terug  begin  verder

[p. 103]

10

De weken gingen voorbij. Het werden maanden. De kortste dag kwam, 21 december. Kerstmis 1944. Een pikzwarte Kerstmis. Oudejaarsavond. Zou het nieuwe jaar vrede brengen, hoeveel mensen vroegen zich dat af, die oudejaarsavond? Januari, een lange, koude maand, zonder brandstof, bijna geen voedsel. De honger in de grote steden nam schrikbarende vormen aan. Velen liepen met buiken opgezet van hongeroedeem, sommigen stierven. Wie nog enige kracht overhad, trok naar het oosten en het noorden om te proberen wat voedsel te bemachtigen en thuis te brengen bij de kleine kinderen en de ouden van dagen. De droevige stroom etenzoekers werd steeds groter, maar bewoog zich ook steeds langzamer. De mensen waren verzwakt.

De Duitsers werden nerveuzer en daarmee wreder. Het ging slecht aan alle fronten. Ze leden verliezen aan het oostelijk front, waar de Russische legers oprukten. Hun stellingen in het zuiden waren al opgerold. In het westen hadden de geallieerde legers Frankrijk, België en het zuiden van Nederland bevrijd en nu stootten ze door in oostelijke richting, naar de Heimat, naar Duitsland zelf. Hitler ging de oorlog verliezen, daar kon geen zinnig mens meer aan twijfelen.

En dan? Zouden de geallieerden dan net zo huishouden in hun land als zij hadden huisgehouden in Nederland, België, Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Tsjecho-Slowakije, de Balkanlanden, Noord-Afrika, het Nabije Oosten, en vooral in Polen en Rusland? Wat stond hun te wachten als de concentratiekampen werden ontdekt, de vernietigingskampen, waar miljoenen onschuldigen waren vermoord als waren zij schadelijke insecten?

Wat was er overgebleven van het trotse Duitsland, met zijn

[p. 104]

superieure legers en zijn onoverwinnelijke Führer, Adolf Hitler? O zeker, Hitler sprak nog altijd over de uiteindelijke, de totale zegepraal, over het geheime wapen dat hij nog achter de hand had, over de onoverwinnelijkheid van het Germaanse ras. Maar wie geloofde dat nog? In de harten van de Duitse militairen groeide bitterheid en overal waar zij zich nog konden handhaven, knalden de salvo's van de executiepelotons.

 

Eindelijk had Erica het gips van Jacks been durven verwijderen. Ze had er veel liever de dokter bijgehaald, die Jack direct na zijn verwonding had behandeld, maar hoe ze ook piekerden, hoe Jack ook probeerde zich een naam te herinneren, ze kwamen er niet uit. Alleen Dirk wist het en Dirk zat gevangen in Amersfoort, daar hadden zijn ouders een kort berichtje van gekregen.

Erica was bang dat het niet helemaal goed was met dat been. Op de plaats, waar het gebroken was geweest, zat een dikke knobbel, dat bleek toen het gips eraf was. Misschien was dat niet zo abnormaal, maar het leek ook of het been een ietsje pietsje scheef stond. En het bleef pijn doen als Jack probeerde erop te lopen. Ondanks dat oefende hij dagelijks en na een tijdje kon hij weer een beetje uit de voeten - maar de honderd meter hardlopen zou hij voorlopig niet winnen, dat was wel duidelijk.

Ook met de wond aan zijn schouder ging het niet zoals het zou moeten. Dank zij Erica's goede zorgen was de infectie overgegaan, dat wel. Ze vernieuwde het verband tweemaal per week en zorgde dat de wond volkomen schoon bleef. Maar het gat groeide slecht dicht.

‘Wat is dit ook voor een ziekenhuis,’ mopperde de halfwas verpleegster. ‘Bed: een hoop dorre bladeren. Instrumenten: een nagelschaartje en een aardappelschilmesje.’

‘Maar goed gesteriliseerd,’ zei Jack.

‘Goed gesteriliseerd, ja,’ vervolgde Erica, ‘maar 't zijn me de in-

[p. 105]

strumenten wel. Voedsel: altijd oudbakken, nooit echt verse groenten, koude aardappels...’

‘Maar met liefde gekookt,’ zei Jack.

‘Dat is zo,’ glimlachte Erica en ze streelde zijn baardige wang.

‘Drank: koude thee en karnemelk.’

‘Ik moet toegeven dat ik best zou lusten een glas whisky,’ onthulde Jack, die nu bijna foutloos Nederlands sprak, al had hij nog een zwaar accent.

‘Temperatuur: koud en vochtig. Revalidatiecentrum:...’

‘Wat zei je?’

‘Revalidatiecentrum. Ruimte om te oefenen met je manke pootje. Twee bij twee meter, verminderd met de plaats in beslag genomen door genoemde hoop dorre blaren, een wrakke stoel en een tafeltje. Dokter: afwezig.’

‘Overige medische begeleiding,’ zei Jack, ‘van het allerbeste.’

‘Hoe moet ik je onder deze omstandigheden ooit gezond krijgen?’

‘Och,’ zei Jack, ‘je moet maar denken: als ik gezond ben, ik moet proberen terug naar Engeland te komen uit alle macht. Dat staat in onze luchtmachtregels. Vind jij dat zo leuk? Ik weet natuurlijK dat ik ben een hele last voor je, maar...’

‘Nee, lieveling,’ zei Erica en ze was al weer wat verzoend met Jacks trage genezing.

 

Michiel maakte een moeilijke tijd door. De gebeurtenissen met het Koppelse Veer en de barones Weddik Wansfeld hadden hem diep geschokt. Hij was naar de begrafenis gegaan. Tenminste duizend mensen hadden hetzelfde idee gehad. Het was een demonstratie van bewondering voor de barones geworden, een demonstratie tégen de Duitsers ook. De garnizoenscommandant had een krans gestuurd, omdat ook hij wilde tonen respect voor deze vrouw te hebben. Dat had men wel sportief van hem gevonden.

[p. 106]

Niemand van al deze mensen weet dat het mijn schuld is, had Michiel gedacht, toen hij op het kerkhof stond. Ook niet de dominee, die moedig genoeg was om in zijn grafrede de Duitsers er flink van langs te geven. Ook niet de freule Weddik Wansfeld, die bloemen strooide op de kist van haar moeder. Ook niet de onbekende, die een boeket had gestuurd met een oranje lint erom, waar ‘Leve de Koningin’ op stond.

Het ergste was dat hij niet wist wat hij fout had gedaan. Hij wist het niet, toen met Bertus Hardhorend, en nu wist hij het weer niet. Hoe had hij anders moeten handelen? Als hij nu wéér twee joden naar de overkant van de IJssel moest brengen, zou hij dan iets beters kunnen verzinnen, iets veiligers? Alles wat hij ondernam, ging verkeerd. Allerlei mensen kwamen erdoor in de knel, behalve hij zelf. En toch deed hij alles zo voorzichtig. Was hij dan toch een kind, te klein voor dit verantwoordelijk werk? Eén dezer dagen zouden ze ook Jack wel oppakken, door zijn schuld. Dan was het verhaal compleet.

Hij besloot dat hij zich in het vervolg zo min mogelijk met illegaal werk zou bemoeien. Blijkbaar kon hij het niet. Naar Jack ging hij nog maar eens in de week. De rest deed Erica en ze deed het boven verwachting goed. En hij die meende, dat hij zoveel beter was dan zijn oudere zusje. Het mocht wat. Hij verprutste alles. Zou hij Jack helemaal aan Erica overlaten? Nee, dat kon hij toch niet over zijn hart verkrijgen. Hij had van Dirk de brief gekregen, hij was verantwoordelijk. Hij verdubbelde zijn voorzorgsmaatregelen, hij piekerde zich suf over de fouten die hij zou kunnen maken en hoe hij ze moest vermijden, en hij bleef eens per week gaan.

Als hij Schafter tegenkwam, draaide hij nu ostentatief zijn hoofd de andere kant uit. Die gemene verrader zou nu wel begrijpen dat hij begreep wie de barones had aangegeven bij de Duitsers. Hij mocht best weten hoe Michiel daarover dacht, al had hij dan ook

[p. 107]

duizend keer Michiels naam niet tegen de Duitsers genoemd. Als hij meende dat Michiel daar dankbaar voor was, had hij het mis.

Zo droeg ook Michiel zijn kruis in deze oorlog en een licht kruis was het niet.

 

De kleine Jochem was een ondernemend jongetje. Op een dag, toen Erica en Michiel niet thuis waren en moeder druk bezig was in de keuken, besloot hij op het dak te klimmen. Daartoe begaf hij zich naar de zolderkamer van broer Michiel. Dat was verboden, maar Jochem was in zo'n bui dat hij elk verbod aan zijn laarsje lapte.

In Michiels kamer vergat hij een tijdje het doel van zijn bezoek, want zijn grote broer had allerlei interessante dingen die leuk zijn om eens even vast te pakken. Er was bijvoorbeeld een verzameling schelpen en een oude telefoon en een bos snoer en een atlas die open lag bij Frankrijk. Jochem raakte alles aan, kneep twee schelpen stuk, trok met een potlood een nieuwe grens tussen Frankrijk en Duitsland, als ware hij generaal Eisenhower, de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten, hield een telefoongesprek met zichzelf dat eindigde met de mededeling dat hij op het dak wilde klimmen en duwde toen het dakraam open.

Geweldig. Vanaf het bed kon hij gemakkelijk door het raam klimmen en enkele ogenblikken later zat hij in de goot. De goot was een beetje glibberig. Er lag natte, groene rommel in en ook dorre bladeren. Nou ja, glibberig of niet, het was hierboven te mooi om niet een kleine tocht door de goot te maken. Hij kon boven op het dak van de buren kijken - daar zou hij beslist over kunnen opscheppen tegen zijn buurjongetje Joost. Welgemoed ging hij de hoek om. Niet erg interessant, die zijkant van het huis. Hij keek pal tegen de blinde muur van het gemeentehuis op, wat had je daar nou aan. Spoedig bereikte hij de volgende hoek. Zo, nu was hij aan de straatkant, dat was aardig. Hij zag dat de bak-

[p. 108]

ker omhoog keek en toen zijn kar stilzette. En kijk daar eens, juffrouw Van de Ende komt uit haar huisje stormen met haar handen omhoog. Er komen nog meer mensen, die allemaal roepen. Wat willen ze toch? Zou er iets aan de hand zijn bij hun voordeur? Hij buigt zich voorover om over de rand van de goot te kijken. Dan pas ziet hij de duizelingwekkende afgrond die daar onder hem gaapt. Jakkes nog aan toe, als hij naar beneden valt, is hij vast dood. Hij krijgt nu ook in de gaten dat de mensen naar hem roepen.

Ineens wordt hij bang. Hij gaat op zijn knieën zitten en klemt zich vast aan de rand van de goot. Zijn onderlip begint te trillen en twee minuten later zit hij hevig te huilen.

Mevrouw Van Beusekom had even niet aan Jochem gedacht. Haar hoofd was vol zorgen om Erica en Michiel, van wie ze voelde dat ze dingen uitvoerden, waar zij niet van wist. Als altijd dwaalden haar gedachten daarna naar haar man, die dood was en die haar niet zou helpen bij de opvoeding van Jochem, die toch heus nog wel leiding nodig had. Hé, Jochem, waar zat hij nu weer? Ze liep naar de huiskamer, naar de tuin, ze keek in de schuur, opende de deur die toegang gaf tot de trap naar de kelder.

‘Jochem!’

Geen antwoord.

Ze had haar voet al op de onderste tree van de trap om boven te gaan zoeken, toen de bel ging. Haastig knoopte ze haar schort los en deed open.

‘Mevrouw, weet u dat uw zoontje op het dak zit?’

Ze holde naar buiten, waar zich al wel twintig mensen hadden verzameld, en keek omhoog. Haar hart sloeg over.

‘Jochem, blijf rustig zitten, ik kom bij je.’

Moest zij hem van dat dak halen? Ze kon nog niet over een hekje van veertig centimeter klimmen en ze had al hoogtevrees als ze op een stoel stond.

[p. 109]

‘Die goot is zo rot als een mispel,’ zei een van de mannen. ‘Daar is de hele oorlog niks aan gedaan en in 1940 was 'ie al niet best meer. Je trapt er zo doorheen, wat ik je brom.’

‘Mama,’ huilde Jochem.

‘Misschien kan het vanaf de nok, over de pannen,’ zei een ander. ‘Een paar man op de nok, en dan één zich laten zakken naar dat jochie aan een touw. Maar hoe kom je d'r op?’

‘Aan de achterkant zit een dakraam,’ zei mevrouw Van Beusekom haastig. ‘Hebben jullie touw?’

‘Bij me thuis wel,’ zei de man. ‘Ik zal het gaan halen.’

‘Dat duurt te lang,’ zei ineens iemand in het Duits. ‘Het jongetje zit steeds meer te wiebelen. Hij valt zo naar beneden. Mevrouw, mag ik even door uw huis lopen?’

Het was een Duitse soldaat die had gesproken.

‘Natuurlijk,’ fluisterde Jochems moeder beteuterd.

De soldaat zette zijn fiets tegen het hek en liep op een drafje het huis in. Met twee, drie treden tegelijk holde hij de trappen op en nog geen minuut later wurmde hij zich door het dakraam. Voorzichtig liet hij zich in de goot zakken. Die boog griezelig door.

‘Rot,’ mompelde de soldaat. ‘Oud en rot.’

Zo dicht mogelijk tegen de pannen geleund schoof hij door de goot, dezelfde weg die Jochem had genomen. Toen hij de voorkant van het huis bereikte, stond het buiten zwart van de mensen. Ook mevrouw Van Beusekom, die hem eerst achterna was gelopen, had zich weer bij de menigte gevoegd. Door het dakraam kon ze Jochem immers niet zien. Jochem zelf hield op met huilen, toen hij de man zag aankomen. Voetje voor voetje schoof de soldaat verder. Opeens klonk er een kreet van ontzetting door de menigte. De moedige Duitser trapte met zijn linker laars finaal door de vergane goot. Alleen door zich snel languit voorover te gooien, zodat hij in zijn volle lengte in de goot lag uitgestrekt, redde hij zijn leven.

[p. 110]

Jochem was zich ook een ongeluk geschrokken toen die vreemde man ineens omviel in zijn richting, maar nu voelde hij een sterke hand om zijn linkerbeen. Dat was een heerlijk gevoel.

‘Nou kroipen we zusammen verder,’ zei de soldaat in gebroken Nederlands. Zachtjes duwde hij Jochem voor zich uit. Ze gingen nu de andere kant van het huis om. De linkerknie van de soldaat hing boven de afgrond en met zijn voet haakte hij zich vast in de goot.

‘Zo dadelijk duvelt die hele goot naar beneden,’ mompelde de man beneden, die al eerder zijn twijfel over de kwaliteit van het zink had uitgesproken.

Mevrouw Van Beusekom stond met haar handen tegen haar borst geklemd, nauwelijks in staat adem te halen. ‘Red hem, red hem, red hem,’ bad ze in stilte.

Na wat een eeuwigheid leek, bereikte het tweetal de achterzijde van het burgemeestershuis. Voorzichtig ging de soldaat staan, leunend tegen de dakpannen en hij duwde Jochem op naar het dakraam. Even later was het jochie binnen, opgevangen door zijn moeder, die weer naar boven was gegaan. Ook de soldaat was spoedig daarna in veiligheid. Mevrouw Van Beusekom greep zijn hand.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ stamelde ze.

De man lachte, kneep Jochem in zijn wang en liep met grote stappen naar beneden.

‘Wacht, wacht,’ riep mevrouw Van Beusekom, maar hij was de voordeur al uit en pakte zijn fiets. De mensen weken eerbiedig uiteen.

‘Bravo,’ zei iemand, maar die loftuiting verwaaide in de wind. De anderen waren als met stomheid geslagen. Een halve minuut later was de soldaat om de hoek verdwenen.

 

‘Een Duitser?’ vroeg Michiel in opperste verbazing. ‘Een mof?’

‘Een Duitse soldaat. Eén van Hitlers trawanten. Een vijand van ons volk.’

[p. 111]

Mevrouw Van Beusekom zag nog bleek van de doorstane angst. Jochem niet. Die was het gebeurde al bijna vergeten.

Michiel ging naar buiten en keek omhoog... Hij zag de kapot getrapte goot. Hij zag hoe hoog het was. Nog steeds verbaasd zijn hoofd schuddend kwam hij weer binnen.

‘Moeder, waarom moest een Duitser dat doen? Wat deden de andere mensen intussen? Stonden die maar zo'n beetje te kijken? Wat deed u zelf eigenlijk?’

‘Ik wist dat ik het niet zou kunnen. Je weet hoe een held ik ben als er geklommen moet worden. De andere mensen stonden te praten en te overwegen, ik geloof dat ze ook niet durfden. Het was ook doodgriezelig. Heb je de plaats gezien waar hij door de goot is gezakt?’

‘Jawel. Was het echt gevaarlijk?’

‘Het is een wonder dat hij niet is doodgevallen.’

Intussen kwam Erica binnen en ook zij moest het verhaal direct horen. Haar eerste reactie was Jochem te gaan knuffelen. Dat het een Duitser was geweest die de redding had verricht, daar keek ze niet zo van op. Michiel wel. Hij kon er nog steeds niet over uit.

‘Maar waaróm, waaróm heeft hij het gedaan?’

‘'t Was natuurlijk gewoon een aardige vent,’ zei Erica.

‘Een Duitser een aardige vent? Wat doet 'ie dan hier?’

‘Michiel,’ zei mevrouw Van Beusekom, ‘er zijn tachtig miljoen Duitsers. En of je het nu leuk vindt of niet, daar zitten ook goeie mensen bij, mensen die ook niet blij zijn met deze oorlog. Wij houden niet van de Duitsers, jij niet en ik niet en Erica ook niet, maar deze ene Duitser zullen we dankbaar moeten zijn, hoe je het ook wendt of keert. Ik ben hem in ieder geval dankbaar.’

‘Misschien maakte hij ook deel uit van het executiepeloton,’ zei Michiel halsstarrig.

‘Dat geloof ik niet. En zélfs..., nee, dat geloof ik niet.’

‘In een executiepeloton hoef je niet als je per se niet wilt,’ zei

[p. 112]

Erica. Michiel zweeg. Het was zoveel gemakkelijker om alle Duitsers te haten. En nu moest hij in zijn hart toegeven dat deze soldaat zich heel wat edelmoediger had gedragen dan al hun buren bij elkaar. Hij keek naar het olijke witte kopje van zijn broertje. Een val van tien meter hoog op de keien...

‘Nou, deze éne dan,’ bromde hij. ‘De andere negenenzeventig miljoen negenhonderdnegenennegentig duizend negenhonderdnegenennegentig blijven moordenaars.’

‘Het zullen er een paar minder zijn,’ dacht moeder. ‘Maar goed, als er één schaap bij jou over de dam is, zullen er wel meer volgen. Kom, Jochem, naar bed.’

‘Ik ga niet meer op het dak,’ zei Jochem. ‘Behalve als die aardige meneer meegaat.’

terug  begin  verder