Zelfs in tijden van duisternis, honger en gevaar blijft de klok lopen. Januari ging voorbij. Februari ging voorbij. De stroom hongerenden uit het westen werd breder en bewoog langzamer. De mensen waren zwak en mager. De sterksten, de jongemannen, waren óf naar Duitsland gesleept, óf moesten zich schuilhouden. Een nieuwe burgemeester werd niet benoemd. Mevrouw Van Beusekom woonde nog met haar kinderen in het burgemeestershuis, dat iedere avond volstroomde met hologige, strompelende, uitgeputte mensen. Michiel dacht nog steeds aan het verraad. Duizend keer had hij alles bij zichzelf gerepeteerd. Duizend keer kwam hij terecht bij Schafter. En duizend keer had hij geen zekerheid.
Op een zondagmiddag maakte hij een wandelingetje met oom Ben. Ze liepen door de velden, waar de winterrogge al weer lekker groen op stond. Ze liepen langs de weilanden waar de éénjarige koeien, de pinken, van de maartse vlagen geen last schenen te hebben.
‘De knoppen zwellen,’ zei oom Ben, terwijl hij een takje van een vlierstruik brak. ‘Het voorjaar staat voor de deur. Het wordt tijd. De mensen in de grote steden hebben deze winter bittere kou geleden. Er zijn geen kolen meer. Massa's bomen in stadsparken zijn gekapt. Houten schuren zijn afgebroken. De mensen hebben alles gedaan om maar een vuurtje in de kachel te krijgen, waar ze hun verkleumde botten bij kunnen warmen en hun tulpenbollensoep op kunnen koken.’
‘Tulpenbollensoep?’
‘Ja, joh, tulpenbollen zijn een lekkernij geworden. Ken je het verhaal van het beleg om Leiden nog? Toen aten de mensen honden en katten en ratten en bijna hun burgemeester. Zover is het nu nog niet gekomen, maar het scheelt niet veel meer.’
‘Tja,’ zei Michiel. Dat de mensen honger hadden, was hem niet onbekend. Weinigen hielden zich zo intensief bezig met het dagelijks langs trekkend hongerleger, als hij.
‘Wanneer is volgens u de oorlog afgelopen?’ informeerde hij. Oom Ben haalde de schouders op.
‘Ik ken een waarzegster die al vier maal met zekerheid de datum heeft voorspeld, waarop Hitler zou capituleren. Steeds worden haar data door de feiten achterhaald.’
‘Iedereen zegt dat het niet lang meer kan duren. De geallieerden gaan recht op Berlijn af en de Russen ook, zegt men.’
‘Juich maar niet te vroeg,’ zei oom Ben. ‘Heb je gehoord van het Ardennenoffensief?’
‘Nee, wat is dat?’
‘Op 16 december zijn de Duitse troepen, met behulp van een tankeenheid, onder leiding van generaal Von Manteuffel, een zeer krachtig offensief begonnen in België, in de Ardennen. De geallieerden zijn zich een hoedje geschrokken. Ze wisten niet dat de moffen nog zó sterk waren. Gelukkig is het mislukt, omdat de Duitsers Bastogne niet konden innemen. Anders had ik het nog niet geweten. En vergeet ook de geheime wapens niet, de V1's en V2's. Steeds meer van die gemene raketten komen op Londen neer. Men fluistert over een atoombom. Dat moet een vreselijke bom zijn, als het lukt hem te maken. Ze zeggen dat één zo'n bommetje een hele stad zou kunnen verwoesten.’
‘Hebben de Amerikanen dan geen geheime wapens?’
‘Ik weet het niet. Ik hoop het wel.’
Een tijdje zwegen ze. Dus volgens oom Ben kon de oorlog nog een hele tijd duren, dacht Michiel. Een hele tijd voor Schafter of een ander om gemene streken uit te halen.
‘Ik wou,’ piekerde hij hardop, ‘dat ik een middeltje wist om uit te vinden of iemand een verrader is.’
‘Een verrader? Wie?’
‘Iemand hier in het dorp.’
‘Wat heeft 'ie dan verraden?’
‘Och, dat doet er niet toe,’ zei Michiel.
‘Ik heb ook eens zo iets bij de hand gehad,’ vertelde oom Ben.
‘O ja? Hoe dan?’
‘De vent zat in dezelfde ondergrondse verzetsgroep als ik, maar ik vertrouwde hem niet. Toen heb ik zogenaamd per ongeluk een briefje laten slingeren op een plek, waar ik wist dat hij het zou vinden. Op dat briefje stond dat een bepaalde familie joden verborgen hield. Mooi was er de volgende dag een overval in dat huis.’
‘En die joden?’ vroeg Michiel.
‘Die waren er natuurlijk niet. Ik had een familie uitgezocht, waarvan ik wist dat ze pro-Duits waren. Maar ik wist genoeg.’
‘Wat hebt u toen gedaan?’
‘Dat doet er niet toe,’ zei oom Ben op zijn beurt en hij lachte fijntjes.
Het idee sprak Michiel aan. Zo iets moest hij met Schafter kunnen doen. Hoe kreeg hij een briefje bij Schafter? Dat zou hij gewoon in de brievenbus kunnen gooien. Als hij op de loer ging staan tot Schafter het huis verliet, dan kon hij het best ongemerkt doen. Schafter woonde alleen, dus dat was geen probleem.
Maar wat moest er in dat briefje staan? Geachte heer Schafter, hierbij deel ik u mede dat mevrouw X joden in huis heeft, hoogachtend, Michiel van Beusekom? Onzin natuurlijk.
Wat dan?
Om te beginnen hoefde hij niet te ondertekenen. Een anoniem briefje. Als Schafter er niet op reageerde was er nog geen kind overboord. Maar wie kon hij een overval op z'n dak sturen? Hij wist van niemand zeker dat 'ie pro-Duits was, behalve van Schafter zelf dan.
‘Hoe weet je nou zeker of iemand pro-Duits is?’ zei hij hardop.
‘Tja,’ zei oom Ben, ‘da's moeilijk. Heb ik je niet eens horen zeggen dat ene Schafter hier in het dorp verdacht is?’
‘Jawel,’ zei Michiel, ‘maar ik weet 't niet zeker.’ Hij gaf zich niet bloot. ‘Veronderstel eens dat hij toch joden in huis heeft, dat zou ik mezelf nooit vergeven.’
‘Tja,’ zei oom Ben nog eens.
Hij dacht even na.
‘Het hoeven natuurlijk geen joden te zijn,’ zei hij toen. ‘Je kunt best iets anders verzinnen. Bijvoorbeeld dat er wapens verborgen zijn in het gebouwtje van het Groene Kruis, vlak bij jullie huis. Dat staat immers leeg? Laat ze daar maar rustig een overval doen!’
Michiel had zijn oom nooit een sukkel gevonden, maar nu begon hij te denken dat hij naast een genie liep.
‘Buitengewoon,’ zei hij. ‘Ik stuur de man die ik verdenk een anoniem briefje en dan zullen we eens kijken wat er gebeurt.’
Oom Ben keek hem eens van opzij aan.
‘Zeg, jonge vriend,’ informeerde hij, ‘ik wil me niet met je zaken bemoeien, maar bemoei jij je niet te veel met zaken waar je te jong voor bent?’
‘Ik ben niet jong,’ zei Michiel verontwaardigd. ‘Ik ben zestien.’
‘Ik sta paf,’ zei oom Ben. ‘Kerel, wat een leeftijd. Je wordt al grijs aan de slapen. Of zijn het verdroogde nesthaartjes?’
Dat was voor Michiel reden om tegen de stam van een boom te schoppen, zodat zijn oom, die er net onderdoor liep, een regen van druppeltjes op zijn hoofd kreeg.
Thuis ging hij meteen aan de slag. Na een paar mislukte pogingen had hij, met verdraaid handschrift, het volgende op papier gezet.
De bezetter moet weten dat in het gebouwtje van het Groene Kruis wapens zijn verborgen.
W.
Die W was om het echter te maken. Het sloeg nergens op. Hij wilde het briefje aan oom Ben laten lezen, maar die had weer eens een bevlieging van haast en wilde er meteen vandoor. Enfin, des te beter. Hoe minder een ander van je wist des te veiliger.
De volgende morgen wandelde hij naar het huis van Schafter. Hij was van plan om zich op een meter of honderd van het huis achter wat struiken te verbergen. Maar hij had geluk. Toen hij langs de kruidenier kwam, zag hij dat Schafter in de winkel stond. Mooi zo. Nu gauw doorlopen, voordat hij klaar was met z'n boodschappen. Bij Schafters huis keek hij snel om zich heen. Bekenden zag hij niet, alleen de gebruikelijke stroom trekkers vulde de weg. Snel wipte hij het hekje door en tien seconden later lag het briefje in de brievenbus. Zelfs al had een buurman hem opgemerkt dan was dat nog niet zo erg. Niemand praatte met Schafter. De man werd gemeden alsof hij een besmettelijke ziekte had.
Daarna was het afwachten geblazen. De eerste vierentwintig uur kon Michiel zijn ogen haast niet van het gebouwtje van het Groene Kruis afhouden. Als hij thuis was, liep hij steeds even naar het raam om te kijken of er iets gebeurde. Maar nee. Het gebouwtje stond daar eenzaam en onaangeroerd en zo bleef het de hele week. Geen Duitser nam de moeite er een blik op te werpen. Nu weet ik nog niks, dacht Michiel. Of Schafter is geen verrader of hij heeft de val doorzien en trapt er niet in. Oom Ben kwam weer een dagje langs en informeerde hoe het met Michiels plannetje was afgelopen. ‘Mislukt,’ zei de jeugdige vallenzetter en daar bleef het bij.
Nog een week passeerde, waarin behalve de gebruikelijke hoeveelheid ellende van de trekkers en een mislukt bombardement op de kazerne (de bommen kwamen allemaal in een weiland terecht) niets bijzonders gebeurde. En toen, vijftien dagen nadat Michiel het briefje bij Schafter in de bus had gestopt, toch nog. Op een middag kwamen ze. Een overvalwagen stopte voor het gebouw-
tje en vijf soldaten kwamen eruit. Ze trapten de deur open en gingen naar binnen. Michiel zag het allemaal vanuit de woonkamer.
‘Wat zie je toch?’ vroeg zijn moeder.
‘Een overval op het gebouwtje van het Groene Kruis.’
Mevrouw Van Beusekom kwam ook kijken.
‘Wat moeten ze daar nou? Dat huisje staat al drie jaar leeg.’
‘Ik zou 't niet weten,’ zei Michiel, maar het klonk zo triomfantelijk dat zijn moeder er even van opkeek.
Een half uur bleven de soldaten binnen. Daarna stapten ze weer in de auto en reden weg. De deur bleef half openstaan.
Morgen ga ik naar Dirk, dacht Michiel. Hij had zijn vriend niets over de valstrik verteld. Dat wilde hij pas doen als het gelukt was. Wel, dat was het nu. Er kon geen twijfel meer over bestaan dat Schafter een gemene landverrader was. Dirk moest maar bedenken hoe hij de rekening met Schafter wilde vereffenen.
Er was in de Vlank een hulpcomité, opgericht door een aantal voortvarende dames. Ze probeerden hulp te bieden aan de allerzieligste gevallen uit de trekkersstroom. Als iemand instortte en niet verder kon, werd hij opgenomen in een noodhospitaaltje waar zes bedden stonden; hij werd dan een paar dagen liefderijk verzorgd. Het meeste werk werd gedaan door Erica. Ze was er pas bijgekomen toen het comité al een tijdje bestond, maar omdat ze tijd had, jong en sterk was, en iets van verpleging afwist, werd ze al gauw een van de steunpilaren van het DC (Dames Comité). Daar stond tegenover dat ze uit de beperkte voorraden van het DC gedurende de winter de verbandmiddelen voor Jack had gepikt, iets wat goed van pas was gekomen.
Het DC had nog iets anders gedaan. Het Verenigingslokaal was ingericht als ‘hotel’. Er was stro op de grond gelegd en wie 's avonds geen onderdak kon vinden, mocht er slapen. Iedere avond van zeven uur tot één minuut voor acht was Erica in dat
lokaal. Met een paar EHBO'ers prikte ze blaren door, verbond zweren, bepleisterde open wonden. Dikwijls haalde Michiel haar af. Dat had twee voordelen. Ten eerste kon de knijpkat langer thuisblijven en ten tweede hoefde Erica dan niet alleen over straat.
Later, als Michiel terugdacht aan de oorlog, kwam vaak dat lokaaltje in zijn gedachten, de zwachtelende EHBO'ers bij een kaars en het gemurmel van stemmen in het donker. Er heerste een heel bijzondere sfeer. Enerzijds een sfeer van verdriet en ellende, anderzijds toch ook van geborgenheid, geborgenheid voor één nacht, van vriendschap en gemeenschapszin ook.
Op het kleine podium was een lichtpunt, waarbij Erica haar werk deed. Verder was het zaaltje donker; dat er mensen waren, hoorde je aan zacht geritsel van stro. Tegen achten kwam gewoonlijk de dominee. Hij ging door het middenpad op het licht af, voorzichtig, om niet op een uitstekende hand te trappen. Gebogen bij het licht, vlak boven de zweren en blaren, las hij een paar regeltjes uit een zakbijbeltje. En dan sprak hij een kort woord tegen zijn onzichtbaar gehoor. ‘Mensen, ik zie jullie niet, maar ik weet, ik vóel dat jullie er zijn. Wat hebben we elkaar nodig in tijden als deze...’
Dikwijls ging Michiel iets vroeger om naar de dominee te luisteren. Naar de kerk ging hij bijna nooit, maar in het lokaaltje, dat was anders. Daar sprak de dominee niet over de mensen heen, maar tégen ze. Gek, het was net alsof de mensen iets terugzeiden met hun geadem en geritsel.
Iedere keer weer was Michiel er verwonderd over dat er niemand vanuit de duisternis riep: ‘Man, hoepel toch op met je vrome praatjes.’ Niemand zei ook: ‘Ik ben katholiek of gereformeerd en ik wil geen hervormde dominee horen.’ Integendeel. Ze pakten zijn hand of een slip van zijn jas en ze zeiden: ‘Dank je, dominee, wat fijn dat je gekomen bent.’ Eens was er een man die vroeg om een bladzijde uit de bijbel, één bladzijde maar. ‘Ik ben altijd
ongelovig geweest,’ zei hij, ‘maar nu moet ik iets van God bij me hebben.’
Michiel kon het niet begrijpen, maar hij had altijd het gevoel dat de mensen in het Verenigingslokaaltje tevreden waren. Waar zat 'm dat toch in? Was het omdat ze doodmoe waren van het trekken en nu hun uitgeputte leden konden strekken op het stro? Was het omdat ze het allemaal moeilijk hadden? Ze hadden toch honger. Ze waren ver van huis. De volgende dag zouden ze weer moeten sjouwen, moeten wegduiken voor vliegtuigen, zich opnieuw moeten afvragen hoe ze 's nachts aan onderdak moesten komen. Wonderlijk. Zijn vader had gelijk gehad, toen hij zei, dat oorlog betekende honger, tranen, ontberingen, angst, pijn en toch... In het Verenigingslokaaltje voelde Michiel dat je ook iets kon leren van de oorlog, dat er iets was aan die oorlog, waar hij zijn hele leven wat aan zou hebben.
De avond van de dag dat het gebouwtje van het Groene Kruis was doorzocht, stond Michiel op het punt Erica te gaan afhalen, toen er werd gebeld. Hij deed open. Hij verwachtte een trekker, maar voor zijn neus stond Schafter.
‘Dag... dag Schafter, kom binnen,’ stamelde hij.
‘Nee,’ zei Schafter.
‘Wat kan ik dan voor u doen?’
‘Naar me luisteren,’ zei Schafter. ‘Jij hebt bij mij een briefje in de bus gegooid. Ik weet niet wat je daarmee vóór hebt, maar het bevalt me niet. Vanmiddag is het gebouwtje van het Groene Kruis doorzocht. Men zegt dat er niets is gevonden.’
‘Hoe komt u erbij, dat ik een briefje bij u in de bus heb gegooid?’
‘Dat weet ik.’
‘Hoe weet u dat dan?’
‘Dat gaat je niet aan. Waarschijnlijk verdenk je me van verraad. Ik verdenk jou niet van verraad en daarom verbaast het me niet,
dat er geen wapens in het gebouwtje te vinden waren. Ik verzeker je bij deze dat ik nog nooit iets aan de Duitsers heb verraden.’
‘Maar... maar die overval op het gebouwtje van het Groene Kruis. Waarom is die overval dan geweest?’
‘Dat is het hem nou net,’ zei Schafter. ‘Daar ga jij conclusies uit trekken. Foute conclusies. Ik weet niet, waarom dat gebouwtje is overvallen. Iets anders weet ik wel: ik heb jouw onbenullige briefje in de kachel gegooid en met niemand over de inhoud ervan gesproken. Met niémand. Begrepen?’
‘Nee... eh, ja,’ hakkelde Michiel.
‘Gegroet.’
Met een nijdige schouderbeweging draaide Schafter zich om en verdween in de duisternis.
In plaats van Erica af te halen, ging Michiel naar zijn kamertje op zolder om na te denken. Een tijd lang zat hij op de rand van zijn bed in de duisternis te staren. Voor de zoveelste keer was hij in een toestand van onzekerheid en niet-begrijpen. Hoe wist Schafter dat hij dat briefje in zijn bus had gedaan? Dat wist toch niemand? Zelfs oom Ben had niet geweten, dat het om Schafter ging. Hij wist toch zéker dat Schafter in de winkel bij de kruidenier had gestaan. De buren? De een of andere voorbijganger die hem had opgemerkt? Hij had toch goed rondgekeken en niemand gezien. Hij kón zich natuurlijk vergissen, maar het was zo onwaarschijnlijk. Niemand sprak meer met Schafter. Je kon toch ook niet aannemen, dat Schafter met het briefje de buurt was afgegaan om te vragen of iemand had gezien wie dat bij hem had bezorgd. Daar was het 't briefje niet naar.
Was hij nou zo'n uilskuiken? Alles wat hij deed, liep uit de hand. Juist bij hem, Michiel. Hadden ze niet altijd van hem gezegd dat hij zo gesloten was als een oester? Hadden zijn vader en moeder niet verteld, dat hij al een geheim kon bewaren toen hij nog
maar vier jaar was? Had Erica hem niet zijn hele leven verweten, dat hij ‘nou nooit eens iets vertelde’? En toch, toch leek alles wat hij deed klaar en duidelijk, frank en vrij, onbedekt en openbaar te zijn voor iedereen - nou ja, in ieder geval voor Schafter. Had die man het tweede gezicht? Was hij helderziende?
Zijn valstrik was mislukt, dat was duidelijk. Zolang er zóveel vraagtekens overbleven, kon hij Dirk niet met zekerheid zeggen, dat Schafter de verrader was. In een neerslachtige bui ging hij naar beneden.
‘Wie was er daarstraks aan de deur?’ vroeg zijn moeder.
‘Het Kerstmannetje,’ antwoordde Michiel gemelijk.
‘Nou, Michiel...’
‘Neem me niet kwalijk, moeder. Het was iemand die onderdak zocht. Ik heb hem verwezen naar het Verenigingslokaal.’
Wat loog hij gemakkelijk, tegenwoordig. Hij draaide er zijn hand niet meer voor om.
‘Ga je Erica niet halen?’ vroeg moeder. ‘Ze heeft de knijpkat niet.’ Michiel keek op zijn horloge. Twee minuten voor acht. Het kan nog net.
Verwoed knijpend in het ding alsof die het allemaal kon helpen, holde hij de deur uit.