Michiel kon het verhaal van Dirk niet van zich afzetten. De rest van de dag en de avond liep hij ermee rond. Zijn moeder merkte wel dat hij ergens over piekerde, maar ze vroeg niets.
Dus die dingen, die vreselijke dingen, gebeurden echt. Hij moest steeds denken aan zijn vader, die eens had gezegd: ‘In iedere oorlog gebeuren afgrijselijke dingen. Denk niet dat alleen de Duitsers ze doen. Ook Nederlanders, Engelsen, Fransen, ieder volk heeft in tijden van oorlog rauwelings gemoord en gemarteld, op een manier, waar in tijden van vrede je verstand bij stilstaat. En daarom, Michiel, laat je niet misleiden door de romantiek van de oorlog, de romantiek van heldenmoed, opoffering, spanning, avontuur. Oorlog betekent verwondingen, verdriet, gemartel, gevangenissen, honger, ontberingen, onrecht. Niks romantisch aan.’
Hij zou zeker niet hebben verdragen wat Dirk had doorstaan. Zijn bewondering voor Dirk was groot. Wat heerlijk, dat hij nu tenminste was ontsnapt aan de handen van zijn beulen. Zijn moeder moest het zo gauw mogelijk weten. Hij hield het huis van de buren voortdurend in het oog. Laat in de middag zag hij dat Knopper de deur uitging. Snel wipte hij over de heg. Hij trof Dirks moeder aan bij haar achterdeur; ze zette net een pannetje schillen buiten.
‘Ik heb een berichtje voor u,’ zei hij. ‘Mag ik even binnenkomen?’
‘Een berichtje? Van Dirk?’
Michiel knikte. Ze liepen samen naar de keuken.
‘Is het een slecht bericht? En hoe kom je er eigenlijk aan?’
‘Het is een goed bericht,’ zei Michiel. ‘Een erg goed bericht zelfs. Maar u moet me beloven dat u erover zult zwijgen als het graf en dat u me niks zult vragen.’
‘Goed, goed,’ zei mevrouw Knopper.
‘Dirk is ontsnapt. Hij is op het ogenblik veilig.’
Mevrouw Knopper vergat haar belofte onmiddellijk.
‘Waar is hij dan? Hoe weet jij het? Is hij gezond? Kan ik hem zien? Hoe is hij ontsnapt? Waarom is hij niet hier gekomen?’
‘Dat is natuurlijk te gevaarlijk,’ zei Michiel. ‘Hij is redelijk gezond, dat is alles wat ik u kan zeggen. En hij heeft eten nodig. Hij vraagt of u iedere week een voedselpakket voor hem kunt klaarmaken. Ik kan zorgen dat het hem bereikt.’
‘Natuurlijk zal ik dat doen. Graag zelfs. Ik mag het mijn man toch wel vertellen?’
‘U mag wel vertellen dat Dirk veilig is, maar niet dat u dat via mij te weten bent gekomen. Verder mag niemand er iets over horen.’
‘Ik hou mijn mond. Vertel me dan alléén nog of hij hier is, in de Vlank.’
‘Hij zit in de kerktoren van Lutjebroek,’ zei Michiel. ‘Dag, mevrouw Knopper. En denkt u er goed aan: niet tegen uw man zeggen dat u 't van mij hebt gehoord.’
‘Nee, dat zal ik niet doen. Morgen heb ik een voedselpakket klaar. Kun je me niet iéts meer vertellen, Michiel? Kan ik hem niet opzoeken?’
‘Nee, dat gaat echt niet, het spijt me. Maar 't is heus veiliger zo,’ zei Michiel. ‘En nu moet ik er als een haas vandoor.’
‘Dag Michiel. Bedankt, jongen. Ik ben toch zo blij.’
Michiel vertrok met een licht hart. Hij was ervan overtuigd dat Dirks moeder zó veel zou klaarmaken, dat hij ook van het voedselprobleem-Jack was verlost.
De volgende dag was het Erica's beurt om naar het hol te gaan. Michiel besloot haar alles te vertellen; het zou immers onmogelijk zijn Dirks aanwezigheid voor haar verborgen te houden. Daarom
gingen ze de volgende dag samen, dat wil zeggen, Michiel eerst met het pakket van Dirks moeder en een minuut of tien later Erica.
Dirk voelde zich wat beter dan de dag ervoor. Hij stond erop, dat nu Michiel alles zou vertellen. Dat deed Michiel uitvoerig. Hij beschreef precies, waar Dirks brief van minuut tot minuut was geweest, hij schetste hoe het had tegengezeten de dag dat hij naar Bertus had willen gaan en vooral hoe Schafter met hem was meegefietst, hoe hij ten slotte de volgende dag bij Jannechien was beland en dat het weer Schafter was, die de Duitsers het Driekusmanswegje had gewezen.
Dirk was niet onder de indruk. Het kon allemaal best toeval zijn, vond hij. Maar toen Michiel had verteld over het Koppelse Veer, over de arrestatie van veerman Van Dijk en de dood van de barones, en vooral over zijn gesprek met Schafter kort ervoor, toen vond hij toch dat dit allemaal erg verdacht was.
‘Hoe moeten we het bewijzen?’ vroeg Michiel zich af.
‘Moeilijk,’ vond Dirk. ‘Erg moeilijk. In ieder geval, Michiel, zou ik je willen vragen naar de commandant te gaan (hij zei de commandant in plaats van Postma in verband met Erica, die dit niet hoefde te weten) en hem te vertellen, dat hij moet uitkijken met Schafter. Zeg maar dat het een boodschap is, die afkomstig is van Witte Leghorn, en dat je hem via een kennis hebt gekregen.’
‘Via oom Ben of zo,’ zei Michiel. ‘Die is ook bij de ondergrondse. Witte Leghorn, is dat jouw schuilnaam in het verzet?’
Dirk knikte.
Ze praatten een tijdje over van alles en nog wat. Natuurlijk kwam het gesprek ook weer op de dood van Michiels en Erica's vader.
‘Waaróm hebben ze eigenlijk gijzelaars genomen?’ wilde Dirk weten. ‘Er was een dooie Duitser gevonden in het bos, niet eens zo ver van hier,’ vertelde Michiel. ‘Zijn hoofd was ingeslagen. Ze wilden natuurlijk weten wie dat had gedaan. Ze hebben toen tien
mannen gegijzeld met de mededeling erbij, dat, als de dader zich niet binnen 24 uur zou melden, ze die tien mannen zouden ophangen aan de kastanjebomen op de Brink. Natuurlijk heeft de dader zich niet gemeld, zo laf was hij wel. Ze hebben vijf mannen doodgeschoten, waarbij mijn vader. Niet opgehangen, dat zou nog erger zijn geweest. Zeg, wat is er met jullie?’
Dirk en Jack waren doodsbleek geworden en staarden Michiel en Erica met grauwe ogen aan.
‘Jullie wisten het toch al?’ zei Erica.
Geen van beiden zei iets. Erica keek van de één naar de ander. Opeens liet Dirk zich vallen, met zijn hoofd op zijn armen, en hij snikte als een kind. Zijn hele lijf schokte. Jack ging in een hoek zitten. Hij verborg zijn hoofd in zijn handen.
‘Trekken jullie je het zó aan?’ vroeg Michiel hulpeloos.
Maar in Erica rees een vreselijk vermoeden. Ze liep naar Jack toe en schudde hem aan zijn schouder heen en weer.
‘Hebben jullie...?’
Ze trok zijn handen weg van zijn gezicht. Wanhopig keek hij haar aan.
‘Hebben jullie die Duitser doodgeslagen?’
‘Yes,’ fluisterde Jack.
Erica liet hem los. Alsof ze in trance was liep ze het hol uit. Maar Michiel verloor zelfs op dit ogenblik de voorzichtigheid niet uit het oog. Hij liep haar achterna en trok haar naar beneden.
‘Bukken. Je steekt boven de sparren uit.’
Erica liet zich vallen en kroop op haar buik tussen de stammetjes door. Michiel er achteraan. Ze zochten hun fietsen op en reden naast elkaar, zwijgend, naar het dorp.
‘Niet naar huis,’ zei Michiel toen ze in de dorpsstraat kwamen. ‘We moeten kunnen praten.’
Ze fietsten hun huis voorbij en gingen, zonder het af te hoeven spreken, automatisch haast, naar de Wigwam. Dat was een niet
meer gebruikte, half vergane schuur aan de Veldweg, waar Erica en Michiel vroeger, toen ze kleine kinderen waren en nog met elkaar speelden, een geheim hol hadden. Honderden avonturen hadden ze daar bedacht en sommige ook echt beleefd. Soms kwamen ze er tijdenlang niet, omdat Erica druk was met haar eigen vriendinnen of Michiel niks van ‘meidengedoe’ moest hebben. Maar altijd kwam er weer een moment, dat ze het liefst met elkaar speelden. Dan trokken ze naar de Wigwam.
Wanneer waren ze er het laatst geweest? Dat moest alweer jaren geleden zijn. Ze gooiden hun fietsen tegen het prikkeldraad dat de aangrenzende weide afbakende en gingen naar binnen. Alles was nog net als vroeger, alleen was het schuurtje nog bouwvalliger geworden.
Erica ging op een omgekeerde, verroeste emmer zitten. Michiel bleef heen en weer lopen.
‘Ik kan ze dit nóóit vergeven,’ zei Erica.
‘Het is een lage rotstreek,’ vond ook Michiel. ‘Ze hadden kunnen weten, in ieder geval had Dirk kunnen weten, dat er bij ontdekking zo iets zou gebeuren als er is gebeurd... Toch kun je niet zeggen dat Dirk een lafaard is. Bedenk maar eens wat hij allemaal heeft doorstaan zonder de naam van die derde man te noemen.’
‘Dat betekent nog niet dat hij zich zou hebben aangegeven als hij niet gevangen had gezeten, toen ze dat lijk ontdekten. Hij had zich direct moeten aangeven, nadat hij het had gedaan. In ieder geval had Jack zich kunnen aangeven. Hij is militair. Hém zouden ze de kogel niet hebben gegeven, omdat hij een Duitse soldaat had gedood. Dat mag, als militairen onder elkaar.’
‘Ja,’ zei Michiel, ‘maar misschien hebben ze dat niet allemaal zo precies bedacht.’
‘Ik snap jou niet,’ bitste Erica. ‘Twee maanden geleden nog zei je, dat, als je de vent die het had gedaan in je vingers kreeg, je hem tot moes zou slaan. En nu verdedig je die twee.’
‘Wat stel jij voor? Wil je hen uitleveren aan de moffen?’
‘Ben je nou gek geworden!’
‘Ze zijn van ons afhankelijk. Als wij niet voor hen zorgen, kun je ze bijna net zo goed meteen bij de moffen afleveren.’
Erica verzonk in gepeins.
‘Ik vind het minstens zo erg als jij,’ zei Michiel. ‘Ik hield minstens evenveel van vader als jij. Maar ik heb ook gisteren uit Dirks mond gehoord, wat hij heeft moeten meemaken. Een half uur geleden vond ik hem nog de flinkste kerel van de wereld. Hij heeft stom gedaan, maar daarmee is hij nog niet zwak of laf. Hoe stom heb ik zelf niet gedaan. Op de een of andere manier heb ik schuld aan het gevangen nemen van Bertus Hardhorend en aan de dood van de barones.’
‘Volgens mij kun je daar niets aan doen.’
‘Zag je hoe wanhopig Dirk was? Hij huilde waarachtig.’
‘Dat komt natuurlijk, omdat hij verzwakt is,’ zei Erica. ‘Hij is helemaal kapot. Hij heeft geen weerstand meer.’
‘Verzwakt of niet, je kunt er toch aan merken dat hij het vreselijk vindt.’
‘Je kunt er ook aan merken dat hij schuld heeft.’
Ze zwegen weer een poosje.
‘Ze zitten natuurlijk in hevige angst en onzekerheid, nu wij er vandoor zijn gegaan,’ bedacht Erica.
‘Daar kan ik me niet druk over maken,’ zei Michiel, op zijn beurt hard. ‘Toen vader gegijzeld was, zaten wij in angst en onzekerheid.’
‘Dat was erg,’ fluisterde Erica, ‘dat was vreselijk. Echt niet iets om een ander te gunnen...’
Michiel keek haar aan. De goedhartigheid van zijn zusje brak al weer door.
‘We zouden ze tenminste de kans kunnen geven om te vertellen wat er precies is gebeurd,’ zei hij.
‘Vind je?’
‘Ja, dat vind ik wel.’
‘O,’ zei Erica.
‘Zullen we er naar toegaan?’
‘Nu meteen?’
‘Of ze nog een nachtje in onzekerheid laten?’
‘Nou, nee,’ zei Erica.
Met een bleek glimlachje stond ze op. Ze pakte haar broers hand. ‘Jij was toch de leider van onze verzetsgroep? Ik volg je.’
Ze stapten op hun fietsen en reden terug naar het Dagdaler Bos. En dat was een daad, waar heel wat volwassen personen met wraakgevoelens een voorbeeld aan zouden kunnen nemen.
Dirk was tot bedaren gekomen. Hij zat met sombere ogen voor zich uit te staren, maar hij had zijn oude beheersing hervonden. Van Jacks flegmatisch gezicht was weinig af te lezen.
‘We luisteren,’ zei Michiel.
‘Ik zal eerst vertellen mijn deel,’ zei Jack. ‘Jullie weten dat ik piloot ben. Ik vloog op een Spitfire. Mijn squadron was tijdelijk gelegerd op een noodvliegveldje in het zuiden van jullie land, bij Eindhoven. Die bewuste dag kreeg ik de opdracht te maken een vlucht boven de IJssel en kapot te schieten alles wat ik zag aan gemotoriseerd vervoer. Eerst alles ging goed. Bij Hattum zag ik een Duitse personenauto. Toen ze me ontdekten, de mannetjes vluchtten eruit en verdwenen tussen de struiken. Het was toen een klein kunstje voor me om de auto te schieten in brand. Veel ammunitie kostte het niet en ik had voldoende over om nog door te gaan.
Maar boven Zwolle begon het lieve leven. Ze kregen me in de gaten en de kogels van het afweergeschut floten om m'n oren. Ik probeerde te maken dat ik wegkwam, maar ja hoor, ze raakten de staart van m'n toestel. Ik had nog aardig wat hoogte en ik wilde proberen buiten het bezette gebied te komen, ook al werkte het
richtingsroer niet zo best meer. Daarom ik vloog regelrecht naar het Zuiden. Helaas, ik was nog maar net buiten het bereik van het afweergeschut, toen mijn motor vloog in brand. Blijkbaar was ook de benzinetank geraakt en had de weglopende benzine brand veroorzaakt. Ik toen moest maken dat ik eruit kwam als de bliksem, dat begrijp je. Onder me zag ik bos. Leuk is dat niet voor een parachutist, maar wat moest ik. Ik had geen keus.
Gelukkig ging mijn parachute goed open. Dat wordt krijgsgevangenschap, Jackie, dacht ik, terwijl ik zweefde naar beneden, maar toen ik niet kon ontdekken een enkel open plekje en alleen boomkruinen onder me, veranderde die gedachte gaandeweg in dat wordt een klein wit kruisje op een kerkhofje in een Nederlands dorpje, Jackie. Ik kwam terecht in een grote eik. Mijn voet raakte vast in de vork van twee takken, de rest van mijn lichaam schoot door en krik, mijn been brak als een lucifershoutje. Daar ik hing, mijn hoofd naar beneden, aan m'n gebroken been. Ik vond dat de wereld stond op z'n kop. 't Was niet prettig.
Ineens ik zag tot m'n schrik dat er beneden, bij de voet van de eik, een Duitse soldaat stond. Hij had een pistool in zijn hand en mikte op me. “Don't shoot,” schreeuwde ik, want ik kende toen de woorden “niet schieten” natuurlijk nog niet. O nee, dat had niet geholpen; 't had gemoeten in 't Duits. Hoe dan ook, de smeerlap schoot wel. Ik voelde een klap op mijn schouder en toen ik ben geraakt bewusteloos, geloof ik. Wel ik dacht nog gauw even dat ik was dood, dat ik me herinner. Maar de verdere gebeurtenissen kan ik niet rapporteren uit eigen waarneming.’
De blikken van Erica en Michiel, die aandachtig hadden geluisterd, richtten zich gelijktijdig op Dirk. Die schraapte zijn keel.
‘Ja,’ zei hij, ‘nou ik. Ik was die dag in het bos om op te nemen, waar moest worden uitgedund. Mijn kapmes had ik bij me. Ik ben gewend om op allerlei geluiden te letten, en op een gegeven moment hoorde ik enig gerucht. Ik dacht dat het een ree was en
ik wilde proberen of ik het dier zou kunnen raken met mijn kapmes. Ik heb me, voor de grap eerst, later ook wel met serieuzere bedoelingen, geoefend in het gooien ermee. We zouden het vlees van een ree maar al te best kunnen gebruiken.
Goed, ik sloop dus zo zachtjes mogelijk op het gerucht af. Nog geen seconde nadat ik ontdekte dat het een Duitse soldaat was, die lag te vrijen met een meisje dat ik niet kende, gebeurde er iets zeer onverwachts. Schuin boven me klonk een breken van takken en een geschreeuw waar we ons kennelijk alle drie, de Duitser, het meisje en ik, lens van schrokken. Dat geschreeuw moeten kreten van pijn van jou zijn geweest, Jack, toen je je been brak. Maar ik moet zeggen, het maakte die eerste seconden de indruk alsof de duivel in hoogst eigen persoon op ons neerdaalde.
Het meisje sprong overeind en holde jammerend weg. Ik heb haar niet weer gezien. De soldaat was ook overeind gesprongen. Ik zag dat hij een pistool te voorschijn haalde. Hij voelde zich kennelijk bedreigd. Toen hoorde ik een kreet in het Engels, dat zal dan wel “don't shoot” geweest zijn, en ik realiseerde me dat het wonderlijke, op zijn kop hangende, half door de parachute bedekte verschijnsel een piloot van het geallieerde leger moest zijn geweest, die uit een aangeschoten vliegtuig was gesprongen. Intussen schoot de Duitser en dat maakte me razend. Ik neem aan dat de man in zijn angst en verwarring heeft gehandeld, maar het kan ook zijn dat hij gewoon moordlustig was. Dat komt meer voor bij onze Germaanse vrienden. In ieder geval, toen hij voor de tweede maal aanlegde, zwaaide ik mijn kapmes en slingerde het naar hem toe. Ik had nog nooit in mijn leven zo goed gegooid. Ik raakte hem precies op zijn achterhoofd. Had hij zijn helm opgehad, dan was er niets gebeurd, maar die had hij bij het vrijen afgezet. Het ding lag nog in het gras. Nu was hij morsdood.
Ik begreep dat ik in een verschrikkelijke situatie verzeild was geraakt. Een zwaar gewonde Engelse piloot, die bovendien nog op
zijn kop en bewusteloos in een boom hing, en die ik uit handen van de bezetters moest proberen te houden. En het lijk van een door mij gedode Duitse soldaat, waarvoor ik bij ontdekking zonder vorm van proces tegen de muur zou gaan. Voor het verbergen van de piloot trouwens ook. Ik ben in de boom geklommen. Ik heb een stuk touw van de parachute gesneden en dat aan Jack vastgebonden. Daarna heb ik het een paar maal om een tak geslagen, zodat ik het langzaam zou kunnen laten vieren. Het was een rotwerk om de vastgeklemde voet los te maken, ten eerste omdat ik er haast niet bij kon en ten tweede, omdat ik daardoor aan dat griezelige gebroken been moest zwengelen. Gelukkig bleef Jack bewusteloos.
Hoe dan ook, ik heb hem beneden gekregen. Van mijn hemd heb ik een noodverband gemaakt en daarmee zijn gewonde schouder verbonden. Toen ik daarmee klaar was, kwam hij bij. Helaas konden we geen woord wisselen, omdat ik geen Engels ken. Maar hij begreep best dat ik met die dooie mof in m'n maag zat.’
‘Gek veel begreep ik niet,’ zei Jack, ‘want ik crepeerde van de pijn aan m'n been.’
‘Je maakte toch een gebaar van begraven,’ zei Dirk. ‘Ik begreep best dat het vinden van een vermoorde mof groot gevaar voor het dorp zou opleveren. Ik heb van alles overwogen, zelfs om mezelf aan te geven, dat zweer ik jullie. Maar zo gemakkelijk is het niet om regelrecht je dood tegemoet te lopen.
Ten slotte dacht ik een goeie oplossing te hebben gevonden. Kijk eens, dacht ik, als een piloot een Duitser heeft gedood, is dat een gewone krijgsdaad. Daar kan het dorp niets aan doen. Helaas kon ik dat Jack niet allemaal uitleggen. Toen heb ik bedacht, dat ik het lijk zou wikkelen in de parachute. Het kon de Duitsers niet ontgaan dat er een vliegtuig in het bos was neergestort. Als ze nu een dooie Duitser zouden vinden, gewikkeld in een Engelse parachute, zouden ze dan niet de conclusie moeten trekken dat die soldaat
de verliezer was geweest van een handgemeen met de piloot? Zo goed ik kon heb ik een gat gegraven met m'n kapmes. Door alle boomwortels kon ik het niet erg diep krijgen. Ik heb de Duitser in de parachute erin gestopt en bedekt met een laagje aarde. Ik heb hem niets afgenomen, behalve zijn pistool. Het is het pistool dat Jack aan z'n riem heeft hangen.’
‘Ik heb niets gehoord van een parachute die bij het lijk is gevonden,’ zei Michiel.
‘Misschien heeft iemand hem al eerder gevonden en de parachute meegenomen,’ dacht Erica. ‘Je weet hoe gevraagd die parachutestof is.’
‘Dat zou kunnen,’ zei Michiel.
‘Ik heb al verteld hoe ik Jack in een koetsje naar een ondergedoken dokter heb gebracht en daarna met grote moeite naar het hol heb gesleept,’ besloot Dirk zijn verhaal. ‘Enkele weken later ben ik zelf gevangengenomen.
Nu weten jullie alles.
En ik ook.
Ik weet dat ik me toch had moeten aangeven.’
Er was toch iets tussen hen gekomen. Tussen Michiel en Dirk en tussen Erica en Jack. Van ‘schuld’ kon je niet meer spreken, na wat Dirk had verteld. Je kon toch niet zeggen, als je redelijk was tenminste, dat Jack of Dirk slecht hadden gehandeld. Jack al helemáál niet. Die was er te slecht aan toe geweest om ergens weet van te hebben. En Dirk..., Dirk verdiende eigenlijk een medaille voor zijn doortastend en moedig optreden, peinsde Michiel. En toch stond nu tussen hen de dood van zijn vader. Alles wat mooi en edelmoedig en heldhaftig lijkt aan de oorlog, dacht Michiel bitter, wordt op de een of andere manier toch weer bedorven. Mijn vader had gelijk: echte romantiek is er aan de oorlog niet te beleven.
Hij en Erica hadden, na de verhalen van Jack en Dirk, luidruchtig verklaard dat er niks te veroordelen viel, dat ze niet zo onbeheerst weg hadden mogen lopen, dat Dirk heel goed had gehandeld en dat, áls er al een schuldige was, het degene was die de parachute had gestolen. Of schuldig - onverantwoordelijk, onnadenkend, zou je kunnen zeggen. Die vent had op zijn minst moeten vertellen aan de Duitsers dat er een parachute om het lijk gewikkeld was geweest. Ze hadden Dirk bezworen dat hij moest ophouden zichzelf verwijten te maken. Ze hadden zelfs grappen gemaakt over Jack, die zo nodig vanuit de lucht vrijende paartjes moesten beloeren. En toch...
't Zal moeten slijten, dacht Erica. Ik zal aan het idee wennen. Jack is immers dezelfde gebleven. Hij heeft niets verkeerds gedaan. Nou dan! En onverdroten gingen broer en zuster voort met hun twee oudere vrienden van voedsel te voorzien.
‘Al is konijnen houden wel gemakkelijker,’ zei Michiel.