terug  begin  verder

[p. 83]

8

Vlak bij het Koppelse Veer stond een groot, wit huis. Het was het eigendom van de barones Weddik Wansfeld, een magere, statige dame van drieënzestig jaar. Zij bewoonde dit huis met haar dochter en haar schoonzoon, een broer van haar overleden man, een tweetal ongetrouwde nichten, een huisknecht en twee dienstbodes. Ondanks de aanwezigheid van enkele mannen kon er geen twijfel over bestaan wie de baas was in huis: de douairière Louise Adelheid Mathilde, barones Weddik Wansfeld. Vanwege haar voorletters werd zij soms het Lam genoemd, overigens uitsluitend als zij ver uit de buurt was. Geen bijnaam kon ontoepasselijker zijn, want van een zacht en ontwapenend lam had de barones niets.

Met zeer grote tegenzin moest zij zich inkwartiering laten welgevallen. Het veer werd dag en nacht bewaakt door een vijftal Duitse soldaten, die iedere week werden afgelost. De garnizoenscommandant had bevolen dat deze vijf mannen moesten worden ondergebracht in het witte huis. De barones had zich heftig verzet, had alle overwicht van haar grijze, magere één meter tachtig in de strijd geworpen, had het zelfs voor elkaar gekregen dat de garnizoenscommandant haar persoonlijk kwam bezoeken, maar ten slotte had zij moeten toegeven.

‘Goed,’ had ze in onberispelijk Duits tegen de commandant gezegd. ‘Ze kunnen komen, maar ze houden zich strikt aan de regels van het huis.’

‘Zonder meer, Hooggeboren Vrouwe,’ had de commandant, met alle respect die Duitse militairen voor de adel hebben, gezegd, ‘zonder meer. Onze soldaten zijn zeer gedisciplineerd en zullen zich uiterst correct gedragen. Daar sta ik voor in.’

Zo had de douairière haar regels uitgevaardigd. Voor de huisgenoten, met inbegrip van het personeel, gold de regel: niemand

[p. 84]

spreekt met de soldaten behalve ik. Al gaat het over een gebroken kopje, ik behandel het zelf.

Voor de soldaten gold een heel stel regels. Die werden niet opgeschreven, omdat de commandant ze dan misschien ter inzage zou krijgen. Iedere maandagmorgen, vlak na het wisselen van de ploeg, werden de nieuwe manschappen bij de barones in de salon toegelaten. Zij zat dan kaarsrecht op een stoel, de mannen stonden beleefd in de houding. Zij somde zakelijk en zonder de geringste tegenspraak te dulden, de huisregels op. De onderofficier kreeg een kamer in het huis, de soldaten sliepen in de koetshuizen. Geen lawaai na tien uur 's avonds. Afval in de ton in de bijkeuken.

‘Van drie tot half vier wordt thee geschonken in de serre. Drie uur stipt. Mijn personeelsbezetting laat niet toe dat er in ploegen wordt gewerkt. Daarom verlang ik van u dat u tegelijk om drie uur verschijnt. De serre is groot genoeg.’

En verder ging het, met meer gedragsregels. Zó groot was haar gezag, zó groot ook het ontzag voor gezag van de Duitse militairen, dat iedere ploeg er altijd weer intrapte. Van drie tot half vier theedrinken. Zo hoorde het blijkbaar. Dat betekende dat van drie tot half vier het veer onbewaakt was. Enkele mensen wisten dat. Het werd doorpefluisterd naar betrouwbare relaties. En dagelijks voer veerman Van Dijk tussen drie en half vier over de IJssel met een pont vol mensen die liever niet gezien wilden worden, die geen geldige papieren hadden, die iets mee wilden smokkelen, terwijl Louise Adelheid Mathilde barones Weddik Wansfeld op een rechte stoel zat in de serre en converseerde met de Duitse Wehrmacht.

 

's Morgens, om negen uur al, werd Michiel aangediend bij de barones. Ze ontving hem minzaam. Ze condoleerde hem met de dood van zijn vader, waarbij ze haar afschuw voor de Duitse methoden liet blijken.

‘En wat kan ik voor je doen, jongeman?’

[p. 85]

‘Een inlichting, mevrouw. U woont zo dicht bij het veer. Kunt u me zeggen of de pont vaart tussen drie uur en half vier? Ik zou omstreeks die tijd twee boerinnen naar de overkant willen brengen.’

‘Twee boerinnen,’ herhaalde de barones. ‘Hoe oud ben jij?’

‘Zestien, mevrouw.’

‘Moet je niet naar school?’

‘Er is geen vervoer meer naar Zwolle. En mijn fiets is ook niet meer in een conditie om...’

‘Juist. En daarom transporteer je nu boerinnen. Achter op die fiets?’

‘Ik hoop dat ik een paard en de dresseerwagen van Coenen kan lenen.’

‘En anders?’

Michiel gaf geen antwoord. Wat zou hij moeten zeggen?

‘Waarom gaan die boerinnen van je niet over de brug?’

‘Omdat ze van varen houden,’ antwoordde Michiel, aarzelend omdat hij enerzijds geen geheim wilde prijsgeven, anderzijds niet brutaal wilde zijn tegen de barones.

‘En waarom tussen drie en half vier?’

‘Ik heb gehoord dat het dan theetijd is. Ze hopen dat ze aan boord een kopje krijgen.’

‘Wie zijn die boerinnen?’

‘Eh..., hoe heten ze nou, Bartels, geloof ik, ja, Bartels, vrouw Bartels en haar dochter Aartje.’

‘En waarom breng jij ze?’

‘Iémand moet ze toch brengen. Bovendien begint hun naam met een B en de mijne ook. Dat geeft een band, weet u.’

‘Zeg, jongeman, je drijft de spot toch niet met me?’

‘Maar, mevrouw de barones... hoe zou ik zoiets kunnen doen.’

Een dunne glimlach speelde over het magere gezicht van de barones.

‘Je kunt je om half twee vanmiddag vervoegen bij de wagen-

[p. 86]

schuur. Daar zal de tilbury ingespannen staan met Caesar ervoor. Ik neem aan dat je met paarden kunt omgaan? Om drie uur vijf vaart de pont af. Ik verwacht de tilbury en vooral Caesar uiterlijk om zeven uur terug.’

‘Mevrouw de barones, dat is buitengewoon, ik...’

De rijzige dame was opgestaan. Ze beschouwde het onderhoud als beëindigd. Met een statige hoofdknik brak ze Michiels stamelende woorden van dank af. Haastig verliet hij het vertrek, vervuld met verwondering over deze eigenaardige vrouw.

 

Jitzchak Kleerkoper en zijn zoon David schoren zich zorgvuldig. Daarna werden met wat poeder de zwarte stoppels weggewerkt. De nodige Veluwse kleren werden bij elkaar gehaald uit de klerenkist van een vertrouwde boerin uit de buurt, en zelfs werd haastig nog iets in elkaar genaaid door Erica en haar moeder. De witte, gesteven mutsjes hielpen geweldig om de Kleerkopers er vrouwelijk te laten uitzien. Het was een komisch gezicht, die twee naast elkaar in hun Veluwse dracht.

‘Vang,’ riep mevrouw Van Beusekom ineens en ze gooide meneer Kleerkoper een appel toe. Instinctmatig sloeg meneer Kleerkoper zijn knieën tegen elkaar, zoals mannen, met broeken aan, dat doen als ze zittend iets moeten vangen.

‘Fout,’ glimlachte mevrouw Van Beusekom. ‘Een vrouw met een lange, wijde rok aan doet in zo'n geval automatisch haar knieën naar buiten, omdat haar rok dan als het ware een vangzeil vormt.’ ‘Nou, vader, je hebt je eerste onvoldoende als vrouw te pakken,’ grijnsde David.

‘Ik ben een vrouw van niks,’ gaf meneer Kleerkoper schuldbewust toe. ‘Misschien ben jij een betere, David.’

Hij had een sigaret gedraaid van eigenbouwtabak en mikte die op Davids schoot. David, gewaarschuwd, deed zijn knieën uit elkaar, zodat hij de sigaret keurig op zijn rok opving.

[p. 87]

‘Voordat je nu trots in het rond gaat zitten kijken,’ zei zijn vader, ‘zou ik wel eens willen zien of je weet hoe een vrouw een lucifer afstrijkt.’

‘Of ik dat weet. Een man strijkt naar zich toe, met zijn middelvinger vlak achter de kop van de lucifer, kijk, zó, maar een vrouw houdt het houtje hoger vast en strijkt van zich af.’

Op wat hij als de vrouwelijke manier beschouwde streek hij de lucifer langs het doosje en stak de sigaret aan. Triomfantelijk keek hij om zich heen.

‘Ik ben diep onder de indruk,’ zei meneer Kleerkoper fijntjes, ‘alleen heb ik nog nooit een Veluwse boerin een sigaret zien roken.’

Iedereen lachte, David het hardst van allemaal.

‘Mijn vader heeft nu eenmaal altijd het laatste woord,’ zei hij.

‘We moeten afspreken dat u onderweg niets zegt als anderen het kunnen horen,’ zei Michiel. ‘Niet alleen omdat u mannenstemmen hebt, maar ook omdat u het Veluwse dialect niet kent. Ik moet om uiterlijk zeven uur weer aan deze kant van de IJssel zijn. Er is dus tijd om u een eind verder te brengen dan net over de rivier. Waar moet u heen, of vertelt u dat liever niet?’

‘De familie De Groot woont in Den Hulst,’ zei meneer Kleerkoper.

‘Twintig kilometer voorbij Zwolle,’ wist Michiel. ‘Dat zullen we niet helemaal halen, maar wel een eind heen. 's Kijken (hij rekende even), als u de laatste zeven kilometer moet lopen, kunt u toch royaal voor achten binnen zijn.’

‘Voor de zekerheid kunnen we dan maar beter onmiddellijk vertrekken, lijkt me,’ zei David.

‘Dat helpt niet. We nemen de pont van vijf over drie.’

‘Kunnen we geen pontje eerder nemen?’

‘Alleen de overtocht van vijf over drie is veilig. Waarom, dat vertel ik u na de oorlog wel eens.’

‘Ik vertrouw volledig op je,’ zei meneer Kleerkoper.

[p. 88]

Om precies half twee was Michiel bij de wagenschuur van het witte huis aan de IJssel. De tilbury stond ingespannen; de zwarte, vurige Caesar sloeg van ongeduld met zijn voorbenen het vuur uit de keien. Michiel was zenuwachtig, maar toen hij de leidsels in zijn handen had, veranderde zijn nervositeit in een zekere overmoedigheid. Het paard trok een scherpe, rechte draf over de Veldweg, reageerde prachtig op ieder signaal van de leidsels en maakte de indruk zonder verdere training de nationale draverijen te kunnen winnen. Michiel mende dikwijls paarden, als hij de boeren hielp met het werk op het land. Meestal ging het dan langzaam, omdat er zware wagens moesten worden getrokken. Maar dit was heerlijk. Toen hij zijn twee pseudo-boerinnen in de tilbury had zitten, voelde hij zich een held, een soort Ben Hur. Dat werd er niet minder op toen, geschrokken door de snelle vaart, meneer Kleerkoper zich wat angstig vastgreep aan de bank en David bewonderend opmerkte dat hij kennelijk meer met paarden had omgegaan.

Helaas, veel van zijn plezier verdween toen ze weer op de Veldweg waren. Want daar reden ze Schafter voorbij. De man was lopend en toen de tilbury hem voorbij stoof, stak hij zijn hand op om mee te mogen rijden. Michiel had niet meer dan enkele seconden om te beslissen. Schafter hier naast me op de bok om me uit te vragen, dat nooit, dacht hij. Daarom deed hij net of hij de man niet zag. Uit zijn ooghoeken nam hij waar, dat Schafter met enige verwondering naar zijn passagiers keek en zich waarschijnlijk afvroeg, waarom hij niet wist wie deze vrouwen waren, terwijl hij toch in de wijde omtrek iedereen kende. Hij wilde vast ook graag weten waar Michiel van de burgemeester met die vrouwen heen moest. Naar het veer natuurlijk, de Veldweg liep regelrecht naar het veer. Schafter was niet op zijn achterhoofd gevallen. Nou ja, overwoog Michiel, lópend kan hij het veer nooit voor vijf over drie halen. Zo heel veel geeft het dus niet. Ik vertel hem later wel een smoesje.

[p. 89]

Alles ging goed. De overtocht verliep zonder problemen. Er was geen Duitser te zien. Michiel vroeg aan veerman Van Dijk of hij om half zeven terug kon varen en dat kon.

‘Dâ's 't peerd van de barones,’ stelde Van Dijk vast.

Michiel knikte. Hij verwachtte dat om een nadere uitleg zou worden gevraagd, maar Van Dijk besloot verder te zwijgen.

Ook aan de andere kant van de IJssel waren er geen moeilijkheden. Ze reden ruim een uur in flinke draf verder. Toen zei Michiel: ‘Hier zou ik graag omkeren. Ik moet wat speling houden, want je kunt nooit weten. Trouwens, Caesar zal ook wel wat langzamer willen, lijkt me. Denkt u dat u het kunt vinden?’

‘Beslist,’ zei meneer Kleerkoper.

Hij en David stapten uit. Ze gaven Michiel een hand.

‘God zal het je lonen,’ zei meneer Kleerkoper. Hij gebruikte dezelfde woorden als de oude man met het gebroken wiel. Wat was er ook anders te zeggen?

‘Nu wij weg zijn is het gevaar voor jou gelukkig grotendeels verdwenen,’ meende David. ‘Ik hoop dat we je nog eens ontmoeten. Vaarwel.’

Michiel draaide de tilbury. Ook hij dacht dat er op de terugtocht niet veel kon gebeuren. Maar daarin vergiste hij zich.

 

Hij had ongeveer twintig minuten gereden toen hij op een karrenpad rechts een andere wagen met een paard ervoor zag aankomen. Het was een gewone platte wagen, die de boeren gebruiken om hooi en rogge op te vervoeren, maar het bijzondere aan deze was dat er een stelletje gewapende Duitse soldaten op zat en dat er vier paarden achter aan de wagen gebonden waren. Michiel wist wat dat betekende: paardenrazzia. Deze manschappen waren erop uitgestuurd om paarden te vorderen. Een meter of vijftig achter hem draaide de wagen met de Duitsers de weg op. Toen had Michiel de zweep al over Caesar gelegd.

[p. 90]

Gelukkig had het paard nog fut. Met nieuwe veerkracht snelde het dier voort.

‘Halt, staan blijven,’ hoorde Michiel schreeuwen.

Wat moest hij doen? Hij keek achterom en zag dat ook de Duitse voerman de zweep hanteerde. Zou hij stilhouden? Dat betekende dat de barones haar paard kwijt was. Ze zou er hoogstens een briefje voor terugkrijgen waarop stond dat zij een paard te goed had bij het Duitse Rijk. Daar had je nogal wat aan. Bovendien zouden ze hem misschien ondervragen. Wat hij in deze buurt te zoeken had. Hij voelde de zenuwen weer in zijn maag omhoogkruipen, maar tegelijkertijd kwam het trekje van nijd en vastberadenheid op zijn gezicht, dat daarop het eerst was verschenen toen hij aan het graf van zijn vader stond.

‘Vooruit, Caesar!’

Weer hoorde hij geschreeuw achter zich. De Duitsers merkten dat ze achter raakten. Hun vos kon tegen dat vurige zwarte paard niet op. Des te meer reden om het te willen hebben. Een van de soldaten nam zijn geweer en schoot in de lucht. Michiel schrok. Hij was lang niet genoeg vóór om buiten het bereik van hun kogels te zijn. Hij zag dat een eindje verderop links een zijweg was. In volle ren stuurde hij Caesar erin, zó snel dat de tilbury bijna omsloeg. Het was een bosweg, waar kennelijk heel wat paard-en-wagens reden, want overal zag hij er sporen van. Nu weer naar links en dan naar rechts. Zou hij zijn achtervolgers kwijt kunnen raken? Ah, hij zag waarom er zoveel wagens hadden gereden. De boeren waren hakhout aan het kappen en gebruikten de wagens natuurlijk om het naar huis te rijden. Nog steeds hoorde hij achter zich het woedende geschreeuw van de soldaten, maar hij zag ze niet meer. Nu hier naar links, weer links... tot zijn schrik merkte hij dat hij op een doodlopend weggetje was, onmogelijk om te keren.

‘Ho, Caesar.’

[p. 91]

Michiel sprong van de bok. Hij bond het paard aan een boom en vluchtte het lage hout in. Als ze hem nu te pakken kregen, zag het er niet best voor hem uit. Hij volgde een klein paadje. Hoorde hij daar stemmen? Inderdaad, daar moest volk zijn. 's Kijken of die mensen er betrouwbaar uitzagen, misschien kon hij hun vragen hem een schuilplaats te wijzen. Toch maar voorzichtig zijn, je kon nooit weten wie het waren. Hij liet zich op zijn knieën zakken en kroop dichterbij. Die voorzichtigheid was niet overbodig. Het bleken de stemmen van zijn achtervolgers te zijn, die in gesprek waren met twee boeren die hout aan het kappen waren. Typisch Saksische boeren, een blauwe pet vast op het hoofd, een pruim tabak achter de kiezen. Ze kauwden bedachtzaam op die pruim, namen de tijd om, voor ze antwoord gaven op een vraag, een brede straal tabakssap de ruimte te geven, ze krabden eens op hun achterhoofd, ze keken eens naar de lucht, ze trokken hun gezicht in een zo onnozel mogelijke plooi, kortom, ze gaven de driftige Duitsers de indruk dat ze nauwelijks slimmer waren dan het achtereind van een matig begaafd varken.

‘Hebben jullie hem nou gezien of niet?’ schreeuwde een van de Duitsers.

‘Dâ was toch 'n zwart peerd dat 'r zo net langs kwam, hé Driekus,’ zei een van de boeren.

‘Wis en waarachtig was dat 'n zwart peerd,’ zei de ander.

‘En die kar, bedoelt meneer de soldaat daar een tilbury mee?’

‘Dat zal wel,’ stampvoette de Duitser. ‘Vertel me nou wat voor kant die kar is opgegaan.’

‘O, wou meneer de soldaat dat weten. Nou, rechts.’ Hij wees overtuigend in de richting tegenovergesteld aan die welke Michiel had genomen. De Duitsers keken hem onderzoekend aan. Sprak die man de waarheid? De boer glimlachte met de kinderlijke onschuld, waar alleen de Saksen het geheim van kennen.

‘Ja, krek,’ zei Driekus, ‘die kant uit.’

[p. 92]

‘Bedankt,’ riep de Duitser. ‘Voorwaarts, mannen.’

Ze verdwenen in de aangegeven richting. Michiel liep op een holletje naar het paard, leidde het achteruit het weggetje af, sprong op de bok en reed snel de weg terug die hij was gekomen. Toen hij langs de beide houthakkers kwam, hield hij even in.

‘Verkeerde kant opgestuurd?’ riep hij.

De mannen grijnsden. De ene, die niet Driekus heette, nam de moeite om met zijn duim over zijn schouder de richting aan te geven, waarin Michiels achtervolgers waren verdwenen.

‘Achter 'n zwart peerd an,’ zei hij.

‘Bedankt. Tabé.’

‘Moi.’

 

Een paar minuten later was Michiel terug op de verharde weg en vervolgde zijn tocht naar het Koppelse Veer. Hij haalde het nog juist voor half zeven. Hij werd overgezet door Van Dijk en leverde het paard en de tilbury af bij het witte huis. Graag zou hij de barones nog even bedankt hebben, maar zij liet zich niet zien. Daarna fietste hij snel naar huis. Toen hij de voortuin inkwam, meende hij even dat zijn moeder voor het raam stond uit te kijken. Als dat zo was, wilde ze het niet weten, want toen hij binnenkwam was ze in de keuken bezig en ze vroeg rustig of alles goed was gegaan.

‘Prima,’ zei Michiel. ‘Alleen ben ik op de terugweg even achternagezeten door enkelen van onze vrienden die het paard wilden vorderen. Ze hebben zelfs nog geschoten. In de lucht hoor,’ vervolgde hij haastig, toen hij de plotseling bange ogen van zijn moeder zag. ‘Het was een koud kunstje om te ontsnappen. Die Caesar is een geweldig paard.’

‘Mooi,’ zei zijn moeder, in een heldhaftige poging om onverschillig te doen. ‘Ik zal wat te eten voor je klaarmaken.’

Maar ze kon het toch niet laten hem in het voorbijgaan even een kus op zijn achterhoofd te geven.

[p. 93]

Nog net voor achten kwam oom Ben aanzetten. Hij was wekenlang niet geweest en wist nog niets van de dood van Michiels vader. Hij had de burgemeester altijd graag gemogen en was diep onder de indruk.

‘Was ik er maar geweest,’ steunde hij. ‘Misschien had ik iets kunnen doen.’

‘Wat dan?’ vroeg Michiel.

‘Een overval op de kazerne of... ach nee, 't had toch niet gekund. Ik had waarschijnlijk niets kunnen uitrichten. Weten jullie nu al wie die Duitser in het bos heeft gedood?’

‘Nee, natuurlijk niet. Die vent komt heus niet voor de dag. Die laat liever vijf onschuldige burgers neerknallen.’

‘'t Is vreselijk,’ zuchtte oom Ben.

Om zijn oom weer wat op te vrolijken vertelde Michiel het verhaal van de geslaagde ontsnapping van meneer Kleerkoper en zijn zoon, de tocht over de IJssel en de achtervolging door de paardenvorderaars.

Oom Ben ramde Michiel op zijn schouder, iets harder dan lekker was voor die schouder.

‘Goed werk, broer,’ zei hij. ‘Als de oorlog nog een jaartje duurt, kun je ook bij de ondergrondse komen.’

Het kostte Michiel moeite om niet te vertellen dat hij al tot over zijn oren in de geheimzinnigheden verwikkeld was.

 

Midden in de nacht werd hij wakker gemaakt door Rinus de Raat. De jager raasde laag over het huis, een keer of twee, drie. Dat was zo'n geluid waar je hart even van stil stond en al je spieren zich van spanden om direct hard weg te kunnen hollen. Rinus de Raat was de zoon van de schoenmaker. Al in het begin van de oorlog was hij 'm gesmeerd naar Engeland. Volgens zijn vader was hij piloot geworden op een Spitfire. Daarom zei iedereen altijd gnuivend als er zo'n vliegtuig boven het dorp verscheen: ‘Daar hê je Rinus de Raat.’

[p. 94]

Michiel kon de slaap niet meer vatten. Hij dacht na over Schafter. Wat kon hij de man vertellen? Want dat de slimme en nieuwsgierige Schafter niet zou rusten voor hij het naadje van de kous wist, of meende te weten, daarvan was hij zeker. Pas toen hij een aannemelijk verhaal had bedacht, sliep hij weer in. ‘Rinus de Raat’ was toen allang weer geland op een vliegveldje in het zuiden van Nederland, dat al sinds de zomer in handen was van het bevrijdingsleger.

terug  begin  verder