Een novembermorgen in 1944. 't Is doodstil in het dorp. Geen vliegtuig waagt zich in deze dichte, laaghangende bewolking. Auto's zijn er bijna niet meer. De hele nacht heeft het zachtjes geregend. Nu is het vrijwel droog, maar uit de kletsnatte bomen druppelt nog steeds water. Het is windstil. Grijze mistroostigheid, waar je maar kijkt. De straten glimmen van de nattigheid. Een zwarte kat rent huiverend de straat over en verdwijnt in een schuurtje.
Het dorp is in de greep van de angst. Wie niet per se hoeft, komt z'n huis niet uit. Een vrouw op klompen haalt toch nog een paar vergeten, doorweekte kledingstukken van de waslijn. Ze kijkt schuw om zich heen en verdwijnt zo gauw mogelijk weer naar binnen. Waar het vandaan is gekomen weet niemand, maar het gerucht is door het dorp geslopen. Gisteravond, of vannacht, wie weet het, heeft een patrouille in het bos het half vergane lijk gevonden van een Duitse soldaat. Hij moest al wel een week of zes dood zijn, zei men. Doodgeslágen. De Duitsers zouden eerst gedacht hebben dat hij was gedeserteerd, zei het gerucht. Nu wisten ze dat hij was vermoord.
Wat gaat er nu gebeuren? Hoe zullen de Duitsers wraak nemen? Er zijn vreselijke dingen bekend over moordpartijen die zijn aangericht na aanslagen op Duitse militairen. Wat is er waar van dergelijke verhalen? Hoe kunnen de mensen zich verdedigen? Ze kunnen zich immers niet verdedigen. Iedereen houdt zich stil. Niemand wil opvallen. Laag en dreigend hangen de zwarte wolken boven het dorp. De angst schuift er onderdoor, nestelt zich in de straten, in de tuinen, in de huizen. Roerloos wacht het dorp op de dingen die komen moeten.
Om tien uur, die ochtend, raasde een overvalwagen door de Vlank. Nu durven ze, dacht menigeen, nu de zware bewolking hen beschermt tegen de Engelse Spitfires.* Met gierende remmen kwam de auto tot stilstand voor het gemeentehuis. Acht soldaten sprongen eruit. Met hun zware laarzen trapten ze de deur open en gingen naar binnen. Lang duurde het niet. Maar geen ácht kwamen er weer naar buiten; het waren er tien. Tussen de soldaten liepen, de hoofden geheven, de burgemeester en de gemeentesecretaris. Even maar waren ze te zien. Toen sloten zich de deuren van de overvalwagen achter hen. En voort ging het. Naar de dierenarts. Naar de notaris. Naar de rijke boer Schiltman. Naar de hoofdonderwijzer. Naar de dominee. Tien mannen werden uit hun huizen gehaald en weggevoerd naar de kazerne die lag aan de weg naar Zwolle. Niets mochten ze meenemen. Geen woord werd gezegd over wat hun te wachten stond. Hun vrouwen, die tussenbeide wilden komen, werden ruw aan de kant geduwd. Hoe lang duurde de actie? Een uur? Hoogstens. Weg was de auto en de stilte van het dorp veranderde in een zenuwachtig gegons van pratende, huilende, gissende, troostende, bemoedigende, hysterische en machteloze mensen, die bij elkaar in- en uitliepen en niets, totaal niets konden doen.
Gijzeling, heette dat. Iemand die gestraft wordt als een ander iets doet, heet een gijzelaar. Onmiddellijk na het gevangennemen van de mannen maakte de Duitse kazernecommandant bekend, dat hij ze alle tien de volgende morgen zou laten ophangen aan de bomen op de Brink, als de dader of daders van de moord op de soldaat zich voor die tijd niet hadden gemeld.
Erica moest overgeven. Ze kokhalsde letterlijk van angst. Mevrouw Van Beusekom had donkere wallen onder haar ogen.
Haar jukbeenderen leken meer uit te steken dan anders en door een zenuwtrek ging af en toe haar rechter mondhoek iets naar beneden. Maar ze huilde niet. Ze hielp Erica met een nat washandje en een handdoek. Ze gaf Jochem, die niet wist wat er aan de hand was, een mooi, vooroorlogs vel wit papier en een potlood, zodat hij kon tekenen. Daarna kwam ze naast Michiel staan, die in een stoel dof voor zich uit zat te staren.
‘Ik ga erheen,’ zei ze.
‘Waarheen. Naar de kazerne?’
‘Naar de commandant. Ik heb hem tweemaal ontmoet. Hij leek een vrij correcte kerel. Ik zal hem smeken deze zinloze moord niet te begaan.’
‘Zal ik het doen?’ vroeg Michiel.
‘Nee, het lijkt me beter dat ik ga.’
Ze had gelijk, wist Michiel. Natuurlijk zou zijn moeder, als vrouw van de burgemeester, veel meer indruk maken dan hij als blaag van zestien.
Mevrouw Van Beusekom kleedde zich in haar donkerblauwe mantelpakje. Ze poederde de wallen onder haar ogen zo goed mogelijk weg en vertrok naar de kazerne. Michiel keek haar na. Hij had grote bewondering voor haar. Wat kon hij doen? Hij moest nadenken, rustig nadenken. Wie kon die soldaat om zeep hebben geholpen? Ja, hoe vond je dat nu uit. 't Kon wel gedaan zijn door iemand uit een ander dorp, door stropers of zo, die betrapt waren of uit schrik hadden gehandeld. Of zouden de jongens van het ondergrondse verzet... Dat was toch ondenkbaar. Zo stom waren ze niet. Iedereen wist dat het doden van een Duitser vreselijke maatregelen van de Wehrmacht uitlokte. Toch was het mogelijk dat de ondergrondse er iets van wist. Maar hij wist niet wie er in de ondergrondse zaten, behalve dan Dirk en Bertus, en die zaten gevangen. 's Kijken, wie zou er waarschijnlijk inzitten? Michiel liet de mannen van het dorp aan zijn geestesoog voorbij-
trekken. Van Dries Grotendorst wist hij het bijna zeker. Maar Dries was zo'n onbesuisde. Meester Postma! Beslist. Michiel herinnerde zich de vierde klas van de lagere school, waar meester Postma met zoveel vuur en vaderlandsliefde had verteld over de Tachtigjarige Oorlog en de vrijheidsdrang van de Nederlanders. Zijn vader had wel eens spottend opgemerkt dat vrijheidsdrang niet alleen in Nederlandse harten huisde, maar toch... Meester Postma zat vast in de ondergrondse beweging.
Michiel trok zijn versleten jekker aan en ging erheen. Ach wat, sufferd die hij was. Meneer Postma was natuurlijk op school. Wachten dan maar tot twaalf uur. Het wérd twaalf uur en Michiel trof de onderwijzer bij het hek van diens voortuin.
‘Dag meester,’ zei Michiel bedrukt.
‘Dag Michiel.’
Veel vrolijker klonk ook die groet niet. Ze wisten van elkaar dat ze dachten aan de burgemeester en de hoofdonderwijzer en de andere acht mannen.
‘U weet bij geval niet wie die Duitser om zeep heeft geholpen?’ vroeg Michiel.
Meneer Postma schudde het hoofd.
‘En u weet bij geval ook niet wie het hoofd van de ondergrondse in de Vlank is?’
Weer schudde meneer Postma het hoofd, iets langzamer nu dan eerst. Michiel keek hem strak aan.
‘Mocht u hem per ongeluk tegenkomen, wilt u hem dan een boodschap van me overbrengen?’
Meneer Postma zei niets.
‘Wilt u hem zeggen dat de dader van die aanslag zich vandaag bij de Duitsers moet, beslist móét melden?’
Haast onmerkbaar knikte meneer Postma.
‘Ik wens jou en je moeder allemaal sterkte,’ zei hij. ‘En nu moet ik er snel vandoor,’ vervolgde hij met een heel klein lachje, dat je
met een boel fantasie voor een lachje van verstandhouding zou kunnen houden. ‘Dag Michiel.’
‘Dag meester.’
Met een vlammetje hoop ter grootte van een glimworm liep Michiel naar huis. Daar zat zijn moeder op een keukenstoel niks te doen. De commandant had haar niet te woord willen staan.
Traag kroop de dag voorbij. Het weer bleef miezerig. De stroom trekkers was minder groot dan anders. Hadden de mensen gehoord wat er gaande was en meden ze het dorp? Of zat het 'm in de motregen? Al met al passeerden er toch nog honderden de Zuiderzeestraatweg, die dag. Er was een oude man die een wagentje voort trok. Een soort strandwagen op vier houten wielen, geschikt om een tweeling van anderhalf jaar in te vervoeren. Nu zat er geen tweeling in maar een zak aardappelen. Vlak voor het burgemeestershuis brak een wiel finaal in tweeën. De oude man was niet tegen de situatie opgewassen. Hij stond doelloos aan het wagentje te sjorren, alsof daardoor het wiel weer heel zou worden. Ten slotte ging hij op een paaltje zitten en keek mistroostig voor zich uit.
Michiel ging er heen. Zijn hoofd stond er niet naar, maar hij was er zo aan gewend geraakt trekkers te helpen, dat zijn benen er haast vanzelf naar toe liepen.
‘Wiel gebroken,’ stelde hij vast.
De oude man knikte.
‘Zullen we het laten repareren?’
De man keek verrast op. Die mogelijkheid was nog niet bij hem opgekomen.
‘Kan dat dan?’ vroeg hij hoopvol.
‘Misschien,’ zei Michiel. ‘Wacht even.’
Hij ging naar de schuur en zocht wat gereedschap. Zonder veel moeite kon hij daarmee het kapotte wiel van de as krijgen.
‘Als u hier wacht, ga ik ermee naar de wagenmaker. Goed?’
De oude man knikte weer. Hij zag er niet uit alsof hij het buskruit had uitgevonden.
Michiel sprong op zijn fiets. De wagenmaker keek hem schuw aan toen hij de werkplaats binnenkwam. Alsof hij iemand was uit een sterfhuis. De man was direct bereid zijn andere werk te laten liggen en het wiel te repareren. Griezelig vond Michiel het. Het leek wel of hij een laatste wens had uitgesproken, zo voorkomend was de wagenmaker. Een half uur later was het wiel klaar. Michiel fietste terug. Ineens realiseerde hij zich dat hij over de Brink reed. Zeven grote kastanjebomen stonden roerloos in de motregen. Genoeg zware zijtakken om tien mensen aan op te hangen. Maar dat kón toch niet. Het was toch ondenkbaar dat ze zijn vader, zijn deftige, knappe, aardige vader een touw om zijn nek zouden doen en... Dat mocht niet. Dat kón niet.
Het kon, wist Michiel. Het was eerder gebeurd, met minder reden.
In een Frans dorp hadden ze eens alle mannen opgehangen aan de lantaarnpalen, had hij gehoord. En nog vers in zijn geheugen stond het verhaal dat een van de trekkers, die een nacht bij hen had doorgebracht; had verteld. De SS had een inval gedaan in een huis in Gouda, of in Woerden, ergens in die buurt. Een vader, moeder en zes kinderen. Ze hadden wapens gevonden. Toen hadden ze het hele gezin mee naar de tuin genomen en voor de ogen van de moeder en de jongste kinderen de vader en de twee oudste zonen doodgeschoten.
Het gebeurde, vaker en vaker naarmate het zekerder werd dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen. Michiel slikte. Hij had een gevoel alsof hij zijn tong moest uitspuwen. Met geweld rukte hij zijn ogen los van de kastanjebomen en ging verder. De oude man zat nog net zo op het paaltje. Er kwam een verheugde trek op zijn gezicht toen hij zag dat het wiel heel was.
‘Hoe is het mogelijk,’ mompelde hij.
‘Met een paar krammen en een nieuwe ijzeren band.’
‘Buitengewoon. Hoeveel krijg je van me?’
‘Drie gulden.’
‘Alsjeblieft. En twee kwartjes voor jou erbij.’
Daar moest Michiel toch even om glimlachen. Twee kwartjes verdiend. Stel je voor dat hij geld ging vragen voor de karweitjes die hij voor de mensen opknapte. Hoeveel zou hij dan moeten vragen voor het verzorgen van Jack? Maar hij bedankte gewoon en stopte het geld in zijn zak.
‘U kunt weer rijden, meneer.’
De oude man legde even een hand op Michiels arm.
‘Die aardappelen zijn voor mijn dochter en haar twee jongens,’ prevelde hij. ‘Ik hoop dat ze nog leven als ik thuiskom.’
‘Waar woont u?’
‘In Haarlem.’
Lopend naar Haarlem, met een karretje aardappelen. Honderddertig kilometer!
‘Hoe oud bent u, meneer?’
‘Achtenzeventig. God zal het je lonen, mijn jongen.’
Hij nam de trekboom van de wagen en slofte weg. Onder zijn kletsnatte hoedje was een rand grijs haar zichtbaar.
Michiel oogde hem na.
Wat is oorlog wreed, dacht hij.
Voor de tien gegijzelde mannen zullen die avond en nacht niet gemakkelijk zijn geweest, voor hun vrouwen en kinderen waren ze het evenmin. De Van Beusekoms hadden maar vier gasten. Twee achternichten van een jaar of dertig, ongetrouwd, een oudburgemeester die nog tegelijk met meneer Van Beusekom had gestudeerd, en een echte tante. De gasten voelden dat ze te veel waren en hielden zich muisstil. Michiel vulde de carbidlamp en
stak hem aan. Daarna haalde hij melk. Ineens bedacht hij met schrik dat hij totaal vergeten was naar Jack te gaan. En de vorige dag was hij ook niet geweest. Nu kon het niet meer. Hij zou nooit voor achten binnen zijn en hij kon zijn moeder niet nog angstiger maken. Jakkes, wat vervelend nou. Om zijn ellende met iemand te delen, fluisterde hij tegen Erica: ‘Ik ben vergeten naar Jack te gaan.’
‘Dat geeft niet,’ zei Erica zachtjes.
‘Wat?’
‘Ik ben geweest. Ik heb iets te eten voor hem meegenomen.’
Potverdikkie, die Erica. Ze deed precies wat ze wou.
‘Heb je hem verteld van vader?’
‘Nee. Hij heeft al genoeg zorgen aan zijn hoofd. Met zijn wond gaat het weer minder goed. 't Is ook te koud en te vochtig in dat hol. Hij ziet er slecht uit.’
Michiel vond dat zij groot gevaar liepen door Erica's bezoeken aan het hol. Een meisje dat geregeld het bos in ging, dat moest opvallen. Maar wat kon hij doen? Het was zijn eigen schuld. Hij had haar zelf in de zaak betrokken.
Lang kon hij zijn gedachten trouwens niet bij het probleem Jack houden. Dat andere wrong zich weer met geweld in zijn gedachten. Hij keek op de klok: tien voor negen. Het viel hem op dat zijn moeder niet stil kon blijven zitten. Steeds stond ze op om iets onbelangrijks te doen - een vaasje verplaatsen of zo. Om kwart over negen waren de gasten naar bed. Erica, die zich tot die tijd had goed gehouden, begon zachtjes te huilen, haar hoofd tegen moeders schouder. Moeder streek met haar hand over Erica's haar; ze wist niets te zeggen. Michiel brak wanhoopshoutjes in stukken, kleiner en kleiner, en hij wist het zelf niet.
‘Hoe laat is het?’
‘Kwart voor tien.’
Ze zwegen.
Erica stond op en ging naar de keuken om opnieuw voor ieder een kop surrogaatkoffie te maken.
‘Ik wou dat ik Jochem was,’ zei Michiel.
Jochem lag al uren vredig te slapen.
‘Wat moet vader nu doormaken,’ fluisterde mevrouw Van Beusekom.
‘Vader en de negen anderen.’
‘Denk je dat hij zal bidden?’ vroeg Erica.
Moeder knikte langzaam.
‘Ik denk dat de meest verstokte ongelovige onder deze omstandigheden wel zal bidden. Ik doe tenminste bijna niets anders.’
‘Ik ook,’ zei Erica.
Michiel zweeg. Eerlijk gezegd had hij aan bidden nog niet gedacht. Door zijn hoofd schoten allerlei wilde mogelijkheden, of liever onmogelijkheden, om zijn vader te bevrijden. Hij stelde zich voor dat hij zich zou verkleden in een Duits uniform om zo de kazerne binnen te dringen. Hij zou rechtstreeks naar de commandant gaan en hem, met de loop van een revolver tegen de slaap, dwingen om telefonisch opdracht te geven de gevangenen los te laten. Ja ja, hocus pocus pilatus pas, ik wou dat ik een Duits uniform en een revolver had. En al hád 'ie die... Ach wat, nonsens. Hij kón immers niets doen. Was oom Ben er maar. Misschien zou die een oplossing weten. Zou hij oom Ben op kunnen sporen? Nog voor morgenochtend zeker. Terwijl het verboden was na acht uur 's avonds op straat te zijn en er allang geen telefonische verbindingen meer waren, behalve voor de moffen natuurlijk, en terwijl bovendien niemand ooit wist waar oom Ben uithing. Uitgesloten.
Bidden? Hij wilde liever iets doen! Was bidden iets doen of was het dat niet? Hij keek naar zijn moeder en naar Erica. Beiden zaten met de handen in de schoot in het vuur te staren. Hij probeerde zijn gedachten tot rust te laten komen, zich te concentreren op wat hij vroeger op de zondagsschool had geleerd. Zou God nou zitten
luisteren naar wat bijvoorbeeld Erica Hem had te vragen? De bomen op de Brink schoven tussen hem en God. Hoe zou het gedaan worden? Zou zijn vader op een kistje moeten klimmen en zouden ze dat kistje onder hem wegtrekken? Dat kon niet. Dat kon God niet toelaten. Kon God niet toelaten? Moest hij dan toch bidden?
Michiel stond op en ging bij de achterdeur naar de lucht staan kijken. Die was opgeklaard. De sterren stonden koud en onpersoonlijk aan de hemel. Hé, daar viel er een. ‘Mijn vader veilig weer thuis,’ zei Michiel vlug. Als er een ster viel, mocht je immers een wens doen?
Als die soldaat nu eens door een vallende boom was geraakt? Of door de bliksem? Misschien had hij wel een hartaanval gekregen. O nee, dat kon niet, zijn hoofd was ingeslagen. Maar die vallende boom kon wél. Zou de commandant aan zo'n mogelijkheid denken? Michiel holde naar zijn kamertje, zo snel als dat in de duisternis kon. Hij stak een kaars aan en zocht een stuk papier. In zijn beste Duits (en dat was niet al te best) schreef hij:
Hooggeachte Commandant,
U hebt medegedeeld dat u morgenochtend lien mannen gaat ophangen als dan niet bekend is wie de Duitse soldaat heeft gedood. Kan die soldaat niet getroffen zijn door een vallende boom? Ik weet nog dat het een week of zes geleden vreselijk heeft geonweerd. Misschien heeft de bliksem een boom getroffen en de boom de soldaat. Wilt u ons alstublieft een beetje meer tijd gunnen om dit goed uit te zoeken?
Met de meeste hoogachting,
Michiel van Beusekom
Hij deed de brief in een enveloppe en sloop door de nacht naar het huis van de familie Knopper. Het raam van de woonkamer was
donker. Verduisterd met zwart papier, wist Michiel. Zachtjes tikte hij tegen de ruit. Even later ging de voordeur op een kier open en mevrouw Knopper fluisterde gejaagd: ‘Dirk?’
‘Nee, nee, ik ben het,’ zei Michiel.
‘O, ben jij het,’ Het klonk teleurgesteld. ‘Ik dacht even...’
‘Neem me niet kwalijk.’
‘Ach nee, mijn jongen. Jullie zitten natuurlijk ook vreselijk in de zorg, net als wij. Wat kan ik voor je doen?’
‘Ik heb een brief voor de commandant van de kazerne. U hebt toch officieren ingekwartierd? Zou u niet willen vragen of zij de brief voor me willen bezorgen?’
‘Ik weet het niet,’ weifelde mevrouw Knopper. ‘Wanneer moet de commandant die brief hebben?’
‘Vóór morgenochtend. Vóórdat ze morgenochtend...’
‘Geef hem maar. Ik zal het proberen. Als je even wacht...’
Ze verdween naar boven. Michiel hoorde in de verte wat gepraat en daarna kwam ze weer beneden.
‘Hij zal het doen. Hij gaat morgenochtend om zes uur naar de kazerne.’
‘Dank u wel, mevrouw Knopper. Hebt u niets van Dirk gehoord?’
‘Geen woord.’
‘Goedenavond.’
‘Slaap wel, Michiel.’
‘Waar ben je geweest?’ vroeg mevrouw Van Beusekom. Michiel vertelde wat hij had gedaan. Zijn moeder streek over zijn korte haar. ‘Moge het helpen. Kom, jongens, we moesten proberen wat te slapen.’
‘Onmogelijk,’ zei Erica.
‘Laten we toch wat gaan liggen. Slaap je niet dan rust je toch.’ Ze gingen naar hun kamers. Een half uur later lagen ze alle drie in bed en staarden met wijdopen ogen in de duisternis.
Het gerucht moest van Zwanenburg gekomen zijn. Zwanenburg had een boerderij pal naast de kazerne. Hij had het gezegd tegen de melkrijder en de melkrijder had het aan wel tien mensen gezegd, op zijn tocht langs de melkbussen. Al gauw wist het hele dorp het. Om half zeven, die ochtend, waren er schoten gehoord in de kazerne. Een heleboel tegelijk, zoals wanneer een executiepeloton een salvo afvuurt.
Michiel en zijn moeder en Erica liepen met gezichten bleek van de doorwaakte nacht en van de spanning, door het huis. Ook zij hadden het gerucht gehoord.
‘Ik ga weer naar de kazerne,’ zei mevrouw Van Beusekom. ‘We moeten zekerheid hebben.’
Het bleek niet nodig te zijn.
Vóór ze weg was, om acht uur, plakten soldaten een bekendmaking op de muur van de kerk. Er stond op dat die ochtend vier van de tien gijzelaars waren doodgeschoten. Indien de volgende morgen de dader van de moord op de Duitser niet bekend was, zouden de andere zes volgen. De vier ongelukkigen waren: de gemeentesecretaris, de dierenarts, het hoofd van de school, en een meneer uit de stad, die na zijn pensionering in de Vlank was komen wonen. De vrouwen van deze mannen kregen keurig een brief thuisbezorgd, met veel officiële stempels. Daarin werd hun correct de dood van hun man bevestigd. De administratie van het Duitse leger was perfect. En niet alleen dat. 's Middags werden de dode lichamen van de mannen thuisgebracht in doodkisten. Het was alsof je in het dorp een dreigend gegrom hoorde, de onderdrukte kreet van een woede, die ieder ogenblik tot uitbarsting kon komen. Geen Duitser waagde zich die dag alleen op straat en vooral de NSB'ers en landverraders bleven angstvallig binnenshuis. In de huizen van de families van de zes overgebleven gijzelaars had de angst de mensen lamgeslagen. Ze waren moe. Ze konden niet meer ordelijk nadenken.
Iedere dag gaat voorbij, ook deze drieëntwintigste november 1944. Opnieuw een slapeloze nacht, nu soms afgewisseld door korte perioden van een soort bewusteloosheid, veroorzaakt door uitputting.
Om half zeven was Michiel op. Hij deed de verduisteringsgordijnen omhoog. Het was nog donker, maar toch kon hij de straat zien. Terwijl hij de kachel aanmaakte, keek hij af en toe naar buiten. Wat was dat? Er liep een groepje mannen, donkere silhouetten in het vage licht. Die voorste, die zo gebogen liep, was dat niet de rijke Schiltman, één van de tien gijzelaars?
Michiel stormde naar buiten, naar de mannen toe. Het wás Schiltman en de notaris en de belastinginspecteur en, en..., waar was zijn vader?
‘Waar is mijn vader,’ schreeuwde hij, terwijl hij Schiltman bij een arm greep.
‘Jongen, je laat me schrikken. Wie ben jij ook weer?’
‘Dat is Michiel van de burgemeester,’ zei notaris Van de Hoeven aarzelend.
‘Van de burgemeester?’
Waarom zei Schiltman dat nou ineens zo zachtjes?
‘Waarom is mijn vader niet bij jullie?’
Michiels stem sloeg over van drift.
‘Ze hebben hem doodgeschoten, nog geen uur geleden. Wij mochten met z'n vijven naar huis, maar hem schoten ze dood, de moordenaars.’
Michiel liet de arm van Schiltman los. Zwijgend draaide hij zich om en liep naar huis. Daar waren zijn moeder en Erica. Ze hadden zijn geschreeuw gehoord en kwamen hem met bange ogen tegemoet.
Kijk eens, zullen de Duitsers gedacht hebben, als we ze alle zes doodschieten, komt het dorp misschien in opstand. Ze hadden de
woede op de gezichten de vorige dag wel gezien. Laten we er daarom vijf naar huis sturen om de mensen kalm te houden. Om onze eer te redden schieten we de burgemeester, die we toch al niet vertrouwen, neer. Dan kunnen we een andere burgemeester aanstellen die meer naar onze smaak is. Dat die burgemeester toevallig een gezin had, dat hij nog een zoontje van zes jaar had, die het verder zonder vader zou moeten doen, wat deed het er toe? Het was immers oorlog.