terug  begin  verder

[p. 69]

7

Het zal een week na de begrafenis zijn geweest. Michiels ogen lagen wat dieper dan vroeger. Was hij magerder geworden of kwam het doordat hij zijn kiezen harder op elkaar beet? Er lag een vastberaden trek op zijn gezicht. Hij voelde zich nu een beetje het hoofd van het gezin, ook al was zijn moeder er nog en was Erica ouder dan hij. Gek, hij was minder bang voor de Duitsers dan vroeger. Hij was vastbesloten om alles te doen wat in zijn vermogen lag om deze vreselijke oorlog in het nadeel van de Duitsers te helpen beëindigen, zolang hij daarmee geen mensenlevens op het spel zette.

Geen directe aanvallen op soldaten of op Duitse eigendommen. Dat was wel duidelijk. Wél steun aan hen die door de vijand werden gezocht en vervolgd. En daarom had hij besloten dat Jack de oorlog zou overleven, als het aan hem lag tenminste.

Goed, het zal een week na de begrafenis van zijn vader zijn geweest, toen hij zijn gewone bezoek aan het hol bracht. Voorzichtig als altijd sloop hij naderbij. Maar toen hij de ingang van het hol in het oog kreeg, zag hij daar niet als gewoonlijk de Engelse piloot, met speurende ogen rondkijkend, het pistool in de linkerhand. Gek, het was nog nooit gebeurd dat Jack hem niet hoorde aankomen, hoe zachtjes hij ook deed.

‘Psst,’ zei hij.

Geen antwoord. Wat zou er zijn? Zou Jack gepakt zijn en sloop hij nu regelrecht naar een val? Voorzichtig gluurde hij naar binnen. Tot zijn opluchting enerzijds, zijn ergernis anderzijds, zag hij dat Jack en Erica, onbewust van het bestaan van de rest van de wereld, kusjes zaten uit te wisselen.

‘Wat is er dan met jou,’ vroeg Jack teder. ‘Jij ziet zo bleek en bedroefd uit laatste tijd.’

[p. 70]

‘Niets, niets,’ zei Erica. ‘Je hoeft je nergens zorgen over te maken,’ en ze voegde eraan toe: ‘Je bent lief.’

Het geknuffel begon opnieuw.

‘Hm!’ hoestte Michiel. ‘Ik heb het gevoel dat ik stoor.’

De twee gelieven sprongen op.

‘Waakzaamheid gaat voor het meisje,’ zei Michiel alsof hij in de kruitdamp vergrijsd was.

‘Neem me niet kwalijk,’ grijnsde Jack. ‘Ik hou van haar, you know.’

‘Daar lijkt het wel op,’ zei Michiel. ‘Het stomste wat ik in deze oorlog tot nu toe heb gedaan is Erica hier brengen.’

‘Waarom? Waarom mag ik niet van hem houden? Wat heb je tegen hem?’

‘Ik heb niets tegen hem, sufferd. Ik heb er alleen iets tegen als jij en hij en ik dezelfde weg gaan als vader.’

‘Wat is dat voor een weg met je vader?’ vroeg Jack.

‘Vorige week doodgeschoten als gijzelaar,’ zei Michiel.

Jack schrok er hevig van.

‘Doodgeschoten? Vorig week? How terrible. Arm schat. Daarom jij zo bedroefd.’ Hij trok Erica weer tegen zijn gezonde linkerkant. Michiel vond het een vervelende toestand, maar hij had genoeg verliefde paren gezien om te weten dat hij gemakkelijker kon proberen om de Maagdenburger halve bollen uit elkaar te trekken dan Erica te verhinderen hier te komen.

‘Nou ja,’ zei hij, ‘dan moet je in vredesnaam maar af en toe Jack z'n eten brengen.’

Dat was Erica toch iets te machtig.

‘Jij snotneus,’ zei ze, ‘weet je dat je spreekt tegen je oudere zuster? Je bent de baas niet over me. Eerder omgekeerd, zou ik zeggen.’

‘Ik heb de verantwoordelijkheid,’ zei Michiel rustig.

‘Dat is zo, sweetheart, zolang Dirk gevangen je broer heeft leiding van dit verzetsgroep.’

[p. 71]

‘Oké,’ zei Michiel, ‘jij komt hier tweemaal in de week en ik eenmaal, als je belooft dat je erg voorzichtig zult zijn - nee, als je je precies houdt aan wat ik zeg. Steeds langs een andere weg het bos in gaan, steeds een ander tijdstip kiezen, enzovoorts.’

‘Ik vind dat je de voorzichtigheid overdrijft, maar goed, ik zal doen wat je zegt.’

‘Good girl,’ zei Jack, wat betekende dat ze een brave meid was.

Daarna keken Jack en Erica alsof Michiel best gemist kon worden en omdat die er geen behoefte aan had zich te veel te voelen, wierp hij zich op zijn buik en begon in de tijgersluipgang aan de terugtocht.

 

Het was zondag. De trekkersstroom was stilgevallen. De straatweg was leeg. Michiel zat ernaar te kijken vanuit de erker. Er werd weinig gesproken bij hen thuis sinds die donderdagmorgen. Niemand had er zin in. Alleen Jochem kwetterde er nog lustig op los. Als je goed luisterde, kon je een zacht gebrom horen dat langzaam sterker werd. Daar kwamen ze weer, de bommenwerpers, die hun lading dood en schrik gingen uitgooien boven de Duitse steden.

‘Lekker,’ gromde Michiel. ‘Ik hoop dat ze goed raak gooien.’

‘Denk eens aan al die arme, onschuldige vrouwen en kin...,’ begon zijn moeder. Ze dacht ineens aan een gesprek over hetzelfde onderwerp, met vader er nog bij. ‘Zij zijn begonnen,’ had hij gezegd. ‘Eigen schuld.’ Voelde zij nu ook de wraakgevoelens die je hard en onverschillig maakten tegenover het lijden van vrouwen en kinderen, als dat Duitse vrouwen en kinderen waren? Ze weifelde.

‘Kijk nou eens,’ riep Michiel ineens.

Ze kwamen allemaal toelopen en keken uit het raam. In de verte, een kilometer verderop langs de straatweg, zag het ineens zwart van de mensen. Een mierenhoop die dichterbij kwam en die steeds uitbarstinkjes had in de richting van de tuinhekken. En de tuinen

[p. 72]

vulden zich met mensen die vanuit de huizen naar buiten kwamen. ‘Wat is daar aan de hand?’

Het verschijnsel kwam naderbij. Ook de Van Beusekoms gingen naar buiten. En toen zagen ze het: mannen, duizenden mannen, die in rijen van vijf, zes, in hun richting liepen. Ze hadden koffertjes en tassen bij zich. Talloze Duitse soldaten, het geweer aan de schouder, zwermden om hen heen en bewaakten hen. Maar ze konden niet verhinderen dat de mannen naar de tuinen liepen en het voedsel aannamen, dat de dorpelingen hun aanreikten.

‘Die mannen zijn uitgehongerd,’ zei mevrouw Van Beusekom. ‘Kijk eens hoe ze de boterhammen weggrissen. Zien jullie die man, daar rechts, achter die lange, met die groene sjaal. Hij raapte net een boterham op uit de modder en zette zo zijn tanden erin.’

‘Waarom hebben die mensen zo'n honger, mama?’ vroeg Jochem.

‘Ik weet het niet. Kom, jongens, laten we alles halen wat we aan eetbaars in huis hebben. Dan eten wij vandaag maar eens niet.’

Ze gingen naar binnen, sneden het brood dat in de broodtrommel voorradig was, haalden appels van zolder, melk uit de kelder, verdeelden twee worsten in partjes, alles met een reuze vaart, en gingen met die voorraad weer naar buiten. De stoet was hun huis intussen al aan het voorbijtrekken. Toen ze het voedsel zagen zwermden de mannen onmiddellijk naar hen uit. In een oogwenk was alles verdwenen.

‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg Michiel aan een jongen die hoogstens twee jaar ouder was dan hij zelf.

‘Uit Rotterdam. Razzia. Ze hebben gewoon alle mannen opgepikt die ze konden vinden. Hupsakee, mee, naar Duitsland om te werken, zeggen ze.’

‘Doorlopen,’ schreeuwde een Duitser, en de jongen werd opgenomen in de massa.

[p. 73]

‘Hoe ver is het nog van hier naar de kazerne?’ vroeg een oudere man.

‘Een kilometer of twee.’

‘Zóver nog.’

‘Dat is toch vlakbij?’

‘We komen uit Rotterdam. Vier dagen lopen, zonder eten. Ik kan niet meer. Ik haal het niet. Ik heb een maagzweer, ik kan geen stap meer zetten.’

Maar hij kon nog. Daar ging hij al weer, rieten koffertje in de hand. Tientallen Rotterdammers ontsnapten tijdens die tocht door het dorp. Ze sprongen weg achter bomen, verscholen zich achter de haag van toeschouwers, doken in eenmansgaten. Meneer Koster, een gepensioneerde houtvester, die al lang in de Vlank woonde, maakte er een sport van. Af en toe rukte hij een van de Rotterdammers de koffer uit de hand en snauwde: ‘Kom naast me staan met je onnozelste gezicht.’ De bewakers kwamen dan op hém af, omdat hij de koffer vast had.

‘Ach was, Mensch, ich lebe hier,’ gromde meneer Koster. ‘Wij hebben ook koffers, wat dacht je wel.’

Ze hadden geen tijd om het uit te zoeken en lieten het maar zo. Meneer Koster stuurde de eigenaar van de koffer met die koffer het huis in en koos een volgend slachtoffer voor zijn bevrijdingsdrift. Nou, slachtoffer... beschermeling kun je beter zeggen. Zo bevrijdde hij er vijf. Een mooie prestatie.

Zesduizend Rotterdamse jongens en mannen trokken zo, uitgeput door de lange mars, door het dorp en verdwenen in de kazerne aan de spoorlijn om er de nacht door te brengen. Later bleek dat ze verscheidene dagen zouden blijven.

Die nacht werd Michiel wakker omdat hij iets in huis meende te horen. Verbeeldde hij het zich? Het was weer stil. Nee, wacht eens, werd daar niet zachtjes beneden een deur dichtgedaan? Was er iemand op? Zeker zijn moeder of Erica die even uit bed was.

[p. 74]

Met een ruk gooide hij zich op zijn andere zij om weer te gaan slapen. Maar hij kon de slaap niet vatten. Iets in hem zei dat er wat ongewoons aan de hand was. Inbrekers?

Resoluut stapte hij op het koude zeil. Je bent de man in huis of je bent het niet. Snel, maar zonder gerucht te maken, liep hij naar beneden. De derde tree van onderen overslaan, want die kraakt. Juist. Hij bleef staan en luisterde. Uit de kamer kwam een zacht gebrom van mannenstemmen. Wel hier en gunder. Met kloppend hart maar zonder te aarzelen, gooide hij de huiskamerdeur open.

In de kamer brandden vier kaarsen. Er zaten twee vreemde mannen, een jonge en een oudere. Michiels moeder zat op de grond en verbond de voeten van de oudste man. Dat was hard nodig, zag Michiel in een oogopslag. De voeten waren rauw en ontveld. Het was duidelijk dat de mannen zich wezenloos schrokken toen de deur openging. De jongste vloog overeind en rende naar de tuindeuren. De oudste zat verstijfd van schrik recht overeind en kon even geen ademhalen.

‘Er is geen reden voor paniek, heren,’ zei Michiels moeder. ‘Dit is mijn oudste zoon. Hij is geen vriend van de Duitsers.’

‘Bepaald niet,’ zei Michiel.

‘Deze heren, Michiel, zijn vannacht ontsnapt uit het kamp. Ze zijn naar het dorp geslopen en hebben op goed geluk bij ons tegen de ruiten getikt.’

‘Heel zachtjes,’ zei de oudste man verontschuldigend.

‘Ik sliep niet, u hoeft zich niet te verontschuldigen.’

‘Wij brengen u in gevaar door onze aanwezigheid.’

‘Niet zo'n groot gevaar, lijkt me. U bent toch alleen tewerkgestelden, u bent toch geen politieke gevangenen?’

De mannen zwegen.

‘Was het moeilijk om te ontvluchten?’ vroeg Michiel.

‘Dat ging nogal,’ zei de jonge man. ‘Er zijn te veel gevangenen

[p. 75]

en te weinig bewakers. Het kamp is niet met prikkeldraad afgezet, alleen met gaas. Maar ja, onze Duitse vrienden hebben andere methoden om ontvluchten onaantrekkelijk te maken. Aan het eind van de middag, toen we nog maar net binnen waren, klom een man over het gaas en rende weg langs de spoorlijn. Hij had pech. Hij liep in de armen van een patrouille. Weet je wat ze hebben gedaan? Ze hebben hem een schop gegeven.’

‘Een schop? Onder zijn achterwerk?’

‘Was het maar waar. Een spade, bedoel ik. Hij moest een gat graven, in de berm, net buiten het kamp. Toen het klaar was, moest hij op de rand gaan liggen. Wij konden het duidelijk zien. Het was afschuwelijk. De SS-officier, die er al die tijd bij had gestaan, trok zijn revolver en schoot hem in zijn nek, achteloos, alsof hij een mug doodsloeg. Daarna duwde hij hem met zijn voet in het gat. Hij liet twee van ons komen om het gat dicht te gooien. “Zo doen we met mensen die onze gastvrijheid niet op prijs stellen,” zei hij en liep weg, zwiepend met een stokje.’

Mevrouw Van Beusekom wreef met de achterkant van haar hand langs haar ogen.

‘En toch hebt u durven ontvluchten?’ zei Michiel.

‘Vannacht, in het donker. Het was gemakkelijk om over het gaas te klimmen.’

‘Ook voor uw, eh, is het uw vader?’

‘Inderdaad. Vergeef me dat we ons nog niet hebben voorgesteld. Ik heet... (hij aarzelde even) ik heet De Groot, en dit is mijn zoon David.’

‘Ik ben mevrouw Van Beusekom en dit is Michiel.’

‘Aangenaam kennis te maken,’ zei meneer De Groot.

‘Het klimmen was voor mijn vader niet zo gemakkelijk,’ vatte David de draad van het gesprek weer op. ‘Maar hij heeft het toch voor elkaar gekregen.’

‘U hebt een groot risico genomen,’ zei mevrouw Van Beusekom

[p. 76]

nadenkend. ‘Had u er zoveel belang bij om te ontvluchten dat u uw leven ervoor op het spel wilde zetten?’

Michiel keek de heren De Groot aandachtig aan. Beiden waren vrij klein, de jongen was donker, de vader grijs. Bij de oude meneer De Groot meende hij een licht accent te bespeuren.

Mevrouw Van Beusekom borg haar pleisters en gaasjes weg.

‘Zo kunt u er weer een beetje beter tegen, meneer Polak, eh... De Groot, bedoel ik,’ zei ze.

Beide mannen kleurden hevig. Ook Michiel kreeg er een kleur van. Polak is een typisch joodse naam. Blijkbaar dacht zijn moeder dat ze joden waren, en liet ze dat merken via een opzettelijke verspreking. Maar ach, natuurlijk, ze had gelijk. De mannen zagen er joods uit en het verklaarde ook dat ze hadden durven ontvluchten. Ze moesten wel. Wat stond hun te wachten als de Duitsers erachter kwamen dat ze joden waren?

De oudere meneer keek mevrouw Van Beusekom hulpeloos aan.

‘U hebt het begrepen,’ stamelde hij.

‘Dat was niet zo moeilijk. U ziet er niet bepaald uit alsof u De Groot heet.’

‘We heten Kleerkoper. We zullen onmiddellijk vertrekken. Door onze aanwezigheid bent u in groot gevaar, in levensgevaar. Kom, David.’

Ze stonden beiden op en liepen naar de deur.

‘En waar had u gedacht naar toe te gaan, meneer Kleerkoper,’ vroeg mevrouw Van Beusekom rustig.

‘Naar Overijssel. Daar kennen we een familie, die echt De Groot heet. We kunnen er onderduiken.’

‘Hoe had u gedacht de IJssel over te steken? Iedere brug, voor zover hij nog intact is, en ieder veer wordt gecontroleerd.’

‘Ik weet het niet,’ zei meneer Kleerkoper en hij keek weer hulpeloos, maar toch anders dan eerst. ‘We zullen er iets op vinden, David en ik.’

[p. 77]

‘Als u nu eens rustig ging zitten. Vier weten meer dan twee. Maar vertelt u eerst eens hoe u kon worden opgepakt op straat. Lopen er in dit vijfde oorlogsjaar nog joden op straat? Ik dacht dat alles wat jood was óf in een concentratiekamp zat opgesloten óf zich zorgvuldig verstopt had in een kelder of op een zolderkamertje.’

‘Tja, dat kwam door een vervelende samenloop van omstandigheden,’ zei meneer Kleerkoper. ‘Als het u interesseert, wil ik het graag vertellen.’

‘Natuurlijk interesseert het me,’ antwoordde mevrouw Van Beusekom. ‘Het is pas half vier. Ik ben één en al oor.’

Toen ging meneer Kleerkoper zitten en vertelde de volgende trieste geschiedenis.

 

De geschiedenis van de familie Kleerkoper

Jitzchak Kleerkoper was in 1890 in Duitsland geboren. Hij heette toen nog Rosenthal. Hij was een Duitser. Hij voelde zich ook Duitser. 't Was waar dat hij ook jood was, maar dat voelde hij niet als iets bijzonders. Er waren katholieken en protestanten en daarvan had je weer allerlei soorten, nou, en hij was een jood, basta. In de Eerste Wereldoorlog, die duurde van 1914 tot 1918, vocht hij mee in het Duitse leger. Er kwam een dag dat hij in een benarde positie zat, maar hij hield manmoedig stand en redde zelfs een jonge officier het leven. Hij kreeg daarvoor het IJzeren Kruis, de hoogste oorlogsonderscheiding die in Duitsland wordt verleend. Kort na de oorlog leerde hij een Nederlands meisje kennen. Lotte Kleerkoper heette ze, en ze was ook van joodse afkomst. Ze trouwden, en hoewel ze in Duitsland gingen wonen, leerde ze hem goed Nederlands spreken. Twee kinderen kregen ze, David en Rosemarie.

In de jaren dertig, toen Hitler aan de macht kwam, werden de joden in Duitsland meer en meer gesard en uitgescholden. In de

[p. 78]

kranten werd geschreven dat alles wat slecht ging de schuld was van de joden en dat ze eigenlijk het doodschoppen nog niet waard waren. Jitzchak zag het met stijgende ongerustheid, met stijgend onbegrip ook, gebeuren. En toen, in 1938, kwam de Kristallnacht. Het was een nacht, waarin overal in Duitsland, in ieder geval in de grote steden, bij de joden de ruiten werden ingegooid, de bezittingen vernield, de banden van de auto's doorgesneden, enzovoorts. Ook bij de Rosenthals, die een grote meubelzaak hadden, gebeurde dit. De grote spiegelruiten gingen aan diggelen, de bekleding van de bankstellen en stoelen werd stuk gesneden, de gladde tafelbladen werden bekrast. Deze gebeurtenis deed Jitzchak besluiten Duitsland voorgoed te verlaten. Niet om de schade die ze hadden geleden. Niet omdat dit had kunnen gebeuren, maar omdat het Duitse volk, hun buren en vrienden, niet protesteerden. Omdat er geen schande werd gesproken. ‘Daarom is onze zaak in Duitsland hopeloos,’ zei Jitzchak en hij nam zijn familie mee naar Nederland. Zo moedeloos was hij over Duitsland, dat hij zijn Duitse naam afzwoer en de Nederlandse van zijn vrouw aannam: Kleerkoper.

Helaas, op 10 mei 1940 trokken de Duitsers ons land binnen en ze begonnen onmiddellijk ook de Nederlanders, die toevallig van joodse afkomst waren, te treiteren en te sarren. Eerst mochten ze niet in treinen en bussen en bioscopen en zo, en ze moesten een gele ster op hun jas dragen waar ‘Jood’ op stond. Later werden ze gearresteerd en in concentratiekampen gestopt en ten slotte zonder pardon vermoord. Gewoon, als vee in een slachthuis. Bij duizenden. Bij miljoenen. Je durft het alleen maar te fluisteren. Waarom werden al die mensen vermoord? Omdat ze van joodse afkomst waren. Dat was de enige reden. Je verstand staat erbij stil.

Natuurlijk probeerden de joden zich voor de Duitsers te verbergen. Ze doken onder. Ook Jitzchak begreep dat zijn gezin groot gevaar liep en hij maakte een afspraak met meneer Voerman, een

[p. 79]

goede vriend van de familie, dat zij met z'n allen in het huis van de Voermannen op zolder zouden gaan wonen. Het was te laat. Op een maandagavond, toen hij en David voor een laatste bespreking naar de familie Voerman toe waren, deden de Duitsers een inval in zijn huis en namen Lotte en Rosemarie mee. Jitzchak maakte zich weinig illusies. De kans dat hij hen terug zou zien, was bijna nul. Zo betrokken alleen Jitzchak en David de zolderkamer van meneer Voerman, maar het haar van Jitzchak was grijs geworden, grijs als de barakken in het concentratiekamp van Dachau.

 

Ongeveer een week geleden was er huiszoeking geweest bij de familie Voerman. De Duitsers hadden de geniepige gewoonte om onverwacht 's nachts bij mensen aan te komen, hard op de deur te bonzen en het huis te doorzoeken. Jitzchak Kleerkoper hoorde onder zich het gedreun van de soldatenlaarzen. Hij hoorde het hem zo bekende Duitse gesnauw en de beverige stem van zijn gastheer, die zei dat hij niets te verbergen had. Hij wist dat zij gevonden zouden worden, daar was geen twijfel over mogelijk. Toen deed hij iets zeer stoutmoedigs. Hij trok een peignoir aan, stak zijn blote voeten in pantoffels en ging naar beneden. Op de trap begon hij al te schreeuwen. In onvervalst Duits. Doordat hij in de oorlog van 1914-1918 als Duitser had gevochten in het Duitse leger kende hij het soldatentaaltje precies. ‘Wat is dat voor gedonderjaag midden in de nacht,’ schreeuwde hij. Of ze niet wisten dat kolonel Von Brandenburg een kamer in dit huis had. Dat hij hier was ingekwartierd. En of ze met hun botte hersens maar wilden beseffen dat kolonel Von Brandenburg nu in hoogst eigen persoon voor hen stond.

Hij was intussen de kamer binnengekomen en de Oberfeldwebel, die de leiding van de soldaten had, wilde iets zeggen. Maar de kleine man liet hem niet aan het woord komen.

[p. 80]

‘Waarom hebt u deze mensen niet direct gezegd dat ik hier woon?’ blafte hij tegen meneer Voerman.

‘Neem me niet kwalijk, Herr Kolonel,’ zei deze met een dun stemmetje. ‘Ik was helemaal in de war. Het harde bellen van deze heren wekte me uit mijn eerste slaap. Ik...’

‘Unverschämt,’ brulde Jitzchak. ‘Schandelijk. Wat is uw naam, Oberfeldwebel?’

De onderofficier klapte zijn hakken tegen elkaar en zei strak: ‘Oberfeldwebel Maier, 3e bataljon.’

‘U hoort nog van mij, Herr Maier,’ zei Jitzchak Kleerkoper dreigend. ‘Voorlopig kunt u inrukken. Heil Hitler.’

Oberfeldwebel Maier klakte weer met zijn hakken: ‘Jawohl, Herr Kolonel. Heil Hitler.’

Hij was vertrokken met zijn mannen. Jitzchak Kleerkoper en meneer Voerman hadden elkaar een hand gegeven en een poos gezwegen. Ze waren rakelings langs het concentratiekamp gegaan. Het gevaar was even afgewend.

‘Formidabel, Jitzchak.’

‘Nu zullen jullie ook moeten onderduiken,’ zei Jitzchak. ‘Het spijt me. Morgenochtend meteen moeten we hier weg, jij en je vrouw en David en ik. Die Oberfeldwebel zal zeker eens voorzichtig informeren wie die kwaaie kolonel Von Brandenburg eigenlijk is. Hoe komen we aan nieuwe onderduikadressen?’

Meneer Voerman had relaties, die snel voor nieuwe adressen konden zorgen. Zelf gingen hij en zijn vrouw naar Overijssel, naar een familie De Groot. Dat was een te gevaarlijke reis voor vader en zoon Kleerkoper. ‘Maar mocht je toevallig in de buurt verzeild raken, kom er dan gerust aan,’ zei meneer Voerman. ‘Het zijn boerenmensen met een hart van goud, die zeker ook voor jullie een plaatsje zullen hebben.’

Meneer Kleerkoper en David kregen een onderduikadres in Kralingen. Nog gevaarlijk genoeg om naar toe te lopen, maar de

[p. 81]

kans om op zo'n klein stukje aangehouden te worden was toch niet zo groot. ‘Nou, mensen, zorg dat je de oorlog overleeft. Het spijt me dat jullie alweer moet verhuizen. Tot weerziens.’

‘Bedankt voor alles,’ zei Jitzchak. ‘En wat dat verhuizen betreft, liever een wandelende jood dan een hakkenklappende Duitser. Mazzeltof.’

Ze gingen uit elkaar. Jitzchak en zijn zoon liepen regelrecht in de armen van de razzia. Gelukkig vroegen de soldaten niet onmiddellijk naar papieren. Ze namen gewoon iedereen mee die ze zagen. De mannen mochten even onder geleide naar huis om een koffertje met wat kleren te halen. Voor Jitzchak en David was dat niet nodig. Die hadden al een koffertje bij zich.

Zo waren ze naar de Vlank gemarcheerd. Onderweg hadden ze geen kans gekregen om ervandoor te gaan, omdat een van de bewakers steeds op hen lette. Misschien vermoedde hij iets. Daarom moesten ze met hun ontvluchtingspoging wachten tot ze in het kamp waren. Voorlopig was het gelukt. Voor hoe lang?

 

‘Tot het eind van de oorlog, hoop ik,’ zei Michiels moeder. ‘We zullen een waterdicht plan moeten maken om u over de IJssel te krijgen.’

‘Als we u eens als Veluwse boerinnen verkleedden?’ opperde Michiel. ‘Een wit kapje op, wijde rokken, een lijfje en klaar is Kees.’

‘Kan niet bij de IJssel. Daar worden van iedereen de papieren gecontroleerd.’

‘Nee, die vermomming is voor de tocht over de wegen,’ zei Michiel. ‘Voor de IJssel moeten we wat anders verzinnen. Wacht eens even, daar schiet me iets te binnen. Het Koppelse Veer...’

‘Hoezo?’

‘Ik heb onlangs een heerlijk verhaal over het Koppelse Veer gehoord. Als het waar is, krijgen we beide heren zonder proble-

[p. 82]

men naar de overkant. Ik zal het om zeven uur direct gaan uitzoeken.’ Meneer Kleerkoper keek over zijn ijzeren brilletje.

‘Mevrouw,’ zei hij, ‘u hebt een doortastende zoon. U zult wel weten welk risico u loopt. Weet hij het ook?’

Mevrouw Van Beusekom legde even haar hand op Michiels arm.

‘Vroeger, meneer Kleerkoper,’ zei ze, ‘wilde ik niet dat mijn kinderen iets deden wat tegen de wensen van de bezetters inging. Ik vond dat te gevaarlijk en ik vond ook dat je er weinig mee opschoot. Ik moet u zeggen dat ik er altijd in mijn hart aan heb getwijfeld of Michiel zich aan mijn wensen hield. Al bijna een jaar lang weet ik niet wat hij precies uitvoert. Ik heb me daar mét tegenzin bij neergelegd. Maar, in oorlogstijd is een jongen van vijftien, zestien jaar een man, vindt u ook niet, meneer Kleerkoper? Sinds enkele weken is mijn standpunt veranderd. Ik heb u gezegd dat mijn man is overleden. De werkelijkheid is dat de Duitsers hem zonder vorm van proces hebben doodgeschoten, als gijzelaar.’

Haar stem beefde niet, terwijl ze dit zei, en geen traan van ontroering welde in haar oog; het rood van de verontwaardiging steeg naar haar wangen en ze vervolgde: ‘Michiel en ik hebben dit nooit tegen elkaar uitgesproken, maar ik weet dat wij beiden, en ook mijn dochter Erica, vanaf die dag alles zullen doen om deze moorddadige praktijken tegen te werken. En daarom, mijn zoon, geef ik je graag toestemming... nee, in een tijd als deze geeft een moeder een zoon van zestien jaar geen toestemming. Ik stem ermee in dat je je uiterste best doet om deze mensen te houden uit de klauwen van de aasgieren, die van Europa één groot kerkhof willen maken.’

‘Amen,’ zei meneer Kleerkoper eerbiedig.

terug  begin  verder