meestal betekent dat dat je de pijp uit bent, maar het komt ook voor dat er ineens een berichtje van zo'n vermiste komt, dat 'ie in krijgsgevangenschap zit.’

‘Dus zit je moeder iedere morgen op de stoep van het postkantoor?’

[p. 50]

‘Nou ja, zulke berichten komen meestal binnen via het Rode Kruis, dus zal ze daar wel op de stoep zitten. Maar zie je, het gaat me toch aan m'n hart van dat goeie mens. Weet jij geen manier om haar een briefje te sturen?’

Michiel zuchtte eens diep. 't Was niet eenvoudig om de zorg voor een piloot op je nek te hebben.

‘Ik zal erover denken,’ zei hij. ‘Hoe vond je m'n zuster?’

Jack klakte met zijn tong. ‘Top,’ zei hij. ‘En m'n schouder voelt veel beter. Wat zonde dat ik niks tegen haar mocht zeggen.’

‘Zo is het leven in de bezette gebieden,’ zei Michiel filosofisch. ‘Heeft 's konings dienaar verder nog wensen?’

‘Nee hoor, dit is het beste hotel dat ik ken. Alleen m'n moeder, als je daar...’

‘Ik zal erover denken,’ herhaalde Michiel.

Hij liet zich op handen en voeten zakken en begon aan de terugtocht.

 

Potverdikkie, hoe kreeg hij een brief naar Engeland? Vanzelfsprekend was er sinds de bezetting geen postverkeer met Duitslands vijanden meer mogelijk. Hij kon natuurlijk contact zoeken met de ondergrondse. Hij vermoedde bijvoorbeeld dat Dries Grotendorst iets met de ondergrondse strijdkrachten te maken had, maar hij wilde zichzelf niet blootgeven. ‘Een goede verzetsstrijder is eenzaam; hij is alleen met zijn taak en met wat hij weet,’ herhaalde hij steeds bij zich zichzelf. Maar het beeld van de moeder van Jack op de stoep van het Rode Kruis liet hem niet los. Wat kon hij doen? Hij wist wel een methode, maar was die verstandig? Hij had er onmiddellijk aan gedacht, toen Jack over een brief naar Engeland begon: oom Ben. Die wist iets van ontsnappingsroutes - dan zou 'ie toch ook wel een briefje in Engeland kunnen krijgen? En toch... het betekende dat hij, na Erica, wéér iemand in vertrouwen moest nemen.

[p. 51]

Maar ja, Jack hield aan, en al gauw kwam het moment dat hij door de knieën ging en zei: ‘Schrijf het briefje dan maar. En zet er vooral niets in wat een aanwijzing kan zijn voor waar je bent.’

‘Oké,’ zei Jack, en hij schreef dat hij springlevend was en niet in handen van de Duitsers en dat hij een beetje gewond was maar niet erg en dat er voor zijn moeder geen enkele reden was om zich zorgen te maken en dat hij prima verzorgd werd door een aardige jongen (a fine young man) van zestien jaar. Dat laatste was erg vleiend, vond Michiel, maar het was nergens voor nodig, dus het moest er uit. En of Jack nou hoog of laag sprong (met het oog op het gips sprong hij helemaal niet), de brief moest over.

Twee dagen later verscheen oom Ben in huize Van Beusekom. Michiel lokte hem mee voor een wandelingetje en zei: ‘U hebt me indertijd verteld over ontsnappingswegen voor Engelse militairen. Zou u een brief in Engeland kunnen krijgen?’

Oom Ben keek Michiel vorsend aan.

‘Wat voor brief?’

‘Van papier.’

Oom Ben grinnikte. Maar niet lang. Zijn gezicht werd ernstig. Hij pakte Michiel bij zijn bovenarm en zei: ‘Je wilt me toch niet zeggen dat je je met ondergrondse activiteiten inlaat?’

‘Nee. Een kennis van een broer van een kennis van me wil die brief verstuurd hebben. Kunt u ervoor zorgen of niet?’

‘Wie is die kennis die een broer heeft?’

‘Niet dus,’ besloot Michiel, die onder geen voorwaarde uitgehoord wilde worden. ‘Het wordt al aardig fris, vindt u niet?’

‘Sakkerloot,’ mompelde oom Ben, ‘jij bent uit het juiste hout gesneden. Geef maar op, die brief.’

Michiel haalde hem uit zijn zak.

‘Alstublieft.’

‘Dank je.’

Verder werd er met geen woord over de transactie gesproken.

[p. 52]

‘De brief is op pad,’ zei Michiel tegen Jack, en toen driftig: ‘je verband is vernieuwd!’

Jack knikte aanminnig.

‘Erica?’

‘Yes.’

‘Dat onbetrouwbare kreng. Hoe wist ze je te vinden?’

‘Weet niet,’ zei Jack. ‘Waarschijnlijk zij deed niet haar ogen zo erg goed dichthouden, de andere keer. Ze vond nodig dat het verband weer nieuw worden en ze denken dat jij niet goed vinden. Daarom zij komen op eigen..., op eigen...’

‘Houtje,’ bromde Michiel. ‘Dus jullie hebben met elkaar gesproken ook?’

Jack keek schuldbewust.

‘Ze weet dat je een piloot bent?’

‘Ik ben bang zij heeft geraden. Zij niet achterlijk, you know. Mij Nederlands erg goed, maar het mogelijk dat enkel woordje...’

‘Ach man, hou toch op. Om het andere woord dat je zegt is zo Engels als koningin Victoria. Nou, hou er maar rekening mee, dat ze je vandaag of morgen komen halen. Op zo'n manier zie ik geen kans om voor je veiligheid te zorgen. En Erica en ik, en mijn vader waarschijnlijk ook, gaan tegen de muur. Poef poef poef. Drie-nul.’

‘Erica toch niks zeggen.’

‘Nee, ze zegt niks. Maar ze is niet voorzichtig. Ze let niet op of iemand haar ziet. Ze maakt herrie. Ze laat sporen achter. Wanneer een man als Schafter haar het bos in ziet gaan, krijgt hij onmiddellijk achterdocht.’

‘Wie is Schafter?’

‘Ach, laat maar. Een NSB'er. Eén van de velen. Nou, ik zal Erica op haar duvel geven. Misschien hebben we geluk en redden we het nog.’

‘Zei je dat de brief weg was?’

‘Hij is weg. Veilig, dacht ik. Nou, tot kijk.’

[p. 53]

‘Bye.’

Michiel gaf Erica op haar duvel, dat wil zeggen, hij schold haar de huid vol, fluisterend, omdat zijn moeder in de kamer ernaast was. Nou moet je eens proberen iemand fluisterend uit te schelden. Dat is net zo iets als woedend de deur met een klap achter je dichtgooien en dan terug moeten, omdat je je handschoenen hebt laten liggen - je maakt jezelf een ietsje pietsje belachelijk. Michiel kon dan ook geen vat op zijn zuster krijgen. Ze keek schuldbewust naar de derde knoop van haar vest en ze zwoer iets te luchthartig dat ze het niet weer zou doen. En toen Michiel even zweeg om adem te halen, zei ze, dat de wond er beter uitzag en of dat niet fijn was. Nou ja, dan ben je uitgefluisterd, nietwaar?

Michiel drukte haar nog eens op het hart om tegen niemand, zelfs tegen hun eigen vader niet, iets te zeggen, en dat was dat. Een week of wat gingen voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde, dat wil zeggen iets wat nog bijzonderder was dan de gebeurtenissen van iedere dag. En toen kwam oom Ben weer eens aanzetten; hij nam op zijn beurt Michiel mee voor een ommetje en vroeg: ‘Zie jij die kennis van die broer van een kennis van je nog wel eens?’

Alles wat Michiel aan stekels had sprong overeind.

‘Nee,’ zei hij stug.

‘Dâ's dan jammer,’ zei oom Ben. ‘Ik heb een brief voor hem van zijn moeder. Maar ja, dan kan die niet bezorgd worden. Wat zal ik ermee doen? Weet je wat, ik steek hem onder dit loszittend stuk schors. Dan ben ik hem kwijt.’

Hij stapte naar een boom toe en stak een brief onder de schors. Daarna keerde hij zich om en liep zonder verder een woord te zeggen terug naar huis. Stomverbaasd pakte Michiel de witte enveloppe. Er stond niets op. Wat was dit voor geks? Kon dit een brief voor Jack zijn? Tja, het kon natuurlijk. Het was mogelijk dat zijn oom een afzendadres op Jacks brief had geschreven en dat hij op

[p. 54]

die manier ook een antwoord had binnengekregen. Weet je wat, hij ging naar Jack toe.

Met nog meer voorzorgen dan anders ging hij op weg naar de schuilplaats. Veronderstel eens dat er in de enveloppe een onbeschreven brief zat en dat dit allemaal bedoeld was om hem stiekem te volgen naar Jacks schuilplaats? Dan zou oom Ben hem nu proberen te schaduwen. Ach kom, wat was hij achterdochtig. Oom Ben was een machtige kerel.

Inderdaad, dat was hij. Toen Jack de enveloppe had geopend, grijnsde hij breed van plezier. Er zat een dolblije brief van zijn moeder in, die hem al honderd keer dood had gewaand, en een kiekje van haar bij het tuinhekje, en Michiel nam in gedachten diep zijn pet af voor oom Ben, die dat in zo korte tijd voor elkaar had gekregen.

terug  begin  verder