Op een woensdagmiddag maakte Michiel zich klaar om naar Jack te gaan. In zijn fietstas stopte hij een rugzakje, waarin een paar boterhammen zaten, twee appels, een fles melk, een pannetje met gekookte, koude bruine bonen en een stuk ham. Geen slechte vangst deze keer, vond hij. Hij fietste in de richting van het Dagdaler Bos. Hij sloeg het pad, dat leidde naar de jonge dennenaanplant, echter niet meteen in, want er fietste iemand achter hem aan. In plaats van links ging hij rechtsaf. Na een paar honderd meter stopte hij en keerde terug. De Damakkerweg was nu verlaten en hij ging rechtdoor het bos in. Als gewoonlijk verstopte hij zijn fiets tussen de struiken en ging te voet verder. Zonder iemand tegen te komen bereikte hij het noordoostelijk vak, liet zich op zijn knieën zakken en begon de gebruikelijke sluiptocht. Jack hoorde hem, ondanks zijn vaardigheid in de tijgersluipgang, aankomen en wachtte hem op, staande in de opening van het hol.
‘Schrik niet,’ zei hij. ‘We hebben een bezoeker.’
Ondanks de waarschuwing schrok Michiel toch. Erica kon het niet zijn. Ze was thuis geweest toen hij vertrok.
‘Wie dan?’
‘Kijk zelf maar.’
Hij ging het hol in en zag dat er iemand op het geïmproviseerde bed lag. Pas toen zijn ogen aan de duisternis waren gewend, zag hij wie het was.
‘Dirk!’
‘Dag Michiel.’
Dirk kwam half overeind. Wat zag hij eruit! Zijn neus stond
scheef. Eén oog was niet te zien, zo gezwollen was het. Op zijn linkerwang zat een akelige rauwe plek. Zijn mond stond een eindje open - kon blijkbaar niet helemaal dicht.
‘Dirk, wat hebben ze je toegetakeld.’
Dirk probeerde te glimlachen. Het werd meer een grijns.
‘Ik heb gelukkig geen spiegel.’
‘Ben je ontsnapt?’
‘Ja. Uit de trein gesprongen. Gisternacht. Heb je iets te eten bij je? Ik heb al twee dagen lang niets gegeten. Gisteren heb ik me de hele dag schuilgehouden in een houtwal. Ik ben bijna bevroren. Vannacht ben ik hierheen gelopen. Geslópen, kun je beter zeggen.’
‘Gedonderd kun je beter zeggen,’ zei Jack. ‘Ik had bijna hem doodgeschoten. Hij kwam breken door die sparren of hij was op z'n eentje een peloton infanterie.’
‘Ik was bijna bewusteloos,’ zei Dirk.
Michiel maakte haastig zijn rugzak open en begon Dirk te eten te geven.
‘Zachte dingen, alsjeblieft. Die bruine bonen, dat is goed. En melk, heerlijk. Ik heb bijna geen tanden meer in m'n mond, weet je. Sorry, Jack, ik ben bang dat het grootste deel van de maaltijd je neus voorbijgaat, deze keer. Neem de appels, die kan ik toch niet bijten.’
‘Never mind,’ zei Jack.
‘Ik breng wel meer,’ zei Michiel, ‘misschien vandaag nog, anders in ieder geval morgen.’
‘Denk je dat je nog kunt brengen een deken?’ vroeg Jack.
‘Ik zal het proberen.’
Dirk at alles op wat hij maar enigszins kon kauwen.
‘Het spijt me dat ik je kom storen, Jack,’ zei hij toen. ‘Ik eet je maaltijd op, ik lig op je bed, ik ben een lastpost, ik weet het.’
‘'t Is waarachtig je eigen hol,’ zei Jack.
‘Michiel heeft je goed verzorgd, hè?’
‘Dat heeft 'ie.’
‘En hij heeft je zelfs Nederlands geleerd.’
‘Dat heeft hij vooral zelf gedaan, met behulp van een boekje,’ zei Michiel bescheiden. ‘Trouwens, hij zal ook wel het een en ander opgepikt hebben van ene Erica.’
‘Van je zusje?’
‘Het spijt me - ze is hier kind aan huis.’
‘Spijt me niks,’ zei Jack.
‘Is het lek dan via Erica ontstaan?’
‘Hoe bedoel je? Wat voor lek?’
‘Nou, we zijn toch verraden.’
‘Erica heeft niks verraden. Ze is er trouwens pas later bijgekomen.’
‘Iemand moet ons toch verraden hebben? 't Is één grote, lekke troep geweest. Bijvoorbeeld, hoe kan het nou dat ze Bertus Hardhorend opgehaald hebben? Dat vertelde Jack me. Heb jij die brief aan iemand laten lezen, Michiel?’
‘Nee, beslist niet. Dat weet ik zeker. Ik had hem verstopt in een van de leghokjes van de kippen. Maar jij, Dirk, heb jij... Ze hebben je zo geslagen. Heb jij de naam van Bertus niet genoemd? Ik dacht vast...’
Iedereen zweeg. Dirk had zich weer achterover laten vallen. Hij zag er afgemat uit en had zijn ogen gesloten.
‘Ze hebben me vreselijk geslagen,’ zei hij zacht, ‘maar ik zweer jullie dat ik niks heb losgelaten.’
Hij begon zwaar te ademen door zijn misvormde neus. Jack maakte een gebaar naar Michiel dat betekende: laat hem maar met rust. ‘Ik zal zien wat ik bij elkaar kan krijgen aan voedsel en dekens. Uiterlijk morgenmiddag kom ik terug,’ fluisterde Michiel. ‘Kunnen jullie je zo lang redden?’
Jack knikte.
‘Neem maar geen onnodig risico. We fiksen het hier wel.’
‘Oké, tot kijk. Verzorg hem maar goed.’
‘Roger.’*
Onmiddellijk begon Michiel met het verzamelen van zoveel mogelijk voedsel. Hij ging naar Coenen, een boer, waarmee hij goed was bevriend, en kocht spek, eieren, boter en kaas. Van de bakker bedelde hij een brood los. De grote kist op zolder leverde nog twee paardendekens op. Het inslaan van etenswaren kostte hem bijna al zijn geld; dat zou een probleem worden in de toekomst.
Helaas was het te laat geworden om nog naar het bos te gaan. Hij moest wachten tot de volgende morgen. Toen die was gekomen had hij het geluk, dat zijn moeder een uurtje wegging met Jochem. Dat gaf hem de gelegenheid de eieren te koken. Hij dacht er zelfs aan wat zout mee te nemen. Een probleem was hoe hij met zo'n groot pak ongemerkt het bos in moest komen. Het zou zeker opvallen als hij ermee rondfietste.
Hij besloot het te splitsen. Eerst ging hij met één deken, waarin hij een deel van de etenswaren had gestopt. Die verborg hij dicht bij de plaats, waar hij gewoonlijk zijn sluiptocht begon. Daarna meer dan normale belangstelling voor hem getoond en om een uur of elf bewoog hij zich, moeizaam twee pakken meesleurend, door de jonge sparretjes.
Dirk bleek een beetje opgeknapt. Hij had wat meer kleur op zijn gezicht en keek wat helderder uit zijn ene oog (het andere zat dicht).
Tot Michiels verrassing was de hoeveelheid dorre bladeren verdubbeld.
‘Hoe zit dat?’ vroeg hij argwanend.
‘Vanzelf aan komen waaien met een klein wervelstormpje,’ zei Jack.
‘Och toch. Bij ons thuis was 't bladstil.’
‘Als je dan alles altijd precies moet weten, ik ben geslopen gisteravond in de schemering naar dat beukenbos, hier een eindje vandaan, en heb wat gehaald. Ik verzeker je dat niemand heeft mij gezien.’
‘Ging het, met je been?’
‘Best.’
‘Gefeliciteerd.’
‘Dank je.’
Michiel pakte uit en de loftuitingen van de twee jongemannen waren niet van de lucht. Daarna weigerden ze nog een woord te zeggen voor hun magen waren gevuld. Toen dat tot volle tevredenheid was gelukt, zei Michiel: ‘Ik heb een probleem.’
‘Ik ook,’ zei Dirk. ‘Wel zes. Wat is het jouwe?’
‘Mijn geld is op. En ook al zijn de boeren hier geen afzetters, ik moet ze toch iéts betalen voor wat ik bij ze haal.’
‘Ik weet een oplossing,’ zei Dirk na enig nadenken.
‘Mooi zo.’
‘Ga naar mijn moeder. Ze moet toch weten dat ik veilig ben. Niet naar mijn vader, die zou alles verraden van de bangigheid. Moeder moet het maar aan vader vertellen, dan weet hij tenminste niet dat jij er iets mee te maken hebt. Zeg maar tegen moeder dat ik piekfijn in orde ben, en dat ik uit veiligheidsoverwegingen niet te voorschijn kan komen. En dat ik iedere week een voedselpakket nodig heb dat jij wel bezorgd kunt krijgen. Je zult zien dat ze dat prima voor elkaar brengt.’
‘Goed, dat doe ik.’
Een ogenblik wisten ze niets te zeggen.
‘Wat voor weer is het?’
‘Gaat wel. Bewolkt.’
‘Da's beter dan helder. We kunnen geen vorst gebruiken, ook al heb je twee dekens meegebracht. Houden we het zo?’
‘Zoveel verstand heb ik niet van het weer. En je weet dat we al lang geen radio meer hebben.’
‘Laat me zelf eens naar de lucht kijken.’
Dirk stond op en ging naar de ingang van het hol. Hij liep daarbij zó kreupel, dat Michiel er van op zijn onderlip moest bijten.
‘Hebben ze dat ook...’
Dirk knikte.
‘Begrijp je dat ik een rekening te vereffenen heb met de vent, die me heeft verraden? Ik zal je wat zeggen. Ik ben bij Stroe uit de trein gesprongen. Niet ver daar vandaan, in Garderen, woont een goeie vriend van me, waar ik wel had kunnen onderduiken. Maar ik ben hierheen gekomen. Ik ben vast van plan om uit te zoeken wie hier de verrader uithangt.’
‘Schafter,’ zei Michiel.
‘Schafter? Hoe weet je dat? Volgens mij is Schafter...’
‘Is Schafter wat?’
‘Ik weet het niet. Misschien is hij wel fout, wie weet. 'k Had het nooit gedacht, ik dacht dat 'ie maar zo'n beetje deed alsóf 'ie fout was, waarom weet ik niet. Maar ik kan het mis hebben.’
‘Je hebt het mis,’ zei Michiel. ‘Ik heb de bewijzen.’
‘Kom op ermee.’
‘'t Is een heel verhaal. Vertel eerst jouw verhaal maar, dan kan ik daarop aansluiten.’
‘Da's goed,’ zei Dirk, ‘daar gaat 'ie dan, ik zal bij het begin beginnen.’
Het verhaal van Dirk
‘In het begin van de oorlog, zo in 1941, werkte ik in de bosbouw. Ik kreeg de opdracht drie percelen sparren te planten, hier, in het Dagdaler Bos. Ik was toen pas een jaar of achttien, en hoewel er
van de oorlog bij ons nog niet veel te merken was, besloot ik in een romantische bui om een schuilplaats te graven. Je kon nooit weten waar het goed voor was. Midden in zo'n perceel dicht opeengepakte sparren, dat zou nooit iemand ontdekken. Ik vertelde er niemand iets van. Ook later, toen ik lid werd van de ondergrondse, heb ik het voor mezelf gehouden.
Die schuilplaats is me goed van pas gekomen toen ik Jack aantrof met een gebroken been en een gat in zijn schouder. Ik heb hem eerst in een koetsje naar een dokter gereden. Die dokter zat hier ergens ondergedoken. Korte tijd later is hij opgepakt. Hoe hij aan gips is gekomen, weet ik niet. Ik geloof dat hij zelf iets geprutst heeft met beenderlijm en krijt of zo.’
‘Erica vond het al zulk vreemd gips,’ zei Michiel.
‘Hoe dan ook, Jack werd verbonden en ik heb hem naar dit hol gesleept.’
‘Dat wisten we allemaal al,’ zei Michiel.
‘Ja, hoor eens, ik weet niet precies wat je allemaal weet. We zouden even volledig zijn, nietwaar?’
‘Waar,’ zei Michiel.
‘Ik heb in de ondergrondse niets van Jack verteld,’ vervolgde Dirk. ‘Ik was er niet helemaal zeker van dat iedereen daar goudeerlijk was, weet je. Bij de ondergrondse hoorde bijvoorbeeld, hoort misschien nog wel, ene Schafter. Hij zei soms dat hij zo'n beetje met de Duitsers meepraatte om ze een rad voor de ogen te draaien. Ik heb dat altijd geloofd. Te oordelen naar wat jij gisteren opmerkte, Michiel, vrees ik dat ik te goedgelovig ben geweest.
Goed, ik vertelde dus niets over Jack en als je zo eens nagaat, is Jacks verblijf hier ook ongeveer het enige dat niet is uitgelekt. Dat geeft toch wel te denken.
Vorig najaar kregen we van onze commandant opdracht het distributiekantoor in Lagezande te overvallen. Met z'n drieën. Ik, Willem Stomp, die nu dood is, en iemand die is ontsnapt, wiens
naam ik niet zal noemen. De commandant vond drie man wel genoeg. Hij zei dat verder niemand er iets van wist.’
‘Heet die commandant meester Postma?’
Dirk keek Michiel geschrokken aan.
‘Hoe weet je dat nou weer?’
‘Geraden. Geeft niet, ga maar verder.’
‘Ik dacht, áls er iets misgaat, dan komt Jack van honger om. Geef ik de brief die ik had geschreven, direct aan Bertus Hardhorend, die ook in het verzet zat, dan wist hij dat ik iets te verbergen had. Daar had ik geen zin in. Daarom heb ik hem jou gegeven, Michiel. Als alles goed was gegaan, dan had Bertus nooit iets van het bestaan van die brief geweten. Dat weet hij nu trouwens nog niet, volgens mij.
Ik vond jou, Michiel, altijd een rustige en voorzichtige indruk maken, en ik dacht dat ik je wel kon vertrouwen.’
‘Dat kon je ook, al heb ik bijna alles verprutst,’ zei Michiel bedroefd.
‘Ik geloof je wel. Maar luister verder.
Bij het distributiekantoor in Lagezande liepen we regelrecht in een hinderlaag. Ze stonden op ons te wachten. Begrijp je wat dat betekent? Dat iemand ons had verraden. Maar wie? Wie wisten van de onderneming af? Wij drieën, die het moesten uitvoeren. Meneer Postma, die beweerde dat hij het verder aan niemand had verteld. En jij, Michiel. Meer niet.’
‘Kan de derde man, die ontsnapt is, niet zogenáámd ontsnapt zijn, en eigenlijk het plan van te voren hebben verraden?’
‘Daar heb ik ook aan gedacht. Het lijkt me erg onwaarschijnlijk. Waarom, dat hoor je zo wel.’
‘Hoe ging het bij die overval toe?’
‘Dat is het nou juist. We hadden afgesproken dat de derde man op de uitkijk zou gaan staan en dat Willem en ik naar binnen zouden gaan. Waarschijnlijk hadden ze erop gerekend dat die derde
man dicht bij de deur de wacht zou houden, want de Duitsers hadden zich verscholen achter de beukenhaag die vlak langs het distributiekantoor loopt. Maar wij hadden besloten dat hij in een grote kring om het gebouwtje heen zou lopen om te kijken of er niemand in de buurt kwam. Daarom was hij al achtergebleven, toen Willem en ik bij de deur aankwamen. We gooiden net de voordeur open, toen de Duitsers te voorschijn sprongen. Er waren wel vijftien geweren op ons gericht. Ik was ervan overtuigd dat we geen schijn van kans hadden en stak mijn handen in de lucht. Maar Willem rende het kantoortje binnen, sprong over de toonbank, de deur door die naar een vertrekje aan de achterzijde leidt en daar probeerde hij door het raam te ontvluchten. Hij onderschatte de moffen deerlijk. Ze hadden achter het gebouwtje ook een paar mannetjes geplaatst en die schoten hem pardoes dood. Ik hoorde de schoten, maar toen wist ik nog niet wat er precies was gebeurd. Intussen duwden ze mij naar een overvalwagen. “Waar is de derde man,” snauwden ze.
Ik hield me van de domme, zei dat ik geen Duits verstond - ik ken er ook niet veel van - en later zei ik dat we maar met z'n tweeën waren geweest. “De tweede hebben we al,” grijnsden ze en ze gooiden het lichaam van Willem in de wagen. Ik wilde overeind komen van de bank waarop ik zat om te kijken of ik iets voor hem kon doen, maar ze sloegen me in het gezicht, en zeiden dat hij zo dood was als een pier. En toen begonnen ze weer over die derde man. Nou vraag ik jullie: hoe wisten ze zo nauwkeurig dat we met z'n drieën waren?’
Michiel en Jack wisten niets bij te dragen tot de discussie.
‘Het was verraden, dat weet ik zeker. Ze wisten precies hoe de overval in elkaar was gezet. Misschien was het Schafeer wel. Misschien heeft hij het gesprek tussen Postma en ons afgeluisterd. Misschien heeft hij een aantekening van Postma gevonden. Ik ben benieuwd wat jij daarover te vertellen hebt, Michiel. Ik wil het
weten. Ik wil zekerheid. Want wat ik in mijn gevangenschap heb moeten meemaken, dat was zo..., dat was zo allemachtig... De vent die me er in heeft geluisd zal zijn straf niet ontgaan.’
Dirk haalde eens hard zijn neus op en vervolgde toen zijn verhaal. ‘Ze zochten nog een hele tijd, maar ten slotte gaven ze het op. En kijk, als nou die derde man het verraad had gepleegd, zouden ze dan zo lang naar hem hebben gezocht? Ze namen me mee naar de kazerne. Ze lieten me drie dagen zitten. Daarna begon de ondervraging.’
‘Wacht eens even,’ zei Michiel, ‘bedoel je dat ze je niet direct hebben gevraagd naar Bertus Hardhorend en de ondergrondse en zo?’
‘Nee, pas na drie dagen.’
‘Hoe kwamen ze dan de volgende dag al op het idee om Bertus te halen? Eerlijk gezegd was ik ervan overtuigd, dat ze je zo hadden gemarteld, dat je zijn naam had genoemd. Ik hoop dat je me dat niet kwalijk neemt, maar jij hebt ten slotte ook gedacht, dat ik de brief aan iemand had laten lezen.’
‘Ze hebben me pas na drie dagen iets gevraagd. Eerst ging het allemaal nog vrij netjes toe. Die commandant is niet zo'n slechte vent. Hij wilde natuurlijk weten of er een ondergrondse organisatie achter die overval zat. Ik ontkende. Ik zei dat Willem en ik het plan zelf hadden bedacht en uitgevoerd. Hij geloofde er niet veel van, maar kennelijk wist hij niet zéker dat ik loog. Daarna begon hij over die derde man. Ik ontkende weer dat er een derde man was geweest en het was duidelijk, dat hij toen wél zeker wist dat ik loog. Hij zei dat ik maar beter kon zeggen wie het was, omdat hij me anders zou overgeven aan de SS. Die wisten aardige middeltjes om iemand aan het praten te krijgen.
Die wisten ze. Ik werd overgebracht naar Amersfoort. Eerst lieten ze me weer een tijdje met rust. Daarna begonnen de verhoren bij de SS. Ik moest me daarbij altijd naakt uitkleden, dan konden ze beter met hun grote laarzen tegen me aantrappen.
‘De naam,’ brulden ze en als ik dan weer zei, dat we met z'n tweeën waren geweest, sloegen ze me tegen de grond en trapten met een man of drie tegen me aan, tegen mijn buik en tegen mijn gezicht, tot ik bewusteloos was.’
‘En heb je die vent niet verraden?’ vroeg Michiel, die bleek van ellende zat te luisteren. ‘Waarom niet? Hoe kon je dat uithouden?’ ‘Ik weet het zelf niet,’ zei Dirk. ‘Altijd als ik dan weer gekneusd en krimpend van pijn op mijn krib lag, dacht ik: dit houd ik niet uit; de volgende keer zeg ik alles wat ik weet. Maar als ik de volgende keer hun gemene tronies weer zag, vertelde ik het toch niet.
Op een keer sloegen ze me niet. De SS-officier die me altijd ondervroeg, was poeslief. Hij had het over mijn bestwil en of ik de naam van die derde man nu maar niet zou noemen. Het enige wat 'm zou gebeuren was een jaartje gevangenisstraf. Hij deed zo sympathiek, dat ik er bijna was ingevlogen. Maar toen ik bedacht wat ze me allemaal hadden aangedaan, hield ik toch mijn mond. Toen kwam dat valse trekje weer op zijn gezicht. Ik dacht: nou begint het slaan weer, maar nee, hij fleemde dat ik me maar moest aankleden. Dat deed ik maar al te graag. Toen ik aan m'n sokken toe was, zei hij, dat ik daar nog even mee moest wachten. En of ik mijn rechtervoet eens even op zijn bureau wilde zetten. Dat deed ik. Hij nam een knuppeltje, wreef er zachtjes over, en vroeg toen fluwelig of er toch niet een derde man bij was geweest. “Nee,” zei ik, “echt niet”. Toen sloeg hij met z'n knuppeltje al m'n tenen kapot en nodigde me uit mijn andere voet op het bureau te zetten.’
‘De schoft,’ zei Michiel met witte ogen en Jack zat heftig te slikken.
‘Enfin,’ zei Dirk, ‘mijn klompen waren aan de kleine kant, maar ik moest er toch in; m'n tenen zijn totaal vergroeid. Het gekke is dat ik het niet eens zo erg vond, omdat ze me een hele tijd met rust lieten. Ik had liever kapotte tenen dan om de dag een verhoor, dat kan ik je verzekeren.
Een paar dagen geleden werden we ineens op transport gesteld. Waar de tocht heenging, dat werd er niet bij gezegd. We werden in zo'n trein gestopt met afgescheiden coupés, waarbij iedere coupé z'n eigen deur heeft, weet je wel. Wij zaten met z'n negenen in zo'n coupé, met een gewapende SS-er. Ik was vastbesloten om als er zich maar even een gelegenheid voordeed, te proberen te ontsnappen. De meesten van die andere acht jongens zagen er naar uit of ze ook wel eens verhoord waren. Als dat zo was, zouden ze zeker ook risico's durven nemen voor een ontvluchtingspoging.
Toen de trein zich in beweging had gezet, merkte ik al gauw dat we richting Apeldoorn gingen. Ik wist dat de trein Amersfoort-Apeldoorn een eindje langzaam rijdt in een bocht bij Stroe. Fluisterend - want we mochten niet praten - stelde ik voor op dat punt uit de trein te springen. Ik rekende er maar op, dat de SS-er geen Nederlands zou kennen. Dat kende hij inderdaad niet, maar hij had wel oren; ik kreeg direct een douw met de kolf van zijn geweer in m'n ribben. Maar de anderen hadden het al begrepen.
Toen we dicht bij Stroe waren, merkten we tot onze schrik, dat de deur op slot zat.’
‘Kon je aan die deur morrelen, waar die soldaat bij zat?’ vroeg Michiel.
‘Die soldaat was toen al... Dat moet je nou maar niet vragen. Daar hadden twee jongens uit Rotterdam, die naast hem zaten, zich mee belast.
Goed, de deur zat op slot en dat was een hele schrik. Je hoeft niet te vragen wat ons te wachten had gestaan als ze ons in Apeldoorn met een dooie mof hadden gevonden. Maar ja, als je in nood zit, kun je veel en één van de jongens heeft kans gezien om nog vóór de bocht, met de bajonet van de soldaat, de deur open te krijgen. Toen de trein vaart minderde zijn we er achter elkaar uitgesprongen, alle negen. Eén heeft het niet overleefd. Hij kwam met zijn hoofd tegen een paaltje.’
‘Zagen de Duitsers het niet?’
‘Jawel. Ze schoten op ons door de raampjes. Maar het was vrij donker en de trein stopte gelukkig niet. Ze hebben niemand geraakt.
Verder hadden we overigens niet veel geluk. We zaten met z'n achten bij elkaar om te overleggen wat we zouden doen, samen optrekken of ieder voor zich, toen er een Duitse patrouille langs kwam. Stom toeval. Er werd natuurlijk wel meer langs de spoorlijn gepatrouilleerd, maar dat ze nu net op dat moment en op die plek moesten langskomen... Enfin, we hoorden ze aankomen en we doken in een greppel. Maar zij hadden kennelijk ook iets gehoord, want ineens schreeuwde één van die kerels: “Halt. Wachtwoord.”
Hij had het amper gezegd of Krijn, een van ons, begint als een razende te schieten. Hij was vroeger commando of paratroeper geweest of zo iets en hij was zo handig geweest het machinegeweer van die mof uit de trein mee te nemen. Bij het eerste salvo schoot hij er minstens drie neer. De anderen gingen meteen in dekking en begonnen terug te schieten. Behalve Krijn kon niemand van ons iets doen, behalve ons zo klein mogelijk maken - we hadden geen wapens.
“Smeer 'm,” schreeuwde Krijn. “Ik hou ze wel bezig.”
Toen zijn we weggeslopen, door de greppel, en we hebben allemaal een goed heenkomen gezocht, ieder voor zich. Nog een heel tijdje heb ik horen schieten. Of Krijn het er levend heeft afgebracht weet ik niet, maar het zou me niet verbazen, want hij leek me een vent die nog niet bang was voor de duvel en z'n ouwe moer, zo één die niet dood te krijgen is.
Wat er verder is gebeurd, heb ik al verteld. Ik heb me een dag schuilgehouden in een houtwal en de nacht erna ben ik met grote moeite hierheen gekomen.’
Het vertellen had Dirk vermoeid. Hij liet zich achterover op de bladeren zakken, de handen achter het hoofd.
‘Kun je nou haast niet lopen?’ vroeg Michiel.
‘Ik kan het nog wel zo'n beetje, anders was ik nooit vanaf Stroe hier gekomen. Na de oorlog kan de een of andere chirurg die tenen van me misschien wel weer goed krijgen. M'n ogen en m'n neus en zo, dat komt vanzelf wel weer in orde. Trouwens, het meeste van wat je aan m'n gezicht ziet, komt door de sprong uit de trein. Ik kwam een beetje ongelukkig terecht. Genoeg daarover. Het is verleden tijd, zo belangrijk is het niet. Wat ik wil weten is wie hier in de Vlank de verrader uithangt.’
‘Ik hou het op Schafter,’ zei Michiel.
‘O ja? Dan moet je me eens uitleggen, waarom Schafter de hele ondergrondse hier niet heeft opgerold. Hij kende immers iedereen!’
Daar wist Michiel geen antwoord op.
‘Zal ik nu mijn verhaal vertellen?’ vroeg hij.
Dirk had zijn ogen gesloten.
‘Beter morgen,’ zei Jack.