terug  begin  verder

[p. 95]

9

De volgende morgen besloot Michiel om maar eens onopvallend langs het huis van Schafter te wandelen. Misschien kwam hij hem tegen. Op weg er naar toe ontmoette hij meneer Postma. Zijn eerste impuls was om zich af te wenden. Hij was ervan overtuigd, dat meester Postma bij de verzetsgroep in de Vlank hoorde, en was die verzetsgroep er niet de schuld van dat er vijf mannen waren doodgeschoten?

Meneer Postma zag zijn onwillekeurig gebaar en kwam direct op hem af. Hij greep hem bij een knoop van zijn jekker en zei: ‘Ik weet dat ik mijn boekje te buiten ga, Michiel, maar ik wil je dit zeggen: De ondergrondse van de Vlank weet niets af van de dode soldaat in het bos. Dat weet ik zeker.’

Michiel schaamde zich al.

‘Dank u, meester,’ zei hij.

‘Zul je vergeten dat ik je dit heb gezegd?’

‘Ik ben het al vergeten.’

‘Goed zo.’

Beiden vervolgden hun weg. Michiel liep langs het huis van Schafter. Hij zag niets. Maar toen hij een eindje verder was omgekeerd en terugliep langs het huis, stond Schafter iets te doen in de voortuin.

‘Môge, Schafter.’

‘Ah, dag Michiel. Wou je me niet zien, gisteren?’

‘Ik u niet zien? Waar dan?’

‘Op de Veldweg. Je kwam me voorbijstuiven met de tilbury van de barones Weddik Wansfeld. Dat wás toch de tilbury van de barones?’

‘Dat was 'ie, ja.’

‘Ik had graag een eindje mee willen rijden, maar je zag me niet.’

[p. 96]

‘Neem me niet kwalijk, hoor.’

‘'t Geeft niet. Ik moest bij Verheul wezen. Dat is niet zo ver. Zeg, die twee boerinnen...’

Schafter kwam een stapje dichterbij en liet zijn stem dalen tot een vertrouwelijk gefluister.

‘... die twee boerinnen, wie waren dat?’

‘Dat waren zusters van een van de meiden van de barones,’ zei Michiel. ‘Ze zijn van Uddel, bij Elspeet, weet je wel. Ze hadden vandaag een bruiloft in Zwolle en de barones vond goed, dat ze met haar tilbury werden gehaald. Toen heeft Aaltje aan mij gevraagd of ik het wilde doen.’

‘Zo,’ zei Schafter. ‘En moest Aaltje niet mee naar de bruiloft?’

‘Jazeker. Ze is ook meegegaan.’

‘Dan is het wel gek dat ik haar vanmorgen aan deze kant van de IJssel tegenkwam.’

Michiel verschoot van kleur. ‘Dan, eh, dan is ze zeker plotseling teruggeroepen,’ stotterde hij.

Schafter keek naar de lucht. ‘Die zusters van Aaltje waren niet toevallig een paar verklede mannen?’ informeerde hij langs zijn neus weg.

‘Welnee, hoe komt u daar nou bij,’ zei Michiel en hij probeerde het zo verontwaardigd mogelijk te laten klinken.

‘O, ik dacht maar zo. Het gezicht van de ene leek nogal mannelijk.’

‘Ik moet er weer 's vandoor,’ zei Michiel.

‘Luister eens,’ zei Schafter, ‘je kunt mij gerust in vertrouwen nemen. Ze zeggen wel van me dat ik fout ben, maar daar is niks van waar. Ik moet ook een paar mensen over de IJssel zien te krijgen. Als jij een manier weet, zeg het me dan. Ik zweer je, dat ik er geen misbruik van zal maken.’

De rillingen liepen Michiel over de rug. Dat die man zó brutaal was.

[p. 97]

‘Ik weet niet waar u het over hebt. Ik ken geen maniertjes. Twee vrouwen uit Uddel waren het, verder niks. En ik snap ook niet wat je er eigenlijk mee te maken hebt. Goeiendag.’

Met grote passen liep hij weg. Hij verprutste ook altijd alles. Alles. Wat moest hij nou weer doen?

 

Nog diezelfde middag werd veerman Van Dijk gevangengenomen.

Een onbekende figuur kwam in zijn plaats. De barones kreeg huisarrest opgelegd. Tot haar aandeel in de clandestiene overtochten was uitgezocht, mocht ze haar huis niet verlaten. De straf die de Duitse soldaten kregen, werd niet bekend. Het waren er ook zo veel geweest die zich in de loop van de maanden door de barones in de luren hadden laten leggen. De laatste onderofficier die het bevel had gevoerd, raakte zijn sergeantsstrepen kwijt, dat bericht siepelde wel door.

Weer verwachtte Michiel, die zich vreselijk schuldig voelde, dat hij zou worden gehaald voor een verhoor. Ze zouden toch zeker willen weten waarheen hij die twee vrouwen had gebracht. Weer naderde hij hun huis omzichtig als hij uit was geweest. Weer kon hij haast niet eten van de zenuwen en moest hij om de tien minuten naar de WC. En weer gebeurde er niets. Niemand vroeg naar hem. Niemand interesseerde zich voor hem. Had Schafter zijn naam verzwegen? Voelde hij sympathie voor Michiel en wilde hij de jonge jongen sparen? Zo aardig deed hij anders niet tegen Schafter. Michiel wist het niet. Hij wenste meer dan ooit dat het bevrijdingsleger van de Amerikanen en de Engelsen, de Canadezen en de vrije Fransen een beetje opschoot.

Veertien dagen later was het voorlopig onderzoek afgesloten. De rol van de barones was duidelijk geworden en een onderofficier met twee soldaten kwamen haar arresteren.

Ze vonden de deur op slot en de luiken voor de ramen. De onderofficier rukte hard aan de bel. Op de eerste verdieping ging

[p. 98]

een raampje open en de barones riep naar beneden: ‘Scheer je weg.’

‘Ik gelast u de deur te openen. Ik kom u arresteren,’ zei de onderofficier plechtig.

‘Scheer je weg. Een Weddik Wansfeld wordt niet gearresteerd.’ De onderofficier wist niet goed wat hij moest doen. Hij gooide het over een andere boeg.

‘Mevrouw de barones, ik verzoek u met mij mee te gaan naar de commandopost. De garnizoenscommandant wil u graag spreken.’

‘Aanmerkelijk beter,’ zei de barones goedkeurend. ‘Maar het antwoord is nee. Als de commandant mij wil spreken, zal hij zich hier moeten vervoegen.’

‘Alstublieft, barones,’ zei de onderofficier smekend.

Bij wijze van antwoord werd het raam dichtgedaan.

De onderofficier wist niet beter te doen dan terug te gaan en rapport uit te brengen. 's Middags verscheen er een officier, nu met vijf manschappen die een balk meedroegen. De gebeurtenissen van 's morgens herhaalden zich. Weer werd aan de bel gerukt, weer verscheen de barones voor het bovenraam.

‘Als u de deur niet onmiddellijk opent, laat ik hem openrammen,’ brulde de officier, die een mannetjesputter was.

‘U moet doen wat u niet laten kunt,’ zei de barones.

De mannen brachten de balk in de juiste positie, zetten zich in het gelid, en lieten hem tegen de zware, met ijzer beslagen voordeur dreunen. Direct daarna klonk een schot en een schreeuw van één van de soldaten. Hij was in zijn arm getroffen.

‘Donnerwetter,’ vloekte de officier. Achter de balustrade van een balkon had hij een glimp gezien van de barones met een geweer. ‘Dit kost u het leven,’ brulde hij naar boven.

‘Het was een waarschuwingsschot in een arm,’ riep de barones. ‘De volgende keer mik ik op een hoofd. Het uwe.’

[p. 99]

‘Dat mens is gek,’ mopperde de officier. Het leek hem veiliger om de beschutting van de bomen aan de overkant van de weg op te zoeken. Moest hij nu warempel met zes man dit huis bestormen? Dat kon wel eens een paar levens gaan kosten. Bovendien had de commandant gezegd dat hij de barones met onderscheiding moest behandelen. De commandant was de zoon van een rentmeester. Hij had diep respect voor de adel. Het was toch te gek. Je kon toch niet een paar man opofferen om een oude vrouw te arresteren. Zou hij een paar handgranaten door de ramen gooien? Hoe zou de commandant dat vinden? Ook hij besloot terug te gaan en rapport uit te brengen. Hij wist niks beters en had behoorlijk de pest in.

Die dag gebeurde er verder niets, maar de volgende morgen om half elf kwam de garnizoenscommandant persoonlijk. Hij trok beschaafd aan de bel en de barones verscheen, het begon een gewoonte te worden, voor het bovenraam.

‘Hooggeboren Vrouwe,’ zei de commandant, ‘ik vraag u de gunst mij te willen ontvangen.’

‘Dan kan,’ antwoordde de barones, ‘als u uw pistool aflegt.’

‘Met genoegen.’

De commandant deed zijn koppel met de pistoolholster af. Even later hoorde hij het terugschuiven van grendels en het rammelen van een ketting. De deur ging open. Hij stapte naar binnen en zag dat de barones, onberispelijk gekleed in een lange ochtendjapon, een zwaar legerpistool in haar hand hield. Ze wuifde hem een eindje verder de gang in en schoof daarna zorgvuldig de grendels weer voor de deur. Zelfs de zware ketting ging weer om de haak.

‘Aardig pistooltje,’ zei de commandant rustiger dan hij zich voelde. Hij vond de achteloze manier, waarop de adellijke dame met de trekker speelde, nogal verontrustend.

‘Mijn man is bij de huzaren geweest,’ verduidelijkte de barones. ‘Er is ook nog een legergeweer en een dubbelloops jachtgeweer. En voldoende ammunitie.’

[p. 100]

‘Weet u dat op wapenbezit de doodstraf staat?’ vroeg de commandant.

‘Dat is mij bekend. Gaat u toch zitten. Helaas kan ik u niets aanbieden omdat mijn personeel in de muziekkamer zit.’

‘In de muziekkamer?’

‘Zeker. Mijn andere huisgenoten ook. Het zijn bange wezels. Ik heb ze in de muziekkamer laten gaan en de knip voor de deur geschoven.’

Ze is gek, dacht de commandant. Ze zat rechtop tegenover hem, de loop van het pistool nauwkeurig op zijn hart gericht. Hij twijfelde er niet aan of ze zou de trekker overhalen als hij ook maar iets ondernam om haar het wapen afhandig te maken.

‘Mevrouw, het is oorlog. Ik moet u verzoeken met mij mee te gaan.’

‘Waarheen?’

‘Naar de kazerne.’

‘Om mij vervolgens te laten veroordelen en terechtstellen,’ zei de barones. ‘Zojuist hebt u al gezegd dat ik de doodstraf kan krijgen voor het bezit van wapens. Ik heb me ook nog verzet tegen arrestatie en één van uw knapen in de arm geschoten. Bovendien denkt u dat ik iets met het Koppelse Veer heb te maken. Nee, mijn beste commandant, ik heb besloten mij niet te laten arresteren, zelfs niet door het Herrenvolk.’

De commandant begon, al zijn bewondering voor de adel ten spijt, uit zijn humeur te raken.

‘Geef mij dat pistool, mevrouw.’

Als enig antwoord spande de barones de haan.

‘Ik zal u met geweld uit dit huis laten halen.’

‘Waarom hebt u dat gisteren niet laten doen?’

‘Dat is mijn zaak.’

De barones stond op. Zij beschouwde het onderhoud als beëindigd. Woedend liep de commandant de gang door naar de voor-

[p. 101]

deur. Als zij de grendels van de deur schuift, sla ik het pistool uit haar handen, dacht hij. Maar hij kreeg geen kans. De rijzige dame beduidde met een hoofdknik dat hij de grendels zelf weg moest schuiven en de ketting van de haak lichten.

‘U handelt dwaas, Hooggeboren Vrouwe,’ zei hij ten afscheid.

‘Tegen de achtergrond van de daden van het Duitse Rijk is niets te dwaas,’ antwoordde de barones.

Zij neeg het hoofd en sloot de deur achter hem.

 

De volgende morgen verscheen er een tank bij het witte huis aan de IJssel. De garnizoenscommandant kwam zelf mee. Hij had er de hele nacht over gepiekerd en meende dat hij een oplossing had gevonden een barones, en zeker deze barones, waardig. Hij kwam de tank niet uit.

‘Barones,’ riep hij, zijn bovenlijf uit de geschutskoepel stekend.

De barones verscheen voor het bovenraam.

‘Geeft u zich over?’

‘Een ogenblikje,’ zei ze.

Even later ging er een klein deurtje in het achterhuis open en in ganzenpas kwamen alle huisgenoten naar buiten. Allen, behalve de barones. De dienstbodes, de huisknecht, de nichten, de zwager, de schoonzoon en ten slotte de dochter.

‘Moeder, ga mee,’ smeekte de dochter.

‘Om me te laten doodschieten door die onverlaten, morgenochtend om zes uur op een binnenplaats? Nee, dank je. Ik ben te oud om gevangene te zijn. En te trots.’

De dochter snikte en volgde de anderen. De barones deed het deurtje zorgvuldig op de grendel. Ze ging naar het balkon, een geweer in de hand.

‘Commandant!’

‘Mevrouw, ik luister.’

‘Neemt u er nota van dat mijn huisgenoten niets te maken heb-

[p. 102]

ben met deze zaak? Geen van hen heeft ooit een woord met een van uw mannen gesproken. Ik ben verantwoordelijk en ik alleen.’

‘Ik neem er nota van,’ zei de commandant. ‘Mevrouw, geef u over.’

De barones richtte het geweer en schoot een kogel rakelings langs zijn hoofd. Haastig dook de commandant weg en sloot de geschutskoepel. Bedaard schreed de barones naar binnen en begaf zich naar het grote vertrek waar de schilderijen van haar voorouders hingen.

‘Vuur,’ zei de commandant.

De tank begon te schieten. Twintig granaten belandden in het witte huis. Spoedig brandde het als een fakkel en begonnen de muren in te storten. Pas toen het ondenkbaar was dat zich in de ruïne nog een levend wezen zou kunnen bevinden, gaf de commandant het teken van vertrek. Zo gauw de tank was verdwenen, snelden de huisgenoten van de barones en alle mensen uit de buurt, die het gebeuren hadden gadegeslagen, erop af en begonnen verwoed te blussen. Na een uur was het zo ver dat ze zich voorzichtig durfden wagen tussen de geblakerde muren, die vol gaten zaten door de granaten. Ze zochten en ze vonden. De douairière Louise Adelheid Mathilde, barones Weddik Wansfeld lag, maar nauwelijks door het vuur aangetast, onder een stapel neergestorte stenen. Ze had een oranje sjerp om. Als de commandant de moeite had genomen te komen kijken, dan zou hij aan de onverzettelijke trek op haar gezicht hebben kunnen zien, dat Duitsland de oorlog op den duur zou verliezen.

terug  begin  verder